Het probleem van het kwaad

n.a.v. G. van den Brink, Het probleem van het kwaad. Gedachten over God en het lijden, Willem de Zwijgerstichting 1997

De werkelijkheid van het kwaad
Waarom…?
Waarom gebeuren erge dingen in de wereld? Waarom greep God niet in in Auschwitz? Waarom bomaanslagen, verkeersongevallen, oorlogsgeweld, ziekten en handicaps? Met uitzondering van de laatste twee zijn het dingen die grotendeels op het conto van mensen geschreven moeten worden. Lijden is ongelijk verdeeld. Ook de natuur lijdt. Multatuli doet een kind in één van zijn boeken zeggen, al kijkend naar vogeltjes die gevoed worden door hun moeder: ‘Maar zingen die wormen dan mee, papa?’ Nee, in de natuur wordt er duizendmaal meer gestorven dan er wordt geleefd. Van de tien jonge vogeltjes die in het voorjaar geboren worden, zijn er negen binnen een jaar op een gruwelijke manier aan hun eind gekomen.

Ontnemende levensvreugde
Er zijn allerlei theorieën ontwikkeld om ‘het’ lijden te verklaren. Het gevaar is dat we minder bewogen raken met de slachtoffers van het lijden. ‘Het’ probleem van ‘het’ kwaad in ‘de’ wereld bestaat in zekere zin namelijk helemaal niet. Eli Wiesel zegt dat niet zozeer theorieën bedenken, alswel verhalen vertellen het beste is. Bij ons is het vaak zo dat we er na verloop van tijd aan gewend raken. Zo kwamen in de tijd dat Marc Dutroux openbaar kwam heftige gevoelens van pure walging in ons op toen we het voor het eerst hoorden, terwijl die nu, zovele jaren later, niet meer met dezelfde kracht terugkeren. Er zijn ook verschillende soorten mensen: mensen die het leed van anderen enorm aantrekken en die het al gauw weer vergeten zijn. Wanneer wij weer nieuwe verhalen over ellendige gebeurtenissen horen, realiseren we ons vaak ineens weer met een schok in wat voor en verschrikkelijke wereld we eigenlijk leven.

Het kwaad als ultieme argument van het ongeloof
Specifieke ervaringen van afschuwelijk lijden en kwaad roepen ook algemene vragen op. De vraag naar God bijvoorbeeld. Hoe kunnen we het lijden dat ons treft, en ook het lijden van zovele anderen in de wereld, plaatsen in het licht van het geloof in God? Sommigen beweren dat het vele kwaad in de wereld een onomstotelijke weerlegging van het geloof in God is. Zo heeft bijvoorbeeld Maarten ’t Hart afscheid genomen van het christelijke geloof. Het kwaad wordt wel de ‘rots van het atheïsme’ genoemd. Er zijn drie stellingen die in deze context heel belangrijk zijn:

1. God is almachtig.
2. God is volmaakt goed.
3. Er is kwaad in de wereld.

Theïstische context onvermijdelijk
Aangezien stelling 3 zeker juist is, ontkomt men er volgens sommigen niet aan om ofwel stelling 1 ofwel stelling 2 op te geven. Er is een breed besef dat het kwade er niet behoort te zijn. Een geliefde is dan ‘veel te vroeg’ overleden: dit kan niet de bedoeling zijn! Maar: het hele probleem van het kwaad zou überhaupt niet opkomen wanneer wij geen besef hadden van het verschil tussen goed en kwaad. Een adequaat spreken over goed en kwaad behoeft in elk geval dus een theïstische context. Een kenmerk van het geloof is dat het leeft uit de hoop op en verwachting van Gods uiteindelijke overwinning op alle machten van het kwaad. Wie buiten het geloof staat moet het zonder deze verwachting en dit uitzicht stellen.

Meer dan ooit een probleem
Het lijkt erop dat in het Westen vandaag de dag meer dan ooit het kwaad een existentieel probleem is geworden. Het is prominent aanwezig in de literatuur van de laatste eeuw. Twee wereldoorlogen hebben veel lijden met zich meegebracht. Toch kan men hier niet mee volstaan. Massale vernietiging kwam immers in vroege eeuwen ook voor, bijvoorbeeld door zeer omvangrijke pestepidemieën. Drie factoren zijn er te noemen die de toegenomen gevoeligheid van het kwaad stimuleren:

Drie factoren
(1) De toegenomen informatievoorziening. (2) Sinds de Verlichting verstaat de westerse mens zichzelf anders dan voorheen: mondig, zelfstandig, autonoom. Binnen dit zelfbestaan vallen kwaad en lijden nu eenmaal ontzaglijk moeilijk te plaatsen. Het kwaad wordt in zekere zin zelfs als een belediging ervaren wordt – een in principe ontoelaatbare schending van het vrije en autonome mens-zijn. De aardbeving te Lissabon van 1755 (30.000 doden) was een keerpunt. Voltaire drijft de spot met de opvatting van Leibniz, die zegt dat ondanks het kwaad onze wereld de best mogelijke wereld is. Voltaire wordt door het probleem van het kwaad tot een deïstische visie gedreven: God bemoeit Zich niet langer met onze wereld. (3) Een wegslijtend schuldbesef: tuchtigingen uit Gods hand.

Voor en tegen van het theodicee-project
Het begrip
De term ‘theodicee’ (van Grieks ‘theos’ = God en ‘diké’ = recht, gerechtigheid) heeft een bijbelse achtergrond. In Rom. 3:5 gaat het over de vraag of God onrechtvaardig is als Hij toorn over ons brengt. Een theodicee is een poging om argumentief aan te tonen dat God niet onrechtvaardig is ten overstaan van het kwaad en lijden dat zich in de wereld voordoet. We moeten God rechtvaardigen ten overstaan van het kwaad. We moeten een verklaring vinden voor het naast-elkaar-bestaan van God en het kwaad (the coexistence of God and evil). Er zijn vier soorten bezwaren die tegen dit theodicee-project gericht zijn:

(a) Theologische bezwaren: hoe zou het ooit tot de taak en de mogelijkheden van ons kleine zondige mensjes kunnen behoren om het doen en laten van de soevereine God te rechtvaardigen? Is God bovendien niet Degene die ons voor Zijn rechtbank daagt; waar halen wij dan de vermetelheid vandaan om deze rollen om te draaien? P.T. Forsyth zegt: ‘The Church, starting form the Holy One, asks how man shall be just with God (…) But the world, with its egoist start, asks how God shall be just with man.’ Het theodicee-concept komt uit de Verlichtingstijd, waarbij sprake was van een soort rechtvaardiging van God voor de rechtbank van de menselijke, autonoom opgevatte rede. Men zocht naar verstandelijke redeneringen die objectief lieten zien dat God bestaat ondanks het kwaad. Laten we het zoeken naar een geldige theodicee opvatten als een poging tot geloofsverantwoording ten overstaan van het kwaad. Dan zijn de bezwaren opgevangen.

(b) Kentheoretische bezwaren: het is helemaal niet nodig om een antwoord op deze vragen te kunnen geven. Ook zonder inzicht in het waarom van het kwaad en lijden kunnen we vasthouden aan het geloof in God. De zekerheid van het geloof is zeker genoeg. Dit bezwaar valt weg als het ons om een ‘defense’ te doen is, zich verdedigen tegen degenen die beweren dat het kwaad in de wereld het bestaan van God uitsluit. Het hoeft niet een (onnodige) onderbouwing van het geloof te zijn, maar het kan heel goed dienen als verheldering van het geloof. Wanneer we niet verder komen dan te zeggen: ‘Wij weten het ook niet’, klinkt dat weinig overtuigend. Het motto van Augustinus en Anselmus is zo gek nog niet: fides quaerens intellectum (=het geloof is op zoek naar inzicht).

(c) Methodologische bezwaren: een theodicee gaat per definitie over ‘het’ kwaad in ‘de’ wereld, en abstraheert daarmee van alle concrete voorvallen van lijden en kwaad. Terwijl het probleem juist zit in de harde concreetheid van al die individuele gevallen van pijn en lijden. Theodicee is een poging om een rationele verklaring te geven van wat in zichzelf ten enenmale irrationeel is. Een theodicee neemt het kwaad per definitie niet werkelijk serieus. Bij deze redenering wordt één ding over het hoofd gezien: een theodicee is niet primair gericht op de existentiële of pastorale maar op de rationele of begripsmatige dimensies van het probleem van het kwaad. Men moet van een theodicee niet verwachten dat die onze existentiële problemen met kwaad oplost.

(d) Morele bezwaren: een theodicee houdt onvermijdelijk een stilzwijgende vergoelijking van het kwaad in. Een theodicee zegt uiteindelijk: maak je geen zorgen, het zit allemaal wel goed, en wat niet goed is komt goed in het hiernamaals. Op deze wijze blokkeert een theodicee de strijd tegen het kwaad. De machthebbers van deze wereld, die belang hebben bij een goed sluitende theodicee, varen er wel bij. Men behoeft aan de bestrijding van armoede, honger en onderontwikkeling niet meer direct prioriteit te geven. Deze bezwaren zijn in feite een toespitsing van het klassiek-marxistische bezwaar tegen religie in het algemeen. Een theodicee zal de volstrekte absurditeit van veel kwaad dat plaatsvindt en onze onmogelijkheid om er enige zin aan te verlenen, moeten laten staan. De pijn bij de tandarts dient een hoger doel: een goed gebit. Maar diende de dood van de slachtoffers van Marc Dutroux ook een hoger doel? Dat kan men toch moeilijk zeggen. Het zou van een grote morele ongevoeligheid getuigen om te willen volhouden dat elke vorm van kwaad en lijden op deze instrumentele manier verklaard en gerechtvaardigd zou kunnen worden als zijnde ergens goed voor.

De grote hoeveelheid kwaad als probleem
De grote hoeveelheid schijnbaar volstrekt zinloos kwaad, lijden waar zo te zien niets maar dan ook niets goeds uit voortkomt: wat moeten we daarvan zeggen? Atheïsten en agnosten erkennen in tegenstelling tot tientallen jaren geleden dat het vóórkomen van kwaad op zichzelf logisch gezien niet in strijd hoeft te zijn met het geloof in God. Maar wel de grote hoeveelheid kwaad. Zijn wij mensen wel in staat om vast te stellen of bepaalde vormen van kwaad al dan niet zinloos zijn? Een kind van drie kan toch ook niet weten wat de zin is van wat moeder allemaal doet?

Als kwaad niet mogelijk was, wat houdt ons mens-zijn dan nog in?
Maakt de grote hoeveelheid schijnbaar zinloos lijden in de wereld het bestaan van God inderdaad onwaarschijnlijk? Stel nu dat wij ervan uit zouden gaan dat elk lijden in de wereld een hoger doel dient en daarom gerechtvaardigd is. In dat geval zou onduidelijk worden, waarom wij ons nog tegen het lijden teweer zouden moeten stellen. Ons mens-zijn zou dan volstrekt onmogelijk zijn. We zouden immers niemand werkelijk kwaad aan kunnen doen. Want juist door de mogelijkheid van ‘echt’ kwaad in de schepping te leggen, heeft God van ons mens-zijn geen wassen neus gemaakt. Er is dus volgens de theodicee inderdaad absurd, zinloos kwaad.

De zonde als kwaad bij uitstek
Het kwaad is dus niet altijd ergens goed voor. Er is in onze wereld kwaad dat nergens toe dient, dat er niet en nooit had moeten zijn, en dat daarom ook met alle kracht bestreden moet worden. De zonde is bij uitstek het absurde, zinloze kwaad dat volstrekt nergens toe dient. Zonder de mogelijkheid van het kwaad zou echter het goede er ook niet kunnen zijn, zou de liefde er niet kunnen zijn, noch ook de alles te boven gaande gemeenschap met God. Die veronderstellen immers alle een mens-zijn in verantwoordelijkheid. Dat juist kwaad mogelijk is, heeft juist een diepe zin.

Gods positie temidden van het kwaad
Deze overtuiging – dat God niet de werkelijkheid maar wel de mogelijkheid van het kwaad heeft gewild – is niet nieuw. Thomas van Aquino maakte bijvoorbeeld onderscheid tussen Gods antecedente (op zichzelf genomen wil God de zonde niet) en consequente wil (volgens op Gods besluit om verantwoordelijke mensen te scheppen, wil God de zonde wel). Andere bewoordingen zijn: spreken over Gods geopenbaarde en verborgen wil, de wil des bevels en de wil des besluits. Karl Barth onderscheidde tussen wat God in positieve zin wil en wat Hij wil als niet-willende. Niet alle vragen zijn beantwoord. Bijvoorbeeld waarom er zoveel lijden is.

Gods almacht, Gods goedheid en het kwaad
Verstrengeling
We lezen regelmatig krantenartikelen met gruwelijke moorden. Zo’n dader is vaak psychisch gestoord. Maar daardoor is de dader tegelijkertijd ook een beetje slachtoffer. Het is niet altijd eenvoudig één bepaalde oorzaak van het kwaad te isoleren en voor alleen-verantwoordelijk te houden. Veeleer is er sprake van een haast onontwarbare verstrengeling van kwaad en lot. Actief kwaad (dat iemand aanricht) en passief kwaad (dat iemand overkomt) kunnen in theorie keurig onderscheiden worden, maar in de praktijk blijken ze vaak hopeloos in elkaar verstrengeld te liggen. We moeten hier wijzen op de erfzonde, waarbij schuld en smet, daad en lot op een onontwarbare manier samengaan. Als er één dogma is waarvan de waarheid uit de krant valt af te lezen, dan is het wel dat van de erfzonde. Er zit ook een aloud vergeldingsdenken in ons: de slachtoffers zullen het er op de een of andere manier zelf wel naar gemaakt hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval als iemand vermoord wordt na een discobezoek of als iemand zich opzettelijk in dubieuze circuits begeeft.

Waarom en waartoe
De waarom-vraag moeten we serieus nemen. Maar deze vraag kan al gauw het karakter aannemen van een aanklacht tegen de hemel. Ze lijkt ten diepste een oproep in te houden aan de Schepper om Zich te verantwoorden. De waartoe-vraag is nuttiger. Wie vraagt naar het waarom van wat hem overkomt kijkt immers achteruit; wie daarentegen vraagt naar het waartoe kijkt vooruit. Dit kan bevrijdend werken. Maar we moeten hier niet te makkelijk over denken. Was het Christus Zelf niet die Zijn waaroms naar Zijn Vader uitriep? Het gaat er ook om op welke wijze we de waaromvraag uitspreken. Doen we dat lui achter de televisie met een bakje chips, terwijl we in onze stoel blijven zitten zonder een hand uit te steken naar al het leed? Deze verwende westerse welvaartsmens hoeft niet serieus genomen te worden.

Terugkomend op de drie stellingen
We komen nu terug op de drie stellingen van het begin: één van deze stellingen zou dan moeten vervallen: óf Gods almacht wordt ontkend, óf Gods goedheid wordt ontkend, óf het kwaad wordt ontkend.
(1) Gods almacht wordt ontkend: God kan niet alles, Hij kan niet alles voorkomen. Hij wil niet dat mensen lijden, maar Hij kan er eenvoudig ook niets aan doen. Hij lijdt en huilt met ons mensen mee. Dit zou ons dan troost moeten bieden. Als het kwaad je overkomt, dan heb je de ‘domme pech’ gehad dat de natuurwetten zich toevallig tegen jou gekeerd hebben. Deze troost is heel beperkt. Want kan deze God ons als het erop aankomt wel werkelijk bevrijden? Hij heeft de dingen kennelijk ook niet (meer) in de hand. Het is de vraag of deze God nog wel ‘God’ genoemd mag worden. Het is uiteindelijk niet meer dan een God op menselijke maat gesneden.
(2) Gods goedheid wordt ontkend: Dostojevski laat in zijn roman De gebroeders Karamazow vragen: ‘Als jij nu Schepper was, en je had de keus tussen het scheppen van een wereld waarin ook maar één kind zo verschrikkelijk moest lijden, of het niet scheppen van enigerlei wereld – zou je dan de verantwoordelijkheid voor deze wereld op je hebben genomen?’ God die ons wél geschapen heeft is dus geen liefdevolle God, maar een wrede. Een merkwaardige visie heeft A. van de Beek. Hij zoekt een uitweg uit het probleem van het kwaad in een relativerende herinterpretatie van Gods goedheid. Volgens hem hebben we God teveel gepolijst naar onze idealen. In werkelijkheid is Hij heel anders; grillig gaat Hij Zijn gang door de geschiedenis: vol donkere majesteit. In de nieuwe bedeling, in Christus, zou God dan definitief voor het goede gekozen hebben. Dit alles biedt ook maar een schrale troost. Bovendien is het niet waar. God is immers te rein van ogen dan dat Hij het kwade zou kunnen zien (Hab. 1:13), laat staan dat Hij het zou kunnen doen.
(3) Het kwaad ontkend: op het eerste gezicht lijkt dit een onbegaanbare weg. Maar het is niet zo onmogelijk als we misschien denken. Wij ervaren het kwaad wel als zodanig, maar we kunnen op die ervaring van ons niet afgaan. We moeten die ervaring juist kritisch bejegenen. We moeten ons trainen om zoveel mogelijk in ons lot te leren berusten. Op een of andere manier past het nu eenmaal in Gods beleid. We moeten niet klagen, maar dragen en vragen om kracht. Dit alles is echter geen bijbels antwoord. Nee, het komt van de Griekse filosofen vandaan, zoals Socrates, die de gifbeker rustig leegdronk omdat de dingen nu eenmaal zo gaan. Augustinus zei het Plotinus na, dat het kwaad goed beschouwd niets is in zichzelf, maar alleen de afwezigheid van het goede (privatio boni).

Beweger en Bewogene
We willen de oplossing niet zoeken in het ontkennen van één van deze drie stellingen, maar we willen het anders doen: Hij is zowel Beweger (Schepper van het heelal) als Bewogene (die zich met elk mens persoonlijk bemoeit: Verlosser). Als men deze twee lijnen probeert samen te trekken, knapt er iets in de hersenen. De totale heilsgeschiedenis is ten diepste niets anders dan een omvattend getuigenis van de wijze waarop God Zich in Zijn almacht en goedheid tot het kwaad verhoudt – en het uiteindelijk overwint. Liefde veronderstelt vrijheid, en laat zich niet afdwingen. Mensen zijn geen robots. Elke persoonlijk lijden is niet te wijten aan een constructiefout in de schepping waar wij verder buiten staan, maar een grof en vaak opzettelijk misbruik van onze menselijke handelingsruimte.

Satans macht
Geen mens gaat vrijuit. De macht van de satan is ook reëel, maar niet zelfstandig. Zij ressorteert uiteindelijk onder Gods macht. We zien van deze diabolische macht terug in het natuurlijk kwaad: aardbevingen, overstromingen, dodelijke ziekten, onverklaarbare handicaps en genetische afwijkingen weerspiegelt de chaotiserende invloed van satanische machten. Was alles wat geweest was ten diepte goed geweest, dan had er geen kruis op Golgotha te hoeven staan. De kerk heeft in het lijden van Christus altijd dieper dan in welk lijden ook de afschuwelijke werkelijkheid van het kwaad gepeild. Hier is ook het verschil met alle andere religies. Die beperken zich tot geboden, beloften, adviezen en aansporingen die de mens van hogerhand bereiken.

Het Evangelie als uiteindelijke antwoord
Het verhaal van Gods menswording gaat echter veel verder. Hij laat het onder meer daarom toe, omdat Hij het uiteindelijk recht kan zetten. Het geloof verwacht een ultiem oordeel waarin de dingen rechtgezet worden. Waarin verdrukkers en verdrukten, daders en slachtoffers eindelijk uiteen gehaald zullen worden. Het Evangelie is het enige nieuws dat werkelijk de moeite waard is in een wereld waarin zinloos lijden en kwaad maar al te vaak oppermachtig schijnen.

Hoe kunnen we verder als lijden ons treft?
De hoe-vraag
De hoe-vraag is een manier om temidden van en ondanks het kwaad toch verder te kunnen leven. Veel vormen van kwaad en lijden blijken op onverwachte wijze naderhand toch een diepe zin aan ons leven te kunnen verlenen. Achteraf kan het dus soms een heilzame uitwerking hebben. Lang niet elk lijden en kwaad is dus zinloos. We worden rijpere mensen, die niet langer op naïeve manier in het leven staan. We gaan begrijpen wat anderen moeten doormaken. We leren medelijden, invoelingsvermogen, zelfopoffering, moed, geduld, verantwoordelijkheid voor onze daden en het weerstaan van verleidingen.

Nuttig
De innerlijke houding die we aannemen ten opzichte van het lijden is belangrijk. Is er verbittering en verharding of het tegenovergestelde? Als onze fiets gestolen wordt, overwegen we dan om zelf ook een fiets te gaan stelen, of nemen we ons des te vaster voor om een ander nooit zoiets aan te doen. We kunnen krachtig teruggeworpen worden op God; in die zin is lijden tot bewaring in het geloof. Zonder ervaringen van lijden zou ons leven gemakkelijk oppervlakkig worden. We mogen lijden zien als een beproeving of loutering van Godswege. Voor een christen is het voorkomen van leed niet het allerhoogste goed (wel voor een wereldling). De kastijding van God is niet een populaire gedachte tegenwoordig. Toch is het een bijbels motief.

Tenslotte
C.S. Lewis gebruikt het metafoor van de megafoon. God gebruikt het lijden als een manier om het geluid waarmee Hij in de Bijbel tot ons spreekt te versterken. Soms laat God mensen vastlopen in hun leven om ze te brengen tot berouw en omkeer. We mogen bovenstaand verhaal verstaan als uitnodigingen: zou het misschien mogelijk zijn om je ervaringen zó een plaats te geven, of ze in dát licht te plaatsen? Luther zegt: het geloof is ten diepste niets anders dan getrooste vertwijfeling.

Gepubliceerd in juni 2007

Advertenties