Het leven van Kierkegaard

n.a.v. Walter Lowrie, Het leven van Kierkegaard, Utrecht/Antwerpen 1959

Kopenhagen 19e eeuw
Søren Aabye Kierkegaard werd op 5 mei 1813 te Kopenhagen geboren. Hij zou hier zijn hele leven doorbrengen en er sterven op 4 november 1855. Wat was Kopenhagen voor een stad? Klein: tweehonderdduizend inwoners. Wel was het dé stad van Denemarken, qua schoonheid, gebouwen, paleizen en parken. Het was nog een kleine stad, die nog geen centrum van industrie was geworden, een stad die fris bleef. Kierkegaard kende zeer veel mensen in deze stad, in ieder geval de belangrijksten. Toen hij eenmaal was begonnen te schrijven en er zo zeer in opging dat hij nog maar zelden iemand bij zich binnenliet, speelde zijn gezelschapsleven zich op straat af. Daar maakte hij de vele wandelingen die zijn enige ontspanning waren. Hij praatte er vriendelijk met iedereen. ‘Ik heb plezier in het leven en in de kleine wereld die mij omringd’. Kopenhagen was volgens hem een stad ‘groot genoeg om een wereldstad te zijn, klein genoeg om de mensen niet tot marktwaar te verlagen’.

Paraplu tegen de zon
Het beste bewijs van Kierkegaards liefde voor Kopenhagen is het feit dat hij het bijna nooit verliet behalve voor rijtoertjes in de omgeving. Eenmaal heeft hij bijna vijf maanden in Berlijn doorgebracht. Geen enkele andere buitenlandse stad heeft hij ooit bezocht. Hoewel hij zei: ‘Ik ben dichter, ik moet reizen’, kwam daar niets van. Sommigen vragen zich af of hij niet genezen zou zijn van zijn zwaarmoedigheid als hij eens een bezoek had gebracht aan een land als Italië. Maar Kierkegaard kon niet tegen hitte. Hij hield niet van helder zonlicht en had altijd zijn beroemde paraplu bij zich om hem ertegen te beschermen! De herfst was zijn favoriete jaargetijde. De uitjes die hij maakte beleefde hij intens. ‘De heide moet wel bijzonder geschikt zijn om sterke geesten te vormen. Hier ligt alles naakt en ongesluierd voor God; hier is geen plaats voor de vele afleidingen (…) Waarlijk, hier op de heide kan men terecht zeggen: “Waarheen zou ik vlieden voor Uw aangezicht?”’

Zijn vader
De naam Søren is afgeleid van Severinus, een heilige uit de 5e eeuw. Sørensen is nog steeds één van de bekendste achternamen in Denemarken. Maar als voornaam is het weinig meer in trek. De volkse spotternij waaronder de grootste schrijver van Denemarken werd bedolven, heeft deze naam zo belachelijk gemaakt, dat ‘wees geen Søren’ een waarschuwing voor de kinderen werd. De vader van Kierkegaard was een rijk man met een groot huis en levend in patriarchale eenvoud; hij bestuurde zijn talrijk gezin met ouderwetse gestrengheid. Hij was diep godsdienstig en voedde zijn kinderen op in de vreze des Heeren. Hij bleef trouw aan de staatskerk, maar bezocht ook herhaaldelijk de bijeenkomsten van de Moravische Broeders. Zijn eigen diepe zwaarmoedigheid drukte op zijn godsdienstigheid een stempel van strengheid en somberheid, wat funest was voor zijn kinderen en vooral voor Søren.

Krankzinnig?
Het is bevreemdend en duidt op weinig goeds dat terwijl Kierkegaard in zijn dagboek en in zijn werken zoveel heeft te vertellen over zijn vader, zijn moeder nergens ook maar genoemd wordt. Wel zegt hij ergens dat zijn vader was ‘de zwaarmoedigste mens, die ik ooit heb gekend’, en zijn moeder tegengesteld, en dat hij van haar zijn vrolijkheid had. Verder heeft zijn moeder dus geen persoonlijke invloed op hem gehad. De meeste gezinsleden bij de Kierkegaards stierven jong. Zouden ze lichamelijk zwakker zijn geweest dan normaal? Daarom wordt van Kierkegaard ook wel gezegd dat hij krankzinnig was, dat hij in ieder geval geestelijk niet helemaal normaal was. Kierkegaard haalt echter Aristoteles aan, die zegt dat er nooit een genie heeft bestaan, die niet één of andere afwijking had. Nadat Kierkegaard tevergeefs hulp had gezocht bij doktoren, werd hij dokter van zijn eigen ziel.

God in zijn hart geplant
Kierkegaard heeft er een kwaadaardig genoegen in gehad zijn levensbeschrijvers puzzels na te laten. We zouden de Hegeliaanse formule op hem kunnen toepassen: stelling (kinderlijk geloof), tegenstelling (opstand tegen God), verzoening (met God en met zijn vader). Kierkegaard heeft een gewone, gelukkige jeugd gehad. Waarschijnlijk leed hij toen nog niet aan zwaarmoedigheid. Godsdienstige opvoeding ontving hij van zijn vader, en hoe verkeerd die ook was, God werd onuitwisbaar in zijn hart geplant. Vader Kierkegaard had een duidelijke voorliefde voor zijn jongste zoon, Søren, die al jong vrijpostig was. Zijn polemische aard werd in zijn kinderjaren wel openbaar. Hij werd bijvoorbeeld ‘vork’ genoemd omdat hij eens had gezegd: ‘Ik ben een vork en ik zal jullie steken’. Als kind kostte hem dit menige bloedneus. Hij is nooit bang geweest zijn treiterende grapjes te richten op makkers die lichamelijk sterker waren dan hij.

Zijn jeugd
Vader liet Søren kleren dragen die altijd hetzelfde waren: van ruwe stof en donker. Geen enkele ander jongen had zulke kleren aan. Dit moet een kwelling voor hem geweest zijn. In zijn studentenjaren zou hij enorme rekeningen hebben bij de kleermaker. Kierkegaard was een erg zwak kind. Wellicht had hij een kromming in zijn ruggengraat. Het gevoel van lichamelijke minderwaardigheid is voor hem heel zijn leven door een hevige kwelling geweest. Hij sprak van ‘een wanverhouding tussen mijn ziel en mijn lichaam’. ‘Ik was al een oude man, toen ik geboren werd’, zo zegt hij zelfs. ‘Teergevoelig, mager en zwak (…) had ik één ding: een buitengewoon spitse geest’. Zijn vaderlijke huis bood niet veel afleiding; omdat hij bijna nooit uitging, raakte hij er al vroeg aan gewend zich met zichzelf en zijn eigen gedachten bezig te houden. Op de wandeltochtjes had hij plezier in gevulde ruimte. Zijn verbeelding was zo productief dat zij verder kon met heel weinig. Voor het raam van de huiskamer stonden een paar grassprietjes. Dat was genoeg voor Kierkegaard om over na te denken.

Godsdienstige opvoeding
Ondanks zijn natuurlijke onafhankelijkheid van aard werd Søren in buitengewoon hoge mate door zijn vader beïnvloed. Zijn vader was erop uit vooral zijn jongste zoon de meest beslissende opvattingen van het christendom in te prenten. Later zou Kierkegaard de opvoeding van zijn vader ‘krankzinnig’ noemen. ‘Een kind, krankzinnig vermomd als een zwaarmoedige oude man. Vreselijk!’ Vader Kierkegaard beschouwde zijn jongste zoon niet alleen als een Benjamin, maar ook als een Izak, de zoon die geofferd moest worden om de vader van zonde te reinigen. Ook zegt Kierkegaard:

Het gevaarlijkste is niet dat de vader een vrijdenker is, en zelfs niet dat hij een huichelaar is. Nee, het gevaarlijkste is dat hij een vroom en godvruchtig mens is, dat het kind daar innig en diep van overtuigd is en ondanks alles merkt, dat er diep in zijn ziel een onrust schuilt, zodat zelfs godsvrucht en vroomheid geen vrede kunnen schenken. Het gevaar is juist hierin gelegen dat het kind bijna gedwongen wordt uit deze verhouding conclusies te trekken met betrekking tot God, namelijk dat God toch niet de oneindig Liefdevolle is.

Rampspoed over het gezin
Toen Kierkegaard twintig jaar oud was, begon hij met het dagboek dat één van de beroemdste documenten van dit soort zou worden. Hij had ‘een sterke afkeer om toevallige waarnemingen op te tekenen’; grotendeels waren het tijdloze gedachten. Kierkegaard begon vrijer te leven, zijn interesses werden wijder, zijn ouderlijk huis werd nu nauw. Ramp op ramp trof het gezin. Een 12-jarig broertje was al in 1819 gestorven, in 1822 stierf een 24-jarige zus, maar vanaf 1832 werd het helemaal erg: een 33-jarige zus stierf, een 25-jarige broer in 1833, moeder stierf in 1834, in datzelfde jaar een 33-jarige zus. Slechts twee kinderen bleven er over: de oudste en de jongste, Peter en Søren. Geen van hen zou ouder worden dan 34! De zwaarmoedigheid van vader nam onder dit alles ontzaglijk toe. Hij gebruikte de woorden uit Job: ‘De HEERE heeft gegeven, de HEERE heeft genomen, de Naam des HEEREN zij geloofd’. Hij wist zich een zondaar in de handen van een vertoornde God. Søren dacht meer aan de thema’s van het Griekse tragedie (‘Omdat de goden mij haten’).

Een verpletterende ervaring
Een verpletterende ervaring op zijn 22e verjaardag maakte een einde aan Kierkegaards kinderjaren, sloot een periode af. Wat is er gebeurd? Het is moeilijk na te gaan. ‘Na mijn dood zal niemand in mijn papieren (dat is mijn troost) enige opheldering vinden over hetgeen werkelijk mijn leven vervuld heeft’, zo zegt hij. Wat we wel weten is dat het iets van zijn vader betrof, een schuld van zijn vader, een geheim, dat niet openbaar mocht komen. Waarschijnlijk is het volgende gebeurd: toen vader Kierkegaard nog een jongen van 11 was, hoedde hij schapen op de Jutlandse heide. Hij leed hier veel onder honger, koude en eenzaamheid. Eens ging hij in zijn wanhoop op een hoogte staan, hief zijn handen ten hemel en vervloekte God die als Hij werkelijk bestond, zo hardvochtig kon zijn een hulpeloos, onschuldig kind zoveel te laten lijden zonder het te hulp te komen. Toen vader Kierkegaard uiteindelijk later in zijn leven rijk werd en zag dat zijn kinderen begaafd waren, namen hevige angst en vrees volledig bezit van zijn ziel. Was dit niet de zonde tegen de Heilige Geest? Daarom legde hij op hun nog zo jonge schouders de zwaarste eisen van het christendom. Ook vaders morele strengheid uit zijn latere jaren kan heel goed een reactie zijn op de losbandigheid en zinnelijkheid uit een vroegere periode.

Bevrijding
Waarschijnlijk heeft vader Kierkegaard aan zijn zoon een soort belijdenis gedaan bij gelegenheid van zijn 22e verjaardag; de verjaardag was in die tijd één van de weinige gelegenheden waarbij de vader een vertrouwelijk gesprek met zijn zoon kon voeren. Deze grote aardbeving verpletterende Kierkegaard tot in het diepst van zijn wezen. Tegelijk bevrijdde zij hem van de invloed van zijn vader en maakte hem tot een vrij man. Vooreerst overheerste een uitbundig gevoel van vrijheid. Zijn vader voorzag hem ruim van de middelen voor een zomervakantie van twee maanden in Noord-Seeland. Deze vakantie was een kostbaar geschenk. Deze stadsjongen met de ziel van een dichter had toen voor het eerst van zijn leven gelegenheid het leven op het land mee te maken. Hij kreeg toen pas oog voor de schoonheden daarvan. Toen begon hij ook met de lange rijtoeren die zijn voornaamste ontspanning zouden worden.

Tussenbalans van zijn leven
‘Het komt erop aan mijn bestemming te begrijpen; te weten te komen wat God wil, dat ik doe; het gaat erom de waarheid te vinden, die waarheid is voor mij; de idee te vinden waarvoor ik bereid ben te leven en te sterven’. Dit zijn bekende woorden van Kierkegaard die hij in deze fase van zijn leven uitsprak. ‘Zeer zeker ben ik bereid een imperatief van het kennen te aanvaarden en toe te geven dat mensen hierdoor beïnvloed kunnen worden; maar dan moet het levend in mij belichaamd worden – en dat is het dat ik nu voor de hoofdzaak houd. Daarnaar dorst mijn ziel, zoals de woestijnen van Afrika dorsten naar water. Dat was het wat mij ontbrak, de ervaring een volkomen menselijk leven te leiden en niet alleen maar een leven van kennis’. Bijna nooit heeft een jongeman zo weloverwogen, zo volledig en zo wijs de balans van zijn eigen leven opgemaakt. Iedereen die de werken van Kierkegaard kent, zal toegeven dat de woorden waarop hij hier de nadruk legt, de richting aangeven van zijn later denken, dat dan naar voren komt in uitdrukkingen als ‘de subjectiviteit is de waarheid’, ‘eigen maken’ en ‘reduplicatie van de waarheid’.

Kierkegaards vrijmaking
Kierkegaard had zich dus vrijgemaakt. Hij voelde zich vrolijk dat hij dit gedaan had; hij had zich niet alleen vrijgemaakt van zijn vader, maar ook van…God. Pas later zou hij begrijpen dat zijn houding een uitdaging was en zijn twijfel opstand. ‘Het is zo moeilijk om te geloven’, zei hij, ‘omdat het zo moeilijk is te gehoorzamen’. In deze periode van ‘blijde onafhankelijkheid’ wist hij zijn geest ‘zo rijk mogelijk te ontwikkelen’. Hij raakte zeer snel verwijderd van het christendom. Hij schrijft ergens dat ‘de fundamentele stellingen van het christendom voorlopig in dubio moeten worden gelaten’. Voor een student theologie (want dat was hij) nog al een vreemde uitspraak. Verder zei hij: ‘Filosofie en christendom kunnen nooit verenigd worden’. Later zou hij ditzelfde beweren, maar dan in andere zin: ‘Weg met de bespiegeling! Het christendom blijft, maar de filosofie moet overboord.’ Hierin is Kierkegaard de vader van de moderne existentiefilosofie. Maar hier bedoelde hij toch echt dat het christendom verworpen moest worden omdat het nooit te verzoenen is met de wijsbegeerte. Hij ergerde zich er vooral aan dat het christendom de deugden van de heidenen als ‘schitterend kwaad’ beschouwden (blinkende zonden zouden wij zeggen).

Koortsachtige bezieling
Aan het christendom schrijft hij bekrompenheid toe, welke hij vond in de stoffige atmosfeer bij hem thuis. Hij geeft voorkeur aan het heidens of humanistisch ideaal. Het christendom noemt hij een ‘paardenmiddel’ en dat het een ‘vertwijfelde sprong’ vereist. Het onmiddellijke gevolg van zijn plotselinge vrijwording was een koortsachtige bezieling. Hij ging actief deelnemen aan het studentenleven. Hij schreef politiek artikelen (verder zou hij zich nooit met de politiek gaan bezighouden). Hij was uitgesproken conservatief en dat zou hij altijd blijven, ondanks zijn latere aanvallen op de staatskerk. Hij verzette zich tegen de pogingen op Denemarken de abstracte theorieën van de Franse Revolutie toe te passen zonder rekening te houden met de aard van het noordse ras, de geschiedenis van de natie en de instellingen die ontstaan waren overeenkomstig de aanleg van het volk.

Innerlijk verscheurd, angst
‘Innerlijk verscheurd als ik was (…) was het niet te verwonderen dat ik in hopeloze vertwijfeling alleen greep naar de verstandelijke zijde van de menselijke natuur’. Later zou Kierkegaard het ‘de schipbreuk der vrijheid’ noemen. Door eigen ervaring heeft hij ontdekt dat het ‘esthetische leven’ (een leven louter omwille van het genot), zelfs al zou het verstandelijk genot zijn, leidt tot vertwijfeling. In 1844 verscheen Het begrip angst, wat een diepgaande psychologische diagnose van zijn ziekte in deze tijd was, van de angst, die hem dreef tot vertwijfeling en zonde. Hij was gedoemd slechts kort te leven en het sombere familiegeheim maakte het hem onmogelijk, zo vond hij, om te trouwen. ‘Elke zonde begint met vrees (…) Angst is als het oog van de slang, dat afstoot en toch aantrekt’, zo zegt hij. Studie naar middeleeuwse legenden als Faust en Don Juan gaven hem voor het eerst enig idee van het demonische element in het menselijk leven. Kierkegaard ging zich ook bezig houden met de studie van de ironie, en een boek daarover kwam uit in 1841.

Val dieper en dieper
Søren leefde als student als een rijk man. De kleermaker, de herenmodezaak, de boekhandel, de boekbinder, de sigarenwinkel, de koffiehuizen en restaurants: hij kon zijn rekening onbeperkt laten oplopen en deed dat ook. Zijn vader betaalde wel. Hij was op grote schaal verkwistend. Kierkegaard viel almaar dieper. Zelfs dronkenschap en gedachten aan zelfmoord komen voor. Ook schijnt hij, toen hij dronken was, door kwaadwillenden bij een prostituee gelegd te zijn. Kierkegaard nam de erfzonde ernstig als geen ander. En geen wonder, want hij heeft haar ervaren als verbondenheid met de schuld van zijn vader. Was Kierkegaards schuldgevoel ziekelijk? In De ziekte tot de dood (1849) schreef hij: ‘Zonde is: voor God in wanhoop niet zichzelf willen zijn, of: voor God in wanhoop zichzelf willen zijn’. Een definitie van de zonde kan volgens hem nooit té geestelijk zijn, want zonde is juist een kwalificatie van de geest.

Nog steeds op het pad des verderfs
In zijn dagboek blijkt duidelijk dat Kierkegaard onmiddellijk na zijn val erover begon na te denken, hoe hij weer overeind zou kunnen krabbelen. Hij heeft veel morele besluiten genomen; maar zovele zouden niet nodig zijn geweest, als hij niet voortdurend hervallen was. ‘Zo leidde ik mijn leven verder – ingewijd in alle mogelijke genoegens, toch nooit werkelijk genietend (…) mij inspannend om de indruk te wekken dat ik aan het genieten was (…) Echt leven deed ik niet. Ik werd heen en weer geslingerd in het leven’. Kierkegaard bevond zich dus nog steeds op het pad des verderfs – alleen probeert hij terug te keren. Hij was zich van zijn toestand scherp bewust. ‘De ommekeer gaat langzaam. Men moet terug langs de weg waarlangs men gekomen is’. Kierkegaard haalt dan een sprookje aan waar de betovering alleen verbroken kon worden door zonder een enkele vergissing hetzelfde stuk muziek als waardoor men betoverd werd, van achteren naar voren te spelen.

De machtige trompet van het ontwaken klinkt, maar slaat nog niet aan
Gelukkig voor Kierkegaard kwam er hulp van buiten: Paul Møller, een leraar. De ‘machtige trompet van zijn ontwaken’ begon te blazen. Het lezen van George Hamann gaf de tweede trompetstoot. Ondertussen ging alles precies als tevoren, dus slecht. Ook al neemt hij ernstige besluiten, hij doet geen pogingen het uit te voeren. Van 1836 tot 1838 blijft de breuk met zijn vader; in zekere zin bleef hij wonen in het huis van zijn vader, maar hij at dikwijls elders. In 1837 verliet hij het ouderlijke huis en kreeg een kamer in de stad. Zijn vader was zeer edelmoedig voor hem en betaalde ruimschoots de kosten. Kierkegaard was een begaafde maar onbeschaamde jongeman, die zijn scherp verstand gebruikte om zijn kameraden te kwetsen en over hen te zegevieren, geen medegevoel toonde, maar naast het leven stond en er laatdunkend op neerzag. Kierkegaard had waarschijnlijk een rauwe, krakende stem. Zijn spreken in het openbaar was niet erg aangenaam om naar te luisteren en hij sloeg bij een te grote inspanning vaak met zijn stem over.

Regine Olsen: begin van een tragedie
Kierkegaard blijft worstelen. ‘Ach, maar wat baat het een mens zo hij de hele wereld zou winnen, maar schade zou lijden aan zijn ziel!’ Temidden van zijn grote eenzaamheid ontmoet hij een 14-jarig meisje, Regine Olsen, op wie hij wanhopig verliefd werd. Hij was tien jaar ouder. Maar Kierkegaard had al eerder een besluit genomen om in dit leven geen vertrouwelijke contacten te leggen en zeker niet met vrouwen omdat hij nu eenmaal gedoemd was binnen een paar jaar te sterven en door het geheim van zijn vader en zijn eigen schuld uitgesloten was van het huwelijk. Dit alles bracht hem op de drempel van waanzinnigheid. Er begon een liefde die voorbestemd was te eindigen in een tragedie.

Nog steeds gesloten deuren
Kierkegaard stortte zich met de grootst mogelijk geestdrift op de filosofiestudie, een studie waarin al zijn verspreide interesses samenkwamen. De filosofie was voor hem een oefening voor zijn verstand, met de hartstocht van de persoonlijke belangstelling. Voor zijn eigen gebruik bestudeerde hij haar: met het oogmerk in zijn leven een betekenis te ontdekken. Hij wierp zich op de studie van Hegel. Langzamerhand bevredigde het hegelianisme hem niet meer, omdat het hem geen werkelijkheid verschafte. ‘Het is bijna net als het lezen van een kookboek voor iemand die honger heeft’. Zijn latere werken waren ofwel uitdrukkelijk, ofwel impliciet een weerlegging van deze filosofie. Christendom en filosofie ziet Kierkegaard in deze tijd als schop en hark; ze hoeven niet bang te zijn voor elkaar. Een Joods edict uit de 1e eeuw v.Chr. luidt: ‘Vervloekt zij hij die zwijnen houdt en zijn zoon Griekse wijsheid leert’. Kierkegaard zegt hierbij: ‘Het christendom zal zich niet bezighouden met de wijsgerige stelsels, al zijn zij bereid de buit ermee te delen; het kan niet dulden dat de koning van Sodom zou zeggen: ik heb Abraham rijk gemaakt’. Dit waren zijn woorden ná zijn ontwaken uit de slaap. Een maand vóór zijn religieuze ervaring zei Kierkegaard: ‘Indien Christus in mij Zijn intrek zal komen nemen, dan zal het moeten zijn als in de evangelietekst voor vandaag in de almanak: “Christus komt binnen door gesloten deuren”’.

Verzoening met zijn vader
Op zijn 25e verjaardag vond de verzoening van Søren met zijn vader plaats. Vader was nu een oude man, 82 jaar oud. Alle moed en kracht die hij nog had, heeft hij bijeengeraapt om hem al zijn zonden volledig op te biechten. Søren voelde zich bij deze gelegenheid ook ertoe gedrongen zijn vader vergiffenis te vragen. De oude man wist dat het de ontdekking of het vermoeden van zijn slechte levenswandel was geweest, die zijn zoon had verdreven van huis en van God. Kierkegaard zelf heeft opgemerkt dat een pijnlijke gebeurtenis lang niet zo verschrikkelijk is als het voorgevoel ervan. Vader probeerde te laten zien hoe diep zijn berouw was, kortom dat hij christen was en geen huichelaar. Hij zei dat de godsdienstige opvoeding ingegeven werd door liefde. Voortaan was dit Kierkegaards verklaring van de ‘krankzinnige’ wijze waarop zijn vader hem had opgevoed. En hoe had hij dit anders kunnen begrijpen als hij het niet van zijn vader gehoord had? De hereniging met zijn vader was niet alleen volkomen, ook blijvend. Søren keerde terug naar God door naar zijn vader terug te keren. De veronderstelling ligt voor de hand dat zijn verzoening met zijn vader een gevolg was van zijn verzoening met God. Kierkegaard zag zijn afvalligheid van het christendom niet langer meer als verstandelijke twijfel, maar als rebellie. ‘Men wil ons doen geloven dat de bezwaren tegen het christendom voortkomen uit twijfel. Dit is altijd een misvatting. Bezwaren tegen het christendom komen voort uit weerspannigheid, onwilligheid om te gehoorzamen, opstand tegen alle gezag.’

Onbeschrijflijke vreugde
‘Er is zoiets als een onbeschrijflijke vreugde die ons even onverklaarbaar doorgloeit als de uitroep van de apostel onverwacht komt: “Verblijdt u, nog eens zeg ik, verblijdt u”’. Kierkegaard zinspeelt op Gen. 18:1 waar de Heere aan Abram verscheen bij de terebinten van Mamre, terwijl het op het heetst van de dag was en hij bij de ingang van de tent zat. Waren er dan geen ‘gesloten deuren’ meer? In zijn dagboek gaat geen enkele aantekening eraan vooraf, die ook maar in de verste verte wijst op een beslissende godsdienstige verandering in Kierkegaard. Zijn religieuze ervaring was haast een mystieke ervaring. Toch maakte Kierkegaard er nooit gebruik van. En toch was zij werkelijk voor hem. Kierkegaard was in ieder geval zeven weken na de ervaring van de onbeschrijflijke vreugde definitief weer in de kerk opgenomen. Hij ontdekte dat ‘het bewustzijn van zonde de enige manier is om het christendom binnen te treden’. Zijn vader stierf spoedig hierna. Toen zijn eigendommen verdeeld waren, bevond Kierkegaard zich in het bezit van het grote huis aan de Nieuwe Markt en van een aanzienlijk fortuin.

De grote parenthese
De periode die nu volgde was zo onbelangrijk dat hij haar beschreef als ‘de grote parenthese’. Hij was bezig met het voorbereiden van zijn theologie-examen, uit eerbied voor zijn vader. Dat was wel moeilijk voor een jongeman, die reeds was begroet als veelbelovend schrijver, om zich weer te onderwerpen aan de schoolse discipline en de interessante studies opzij moest leggen. Kierkegaard begon in deze tijd zijn persoonlijkheid te integreren en verkreeg tenslotte die ‘zuiverheid van hart’ die hij definieerde als ‘slechts één ding willen’. Het kan niet nadrukkelijk genoeg gezegd worden dat hij er nooit in geslaagd is, geïntegreerd te raken met, wat hij noemde, ‘het universele’, dat wil zeggen: de gemeenschap. Tot het einde toe bleef hij een uitzondering, in zekere zin een buitenstaander ten opzichte van het gezin, de kerk en de staat. Hij kon zich tenslotte troosten met de gedachte dat hij als zodanig een ‘correctief’ was en, helaas, een ‘offer’.

Verbroken verloving
Slechts één afleiding had hij in deze tijd: Regine. Hij was werkelijk verliefd en tot over zijn oren verliefd. Hij hoopte dat hij door middel van haar verzoend zou worden met het universele. Dit was zijn enige hoop op een gelukkig en normaal leven hier op aarde en het was een vertwijfelde hoop. Maar het zou worden wat hij zei: ‘In die tijd heb ik onbeschrijflijk geleden’. Kierkegaard leed onder de diepste zwaarmoedigheid. Hij voelde zich niet in staat te trouwen met de vrouw, van wie hij hield. Hoewel Regine alles deed om hem te bekoren, werd zijn zwaarmoedigheid versterkt door ‘haar vrouwelijke, bijna aanbiddende toewijding’. Kierkegaard besloot uiteindelijk de verhouding af te breken, hij zond zijn verlovingsring terug. Regine beschouwde deze daad als een symptoom van zijn zwaarmoedigheid en zij had nu eenmaal op zich genomen die te genezen. Heel haar familie smeekte Kierkegaard om bij haar te blijven. Zij was bereid zich onvoorwaardelijk aan hem te onderwerpen.

Kiezen tussen God of wereld
Dan gebeuren er nog raardere dingen: ‘Uit de situatie vandaan te komen als een schurk, zo mogelijk een schurk van het zuiverste water, was het enige dat ik kon doen om haar los te maken en haar op weg te krijgen naar een huwelijk (met iemand anders).’ Na korte tijd zou Regine inderdaad met een andere man trouwen. We moeten eigenlijk medelijden met Kierkegaard hebben. Hij hield van haar maar kon haar niet huwen vanwege zijn geheim. Kierkegaard stierf dagelijks, hoewel hij hierna nog 14 jaar leefde. In Kopenhagen verwekte het gedrag van Kierkegaard een groot schandaal. Hij vertrok daarom naar Berlijn voor een langere tijd. ‘Ik moest mij storten in verderf en zinnelijkheid, ofwel ik moest het godsdienstige kiezen als volstrekt het enige – óf de wereld in een mate die verschrikkelijk zou zijn, óf het klooster’. Voor Kierkegaard was het onmogelijk ‘slechts tot op zekere hoogte godsdienstig te zijn’. Elders zegt hij: ‘Mijn verloving met haar en het afbreken ervan is werkelijk mijn verhouding tot God, mijn verloving met God, als ik het zo mag zeggen’.

Zoveel mogelijk bespot willen worden
Kierkegaard ging iedere dag tien minuten naar de schouwburg, geen minuut langer. ‘Algemeen bekend als ik was, rekende ik erop dat er verschillende kletskousen in de schouwburg zouden zijn, die verder zouden vertellen: “Hij is iedere avond in het theater, hij doet niets anders.” In dit feit was het omwille van mijn vroegere verloofde dat ik dit deed. Het was mijn zwaarmoedige wens zoveel mogelijk bespot te worden, alleen om haar te dienen, alleen opdat zij in staat zou zijn een weerstand op te werpen’. Op Pasen had er een voorval plaats, dat opnieuw een andere richting aan zijn leven gaf. In de kerk knikte Regine hem toe. ‘Ik wist niet of het een smeekbede was of vergiffenis, maar in ieder geval was het zo vriendelijk. God gave dat zij het niet gedaan had. Nu is anderhalf jaar vol lijden vergeefs geweest, al mijn vreselijke inspanningen – zij gelooft nog altijd niet dat ik een bedrieger was, zij gelooft in mij.’ Weer ontsnapte Kierkegaard voor een tijd naar Berlijn.

Van filosofie naar theologie
Waarom schreef Kierkegaard steeds onder een pseudoniem? Dat was misschien de gewoonte van de romantici in die tijd. Ook kan zijn voorliefde voor intrige (slinkse methode om je doel te bereiken) een rol hebben gespeeld. In zijn pseudoniemen kwam de kernspreuk van Socrates duidelijk naar voren: ‘Ken uzelf’. Zijn pseudoniemen waren dan ook meestal personificaties van aspecten. Kierkegaard dacht rond deze tijd dat hij zijn laatste filosofische boek nu wel geschreven had. Nu zou hij een religieus schrijver worden, in veel diepere zin dan hij al was als auteur van stichtelijke redevoeringen. Hij meende dat het een grootmoedig gebaar zou zijn zich terug te trekken, nu zijn roem als schrijver op het hoogst gestegen was, en een kleine parochie op het platteland te aanvaarden. Later zou hij dit weer uit zijn hoofd zetten. Hij bleef wel als schrijver op zijn post, zich er nu van bewust dat hij als schrijver een religieus werk te verrichten had. Steeds christelijker en steeds minder algemeen religieus werden zijn werken.

Subjectief, existentieel denken
Het gaat er volgens Kierkegaard om ‘hoe kan Ik christen worden’. ‘Alleen de waarheid die sticht, is waarheid voor jou.’ Verder zegt hij: ‘Objectieve onzekerheid, vastgehouden door de persoonlijke toe-eigening van de meest hartstochtelijke innerlijkheid is de waarheid, de hoogste waarheid, die er is voor een bestaand individu’. Het geloof is ‘een zweven boven een diepte van 70.000 vadem water’. De gelovige moet tevreden zijn met ‘een strijdende zekerheid’. ‘Zonder risico is er geen geloof’. Dit ‘subjectieve’ denken wordt wel beschreven als ‘existentieel’ denken. Existeren betekent niet eenvoudig zijn, maar komen uit. ‘Het is onmogelijk te existeren zonder hartstocht’. Kierkegaard reflecteert waar Descartes aanvaardt, en aanvaardt waar Descartes reflecteert. Hij heeft zijn uitgangspunt genomen in iets dat dieper gaat dan een abstracte verstandelijke twijfel, namelijk in een concrete persoonlijke wanhoop. Het is heel makkelijk het begrip ‘sprong’ van Kierkegaard verkeerd te verstaan. De sprong is een beslissende keuze en als zodanig is het een uitdrukking van de wil. Maar dit houdt niet een tegenstelling tussen verstand en wil in. Kierkegaard spreekt voortdurend over christen worden, zelden over christen zijn. Kierkegaard beweerde dat er geen bewijs is voor het geloof, geen dwang om te geloven.

Nog steeds in leven
Kierkegaard werd 43 jaar en was nog steeds in leven; dit verbaasde hem. Zwaarmoedig als hij was dacht hij dat hij niet oud zou worden. In de verwachting vroeg te sterven had hij al een groot deel van zijn vermogen verbruikt. Zou zijn vermogen toereikend zijn nu hij langer leefde dan hij dacht? Juist toen hij zijn laatste geld van de bank had gehaald, viel hij verlamd neer op straat en stierf binnen een paar weken! Kierkegaard hield altijd een knecht en een huishoudster. Hij verdedigde zich door te zeggen dat hij luxe nodig had om zichzelf in de stemming te houden voor een dergelijke ontzaglijke productie. Hij heeft wel geprobeerd om ascetisch te leven, maar dat lukte hem niet. Toen een Deens predikant, P.A. Adler, verklaarde een ingeving van Christus te hebben gehad, werd hij afgezet. Kierkegaard zei: ‘…Dat hij als heiden christelijk predikant is geworden en werd ontslagen, toen hij iets dichter gekomen was bij de ervaring van het christen worden’. Kierkegaard wilde trouwens ook dat het buitengewone ambt van profeet in de kerk terug zou komen. Zijn aanval op de staatskerk was fel en hij verwachtte hiervoor ter dood te worden gebracht.

Strijden tegen de zwaarmoedigheid
In 1848 was Kierkegaard een oud man (35 jaar) en toch niet te oud om een diepgaande verandering te ervaren. Dit jaar vormde het hoogtepunt van zijn intellectuele productiviteit. ‘God heeft mij tot stilstand gebracht. Hij veroorloofde mij een taak op mij te nemen.’ Kierkegaard zegt ergens: ‘Ik voel mij nu gedrongen tot mijzelf te komen in een diepere zin, dichter bij God te komen door mijzelf te begrijpen. Ik moet op mijn post blijven en innerlijk vernieuwd worden. Ik moet proberen mijn zwaarmoedigheid beter in bedwang te houden (…) Ik dank Hem telkens weer dat Hij voor mij oneindig veel meer heeft gedaan dan ik had verwacht’. Kierkegaard probeerde zijn zwaarmoedigheid beter onder controle te houden door ‘tezamen met God de gedachte aan mijn zwaarmoedigheid volkomen te doordenken. Op die manier kan mijn zwaarmoedigheid verlicht worden en het christendom dichter bij mij komen’. Met name de werkelijkheid van Gods vergeving, dat Hij ook vergeet, was een beslissende ervaring voor hem.

Opnieuw een metamorfose
Opeens zegt hij, in de Stille Week van 1848: ‘Heel mijn wezen is veranderd. Mijn geslotenheid, mijn introversie is gebroken – ik moet spreken. Grote God, wees mij genadig!’ Kierkegaard wordt al optimistischer: ‘Nu zal ik met Gods hulp mijzelf worden, ik geloof nu dat Christus mij zal helpen over mijn zwaarmoedigheid te zegevieren en dan zal ik predikant worden.’ Dit is van korte duur. Op Paasmaandag schrijft hij: ‘Zoveel gelovend vertrouwen kan ik nog niet vinden dat ik die smartelijke herinnering kan weg-geloven. Maar in geloof verweer ik mij tegen de vertwijfeling, draag de smart en de straf der geslotenheid’. Zijn dagboek neemt toe, terwijl zijn publicaties veel minder worden. Het is pijnlijk te zien hoe Kierkegaard voortdurend terugvalt. Hij leerde ook dat geloven in de vergeving der zonden een moeten was: ‘Gij zult geloven in de vergeving der zonden’. Kierkegaard ging boeken schrijven met aanvallen op het gemakzuchtige christendom, zoals het voorkwam in de staatskerk. Kierkegaard zegt: ‘Ieder voor zich moet zich in rustige innerlijkheid voor God vernederen tot het besef wat het is in de meest strikte zin christen te zijn, openhartig voor God toegeven hoe het met hem staat, zodat hij de genade kan ontvangen, die iedereen die onvolmaakt is, wordt aangeboden, dat wil zeggen: iedereen.’

De christenheid verloochent Christus
Kierkegaard was ondanks alles een vastberaden man. Zijn leven zou eindigen in vastberaden handelen dat hij zag als de beslissende taak hem toegewezen in de dienst van God en de mensen. ‘Waarop de nadruk moet gelegd worden, is de navolging van Christus’, maar dan wel ‘zonder gezag’. Professor Martensen en bisschop Mynster werden het eerst het voorwerp van Kierkegaards aanvallen omdat zij nu eenmaal de meest vooraanstaande vertegenwoordigers van de staatskerk waren. Hij beweert dat ‘de professor’ een latere christelijke uitvinding is, in de tijd dat het christendom achteruit begon te gaan en het hoogtepunt van de opmars van ‘de professor’ valt precies samen met zijn tijd waarin het christendom volkomen wordt afgeschaft. Kierkegaard vergelijkt de christenen van zijn dagen met Judas Iskarioth. Judas werd dan wel zo zwart mogelijk afgeschilderd, omdat hij Jezus voor geld verried, maar tegenwoordig is het zo, zegt Kierkegaard, dat de christen Hem verraad door zijn eigen voorwaarden aan hem op te leggen: hij wil zijn eigen leven blijven leiden en Hem niet navolgen in Zijn lijden. Kierkegaard zegt verder:

Stel je voor een heel groot schip, veronderstel dat er plaats is voor duizend passagiers en dat het natuurlijk zo gerieflijk, comfortabel en luxueus mogelijk is ingericht. Het loopt tegen de avond. In de kajuit houdt men een feestje. Boven op de brug staat de kapitein, hij ziet een wit vlekje aan de horizon: ‘Het wordt een verschrikkelijke nacht’. Hij gaat naar zijn hut en leest uit de Bijbel de tekst: ‘In deze nacht zal men uw ziel van u eisen’. Benedendeks gaat het er nog steeds vrolijk aan toe. Is dat niet verschrikkelijk? Niemand ziet het witte vlekje of raadt wat het betekent. Slechts één is het die het ziet en het weet. Hij heeft het recht om te bevelen op het schip maar is niet in staat iets beslissends te doen. Het is verschrikkelijk dat de kapitein de enige is, die weet wat hun te wachten staat. Mar het is verschrikkelijker als de enige die het ziet en weet een…passagier is.

Kierkegaard vergelijkt het christendom ook met een vesting:

Stel je voor een vesting, absoluut onneembaar, met voorraden voor de eeuwigheid. Er komt een nieuwe commandant. Hij denkt dat het een goed idee zou zijn bruggen te bouwen over de grachten, zodat hij de belegeraars zal kunnen aanvallen. Charmant! Hij verandert de vesting in een landgoed – en natuurlijk neemt de vijand het in. Zo is het met het christendom. Men heeft de methode veranderd – en natuurlijk heeft de wereld overwonnen!

Het christendom bestaat niet meer
Het christendom bestond niet meer, zo vond Kierkegaard. ‘O Luther, je had 95 stellingen (…) ik heb slechts één thesis’, en dat was dus de stelling dat het christendom niet meer bestaat. Zijn aanval was op de Deense staatskerk en impliciet op het christendom als geheel, overal waar het christendom het zich in de luwte gemakkelijk had gemaakt. ‘Als de bom barst, moet het zo zijn’. Kierkegaard wachtte met zijn aanvallen toen de oude bisschop Mynster dood was. Hij wachtte tevens met zijn kritiek totdat Martensen hem opgevolgd was, zodat zijn benoeming niet in gevaar zou komen. Het vlijmscherpe artikel tegen die twee verwekte een ontzaglijk opwinding en verbazing. Men had Kierkegaard immers altijd gekend als een conservatief, een loyale aanhanger van kerk en staat. Het feit dat hij midden in de aanval gestorven is, doet sommigen vermoeden dat dit allemaal een symptoom was van zijn ziekte.

Een nieuwe reformatie nodig
Kierkegaard vond dat de mensen zichzelf voor de gek hielden als ze dachten dat hun christendom overeenkomstig het Nieuwe Testament was. Het verwarde Kierkegaard dat hij niet met geweld werd lastig gevallen om zijn kritiek. Dit zou zijn zaak tot voordeel gestrekt hebben. Hij verwonderde zich erover dat mensen die gewend waren naar de kerk te gaan, dit bleven doen. Kierkegaard verwachtte een hervorming die die van Luther als ‘nauwelijks meer dan een grapje’ zou doen verbleken. ‘Zal er geloof gevonden worden op aarde?’ zo vroeg Kierkegaard zich af. Mensen moeten weer leren wat het betekent christen te worden, christen te zijn. Tijdens deze periode van strijd ontving Kierkegaard geen bezoek, antwoordde niet op brieven en sprak niemand aan op straat. ‘Ik verlang eerlijkheid. Ik ben strengheid noch mildheid. Ik ben louter menselijke eerlijkheid’. Het zwijgen van de geestelijkheid zag Kierkegaard als het willen behouden van hun levensonderhoud. Kierkegaard zegt over de religieuze situatie:

Wij hebben wat men zou kunnen noemen een complete inventaris van kerken, klokken, orgels, voetenwarmers, offerblokken, lijkwagens, enz. Maar als het christendom niet bestaat, is het bestaan van deze inventaris zo verre van voordelig voor het christendom, dat het er zelfs een gevaar voor is, omdat het zo heel gemakkelijk aanleiding geeft tot het misverstand en de foutieve gevolgtrekking, dat als wij zo’n volledige christelijke inventaris hebben, wij natuurlijk ook het christendom bezitten. Een statisticus voert immers de bewering aan dat de christelijke religie in het land de overhand heeft?

Vermijd de geestelijken!
‘Het christendom van het Nieuwe Testament is iets oneindig hoogs (…) Gij eenvoudig mens! Ik verzwijg voor jou niet dat volgens mijn opvatting het christen-zijn oneindig hoog is, dat er in ieder tijdperk slechts een paar zijn, die het bereiken (…) Één ding bezweer ik je bij God in de hemel en bij alles wat heilig is: vermijd de geestelijken’. Ze zijn als de brandweercommandant die zeggen tegen sympathieke en behulpzame mensen die de brand willen blussen: ‘Loop naar de hel met jullie emmers en handspuiten’.

Kierkegaards dood
Op 2 oktober 1855 viel Kierkegaard bewusteloos op straat. Zijn benen waren verlamd. Zijn kwaal wordt wel toegeschreven aan een afwijking van de ruggengraat. Veertig dagen later, op 18 november 1855, stierf hij. Zijn broer Peter (een bisschop) kreeg geen toestemming zijn sterfkamer binnen te gaan. Alleen een predikant die tevens zijn jeugdvriend was, kwam bij Kierkegaard op bezoek. Kierkegaard zei nog: ‘De geestelijken zijn koninklijke ambtenaren en koninklijke ambtenaren hebben niets te maken met het christendom’.

Overige
– In zijn dagboek schreef hij eens: Nulla dies sine lachryma, geen dag zonder tranen.
– Behalve Plato is geen filosoof er ooit in geslaagd het meest strikte denken zo op te sieren en te verlevendigen met fantasie en poëzie.
– ‘Wat ik mis, is lichamelijke kracht. Mijn geest is kalm, ik heb steeds eraan gedacht dat ik geofferd moest worden. (…) Ik zoek ontspanning door vijftien of achttien kilometer te gaan rijden’.
– Kierkegaard drong in zijn tijd al aan op een matiging of gehele onthouding van het lezen van kranten. De invloed van de pers had tot gevolg dat de individuen werden teruggebracht tot een massa, ‘het publiek’. Daar was hij op tegen.
– Kierkegaard kwam in contact met verschillende belangrijke personen, onder wie koning Christiaan VIII. De gunst van de koning was een tegenwicht tegen de verguizing door het volk en het ‘verraad’ van de aristocraten die het zo ‘wat moeilijker’ gemaakt werd ‘om toe te bijten’.
– Kierkegaard was een katholiek christen. Hij was humanist. Hij verzette zich tegen de eenzijdigheid van de Reformatie en heviger nog tegen iedere afscheiding in de lutherse kerk. Merkwaardigerwijze heeft hij de calvinistische tak van het protestantisme zo volkomen genegeerd, alsof zij niet bestond. Kierkegaard vond een ‘stoffige atmosfeer’ in de kerken en was geneigd tot sympathie naar de rooms-katholieke kerk.

V. Hepp over Kierkegaard (Christelijke Encyclopedie 1e druk)
Kierkegaard leek na zijn dood snel vergeten te worden, maar toch wordt hij nu als één der geweldigste profetische gestalten uit de 19e eeuw beschouwd. Chantepie de la Saussaye voelde zich bijvoorbeeld verwant met zijn ideeën. Nieuwe betekenis heeft hij gekregen voor de school van Karl Barth, die zich bij hem aansloot. Kierkegaard promoveerde in 1841 over het onderwerp ‘Over het Begrip Ironie, in voortdurende betrekking met Socrates’. Om dezelfde reden dat hij de verloving verbrak, weigerde hij het ambt van predikant te aanvaarden. Hij wilde evenals zijn vader zijn leven als een boeteling slijten. Inmiddels had de hartstocht tot schrijven hem gegrepen; het ene boek was nog niet klaar of het andere diende zich al weer aan. Het spotblad Korsar koos hem tot mikpunt van spot. Het scheen of iedereen zich ten koste van hem vermaakte. Hij meent dat alles te moeten dragen om zo zichzelf te verloochenen. Onder dit aspect beziet hij van nu af het ware christendom. Verzet tegen het kerkelijke christendom kwam er toen bisschop Mynster overleden was (die hij tijdens zijn leven wilde ontzien, omdat het een geestelijk leidsman van zijn vader was geweest); hij en diens opvolger Martensen kregen vooral de volle lading. Kierkegaard had echter ver boven zijn psychische en lichamelijke krachten geleefd. In 1855 stierf hij, amper 42 jaar oud. Hij wilde aan zijn sterfbed geen predikant zien, ook al kon dan zijn wens om het avondmaal te ontvangen niet doorgaan. Hij ging heen in vertrouwen op de genade van Christus

Zijn leven, vooral zijn innerlijk leven, weerspiegelt zich in zijn geschriften. Zijn fantasie droeg hem soms boven de werkelijkheid uit. Zijn leven en werken worden gekenmerkt door iets psychopathologisch. Door zijn overdrijving heeft hij vaak op realiteiten een overdaad van licht doen vallen. De polen waartussen hij slingerde hadden een diesseitig karakter. Het effect was: voortdurende zielenspanning, steeds verbroken evenwicht, onrust, angst. Hij hield zich voor een genie, maar hij wilde zich geen autoriteit aanmatigen en schreef daarom veel van zijn boeken onder een pseudoniem. Onder eigen naam laat hij Stichtelijke redenen verschijnen. Met Hegel gaat hij een eind mee (these en antithese), maar hij weigert de verzoening in een synthese. Hij kent niets anders dan disharmonie.

Zijn meeste geschriften zijn ingegeven door kritiek op heersende richtingen en toestanden. Hij is daarom vooral antithetisch. Men moet bij hem door het negatieve heendringen om het positieve te vinden. Kenmerkend voor Kierkegaard was zijn agnosticisme. Hij spreekt liever over de ‘Godheid’ dan over ‘God’. Wel staat het bestaan van God bij hem onomstotelijk vast. Het praktische, het actuele heeft bij hem de overhand. Het gaat niet om het ‘wat’, maar ‘dat’. Wie God is, heeft voor het geloof geen belang, maar wel dat God is. Het geloof heeft niet een leer, maar de Leraar tot voorwerp. Het bestaat uitsluitend in toe-eigening. Maar Kierkegaard kan dit agnosticisme niet consequent volhouden. Hij spreekt ook over God als liefde. Dit alles leidt tot twijfel. Ieder die het kenniselement uit het geloof wegneemt, moet daartoe vervallen. Bij Kierkegaard openbaart de twijfel zich niet als verstandelijke, maar als praktische twijfel, als vertwijfeling. Dit harmoniseert met zijn voorstelling van de angst als tuchtmeester tot het geloof. Maar ook het geloof zelf schaft geen rust. ‘Het geloof is een onrustig ding’. De zekerheid des geloofs ligt in de onzekerheid des geloofs. Het bestaan is niet een zijn, maar een worden. De gelovige moet problemen zoeken, hij moet het zich moeilijk maken.

De hoeksteen van Kierkegaards praktisch denken is zijn voorstelling van ‘de enkele’. Opgenomen in de massa, verbergt de enkele zich voor de tegenwoordigheid van de Eeuwige. De gemeenschap biedt zich aan de last van het bestaan van de enkele over te nemen, althans te verlichten. De vraag naar het bestaan is zaak van het bestaande subject en haar urgentie laat zich niet door relatie met een grote meerderheid wegnemen. Bemiddelingen zijn er niet, verbindingen vallen weg. De enkele zwemt op een oceaan van 70.000 vademen diep (=128.000 meter). Wat hij te verrichten heeft is de enkele daad. Kierkegaard was dus een individualist, maar dat komt vooral ook door zijn pathologische neiging naar het eenzame.

Van het individualisme naar het subjectivisme is geen stap. De waarheid is bij Kierkegaard subjectief. Maar omgekeerd is de waarheid: de subjectiviteit is de waarheid. Een geloofsbelijdenis uitwendig aanvaarden is heidendom, terwijl het christendom de innerlijkheid is. ‘Het gaat er om een waarheid te vinden, welke waarheid voor mij is, een idee, waarvoor ik leven en sterven wil. Ik moet iets hebben, wat met de diepste wortelen van mijn bestaan samenhangt, waardoor ik om zo te zeggen het goddelijke ben ingelijfd en waaraan ik vasthoud, wanneer ook de gehele wereld instort.’ Het hoogtepunt van de innerlijkheid betekent de openbaring van het eeuwige en goddelijke in de mens. Hier is wel een inconsequentie bij Kierkegaard: immers de Godheid komt dan toch als object tegenover de innerlijkheid als subject te staan.

Kierkegaard ziet God niet als superlatief van het menselijke, maar neemt tussen beide een absoluut kwalitatief onderscheid aan. Tot de subjectiviteit of de innerlijkheid kan de mens niet anders komen dan door een sprong. Men moet drie stadia op de levensweg onderscheiden: het esthetische, ethische en religieuze. De esthetische mens is een romanticus: alles in het leven is neutraal, hij speelt maar wat, hij leeft van afwisseling; om tot het ethische te komen kan men niet, dan met een ‘sprong’. Het ethische geeft de neutraliteit prijs, het leven wordt gekenmerkt door de keuze, hij plaatst zich onder de tegenstelling van goed en kwaad, dit is een ongelooflijk zware beslissing, toch deinst hij er niet voor terug, het adelt hem; om naar het religieuze te gaan is weer een sprong nodig, een sprong in het geloof. Het religieuze: het geloof bestaat niet alleen in het grijpen naar het eeuwige, maar veel meer in het vasthouden aan het tijdelijke, nadat men het losgelaten heeft, geloof betekent ‘ja zeggen’ tot, aanvaarding van het tijdelijke. ‘Het is de tijdelijkheid, de eindigheid, waarom alles draait’. Het geloof doet het ogenblik aanbreken. Het is een hemelse gave voor de stoutmoedige, die het waagstuk des geloofs heeft aangedurfd. Want het geloof is een waagstuk. In dat ogenblik ontmoeten tijd en eeuwigheid elkaar, raakt de mens Christus aan; daarom wordt de gelovige tijdgenoot van Christus. Dat ogenblik verandert nooit in een historische toestand; het blijkt ogenblik, maar er kan herhaling plaatsgrijpen, daarvoor is telkens een geloofsdaad, een nieuwe sprong vereist. Dankzij die herhaling wordt de continuïteit gewaarborgd.

Kierkegaard uitte scherpe kritiek op het historische christendom. De geschiedenis van het christendom was er één van voortdurende vertroebeling. Met elke nieuwe eeuw werd het christendom meer onwaar. Het werd een gewoon historische grootheid. Het werd een heidens zondagschristendom. Dat komt omdat het de ergernis ontwijkt en de paradox niet eerbiedigt. Het ware christendom weerspreekt namelijk de rede. Het geloof is paradoxaal. Christus is de absolute paradox. Hij werd mens, Hij lijdt vrijwillig. Dat is het specifieke van het ware christendom. Het tegenwoordige christendom wil echter niet lijden. Kierkegaards dialectiek is niet een denk-dialectiek of een zijns-dialectiek (Hegel), maar een bestaans-dialectiek. Hegel laat het oneindige in het eindige opgaan om dan weer tot het oneindige terug te keren. Hij heft de tegenstelling op. Maar Kierkegaard laat de tegenstellingen onverzoend bestaan. Zijn paradox heeft het blijvende in zich. Karl Barth is sterk van Kierkegaard afhankelijk, ondanks zijn drang naar objectiviteit. Kierkegaards eis tot verinnerlijking van de religie, tot persoonlijkheidsbeleven kunnen wij wel waarderen.

H. Jonker over Kierkegaard (Christelijke Encyclopedie 2e druk)
Kierkegaard was de vader van de existentiefilosofie. Hij verzette zich tegen de idealistische filosofie van Hegel, omdat in deze filosofie door de voortschrijdende gang van de absolute rede de individuele persoonlijkheid van de mens werd gedegradeerd, de mens werd in deze filosofie geofferd op het altaar der abstractie. Alleen die filosofie is waar, die de mens leert begrijpen zoals hij in de existentie is. Objectieve waarheid is een waardeloze hersenschim. Er is bij Kierkegaard een intense spanning tussen God en mens, tijd en eeuwigheid, werkelijkheid en ideaal: het leven is een gespleten zijn, een naar twee kanten getrokken worden en een verzoening tussen de tegendelen is er niet: de mens loopt er in vast. Na 1900 werden zijn briljant geschreven werken pas ontdekt en bestudeerd. Zijn felle geschriften tegen de kerk als een profetische oproep tot waarachtig christen-zijn en als een heilzame correctie op een zelfgenoegzaam christendom kan gewaardeerd worden.

Gepubliceerd in maart 2008

Advertenties