Het proces van Neurenberg

n.a.v. J.J. Heydecker en J. Leeb, Opmars naar de galg. Het proces van Neurenberg, Amsterdam 1984 en Leo Kahn, Proces van Neurenberg. Nazikoppen in de beklaagdenbank, Antwerpen 1994

Het recht moet zijn loop hebben
‘Dit nooit weer’, zo luidt de tekst in vier talen bij het monument in Dachau. Maar na de Tweede Wereldoorlog zijn de dictaturen nog lang niet de wereld uit, denk alleen aan de Sovjet-Unie. De processen van Neurenberg waren ervoor bedoeld te laten zien dat atheïstische dictators en mensenslachters met hun demonische, criminele machtssystemen gedoemd waren te mislukken: het recht zal vroeg of laat zijn loop hebben. De Amerikaanse officier van justitie Robert H. Jackson zei: ‘Wij willen duidelijk stellen dat het niet in onze bedoeling ligt het Duitse volk te beschuldigen. Had de brede massa van het Duitse volk het nationaal-socialistische partijprogram gewillig aanvaard, dan zou de SA niet nodig zijn geweest en zou men ook geen concentratiekampen en geen Gestapo nodig hebben gehad’.

De grote jacht
‘Zou een Britse soldaat, die Hitler aantreft, de plicht hebben hem dood te schieten of levend gevangen te nemen?’ zo luidde een vraag in het Britse Lagerhuis op 28 maart 1945. In Londen stelde de Commissie voor oorlogsmisdaden een lijst op met maar liefst een miljoen Duitsers. ‘Van Noorwegen tot de Beierse Alpen is de grootste mensenjacht der geschiedenis aan de gang’, verkondigt Eden in het Lagerhuis. Nog nimmer tevoren werd er jacht gemaakt op zoveel mensen tegelijk.

Göring staat de pers te woord
Göring was verdachte nummer één nadat Hitler dood was. Hij had vlak voor Hitlers dood nog een conflict met hem gehad waardoor hij eigenlijk geliquideerd moest worden, maar de SS deinsde hiervoor terug. Voor Göring was het veiliger zich te melden bij de geallieerden, want die zouden hem wel goed behandelen. Göring denkt nog steeds als vertegenwoordiger van Duitsland met de geallieerden te kunnen onderhandelen: ‘Wanneer brengt u mij naar het hoofdkwartier van Eisenhower?’ Göring wordt ondergebracht in een villa bij Kitzbühel en hij neemt eerst een uitgebreid bad. Niet lang daarna staan er tientallen journalisten voor het huis, die Göring vriendelijk te woord staat.


Nog niet veel zelfkennis
Een vraag was: ‘Wie was verantwoordelijk voor de concentratiekampen?’ Zijn antwoord was: ‘Hitler persoonlijk. Alleen die iets met die kampen te maken hadden, stonden rechtstreeks onder Hitler. De overheidsorganen hadden er niets mee te maken’. Deze en meer antwoorden wilden de journalisten zo snel mogelijk telegrafisch doorgeven aan hun kranten, maar de censuur in het geallieerde hoofdkwartier hield dat tegen. Pas negen jaar later zou deze informatie tot publicatie komen. Een vraag was ook: ‘Weet u dat u op de lijst van oorlogsmisdadigers staat?’ ‘Nee, dat verrast me ten zeerste want ik zou niet weten waarom’.

Dönitz volgt Hitler op
Hitlers had tot zijn opvolger benoemt Grossadmiral Dönitz, de opperbevelhebber van de Duitse Kriegsmarine. Maar ten tijde van Hitlers zelfmoord was het overal chaos in Duitsland. Miljoenen Duitsers zijn voor het Rode Leger op de vlucht (in het westen van Duitsland daarentegen worden de geallieerden als bevrijders uit de ellende binnengehaald). Vanuit Flensburg wordt geregeerd door Dönitz. Hier heerst nog orde. Ook al is de toestand hopeloos, de nieuw gevormde regering (Dönitz, Keitel, Jodl en Speer) is optimistisch. Keitel: ‘Mijne heren, het is een oude stelregel der militaire ervaring dat een offensief vastloopt als men niet binnen drie dagen een geslaagde doorbraak heeft afgedwongen’.

Les allemands!
Rijkspresident Dönitz maakt zich geen illusies. Hij probeert vrede te sluiten met de geallieerden. En hij weet dat de geallieerden niet zullen onderhandelen met een regering waarin vooraanstaande nationaal-socialisten zitten, dus hij ruimt in zijn regering geen plaats in voor zulke mannen. Jodl gaat naar Reims voor onderhandelingen met de staf van Eisenhower. Een klein meisje dat in de late avond door de donkere straten van deze Franse stad loopt, is toevallig getuige van de aankomst van Jodl en schreeuwt: ‘Les allemands! Les allemands!’ Daar zijn de Duitsers, daar zijn de Duitsers! Uit de mond van een kind verneemt de wereld voor het eerst dat zes jaren van ellende, vernietiging en dood ten einde zijn.

Dönitz en de zijnen gearresteerd
In een verveloos schoollokaal in Reims wordt de onvoorwaardelijke overgave van de 7e mei 1945 ondertekend. Jodl spreekt: ‘Gaarne wil ik enkele woorden spreken. (…) In deze ure kan ik slechts de hoop uitspreken dat de overwinnaars het Duitse volk grootmoedig zullen behandelen’. In Flensburg mag de regering nog steeds in functie blijven, ondanks de overgave. Maar dit is maar voor even. De tijdelijke regering wordt gearresteerd, zonder veel problemen. Albert Speer is er één van. Hij is nuchter van aard, misschien is hij in deze dagen de enige die het hoofd koel houdt en de toestand juist beoordeelt. Bij zijn arrestatie zegt hij: ‘Ziezo, dit is dus het eind. Het is goed zo. Het had trouwens allemaal veel weg van een soort opera’.

Von Papen
Het aantal gezochte Duitsers, één miljoen, wordt ondertussen verhoogt tot maar liefst zes miljoen. Maar de resultaten blijven uit. En dat dreigt een politiek schandaal te worden, want de Russen zijn wel volop bezig. Onder druk van de Russen verhogen de westelijken hun jacht op de nazi-kopstukken. Ze zijn blij met elke bekende naam. Franz von Papen, de man die Hitler in het zadel hielp maar daarna een tegenstander van hem werd en onder Gestapotoezicht kwam, is blij als de Amerikanen arriveren om hem mee te nemen. Hij had al die tijd met een jachtgeweer zijn blokhut met vrouw en kinderen moeten beschermen tegen gedeserteerde soldaten en andere gevaarlijke lui.

Hans Frank
Een andere kopstuk die gevangen werd was Hans Frank. Toen een kampofficier zijn meerdere wakker belde om te melden dat een gevangene zelfmoord had proberen te plegen, was hij wat geïrriteerd, want hij wilde niet voor kleinigheden wakker gemaakt worden. Maar ‘het schijnt een hoge piet te zijn’. ‘Hoe heet hij?’ ‘Een ogenblikje…ja, Frank, Hans Frank?’ De eerst nog geïrriteerde man springt zijn bed uit en een paar minuten later staat hij al voor de deur van de cel. Frank had zelfmoord proberen te plegen, met een scheermesje. Hierdoor bleef zijn linkerhand verlamd, want hij had bij het openen van de polsslagader ook de pezen beschadigd.

38-delige dagboek
Het nieuws van de identificatie van Frank is een sensatie. Onder zijn bestuur waren in het voormalige gouvernement Polen de verschrikkelijkste misdaden begaan. ‘De beul van Polen’, ‘de Jodenslachter van Krakau’, zo werd hij genoemd. Hij zou één van de weinigen zijn die in Neurenberg zijn schuld op zich zal nemen in plaats van het af te schuiven op superieuren of ondergeschikten. Bij zijn arrestatie overhandigt Frank de Amerikanen zijn dagboek, 38 delen. Het houdt de vreselijkste aanklacht in die ooit een mens tegen zichzelf heeft ingediend. We lezen zinnen als ‘We zijn hier met 3,5 miljoen Joden begonnen; daarvan zijn er nog maar enkele werkgroepen over; de anderen zijn, om zo te zeggen, geëmigreerd’. ‘Laat ons niet vergeten dat we allemaal met elkaar op de lijst van oorlogsmisdadigers van meneer Roosevelt staan. Ik heb de eer nummer één te zijn’. ‘Wanneer wij de oorlog eenmaal gewonnen zullen hebben, kan voor mijn part van de Polen en de Oekraïners en wat hier verder rondzwerft gehakt worden gemaakt. Het is me volkomen onverschillig wat ervan wordt gemaakt’. Het is duidelijk: Frank was volledig op de hoogte.

Schacht
Hjalmar Schacht was op het moment van zijn gevangenneming arrestant van Hitler, in verband met de aanslag op Hitler van 20 juli 1944. Eigenlijk had hij doodgeschoten moeten worden, want dat was het bevel bij de nadering van de geallieerden. Maar zo ver kwam het niet, want de SS probeerde in het aangezicht van de nederlaag zachtzinnigheid te betrachten, wellicht om zich zodoende zelf te redden. Tot zijn soort gevangenen behoorde ook Martin Niemöller. Frick, Von Neurath, Funk, Kaltenbrunner, Seyss-Inquart, Krupp en Sauckel waren ondertussen ook gearresteerd. SS-Führer Heinrich Himmler bleef ondanks koortsachtig zoeken zoek.

Robert Ley
Robert Ley, bij wiens hersens na zijn dood een ernstige geestelijke storing werd ondekt, probeerde zich in de Beierse Alpen te verbergen. Hij was de man achter de Werwolf, de Duitse partizanenbeweging. De Amerikanen kregen een tip van de bevolking. Maar Ley hield vol dat hij het niet was. ‘Ik zal u eens wat vertellen’, zei de Amerikaanse arresteerder, ‘en dat zal u versteld doen staan. Ik ben bij de inlichtingendienst en had de afgelopen dertien jaar uitsluitend tot taak Dr. Robert Ley gade te slaan. Ik ken u precies’. Ley verbleekt nog meer. De Amerikaan haalt een list uit; hij laat de penningmeester van de NSDAP, een goede bekende van Ley, binnenkomen in de cel van Ley zonder dat die weet waarvoor die moet komen. Hij is nog niet over de drempel of zegt verrast: ‘Hé, meneer Ley, wat doet u hier?’ Ley laat zijn hoofd hangen. ‘Het leven heeft geen waarde meer voor me. U kunt me wegvoeren en op de plaats doodschieten – het interesseert me in het geheel niet’.

Julius Streicher
Er wordt ook gezocht naar Julius Streicher. Dat men hem vond berustte – menselijk gesproken – op pure toeval. Wat was namelijk het geval? Een Amerikaanse divisie reed door het prachtige berglandschap en de majoor bedenkt opeens hoe heerlijk het zou zijn om hier niet als soldaat maar op vakantie te zijn. Opeens krijgt hij een onweerstaanbaar verlangen om hier een glas melk te drinken – echte landmelk, nog warm van de koe, niet het steriele gepasteuriseerde product uit kartonnen bekers dat hij in New York krijgt. Hij laat de wagen stoppen. Ze gaan een willekeurige boerderij binnen. De majoor – een Jood – spreekt Jiddisch en kan daarmee zich goed verstaanbaar maken bij de Duitsers. Hij begint een gesprek met een oude man met een witte baard die op de stoep van een boerenhofstee zit.

Voorzienigheid
Ze praten wat en dan zegt de Amerikaan opeens: ‘Maar u hebt iets van Julius Streicher’. Hij zegt dit bij wijze van grap. De man vraagt toonloos: ‘Hoe hebt u me herkend?’ Streicher voelt zich ontmaskerd. Op zijn beurt heeft de Amerikaanse majoor onmiddellijk door dat Streicher zichzelf verraden heeft. ‘Ahaa!’ zegt hij. ‘Ik heet Sailer’, zegt Streicher vlug: hij gelooft zijn fout nog te kunnen herstellen. ‘U bent gearresteerd’, zegt de majoor. Julius Streicher was de hoofdredacteur van het antisemitische schendblad Der Stürmer, en was één van de grootste Jodenhaters uit de geschiedenis. Nu werd hij door een Jood ontdekt en gevangengenomen!


Op zoek naar Himmler
De meeste nog levende nazi-leiders zijn nu aangehouden. Nog twee ontbreken er: minister van buitenlandse zaken Joachim von Ribbentrop en SS-Führer Heinrich Himmler. Nog éénmaal zal geheel Duitsland door de geheime politie worden uitgekamd. Himmler was de man die slechts hoefde te wenken om aan honderdduizenden mensenlevens een eind te maken en miljoenen uit te roeien. Dit was de man voor wie heel Europa jarenlang sidderde. Maar de besluitloze man, vol bekrompen dweepzucht en sadistische heerszucht maakte op het eerste gezicht de indruk de één of andere onbetekenende ambtenaar te zijn.

Besluiteloos
Himmler, begonnen als kippenfokken, had met de politie, de SS, de Gestapo en de restanten van het leger, de macht om een staatsgreep te ondernemen. Echter, hij aarzelden en is besluiteloos. Hij weet dat de oorlog verloren is, al sinds 1943. Toen had hij al geprobeerd de mogelijkheid van een afzonderlijke vrede te bespreken, maar Bormann en Ribbentrop hadden deze daad verijdeld. In het aangezicht van de zekere Duitse nederlaag is Himmler bezeten door één idee: nadat hij eerst miljoenen mensen heeft laten uitroeien, gelooft hij nu de rol van de grote beschermer en vredesengel te kunnen spelen. Himmler bereidde een omwenteling in Duitsland voor. De slechte gezondheidstoestand van Hitler zou dan een argument zijn. Maar Himmler kan niet tot een besluit komen. Hij durft het in ieder geval niet tegen Hitler zelf te zeggen, want dan dacht hij meteen te worden neergeschoten.

Himmler viel ook uit de gratie bij Hitler
Himmler werd verstoten door Hitler toen bekend werd wat hij had gedaan. Hij had president Truman partiële capitulatie voorgesteld, maar Amerika’s president wees die voorstellen persoonlijk af. Himmler weet niet dat Hitler via buitenlandse nieuwsuitzendingen hiervan op de hoogte is. Dönitz zal hem zijn laatste illusie ontnemen. Dönitz nodigt hem voor een vertrouwelijke bespreking uit. Dönitz neemt daartoe scherpe veiligheidsmaatregelen, want hij vreest terecht de macht die Himmler nog steeds belichaamt. Zwaarbewapende wachtposten worden in huis en tuin en struikgewas verdekt opgesteld. Himmler krijgt van Dönitz de telegram aangeboden. Hij leest het vlug door. Hij verbleekt. Hij kon hierin lezen dat Hitler Dönitz tot zijn opvolger had benoemd.

In vermomming
Himmler staat op en wenst Dönitz geluk. Het is een dramatisch ogenblik. ‘Laat mij dan de tweede man in de staat zijn’. Dönitz weigert. Hij kan geen politiek belaste figuren gebruikten. Himmler ziet in dat zijn spel verloren is. Hij duikt onder. De massamoordenaar probeert onherkend door de linies naar het westen te ontkomen. Hij heeft zijn snor afgeschoren en voor zijn linkeroog een zwarte lap gebonden. Himmler is zo naïef deze goedkope vermomming als voldoende te beschouwen. De vroegere chef van de Duitse politie gedraagt zich als een schooljongen die teveel detective-romannetjes heeft gelezen…

Hij maakt zichzelf bekend
Er was een brug waar een Britse controlepost was, en daar moest hij langs zien te komen. Himmler maakte de fout zijn (vervalste) papieren te tonen. De meeste mensen die de controle passeerden hadden er namelijk geen. Hij wordt vastgehouden. Echter, niemand weet nog dat de verdachte persoon Himmler is. Voorlopig is hij nog slechts een man die een al te fraaie nieuwe legitimatie bezit. Maar al snel wordt duidelijk wie hij is. Voordat dat officieel wordt vastgesteld maakt hij zichzelf al bekend. Hij doet de zwarte lap van zijn oog en zet een bril op en loopt naar een Britse kapitein. ‘Ik ben Heinrich Himmler’. ‘Waarachtig’, slikt de captain, waarschijnlijk loopt het hem op dat ogenblik koud over de rug. ‘Ik zou graag veldmaarschalk Montgomery spreken’. Nog steeds denkt hij tot onderhandelingen te kunnen komen.

Himmler pleegt zelfmoord
Himmler wordt uitgebreid onderzocht op gif en andere zelfmoordmiddelen. Hij wordt in een leeg vertrek opgesloten. ’s Avonds vraagt iemand zich af: ‘Is zijn mondholte onderzocht?’ Dat blijkt niet te zijn gebeurd, en ogenblikkelijk gaan ze naar Himmlers cel en wordt Himmler verzocht zijn mond te openen. Himmler trekt de ogen samen tot smalle spleten. Zijn kaken maken een kauwende beweging. Tussen zijn kiezen knarst het. Dan slaat hij als door de bliksem getroffen tegen de grond. Men probeert de rest van de ampul met cyaankali uit zijn mond te verwijderen, maar het is al te laat. Zijn maag wordt leeggepompt, maar de bewusteloze, stuiptrekkende Himler vindt zijn dood na 12 minuten. Zijn lichaam wordt in het geheim begraven. Nimmer zal zijn laatste rustplaats tot een pelgrimsoord kunnen worden. Een Engelse onderofficier spreekt een paar woorden bij de begrafenis: ‘Laat de worm tot de wormen gaan’.

Ribbentrop in bed opgepakt
Waar is Ribbentrop? De man, van wie Churchill ooit gezegd zou hebben: ‘Waarom sturen ze me altijd die Ribbentrop en niet een geschikte kerel als Göring?’ Hij weet te ontkomen en huurt een kamer op de vijfde etage ergens in Hamburg en leidt een nieuw leven als ambteloos burger. Terwijl enkele dozijnen rechercheurs en officieren van de inlichtingendienst naar hem zoeken gaat Ribbentrop in een elegant kostuum met zwarte diplomatenhoed en een zeer donkere zonnebril op in Hamburg uit wandelen. Steeds weer voert zijn weg naar de zaak van een vergeten zakenvriend. Deze man aarzelt, maar zijn zoon niet. Die schakelt de politie in. Op 14 juni 1945 wordt Ribbentrop opgepakt, in bed.

Vincent Churchill?
Engelse soldaten doorzoeken de kamers in de flat waarin Ribbentrop woont. Hij merkt er niets van. ‘Daar ligt een man!’ roept een soldaat uit. Ribbentrop slaapt als een os. Hij heeft niets van het lawaai gehoord. ‘Wat is er aan de hand? Wat is er aan de hand?’ vraagt hij verbaasd. Ribbentrop draagt een wit-roze gestreepte pyjama. ‘Hoe heet u?’ vraagt de luitenant. ‘U weet precies wie ik ben. Ik feliciteer u’. De verwarde gedachtewereld van Ribbentrop vindt zijn bevestiging in een nieuw bewijs: in zijn jaszak worden drie brieven gevonden, waarvan één aan Vincent Churchill. De officier kan het haast niet geloven. Vincent in plaats van Winston – en deze man had de buitenlandse politiek van een volk in handen!

Schirach
Op twee nakomers na bevinden zich nu allen, die weldra in Neurenberg in de verdachtenbank zullen zitten, in geallieerde gevangenschap. De eerste nakomer is Baldur von Schirach, Reichsjugendführer. Hij had een snor en baard laten staan, huurde een kamer in een boerenhofstede en de Amerikanen geloven dat hij dood is. Schirach was zelfs als tolk in dienst bij een Amerikaans bureau zonder te worden herkend. Verbazingwekkend is dat hij zich toch vrijwillig bekendmaakt door een brief te schrijven. Waarom heeft hij zich vrijwillig gemeld? Hij hoorde in een radiobericht dat de gehele Hitlerjugend zal worden vervolgd. Nu zinde het hem niet meer een gemakkelijk leventje te leiden als onderduiker. Hij wierp zich weer op als beschermer van de jeugd. ‘Door mij heeft de jeugd aan Hitler geloofd. Ik heb de jeugd opgevoed in het geloof aan hem – nu moet ik de jeugd daarvan bevrijden. Als ik de gelegenheid krijg dit voor een internationaal gerechtshof te verklaren laat ik me hangen’.

Rudolf Hess’ rare streken
De laatste nakomer was Grossadmiral Erich Raeder. Hij leeft officieel geregistreerd maar totdien onopgemerkt in de Russische sector. Nu stelt men plotseling belang in hem. Één man was al veel eerder in geallieerde handen gekomen: Rudolf Hess. Het is een man vol raadsels. Ten overstaan van de rechtbank in Neurenberg beweerde hij zijn geheugen te hebben verloren en daarna dat hij dit gesimuleerd had. Iemand zei treffend: ‘Iemand die dit allemaal simuleert kan niet normaal zijn’. Een Amerikaanse gevangenispsychiater, die talloze avonden in diens cel doorbracht, verklaart Hess’ rare gedrag als volgt: hij was altijd slechts ‘nummer twee’ of ‘plaatsvervanger’. Hij werd zo in zijn eerzucht gekrenkt. Daarom vluchtte hij in het sensationele avontuur naar Engeland: als vredestichter tussen de oorlogvoerende mogendheden zou hij plotseling in de gehele wereld als ‘nummer één’ hebben gegolden.

Vrede brengen
Hij zou een ‘verdringingscomplex’ hebben gekregen dat zich in alle mogelijke lichamelijk kwalen uitte. Zijn gezondheid ging sinds 1938 snel bergafwaarts. Soms kon hij urenlang aan zijn schrijftafel zitten zonder iets anders te doen dan voor zich uit te staren. De psychiater denkt dat Hess omstreeks deze tijd tot het inzicht moet zijn gekomen dat hij, tegen wie hij opzag als tot een verafgode vader, in werkelijkheid generlei verering waard was. Hess bevindt zich in een crisis. Een astroloog voorspelde hem dat hij ertoe uitverkoren was de wereld vrede te brengen. Hess besloot op eigen houtje naar Engeland te vliegen en daar vredesonderhandelingen te voeren. De voorbereidingen treft hij in alle stilte, niemand mag er van weten.

Krijgsgevangene
Meermalen maakte hij heimelijk proefvluchten en bracht hij de constructeur ertoe bij stukjes en beetjes de machine om te bouwen zodat het de tocht kon overleven. Op 10 mei 1941 steeg Hess op, om niet meer terug te keren. Die avond om 22.08 verkennen Britse waarnemers een vijandelijk vliegtuig boven de kust van Northumberland zoals er in deze verre streek nog nooit één waargenomen was. Het is namelijk onmogelijk dat vliegtuigen van daaruit weer terug kunnen keren naar Duitsland. Om 23.07 komt het bericht dat de machine is neergestort; de piloot heeft het toestel met zijn parachute verlaten. ‘Ik zoek het huis van de Hertog van Hamilton’, zegt Hess. Hij wordt echter gevangengenomen en hoewel de volgende ochtend de hertog daadwerkelijk bij hem verschijnt komt hij de gevangenis nooit meer uit.

Sensatie
Dit alles moet een uiterst deprimerende uitwerking op Hess hebben gehad. In plaats van te worden ontvangen als brenger van de vrede wordt hij als krijgsgevangene behandeld. Hess zei dat hij ontzet was over de zware bombardementen op Londen in 1940 en de gedachte, dat kleine kinderen en hun moeders daarbij vermoord werden, verafschuwde. De Britse pers stortte zich als een hongerige wolf op de sensationele gebeurtenis. De plaatsvervanger van de Führer die midden in de oorlogstijd naar het vijandelijke buitenland uitwijkt! In Duitsland werd dit alles verzwegen. Slechts werd gezegd dat Hess was opgestegen vanuit Augsburg en niet was teruggekeerd. Hij zal wel neergestort zijn, zo waren de officiële berichten. Daar voegde men nog eventjes aan toe dat hij aan waanvoorstellingen leed.

Liggend eten
Men kon in Neurenberg nauwelijks geloven dat deze Rudolf Hess behoorde tot de belangrijkste managers van het Derde Rijk. Tijdens de gehele duur van het proces bombardeert Hess de Duitse dokters met speciale wensen. Over het eten is hij ook vaak niet tevreden genoeg: ‘Kunt u me iets anders bezorgen? (…) Kan ik in plaats van ei iets anders krijgen? (…) Hebt u iets anders voor me?’ Zo gaat het dag in dag uit. Op een gegeven moment gebruikte hij zijn maaltijden liggend op de vloer van zijn cel. Als men hem vroeg naar de reden voor deze toch verre van gemakkelijke houding, antwoordde hij: ‘Ik vind het zo het gemakkelijkst’. Als hij moest helpen met schoonmaken, hield hij met de ene hand de bezem vast terwijl hij de andere in de zak gestoken hield. Zijn manier van lopen was altijd eigenaardig, wijdbeens. Hij leed aan krampen die louter van nerveuze oorsprong waren.

Stilte in de cel!
Op alle vier muren en bij de deur van zijn cel had hij met dikke letters gekalkt: ‘Stilte!’. Een foto van zijn gezin daarentegen ontbrak in zijn cel, terwijl bij de andere verdachten hele rijen foto’s op tafel stonden uitgesteld. Steeds dacht Hess dat men hem wilde vergiftigen. Als men hem brood toereikte nam hij het niet aan. De etendragers moesten met het dienblad zo dicht bij het luikje in de celdeur komen dat hij zelf een portie brood kon uitzoeken. Hess’ gezicht droeg altijd dezelfde fanatieke uitdrukking. Hij was nog volkomen vol van Hitler en het nationaal-socialisme. ‘Hess was een medisch, niet een crimineel geval, en zo moet men hem ook beoordelen’, aldus Churchill.

Bad Mondorf
‘Ergens in Europa’, zo luidt de geheimzinnige aanduiding als de geallieerden de plaats niet bekend willen maken. Dat is in dit geval Bad Mondorf in Luxemburg. Dit was de laatste etappe voordat de gevangenen naar Neurenberg werden vervoerd. In Bad Mondorf begint het vooronderzoek met de talloze verhoren. Ze verblijven in het fraaie Grand Hotel. Men sliep met twee man op een kamer. Het verblijf in dit hotel met zijn tuin en daarachter gelegen park en zijn hoge oude bomen was een idylle. De maaltijden waren goed.

Veel bruikbare documenten
Om zelfmoord te verhinderen waren de ruiten verwijderd en door draadglas en ijzeren tralies vervangen. De verhoren duurden doorgaans urenlang. Ze stellen strikvragen en zijn op zoek naar tegenspraken. Alle verhoren worden bijgewoond door een stenograaf, die elk woord vastlegt. De stukken stapelen zich op. De geallieerde documentenjagers brengen overal vandaan keurig geschreven en geordend materiaal tevoorschijn. Deze stukken vormen de basis voor de dagvaarding en de bewijsvoering in Neurenberg. De berg documenten is zo geweldig omdat de Duitsers akelig precies met hun aantekeningen zijn en een hartstocht hebben voor grondige schriftelijke formuleringen.

Bestraffing als oorlogsdoel
De geallieerden hebben er lang over nagedacht wat ze met de nazi-misdadigers zouden gaan doen. Eerst wilden eigenlijk alle betrokkenen een groot internationaal proces vermijden. Alleen Amerika wilde dat. In 1941 maakten de geallieerden een beslissing van vérstrekkende betekenis: ‘Tot de voornaamste oorlogsdoeleinden van de geallieerden behoort de bestraffing van degenen die voor deze misdaden verantwoordelijk zijn, ongeacht of de betrokkenen deze daden hebben bevolen of zelf hebben begaan’. Later verklaren ze: ‘De uitroeiing van de Joden zal worden gewroken’. In Duitsland verneemt niemand iets van dit alles – met uitzondering van de kleine groep rondom Hitler en Goebbels die naar buitenlandse nieuwsuitzendingen mag luisteren. Daar wordt de zaak natuurlijk streng geheim gehouden. Op het luisteren naar buitenlandse zenders stond toen in Duitsland de doodstraf.


Teheran
Over de Conferentie van Teheran van november 1943, met Stalin als gastheer, weten we veel door de aantekeningen van Elliot Roosevelt, de zoon van de Amerikaanse president die zijn vader begeleidde. Men zit op een bepaalde dag aan een urenlange maaltijd. Tegen het einde staat Stalin op. ‘Ik drink’, zegt hij duister, ‘op een zo snel mogelijke rechtspleging voor alle Duitse oorlogsmisdadigers. Ik drink op de rechtspleging van het executiepeloton!’ Een pijnlijke stilte valt in de eetzaal. ‘Ik drink op ons vaste besluit ze onmiddellijk na hun gevangenneming af te maken, allen zonder uitzondering, en het moeten er op zijn minst vijftigduizend zijn’. Alle aanwezigen verstijven.

Het grapje van Stalin
Opeens een heftig kabaal in de stilte. Churchill is bliksemsnel van zijn stoel gesprongen. ‘Zulk een optreden is in schrille tegenstelling met de Britse opvatting van recht!’ zo roept Churchil met een rood hoofd. Nog nooit heeft men Chuchill in zulk een toestand van opwinding gezien. Stalin scheen zich kostelijk te amuseren. Het was allemaal als grapje bedoeld. Maar Churchill staat boos op en gaat naar een ander vertrek. In zijn memoires zegt hij: ‘Ik was daar nog geen minuut, toen er van achteren twee handen op mijn schouders werden gelegd. Het was Stalin, en naast hem stond Molotow, beiden breed grijnzend en me verzekerend dat het maar scherts was geweest’.

Jalta
Op de Conferentie van Jalta, in de Krim, werd in februari 1945 verder gegaan op deze materie. Churchill doet een belangrijke consessie aan Stalins gedachtegang. ‘Aanvankelijk voelde ik ervoor een lijst van de voornaamste oorlogsmisdadigers op te stellen (…) en ze vervolgens eenvoudig te laten doodschieten’. Stalin trekt zijn wenkbrauwen op. Maar Churchill gaat verder: ‘Intussen ben ik, zoals u weet, tot de overtuiging gekomen dat we een proces moeten hebben’. Een proces! Stalin heeft zijn ogen tot spleten samengeknepen. Hijzelf is in de heroverde gebieden allang met de praktijk begonnen: Duitse officieren werden al tegen de muur gezet. Waarom zo’n lang proces? Dan zouden er ook dingen aan het licht kunnen komen die voor de aanklagers minder aangenaam zijn.


Wel of geen proces?
Een paar weken later wordt Churchills idee van een proces impopulair. Engeland en Frankrijk weten niet of een proces wel zo handig is. Het buitenland had immers al jaren geleden de Hitlerregering erkend en daarmee officiële betrekkingen onderhouden? En nu moet men plotseling door een rechtbank laten verklaren dat men met een bende misdadigers en anders niet heeft gecontracteerd? Anthony Eden komt met ‘plan Napoleon’: de voornaamste oorlogsmisdadigers zullen niet worden doodgeschoten en evenmin voor een rechtbank terechtstaan doch – zoals eens keizer Napoleon – bij wijze van politieke maatregel naar een eiland worden verbannen! Maar Washington bemoeit zich er ook mee: ‘Wij wensen een proces!’

Zelf ook schuldig?
Er lijkt geen oplossing, totdat één man, Robert Houghwout Jackson (1892-1954), raadsheer in het Supreme Court, straks officier van justitie in Neurenberg, met een glimlach geduldig en energiek kriskras door Europa reist om Rusland, Frankrijk en Engeland over te halen. Het lukt hem. Over één punt maken allen zich zorgen: wat voor indruk zal het maken wanneer overwinnaars recht spreken over overwonnenen? Andere dingen die pas veel later naar buiten kwamen waren: hoe is het gesteld met de luchtaanvallen op woonwijken en de weerloze burgerbevolking, waar de geallieerden zich ook aan schuldig hadden gemaakt? En zijn de Sovjets in 1939 niet samen met Hitler Polen binnengetrokken? Hebben ze niet zelf aanvalsoorlogen tegen Finland en naburige Oostzeestaten gevoerd? Hebben zij niet eveneens oorlogsmisdaden begaan?

Neurenberg, de stad van de partijdagen
De geallieerden wilden een herhaling van het mislukte oorlogsmisdadigersproces na de Eerste Wereldoorlog (waarbij Nederland weigerde keizer Wilhelm II uit te leveren en ook oorlogsvlieger Hermann Göring op de lijst stond) voorkomen. Tijdens de oprichtingsbijeenkomst van de Verenigde Naties in San Fransisco wordt voor het eerst het plan uit de doeken gedaan. Maar waar zou het proces plaats moeten gaan vinden? Men komt uit op Neurenberg, met haar nagenoeg onbeschadigde Paleis van Justitie (terwijl bijna de hele stad in puin lag). Het was ook nog eens de stad van de partijdagen, schouwtoneel van de grootste triomfen van Hitler en de zijnen.


In de cel
Ieder kreeg een afzonderlijke, uiterst eenvoudig ingerichte cel toegewezen. Een binnenplaats bood gelegenheid tot minimale lichaamsbeweging. Pas na het begin van het proces konden de gevangenen met elkaar spreken: als ze samen in de beklaagdenbank zaten, of tijdens de gemeenschappelijke maaltijden die ze tussen de zittingen in de rechtszaal kregen. Na de zelfmoord van Ley werden de gevangenen constant bewaakt.

Dagvaarding
Om te voorkomen dat er honderdduizenden mensen berecht moeten worden, worden er ook groepen aangeklaagd, zoals de SA en de SS. Besloten wordt niet te spreken over de luchtaanvallen, omdat dit wederzijds was geweest. De dagvaarding – vrijwel alle pagina’s van dit schokkende document staan vol van ongelooflijke, ontzettende bijzonderheden, neem bijvoorbeeld de actie ‘Kogel’: ‘het fusilleren geschiedde door middel van een meetapaaraat: de gevangene werd met de rug tegen een meettoestel gezet waarop een mechanisme was aangebracht dat hem automatisch een kogel in de nek schoot zodra de schuiflat waarmee zijn lengte werd bepaald de bovenkant van zijn hoofd raakte’ – bestaat uit vier hoofdpunten:
Samenzwering: de verdachten hebben een gemeenschappelijk plan nagejaagd om onbeperkte macht te verkrijgen en ze waren één in het begaan van alle verdere misdaden. Hitler kon niet in zijn eentje een aanvalsoorlog voeren. Hij had de medewerking nodig van staatslieden, militaire leiders, diplomaten en zakenlieden. Toen dezen, op de hoogte van zijn bedoelingen, hem hun medewerking verleenden, werden zij medeplichtig aan het plan dat hij had bedacht.
Misdrijven tegen de vrede: ze hebben verdragen geschonden, zijn aanvalsoorlogen begonnen en hebben een wereldoorlog ontketend.
Oorlogsmisdrijven: ze hebben een ontzaglijk bloedbad aangericht, massamoorden, folteringen, slavenarbeid en economische plundering bevolen of toegelaten.
Misdrijven tegen de menselijkheid: politieke tegenstanders en minderheden op het punt van ras en godsdienst werden vervolgd en gehele bevolkingsgroepen probeerden ze uit te roeien.

Reacties op de dagvaarding
Een Amerikaanse gevangenispsycholoog heeft de gevangenen aan een intelligentietest onderworpen, en wat blijkt? Hun intelligentieniveau ligt vaak wel iets boven het gemiddelde. Streichers intelligentie lag ver beneden het gemiddelde. Zijn Jodenhaat had duidelijk de vorm van een obsessie aangenomen. Maar dit zegt nog niets over morele waarden en karaktereigenschappen. Hij vraagt de gevangenen ook hun visie inzake de dagvaarding met een enkel woord in de marge van het document te schrijven. Von Papen: ‘Ik geloof dat de voornaamste schuld ligt bij het heidendom en de jaren der totalitaire overheersing’. Frank: ‘Ik wacht het proces af als een door God gewild wereldgericht dat tot taak heeft, de vreselijke lijdenstijd onder Adolf Hitler te onderzoeken en af te sluiten.’ Kaltenbrunner: ‘Ik heb slechts mijn plicht gedaan’. Keitel: ‘Voor een soldaat zijn bevelen bevelen’. Speer: ‘Het proces is noodzakelijk. Er bestaat een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor zulke misdaden, ook onder een autoritair systeem’. Hess: ‘Ik herinner me niets’.


Göring geneest van zijn verslaving
Göring heeft een snuggere inval: ‘De overwinnaar zal altijd rechter, de overwonnene altijd verdachte zijn!’ Göring was in slechte conditie. Hij was geestelijk en lichamelijk een wrak. Maar de strakke leefwijze in de gevangenis had tot een opmerkelijk herstel geleid. Hij kreeg een ontwenningskuur. ‘We zijn eerst maar eens begonnen een mens van hem te maken’. Het was wel een bittere beleving te moeten vaststellen dat de tweede man in de staat morfinist was. Zodoende kon hij zijn ogen sluiten voor de onaangename werkelijkheid. Maar de ontwenningskuur heeft succes en Görings energie keert terug.

Robert Ley bezwijkt
Er is er één die onder de zware druk van de tenlastelegging bezwijkt: Robert Ley. Hij maakt in de gevangenis ongelooflijke plannen: Duitsland moet bijvoorbeeld een deel van de Verenigde Staten worden. Hij schrijft een brief aan Henry Ford waarin hij solliciteert naar een functie zodra het proces voorbij is. De dagvaarding bevrijdt hem van zijn waanvoorstellen. Hij wordt overspannen. De gehele dag ijsbeert Ley rusteloos in zijn cel. De geestelijke overspanning heeft tot gevolg dat ook zijn spraakgebrek herleeft. Op de avond van 25 oktober 1945 vraagt de Amerikaanse dienstdoende wachtpost aan Ley: ‘Waarom gaat u niet slapen?’ De tranen stromen uit zijn wijdopen ogen over zijn ingevallen wangen. ‘Slapen, s-slapen?’ stamelt Ley, ‘ze laten me niet slapen…miljoenen buitenlandse arbeiders…mijn God…miljoenen Joden…allen vermoord…allen omgebracht…allen vermoord…hoe kan ik slapen…s-slapen…’

Kundige zelfmoord
De bewaker vervolgt zijn ronde. Als hij de volgende keer in Ley’s cel naar binnen kijkt, merkt hij dat de gevangene zich heeft teruggetrokken in de hoek waar de ton staat. De volgende controle zit hij daar nog steeds. ‘Hé, Dr. Ley!’ roept hij, maar geen antwoord. Dan gaan ze naar binnen. Ze zien een jammerlijk schouwspel. Ley, ineengezakt, hangt over het deksel van de ton, zijn gezicht blauwachtig rood. Van de ritssluiting van zijn legerblouse heeft hij een strik gemaakt, die hij heeft bevestigd aan de hefboom van het watercloset. De strop, die om zijn nek zit, is gemaakt van ineengevlochten repen, gesneden van een deken. Zijn mond is volgepropt met stukken onderbroek, hij heeft zichzelf gekneveld opdat de bewakers niet voortijdig door zijn laatste gerochel lucht van de zelfmoord zouden krijgen. Ook in neus en oren heeft hij stukken stof geduwd.

Hij wist geen beter antwoord
Ze kunnen niets anders dan Ley’s dood vaststellen. Het wordt streng geheim gehouden: het zou aanstekelijk kunnen werken. Maar ze horen het toch. Göring zegt: ‘Goddank, die zou ons alleen maar te schande hebben gemaakt’. De anderen zijn net zo opgelucht, alleen Julius Streicher was bevriend met Ley. Ley’s plaats in de verdachtenbank blijft leeg en Jackson wijdt aan hem twee zinnen: ‘Robert Ley, de opperste aanvoerder in de slag tegen de arbeiders, heeft onze aanklacht beantwoord met zelfmoord. Klaarblijkelijk wist hij geen beter antwoord’. Daarmee is de zaak afgehandeld.

Krupp en Bormann
Niet alleen Ley’s, maar ook andere plaatsen blijven leeg. Allereerst natuurlijk die van Hitler en Goebbels, maar ook die van Gustav Krupp von Bohlen und Halbach en de geheimzinnige Martin Bormann. In Krupp wil men bij wijze van symbool de bewapeningsindustrie treffen. Krupp, 76 jaar oud, ligt echter ziek thuis en is niet in staat de zaak te vatten. Het koste wel wat moeite om hem niet naar Neurenberg te laten komen, want zijn invloed was in hoge mate bevorderlijk voor het plan van de nazi’s een aanvalsoorlog in Europa te ontketenen. Tegen Martin Bormann wordt recht gesproken bij verstek, want men is van mening dat hij nog in leven is. Maar Bormann blijft spoorloos. Waarschijnlijk is hij bij zijn poging, door de Russische linies bij de grens van de stad Berlijn uit te breken, gevallen. Maar in 1945 zijn de zaken nog niet zo bekend. De rechtbank gelast Martin Bormann in openbare bekendmakingen zich te melden, niet wetend dat hij dus al dood was.


Elk woord in vier talen
Op 20 november 1945 kon het proces beginnen. Op de perstribune zitten 250 journalisten, slechts vijf Duitse verslaggevers zijn toegelaten. De verdachten zitten in twee rijen achter elkaar op lange houten banken en spreken levendig met elkaar of met hun advocaten, wier tafels vóór de verdachtenbank zijn opgesteld. Stenograven schrijven elk woord op in vier talen: Duits, Russich, Engels en Frans. De Duitsers en Russen maken nog gebruik van potlood, de andere twee gebruiken kleine geruisloze stenografeermachines. Er zijn tolken die elk woord meteen in de drie andere talen vertalen. Elke plaats in de zaal is voorzien van een koptelefoon en een kiesschijf waarop men de gewenste taal kan instellen.

Veel papier nodig
Getuigenbank, spreekgestoelte en rechterstafel zijn voorzien van een gele en een rode lamp. De bijbehorende schakelaars kunnen de tolken bedienen. Schakelen ze geel licht in, dan betekent dat: ‘Langzamer spreken alstublieft’. Rood licht betekent dat het gehele vertalingssysteem onklaar is geraakt. In elk opzicht overtreft de procedure van Neurenberg de gewone normen. Ze zal 218 volle procesdagen in beslag nemen en werd mitsdien nog slechts overtroffen door het grootste proces uit de wereldgeschiedenis: de overeenkomstige procedure van Tokio, die 417 dagen heeft geduurd. Het proces-verbaal telt 16.000 pagina’s. De rechtbank hoort 240 getuigenverklaringen. De verveelvoudiging van alle schriftelijke stukken in de vier talen verslindt 5 miljoen vel papier.

Het gericht kan beginnen
‘Attention! The Court!’ ‘Achtung, das Gericht!’ zo luidt het 23 november, 10.03 uur. Vier rechters en vier plaatsvervangers komen binnen. Zes van hun dragen zwarte toga’s, de twee Russen zijn in uniform. Alleen de aanwezigheid van de Amerikaanse militaire bewakers met hun blinkende witte helmen was een zichtbaar bewijs van het feit dat dit geen gewone rechtszitting was. Göring had zich voorgesteld hoe hij op het historische uur het gerecht tegemoet zou treden. Hij kwam compleet in extase toen hij schilderde hoe bij zijn binnenkomst de zoeklichten zouden aanflitsen en hoe hij de vijand zijn aanklacht in het gezicht zou slingeren. Hoe anders ziet de werkelijkheid er echter uit! De gehele eerste dag bestaat uit de voorlezing van de dagvaarding. Göring zit stil in de hoek van zijn bank, leunt breeduit op zijn ellebogen en laat zijn kin in de beide handen rusten. Van de indrukwekkende houding, die hij zich heeft voorgenomen, is niets te merken…

Hess lacht, Ribbentrob schrikt
Hess zei vóór het begin van de zitting tegen Göring: ‘Je zult zien, deze spookverschijning zal verdwijnen, binnen een maand zul jij de Führer van Duitsland zijn!’ Hess verdiepte zich tijdens de voorlezing van de dagvaarding in een boek uit de gevangenisbibliotheek, een grappig boek kennelijk, want Hess barst op een gegeven moment in luid gelach uit. Kort daarna krijgt hij maagkramp en wordt hij met toestemming van de rechtbank naar zijn cel teruggebracht. ’s Middags valt Joachim von Ribbentrop uit: tijdens de voorlezing van wreedheden en misdaden tegen de mensheid wordt hij eensklaps bleek en valt voor korte tijd in onmacht.

‘Niet schuldig’
De tweede procesdag wordt de 21 verdachten verzocht zich één voor één naar een microfoon te begeven om te verklaren of zij na kennisneming van de dagvaarding bekennen zich aan het telastegelegde te hebben schuldig gemaakt. Het is een formaliteit. Bijna allen zeggen ‘niet schuldig’. Göring denkt dat zijn grote ogenblik nu gekomen is: ‘Alvorens antwoord te geven op de vraag van het Hoge Gerechtshof of ik al dan niet erken schuldig te zijn…’ De president valt hem in de rede. Voor uitvoerige redevoeringen krijgt Göring later in de getuigenbank nog voldoende tijd. Negen dagen lang wordt hem de gelegenheid geschonken vrijwel ononderbroken het woord te voeren.

Afstand van verleden
Göring moet tegen Funk gezegd hebben: ‘Je moet het feit aanvaarden dat je leven verloren is. De enige vraag is nog of je bereid bent aan mijn zijde te staan en de martelaarsdood te sterven’. De beklaagden gaven geen blijk van diep berouw over hun naziverleden, maar aan de andere kant hadden ze niet veel moeite mee hun vroegere banden van trouw te verloochenen. We verbazen ons over de nonchalance waarmee de ene beklaagde na de andere zich van het geloof van het nazisme afmaakte als van iets dat hij nimmer ernstig had genomen. Zelfs de nazi-filosoof Rosenberg had, als men hem mocht geloven, niet echt gemeend wat hij had geschreven. De ene beklaagde na de andere herhaalde dat hij ten offer gevallen was aan de geheimzinnige kracht die er van Hitler uitging.

Christendom en nationaal-socialisme onverenigbaar
Bormann zei dat het christendom en het nationaal-socialisme onverenigbaar waren. Rosenberg was de man die over het nationaal-socialisme als nieuwe wereldbeschouwing zei: ‘Ze verdraagt geen gelijkwaardig krachtencentrum naast zich, noch de christelijke liefde, noch de menselijkheid van de vrijmetselaars, noch de roomse filosofie’. Dus weg met de christelijke liefde! Oorlog aan de kerk! Bormann: ‘Wanneer onze jeugd in de toekomst niets meer hoort over dat christendom, welks leerstellingen verre beneden de onze staan, zal het christendom vanzelf verdwijnen’. De Reichskirchenminister zei in 1939: ‘Er zijn geen christelijke wereldbeschouwing en geen christelijke moraal’.

Nieuwe catechismus
Bormann stelde voor een nationaal-socialistische catechismus in te stellen om aan de nationaal-socialistische leerstellingen een morele basis te geven; die zou dan langzamerhand de christelijke godsdienst vervangen. Bormann stelde voor enkele van de tien geboden met de nationaal-socialistische catechismus samen te smelten en verklaarde dat enkele nieuwe geboden moeten worden toegevoegd, zoals: ‘Gij zult dapper zijn!’ ‘Gij zult uw bloed rein houden!’

Euthanasie
In de nieuwe catechismus van Bormann is voor medelijden geen plaats. ‘Gij zult doden: de zwakken, de zieken, de bejaarden, de gebrekkigen, degenen die niet kunnen werken, degenen die niet gewenst zijn. gij zult doden – de nutteloze eters’, zo kunnen we de inhoud van een duister hoofdstuk samenvatten. We hebben het hier namelijk over het euthanasieprogramma, waarbij volgens schatting tenminste 275.000 mensen vermoord zijn.

Kaltenbrunner met zijn valse paardekop
Streicher was de paria van de groep die voortdurend door iedereen werd geschuwd. Ook Kaltenbrunner werd gemeden: de meeste anderen voelden zich niet op hun gemak in het gezelschap van de chef van de SD met zijn ‘valse paardekop’. Schacht liet er bij niemand twijfel over bestaan dat hij zichzelf beschouwde als de enige beklaagde die zich nergens zorgen over behoefte te maken; er waren misschien nog een paar anderen die kans op vrijspraak hadden, maar de rest was volgens hem een stel ordinaire misdadigers.

Göring is principieel
Speer bracht de lafheid van de nazi-leiders goed onder woorden: ‘Ze hebben indrukwekkende, heldhaftige toespraken gehouden over vechten en sterven voor het vaderland, zonder hun eigen hals ervoor te wagen. En nu hun eigen hachje op het spel staat, staan ze te bibberen en proberen ze allerlei verontschuldigingen te vinden. Dat zijn nu de helden die Duitsland naar de ondergang hebben gevoerd.’ Geen van de verdachten, met één opmerkelijke uitzondering, maakte er een principiële kwestie van om niet een medeverdachte in de zaak te betrekken. De uitzondering was Hermann Göring. Het duurde niet lang of Göring deed een vastberaden poging zijn medegevangenen om zich te verzamelen en hen aaneen te smeden tot een hecht, verenigd front. Als hem dit gelukt was, zou hij de taak van de aanklagers aanmerkelijk hebben bemoeilijkt.

Om de reputatie in de geschiedenis
Göring was niet bang voor de dood, maar hij maakte zich wel zorgen over zijn ‘reputatie in de geschiedenis’. Hij was zich bewust van de diepere betekenis van de politieke aspecten van het proces. Zoals voor de aanklagers de morele vernietiging van het nazisme nog een belangrijker doel was dan de bestraffing van de afzonderlijke misdadigers, zo was Görings voornaamste doel het doen mislukken van de politieke kruistocht onder leiding van Jackson. Het lukte Göring om in de loop van het proces respect en sympathie te verwerven.

De Dikke
Men dacht dat Göring een hersenloze moordenaar was die een erbarmelijk figuur zou slaan als hem zijn schitterende uniformen en ontelbare blinkende medailles waren ontnomen. Maar de Dikke, zoals de Duitsers hem noemden, bezat een zeer grote dosis gezond verstand. Hij wist heel behendig de zwakheden van anderen uit te buiten. Maar in werkelijkheid was hij goedaardig noch eerlijk. Zijn gevoel voor humor was grof en miste menselijke warmte. Dat hij bereid was de volle verantwoordelijkheid van zijn daden te aanvaarden klonk indrukwekkend, maar in feite had hij geen andere keus. Hij weigerde zich in ongunstige zin over de Führer uit te laten.

Görings invloed op de andere gevangenen
Göring was in vergelijking met anderen zeker een positief geval. Bijvoorbeeld vergeleken met het zielige vertoon van dodelijke angst van Ribbentrop, of het gebrek aan waardigheid bij veldmaarschalk Keitel, die telkens in de houding sprong als hij door iemand in geallieerd uniform werd aangesproken. Göring maakte handig gebruik van nu eens gevlei en dan weer gebluf. Het was een moeizame strijd voor hem. Geen van de andere beklaagden was bereid zich zo sterk te identificeren met het verslagen naziregime als Göring. Görings invloed werd beteugeld doordat vanaf februari 1946 de gevangenen niet meer samen mochten luchten en niet meer samen in één vertrek de lunch mochten gebruiken. Ze moesten in zes verschillende vertrekken zitten, en Göring alleen, de anderen in groepen van vier man.

Göring en de holocaust
Görings naam is voor altijd met het bevel tot de Endlösung verbonden en duikt overal op waar iets tegen de Joden ondernomen wordt. De door Göring na de Kristallnacht bijeengeroepen vergadering, die besluit de Joden een geldboete van 1 miljard mark op te leggen, is een bewijs van Görings actieve antisemitisme. Te Neurenberg ontkent Göring ook maar iets van de verschrikkingen in de concentratiekampen te hebben geweten. ‘Wilt u de rechtbank wijsmaken dat u, de tweede man in het Rijk, niets van de concentratiekampen afwist?’ ‘U weet dat er miljoenen kledingstukken, miljoenen paren schoenen, 20.952 kg gouden trouwringen, 35 wagonladingen bontjassen waren’. ‘Herinnert u zich de getuige die heeft verklaard dat de beulen van uw vriend Himmler zo grondig te werk gingen, dat het vermoorden van vrouwen vijf minuten langer duurde omdat men eerst de haren moest afsnijden, die voor de fabricage van matrassen werden gebruikt?’ Görings antwoorden waren ontkennend.

Gij eveneens
De verdediging probeerde aan argument uit te buiten dat ook de meeste bekendheid heeft in de vorm van een Latijnse clausule: ‘tu quoque’, gij eveneens, door te stellen dat er bij de ten laste gelegde misdrijven minstens enkele waren die ook aan geallieerde zijde waren gepleegd. Hieraan hebben waarschijnlijk de admiraals Dönitz en Raeder hun leven te danken. Beiden waren beschuldigd van het voeren van een onbeperkte onderzeebootoorlog, maar dat hadden Engeland en Amerika ook gedaan.

Afbrokkelende verdediging
Görings poging om de beklaagden een gesloten front te laten vormen werd steeds moeilijker naarmate het bewijsmateriaal langer werd. Niemand wilde vereenzelvigd worden met de gruweldaden van concentratiekampen, massamoorden en slavenarbeid. Göring deed een poging het naziregime en zijn eigen reputatie te verdedigen tijdens de negen dagen die hij in de getuigenbank doorbracht. Maar Görings verdediging brokkelde steeds verder af en tenslotte kwam hij, net als de anderen, niet verder dan de ontkenning dat hij op de hoogte was geweest van de feiten die hij, gezien de bewijzen, wel had moeten weten, het opschuiven van de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de zwaarste misdrijven op de dode Führer.

Auschwitz kampcommandant Höss als getuige
Dagen achtereen vertellen in Neurenberg de ooggetuigen over hun belevingen. Ook films worden vertoond. De onvoorstelbare gebeurtenissen leggen een zware druk op allen in de zittingszaal. Zelfs de verdachten lijken verbijsterd. Tijdens de vertoning van de films huilt Funk, verbergt Dönitz zijn gelaat in de handen, laten anderen het hoofd hangen en brengen maar één woord uit: ‘Verschrikkelijk!’ Meer dan wie ook heeft één man in Neurenberg ontzetting gebracht onder de rechters, de verdediging en zelfs de verdachten: Rudolf Franz Ferdinand Höss, de kampcommandant van Auschwitz. Hier legde een massamoordenaar uit de eerste hand zijn getuigenis af. Hij sprak het alles zo rustig uit, als betrof het volkomen vanzelfsprekende zaken.

Het is verschrikkelijk
’s Avonds nadat ze zoveel gruwelijke dingen gezien en gehoord hadden, bracht een gerechtspsycholoog een bezoek aan de cellen. Fritzsche zit met het hoofd in de handen en huilt. ‘Geen enkele macht in de hemel en op aarde kan deze schande van mijn land wegnemen – niet in generaties – niet in eeuwen’. En opnieuw barst hij in tranen uit. Schirach zegt: ‘Ik begrijp niet hoe Duitsers zoiets hebben kunnen doen. Bij Walther Funk blijven de tranen hem over de wangen stromen en mompelt voortdurend dit ene woord: ‘Verschrikkelijk, verschrikkelijk…’ Wilhelm Keitel: ‘Het is verschrikkelijk. Als ik zulke dingen zie, schaam ik me dat ik een Duitser ben. Het zijn die smeerlappen van de SS geweest (…) Maar ik wist er niets van’.

Als ik niet slaap, kan ik bidden
Hans Frank barst bij de binnenkomst van de psycholoog in snikken uit: ‘We hebben als koningen geleefd en in dat beest geloofd!’ ‘Laat niemand u wijsmaken dat ze van niets wisten. Allen hebben we aangevoeld dat dit systeem zijn verschrikkelijke kanten had, ook al kenden we de bijzonderheden niet. Je wilde ze niet kennen’. Frank wijst op het avondeten, dat nog onaangeroerd op zijn klaptafeltje staat. ‘U behandelt ons te goed’. ‘Wilt u een slaapmiddel?’ ‘Nee dank u. Als ik niet slaap, kan ik bidden’.

Goethe’s profetische woorden
‘De afgelopen veertig jaar van de twintigste eeuw zullen in de annalen der geschiedenis tot de bloedigste aller tijden worden gerekend’, zo zegt Jackson in zijn requisitoir. ‘Er werd hun een vorm van proces vergund die zij in de dagen hunner macht en praal nimmer een ander hebben toegestaan’. Jackson haalt Goethe erbij die gezegd heeft dat het Duitse volk op een zekere dag door zijn noodlot zou worden achterhaald, want ‘ze leveren zich gelovig over aan iedere krankzinnige schurk die hun laagste instincten oproept, hen in hun zonden sterkt en hun leert nationaliteit op te vatten als isolering en bruut optreden’. Goethe sprak hier profetische woorden.

Görings laatste woord
De verdachten krijgen een laatste woord, zo is vastgesteld. Ze houden de laatste verdediging in. Göring spreekt: ‘Dat ik deze vreselijke massamoorden ten scherpste veroordeel en dat ik elk begrip daarvoor mis, moge in uitdrukkelijk vaststellen. (…) Ik heb nimmer (…) een moord bevolen en evenmin andere wreedheden gelast of toegelaten wanneer ik de macht en de kennis bezat ze te verhinderen. (…) Het Duitse volk vertrouwde de Führer en kon wegens diens autoritaire staatsbeleid geen invloed op de gebeurtenissen uitoefenen. (…) Het Duitse volk is vrij van schuld. (…) Ik heb geen oorlog gewild of veroorzaakt, ik heb alles gedaan om hem door onderhandelingen te voorkomen. Toen hij was uitgebroken, deed ik alles om ons van de overwinning te verzekeren. (…) Het enige motief waardoor ik werd geleid was vurige liefde tot mijn volk, zijn geluk, zijn vrijheid en zijn leven. Hierbij roep ik de Almachtige en mijn Duitse volk als getuigen aan’.

Hess’ woorden zonder einde
Na hem krijgt Rudolf Hess het woord. Zijn redevoering is verward en duister, zijn woorden kennen geen einde, tot hij tenslotte door de president wordt onderbroken. Hij zegt onder andere: ‘Ik ben geen kerkelijk figuur, ik heb geen innerlijke relatie met de kerken, maar ik ben een diep religieus mens. Ik ben ervan overtuigd dat mijn Godsgeloof sterker is dan dat van de meeste andere mensen.’ Alle aanwezigen in de zaal zijn door het verwarde gepraat van Hess hoogst pijnlijk getroffen. Zelfs de verdachten zitten als het ware op hete kolen, en eindelijk doet Göring een poging zijn buurman door een teken er opmerkzaam op te maken dat hij terzake moet komen ofwel ophouden moet. Maar Hess valt boos tegen hem uit – en zijn woorden zijn door het koptelefoonsysteem in de gehele zaak te horen: ‘Val me niet in de rede’. Hess heeft spijt van niets. Hij ziet zich nog als trouw volgeling van de Führer.

Keitel en Kaltenbrunner
Keitel zegt dat als hij het over mocht doen, hij dan liever de dood zou kiezen dan ‘mij (weer) in het net van zulke verderfelijke methoden te laten vangen’. ‘Ik heb geloofd, ik heb gedwaald en ik was niet in staat te verhinderen wat verhinderd had moeten worden. Dat is mijn schuld. Het is tragisch te moeten inzien dat het beste dat ik als soldaat te geven had, gehoorzaamheid en trouw, werd misbruikt voor onkenbare oogmerken.’ Kaltenbrunner: ‘Aangaande de Jodenkwestie ben ik even lang om de tuin geleid als andere hoge functionarissen. Nooit heb ik de biologische uitroeiing van het Jodendom gebillijkt of toegelaten. Hitlers antisemitisme, zoals we dat thans onderkennen, was barbaars. (…) Ik weet slechts dat ik al mijn kracht ter beschikking van mijn volk heb gesteld in mijn geloof in Adolf Hitler’.

Rosenberg
Rosenberg: ‘Mijn geweten zegt mij dat ik volledig onschuldig ben aan medeplichtigheid aan genocide. (…) Steeds meer trok Adolf Hitler personen aan die niet mijn kameraden, maar mijn tegenstanders waren. Aangaande hun onzalige daden moet ik verklaren: dit was niet de verwezenlijking van het nationaal-socialisme, waarvoor miljoenen gelovige mannen en vrouwen hebben gestreden, maar een schandelijk misbruik, een ook door mij ten scherpste veroordeelde ontaarding’.

Franks diepe woorden
Frank: ‘Edelachtbare Heren! Adolf Hitler, de hoofdverdachte, is het Duitse volk en de gehele wereld zijn slotwoord schuldig gebleven. (…) Wij willen niet zonder meer zeggen: “Zie nu maar dat gij de ineenstorting, die wij u hebben nagelaten, te boven komt!” Ook nu nog dragen wij, wellicht als nooit tevoren, een grote, vreselijke verantwoordelijkheid. (…) Aan het begin van onze weg hebben wij er geen vermoeden van gehad dat een zich afwenden van God zulke verderfelijke, dodelijke gevolgen zou kunnen hebben en dat wij steeds dieper in onze schuld verstrikt moesten geraken. (…) Zo zijn wij door onze afkerigheid van God de weg des verderfs opgegaan onze ondergang tegemoet.’

De weg des verderfs en des doods
‘Neen, het is God geweest die het vonnis over Hitler heeft geveld en voltrokken over hem en het systeem, dat wij dienden in een van God afgewende geestesgesteldheid. (…) Daarom hoop ik dat ook ons volk zal worden teruggeroepen van de weg welke Hitler en wij met hem dat volk hebben doen bewandelen. Ik smeek ons volk niet in die richting te blijven voortgaan, geen stap; want de weg van Hitler was de vermetele weg zonder God, de weg der afwending van Christus en uiteindelijk de weg der politieke dwaasheid, de weg des verderfs en des doods. Zijn gang werd meer en meer die van een godloze avonturier zonder geweten en eerlijkheid, zoals ik nu weet, op het eind van dit proces.’

De gerechtigheid Gods
‘Het stemt mij dankbaar dat men mij de mogelijkheid van een verdediging en mitsdien van een rechtvaardiging heeft geschonken aangaande de beschuldigingen die tegen mij zijn ingebracht. (…) Ik wil in deze wereld geen verborgen schuld ongedelgd achterlaten. Als getuige heb ik de verantwoordelijkheid op mij genomen voor de dingen waarvoor ik aansprakelijk ben geweest. (…) Het is echter de eeuwige gerechtigheid Gods waarin ik ons volk geborgen hoop en waarvoor alléén ook ik mij vol vertrouwen buig’.

Frick, Streicher en Funk
Frick: ‘Wegens de vervulling van mijn wettelijke en morele plichten geloof ik evenmin straf te hebben verdiend als tienduizenden plichtsgetrouwe Duitse ambtenaren’. Streicher: ‘De massamoorden zijn uitsluitend en zonder beïnvloeding op bevel van het staatshoofd Adolf Hitler volvoerd. (…) De bedreven massamoorden wijs ik evenzeer af als ze worden afgewezen door iedere fatsoenlijke Duitser’. Funk: ‘Ik ben van die misdrijven niet op de hoogte geweest. Deze misdaden vervullen mij gelijk iedere Duitser met grote schaamte. (…) Het bestaan van zulke vernietigingskampen was mij volledig onbekend. (…) Het menselijke leven bestaat uit dwaling en schuld. Ook ik heb in vele dingen gedwaald, ook ik heb mij in vele dingen om de tuin laten leiden’.

Schacht, Dönitz, Raeder, Schirach en Sauckel
Schacht: ‘Elke terreur moet het afleggen tegen een beroep op het geweten. Hierin ligt de grote krachtbron die het geloof ons schenkt’. Dönitz: ‘Mijn leven stond in dienst van mijn beroep en daarmee in dienst van het Duitse volk’. Raeder: ‘Ik heb als soldaat mijn plicht gedaan. (…) Mocht ik mij al aan iets schuldig hebben gemaakt, dan hoogstens hieraan (…) (dat ik) ook tot op zekere hoogte politicus had moeten zijn.’ Schirach: ‘Onze Duitse jeugd is volkomen onschuldig’. Sauckel: ‘Ik ben ten diepste geschokt (…) Ikzelf ben bereid elk lot, dat de voorzienigheid mij oplegt, te aanvaarden. God behoede mijn boven alles geliefde volk, God zegene wederom de arbeid van de Duitse werkers in wier dienst mijn gehele leven heeft gestaan, en Hij schenke de wereld vrede’.

Jodl, Papen, Neurath en Fritzsche
Jodl: ‘In een oorlog als deze, waarin honderdduizenden kinderen en vrouwen door luchtbombardementen vernietigd zijn (…) zijn harde maatregelen, ook wanneer ze vanuit het oogpunt van volkenrecht bedenkelijk mochten schijnen, geen misdaad voor moraal en geweten. Want het is mijn geloof en overtuiging: de plicht tegenover volk en vaderland gaat boven elke andere. Die plicht te vervullen was mij een eer en de hoogste wet’. Papen: ‘De kracht van het boze is sterker geweest dan die van het goede. (…) Niet het naziregime maar het vaderland heb ik gediend.’ Neurath: ‘Ik sta hier met een zuiver geweten’. Fritzsche: ‘Ik geloofde in de officiële Duitse dementi’s (overtuiging van onwaarheid) van alle buitenlandse berichten over Duitse gruweldaden. Dat is mijn schuld – niet meer dan dat, ook niet minder’.

Seyss-Inquart en Speer
Seyss-Inquart: ‘Voor mij blijft Hitler de man die Groot-Duitsland als een feit in de Duitse geschiedenis heeft gezet. Deze man heb ik gediend. En wat daarna kwam? Ik kan niet vandaag “kruisigt hem!” roepen wanneer ik gisteren “hosanna!” geroepen heb. Mijn laatste woord is het beginsel waarnaar ik altijd gehandeld heb en waaraan ik tot mijn laatste ademtocht zal vasthouden: ik geloof aan Duitsland!’ Speer: ‘De wereld zal uit het gebeurde de lering trekken de dictatuur als staatsvorm niet alleen te haten maar ook te vrezen. (…) Ze was de eerste dictatuur in deze tijd der moderne techniek. (…) Door de middelen der techniek (…) werd tachtig miljoen mensen het zelfstandige denken benomen. (…) Dientengevolge ontstaat het nieuwe type van de kritiekloze mens die bevelen in ontvangst neemt’.

Vonnis
Na deze slotwoorden wordt de zitting verdaagt om zich te beraden over het vonnis. In volledige afzondering werken de rechters van de vier mogendheden aan het laatste document waarvan in dit proces voorlezing moet worden gedaan: het vonnis met zijn uitvoerige motivering. De rechters weten dat elk woord van hun vonnis historie zal worden. Men komt niet tot volledige overeenstemming. De Russische rechter is op vele punten een andere mening toegedaan dan zijn westelijke collega’s. Uiteindelijk moet de meerderheid van stemmen beslissen. De Russische rechter mag een ‘afwijkend vonnis’ geven, die niet wordt voorgelezen en geen praktische betekenis heeft, maar wel in de juridische literatuur wordt opgenomen.

Göring met zonnebril
Op 1 oktober 1946 wordt bekend wat de straffen zullen zijn. Göring, het hoofd gebogen, drukt met wijs- en middelvinger de telefoon tegen zijn rechteroor, hoort het ‘schuldig op alle vier punten der verdachtmaking’ en weet nu zeker dat dit ’s middags alleen een doodvonnis kan betekenen – maar geen spier van zijn gelaat verraad enige opwinding. Zijn ogen zijn verborgen achter een donkere zonnebril, zijn lippen zijn opeengeklemd en verstart in een haast onmerkbare glimlach. Zoals altijd heeft hij een lichtgrijze buitenmodel-uniform aan.

Hess gedesintegreerd
Rudolf Hess is volkomen gedesinteresseerd. Göring buigt naar hem over en maakt hem erop attent dat nu hij aan de beurt is, maar Hess zet niet eens zijn koptelefoon op. En als Göring hem in het oor fluistert dat hij schuldig is bevonden, neemt hij deze mededeling met een afwezig knikje in ontvangst. De meeste verdachten horen de schuldigverklaring uiterlijk onbewogen aan. Frick, tot dien onbeweeglijk, richt zich bij het noemen van zijn naam met een ruk op. Frank schudt nauwelijks merkbaar het hoofd. Streicher laat voor het eerst tijdens het proces zijn stuk kauwgom met rust voor zolang het voorlezen duurt. Funkt kan zijn vroegere huilbuien de baas blijven.

Fritzsche, Papen en Schacht vrijgelaten
Schacht zit in zijn hoekje en hoort de vrijspraak van het hem ten laste gelegde met een ironisch glimlachje als een vanzelfsprekende zaak aan. Na de bekendmaking van de vrijspraak van Fritzsche springt zijn advocaat op en maakt levendige gebaren in zijn richting. Fritzsche en Von Papen dringen uit de verdachtenbank en schudden Göring en vervolgens ook Dönitz de hand. Alleen Schacht gedraagt zich gereserveerd. De straffen worden ’s middags bekendgemaakt. De sensatie van de ochtend is dat Fritzsche, Papen en Schacht reeds worden vrijgelaten. ‘Waar gaat u vannacht slapen?’ vraagt een journalist. ‘Nog liever in een puinhoop hier in Neurenberg, alsjeblieft geen grijze muren en tralies meer!’ aldus Fritsche.

Overige
– De Amerikaanse minister van Financiën Henry Morgenthau liep in 1944 met het plan om Duitsland na de oorlog te verdelen in kleine politieke eenheden, de industrie te ontmantelen, de mijnen te vernietigen en het land te veranderen in een zuiver agrarisch, arm en machteloos land.
– De meeste nazi-leiders kamen in handen van Amerikanen of Britten.
– Voor elk aspect van het nazi-regime wilde men minstens één persoon in de beklaagdenbank vertegenwoordigd zien. Zo kon het gebeuren dat Fritzsche als vervanger voor Goebbels kwam, en dat was wel wat dwaas, zoals het tribunaal later stilzwijgend erkende. Hij was een nazi-radiocommentator. Hij was één van de weinige nazi’s die door de Russen waren gevangengenomen en de Russen hadden vooral aangedrongen op zijn berechting.
– De lange duur van het proces (bijna een jaar) is één van de meest in het oog lopende tekortkomingen.
– De verdedigers van de nazi-misdadigers verkeerden in een delicate positie. Het waren Duitsers, soms lid geweest van de partij, en ook zij waren waarschijnlijk verrast en diep geschokt door de geweldige omvang en de afgrijselijke details van de misdaden die in de aanklacht waren opgesomd.
– ‘Nacht und Nebel’ was een decreet uit 1941 dat inhield dat allen die verdacht werden van een overtreding van de bezettingswetten of van daden die gericht waren tegen de belangen van het Reich, maar van wie niet vaststond dat ze ter dood veroordeeld zouden worden, in het geheim naar Duitsland werden overgebracht zonder dat de families dat wisten. Ze werden op een bepaalde nacht uit hun huis gehaald, en verdwenen in de nevel van het onbekende. Meestal was de bestemming een werkkamp die ze niet overleefden.
– Schirach werd niet veroordeeld wegens zijn verderfelijke activiteiten als leider van de Hitlerjeugd, maar in verband met de deporatie van Joden uit Wenen.
– Wanneer men zegt dat sommigen schuldiger zijn dan anderen, vragen wij ons af: welke verzachtende omstandigheid is er of wat maakt het uit of sommigen hun leven slechts duizendmaal hebben verspeeld, terwijl anderen miljoenenvoudig de dood hebben verdiend? De doodstraf is er voor beiden.
– Göring vroeg gratie, maar kreeg die niet.


Göring: dood door de strop
De zaal wordt die middag niet meer helder verlicht door de schijnwerpers. Alle fotografen en filmmensen zijn uit de zaal gebannen. In deze seconden, waarin de verdachten de beslissing over leven en dood te horen krijgen, mag hun gelaat niet worden gefotografeerd of gefilmd. De sfeer lijkt elektrisch geladen. De ogen van alle mensen in deze zaal zijn gericht op hetzelfde: de bijna onzichtbaar in de muur ingebouwde deur achter de verdachtenbanken. Als eerste treedt Hermann Göring de zaal in. Hij doet zijn koptelefoon op, maar die werkt niet. ‘Verdachte Hermann Wilhelm Göring! Overeenkomstig de punten der dagvaarding…’ Göring wenkt met beide handen dat zijn koptelefoon het niet doet. Dit wordt verholpen en de rechter begint bij het begin: ‘Verdachte Hermann Wilhelm Göring! Overeenkomstig de punten der dagvaarding, volgens welke gij schuldig bevonden zijt, veroordeelt de Internationale Militaire Rechtbank u tot de dood door de strop’.

Hess gedraagt zich weer vreemd
Onbeweeglijk, met gebogen hoofd, hoort Göring de uitspraak aan. Dan neemt hij de koptelefoon van zijn oren, maakt met een snelle, militair aandoende beweging rechtsomkeert en verlaat de zaal. De tweede die binnenkomt is Rudolf Hess. Die weigert de koptelefoon aan te nemen. Daar staat hij, op zijn tenen wippend; hij laat zijn diep in hun kassen liggende ogen ronddwalen, kijkt naar het plafond en maakt op iedereen de indruk dat hij zo dadelijk een deuntje zal gaan fluiten. Hess krijgt levenslang. Hij hoort de uitspraak niet, en pas als één van de beide mannen van de militaire politie hem op de schouder tikt, draait hij zich met een danspas om en verdwijnt door de deur.

Streicher verwacht een mokerslag
Ribbentrops gezicht ziet asgrauw bij het aanhoren van het ‘…tot de dood door de strop’. Keitel hoort het kaarsrecht en met onbewogen gelaatsuitdrukking aan. Kaltenbrunners versteend gelaat vertoont voor het eerste een flauwe glimlach. Rosenberg moet zich kennelijk goed in bedwang houden. Frank houdt de handen, die hij na het opzetten van de koptelefoon juist weer wil laten zakken, halverwege tot een smekend gebaar verstard. Zijn onderlip hangt slap omlaag en hij knikt als hij de beslissende woorden hoort: ‘…tot de dood door de strop’. Snel wendt hij zich af om zijn gezicht te verbergen. Streicher staat wijdbeens en met het hoofd naar voren als verwachtte hij een mokerslag. Sauckel houdt de blik duister gericht op de tafel van de rechters en maakt dan plotseling rechtsomkeert.

Funk mag blijven leven
Jodl rukt zich letterlijk de koptelefoon van het hoofd en laat een verachtelijk sissen horen, voordat hij zich hooghartig opricht en met stramme pas de zaal verlaat. Funk, die vast gerekend heeft op een doodvonnis, breekt bij de woorden ‘levenslange gevangenisstraf’ in snikken uit en maakt een hulpeloze buiging in de richting van de rechters. In totaal zijn twaalf verdachten veroordeeld tot de dood door de strop, drie tot levenslang, twee tot twintig jaar, één tot vijftien en één tot tien jaar. Drie werden ’s ochtends al vrijgelaten.

Dood!
Aan de andere kant van de gebeurtenissen stond de gerechtspsycholoog hen op te wachten. ‘Als eerste kwam Göring naar beneden, het gelaat bleek, als bevroren, met uitpuilende ogen’. In zijn cel laat hij zich op zijn bed neervallen, grijpt afwezig naar een boek en zegt dan: ‘Dood!’, terwijl zijn hand beefde. Hij deed zijn best zich nonchalant te gedragen, maar zijn ogen waren vochtig, hij hijgde en probeerde kennelijk zich te verzetten tegen een zenuwinzinking. Ribbentrop maakt de indruk volkomen ontzet te zijn: ‘Dood! Dood! Nu kan ik mijn memoires niet meer schrijven. Ach, ach! Dus zo gehaat ben ik, zo gehaat…’ Frank: ‘Ik verdien het’. Kaltenbrunners verkrampte handen toonden de angst die zijn uitdrukkingloos gelaat verried: ‘Dood!’ kon hij slechts fluisteren.

Sauckel raakt in paniek
Jodl: ‘Dood door ophanging! Dát had ik niet verwacht. Het doodvonnis – goed, iemand moet de verantwoordelijkheid dragen. Maar dit…’ Zijn mond trilde, zijn stem sloeg over. Het minst is Sauckel in staat in zijn doodvonnis te berusten. Hij bestormt kapper, gevangenisdokter en psycholoog met de woorden dat alles wis en zeker alleen te wijten is aan een fout in de vertaling. Het bericht van zijn vertwijfelde toestand verspreidt zich snel in de cellen en tenslotte is het Seyss-Inquart, die hem woorden van troost schrijft: ‘Waarde partijgenoot Sauckel! U hebt felle kritiek op uw vonnis. U meent dat het vonnis tegen u zo is uitgevallen omdat één van uw woorden verkeerd vertaald en uitgelegd is. Die indruk heb ik niet. Dat er een bevel van de Führer bestond kan ons, die de moed en de kracht bezaten in deze strijd om het voortbestaan van ons volk vooraan te staan, niet ontheffen van de verantwoordelijkheid. Stonden wij in de dagen der triomf in de voorste rijen, zo mogen wij er aanspraak op maken ook in het ongeluk vooraan te staan. Met onze houding dragen wij ertoe bij de toekomst van ons volk weer op te bouwen. Uw Seyss-Inquart.’

Slaap kindje slaap
Twee eindeloze weken gaan voorbij. In de nacht van 15 op 16 oktober 1946 moeten de terechtstellingen plaatsvinden. Dag en uur zijn streng geheim, maar de veroordeelden rekenen allen met 14 oktober. Intussen zijn er nog enige officiële gratieverzoeken hangende. De veiligheidsmaatregelen zijn verscherpt. ’s Nachts blijven de cellen helder verlicht. Keitel vraagt of de organist, die ’s avonds dikwijls een paar liederen speelt, niet langer het liedje ‘Schlafe, mein Kindchen, schlaf ein’ te spelen, daar dit bij hem bijzonder weemoedige herinneringen wakker riep.

Wanneer?
‘Is onze galg al gauw klaar?’ vraagt Streicher, in wiens cel het lawaai van de timmerlieden het duidelijkst te horen is. Op 15 oktober schijnen de delinquenten te weten dat hun zware gang voor de deur staat. In alle cellen vraagt men plotseling naar de Bijbel. Alleen Rosenberg wil er niets van weten. Frank, Kaltenbrunner en Seyss-Inquart, de drie rooms-katholieken onder de veroordeelden, biechten en communiceren in hun cel. ‘Er is vast iets op til’, zegt Göring, ‘Je ziet allerlei vreemde mensen op de gang en er branden ook meer lampen dan anders’.

Het lukt Göring zijn beulen voor te blijven
Göring ligt die nacht met open ogen op zijn bed naar het plafond te staren. Zijn handen liggen boven de deken, zoals de voorschriften het eisen. Het is 22.45 uur. De bewaker staart door het kijkgat. Görings handen zijn zenuwachtig. Ze plukken aan de deken, trillen, gaan heen en weer, grijpen dan de deken vast, trekken eraan. De bewaker fronst het voorhoofd en kijkt nauwkeurig toe. Görings handen klauwen krampachtig in de deken. Het trillen en trekken plant zich nu voort in de armen. Er verschijnt een krampachtig grimas op zijn gelaat. De benen trappelen, het bovenlichaam gaat een paar keer hevig heen en weer. ‘Hé!’ De schreeuw van de bewaker verscheurt de stilte van de cellenbarak. IJzeren grendels worden teruggeschoven. Snelle schreden.

In de pijp?
Göring is niet meer te redden. Vermoedelijk heeft hij vergif, cyaankali, ingenomen. Maar waar heeft hij het verstopt? Hoe heeft hij het ongemerkt kunnen innemen? Deze geheimen heeft de dode met zich meegenomen. Wat wel bleek is dat na de terechtstelling, toen er een grote schoonmaak werd gehouden in de cellen, er veel objecten werden gevonden waarmee zelfmoord gepleegd had kunnen worden. Dit schokkende nieuws werd niet in de doofpot gestopt maar meteen openbaar gemaakt. Wat Göring betreft, wellicht had hij het vergif in zijn pijp of in een stuk zeep verstopt.

Begin van de executies
Op 16 oktober kort voor één uur in de ochtend, dus een paar uur na Görings zelfmoord, worden van Ribbentrops cel de grendels teruggeschoven. ‘Ik vertrouw op het bloed des Lams, dat de zonden der wereld draagt’, zegt Ribbentrop met gesloten ogen. Ze gaan op weg naar de gymnastiekzaal, waar de galg is gebouwd. Dertien houten treden voeren omhoog naar het platform waarboven de galg hangt. De delinquent stapt op een valluik, die onmiddellijk wanneer de strop is aangebracht wordt geopend. De dood kwam niet meteen, wel echter bewusteloosheid. Dit was een troost die alle delinquenten van tevoren werd gegeven.

Strop en valluik
Er is een klein groepje getuigen aanwezig, inclusief de minister-president van Beieren, die men snel naar Neurenberg heeft gehaald als ‘getuige voor het Duitse volk’. Alles moet snel in zijn werk gaan. Een paar seconden resten nog voor geestelijke bijstand, voor laatste woorden. Dan wordt de wereld voor de delinquent in duisternis gehuld door de zwarte kap. Een beul trekt de strop over het hoofd. Terstond daarop opent zich met luid geraas het valluik onder de voeten. Ribbentrops laatste woorden zijn: ‘God bescherme Duitsland! Het is mijn laatste wens dat Duitslands eenheid behouden blijve en dat Oost en West hierover tot een akkoord komen’.

Alle lijken gefotografeerd
Keitel zegt: ‘Ik smeek de Almachtige het Duitse volk genadig te zijn’. Rosenberg noemt alleen zijn naam. De geestelijke, die hem vraagt of hij voor hem zal bidden, krijgt nors ten antwoord: ‘Nee dank u’. Hans Frank zegt: ‘Ik ben dankbaar voor het milde vonnis dat ik heb gekregen. Ik bid God mij genadig op te nemen.’ Streicher weigert met zijn eigen voeten deze laatste weg te gaan. Zonder onderbreking gilt zijn stem over de binnenplaats: ‘Heil Hitler! Heil Hitler! Heil Hitler…’ Dat is dan ook zijn laatste uitroep. De meesten probeerden zich moedig te gedragen. Niet één kreeg het te kwaad. Een fotograaf van het Amerikaanse leger heeft opdracht ieder van de doden tweemaal te fotograferen: eerst gekleed, zoals hij van de galg is genomen, daarna naakt.

Gecremeerd
Het zijn foto’s die Top Secret worden gemerkt en de eerste tientallen jaren in de geheime archieven moesten blijven. Toch heeft een groot Amerikaans weekblad de foto’s te pakken gekregen en gepubliceerd. Enkele van de doden zijn blijkens die foto’s bloedig verwond. De opening van de valluiken bleek voor sommigen te klein. Pas vele jaren later komt aan het licht wat er met de lijken is gebeurd. Ze zijn naar München gebracht en daar nog dezelfde dag verbrand. De noodzakelijke helpers hierbij kregen een levenslang stilzwijgen opgelegd. De as werd gestrooid op de rivier de Isar, men weet nu ook waar precies.

Spandau
De zeven tot gevangenisstraf veroordeelden werden op 18 juli overgebracht naar de gevangenis in Spandau, waar de vier bezettende mogendheden het bestuur vormen, de enige plaats ter wereld waar de geallieerden uit de Tweede Wereldoorlog nog samenwerken. De capaciteit met 600 gevangenen telt alleen deze gevangenen. Rudolf Hess overleed als laatste: in 1987, op 93-jarige leeftijd. Zijn talrijke zelfmoordpogingen hadden geen succes gehad. Elke minuut van de dag was volgens nauwkeurig plan geregeld. Elk persoonlijk element was uitgebannen. Ze moesten elke dag behalve de zondag arbeid verrichten. Drie keer per week werden ze geschoren. Bij een overlijden werden ze gecremeerd en ergens boven zee verstrooid.

Gratie
Aan Neurath, Raeder en Funk werd in de loop van de tijd gratie verleend, wegens ouderdom en gezondheidstoestand. Het publiek reageerde op de vrijlating van Neurath met gemengde gevoelens, temeer omdat de bondspresident een gelukstelegram stuurde: ‘Met blijde voldoening heb ik hedenochtend de mededeling gelezen dat het martelaarschap dezer jaren voor u ten einde is gekomen’. Neurath overleed niet lang na zijn vrijlating. Dönitz, Schirach en Speer hebben hun straf volledig uitgezeten en werden in 1957 en 1966 in vrijheid gesteld. Dönitz stierf in 1980, Schirach in 1974 en Speer in 1981.

Na vrijlating toch weer veroordeling
Hoe verging het de drie vrijgesproken verdachten? Hans Fritzsche werd na zijn vrijlating door het denazificatiegerechtshof voor tien jaar naar een arbeidskamp veroordeeld, maar in 1950 werd hij daaruit ontslagen. Hij huwde daarna en vond werk als reclamechef. Hij overleed in 1953 aan een ongeneeslijke ziekte. Franz von Papen werd acht jaar tot arbeidskamp veroordeeld, maar dat hoefde uiteindelijk toch niet; zijn goederen werden gedeeltelijk verbeurd verklaard en hij leefde een tijdlang in Turkije. In 1969 stierf hij in Obersasbach, Baden. Hjalmar Schacht werd ook meteen na vrijlating door de Duitse politie opgepakt. Hij moest acht jaar het arbeidskamp in, maar in 1948 mocht hij eruit. Hij werd internationaal financieel adviseur en was mede-eigenaar van een bankiersfirma. Toen in 1953 een nieuwe afdeling jonge Britse soldaten in de gevangenis van Spandau arriveerde stelde een officier hen de vraag: ‘Weten jullie wel wie je hier hebt te bewaken?’ Niemand antwoordde. Toen hij een naam noemde – Rudolf Hess – stak iemand zijn hand op: ‘Een zwarthandelaar, Sir?’ Geen van de soldaten, kinderen van de oorlog waarin ze waren opgegroeid, had ooit van deze mannen gehoord of kende de redenen waarom ze in Spandau opgesloten zaten!

Een weg die gedoemd was te mislukken
Het proces blijft een moreel Mene Tekel. De processen van Neurenberg stelden vast dat ieder mens altijd onderworpen is aan recht en wet, ook staatshoofden en allen, die tot hun medewerkers behoren, en dat het individu tegenover de gemeenschap rekenschap heeft af te legen omtrent zijn daden. Hans Frank heeft gezegd: ‘Wij roepen het Duitse volk, welks machthebbers wij zijn geweest, terug van deze weg waarop wij en ons stelsel volgens goddelijk recht en gerechtigheid moesten verongelukken en waarop een ieder zal verongelukken die hem probeert te bewandelen, overal ter wereld.’ Aan deze woorden moeten we bijzondere betekenis hechten, eens temeer omdat zware, maar niet gestoorde criminelen naar alle waarschijnlijkheid een ongewoon helder inzicht hebben in de essentie van licht en duisternis, van leven en dood, van schuld en boete.

Herman Göring (1893-1946), opperbevelhebber van de Luftwaffe. Hij had in ieder geval tot 1943 een enorme invloed op Hitler en was van al zijn problemen op de hoogte. Hij bouwde de Gestapo op en riep de eerste concentratiekampen in het leven. Bij de Anschluss van Oostenrijk, de inbezitneming van Sudetenland, de inval in Tsjechoslowakije en de aanval op Polen was hij nauw betrokken. Ongetwijfeld is hij de drijvende kracht achter de aanvalsoorlogen geweest. Hij heeft zijn mede-verantwoordelijkheid voor het gebruik van slavenarbeiders toegegeven. Hij vervolgde Joden om economische redenen. Hij bekende de hem ten laste gelegde misdrijven openlijk; zijn schuld is ongeëvenaard en niet te overtreffen in haar monsterlijkheid.

Rudolf Hess (1894-1987), gewezen minister zonder portefeuille. Hij was tot zijn vertrek naar Engeland de vertrouweling van Hitler. Hess was op de hoogte van Hitlers oorlogsplannen. In zijn gesprekken rechtvaardigde hij de Duitse aanvalshandelingen. Waarschijnlijk is hij bekend geweest met de in het oosten gepleegde misdrijven.

Joachim von Ribbentrop (1893-1946), naziminister van Buitenlandse Zaken. Was ambassadeur in Londen en vanaf 1938 minister van Buitelandse Zaken. Hij was op de hoogte van voorgenomen aanvallen. Hij probeerde andere landen aan Duitslands zijde te krijgen. Bij de Endlösung speelde hij een belangrijke rol. Zo instrueerde hij langs diplomatieke weg de vazalstaten, het tempo der deportatie van de Joden naar het oosten te verhogen. Hij liet weten dat ‘de Joden ofwel vernietigd of wel naar een concentratiekamp gebracht moesten worden’. Hij heeft Hitler tot het einde toe gediend omdat zijn politiek en plannen identiek waren aan die van Hitler.

Robert Ley (1890-1945), mede-organisator van de Centrale Inspectie van de zorg voor Buitenlandse Arbeiders.

Veldmaarschalk Wilhelm Keitel (1882-1946). Hij was chef van het opperbevel van de Wehrmacht. Hij was het die de politieke dreigementen van Hitler militaire kracht bijzette. Hoewel hij de inval in Rusland afkeurde, zette hij er wel zijn handtekening onder. Hij liet de medogenloze behandeling van de Russische krijgsgevangenen doorgaan: ‘Hier echter gaat het om de vernietiging van een wereldbeschouwing. Daarom keur ik de maatregel goed en dek ik hem’. In 1941 beval hij bij elke overvallen en gedode Duitse soldaat 50 à 100 communisten om te brengen. Ook gaf hij toestemming burgers die verdacht werden van misdrijven tegen de troepen zonder proces dood te schieten. Keitel beriep zich op ‘bevel van hogerhand’. Maar verzachtende omstandigheden zijn er niet. Hij wordt net als Göring op alle vier punten schuldig bevonden.

Ernst Kaltenbrunner (1903-1946), hoofd van de politie. Hij was opvolger van Heydrich. Hij was chef van de Sicherheitspolizei, de SD en de RSHA en als leider van de SS in Oostenrijk. Hij kende de toestanden in de concentratiekampen. Monsterlijke misdaden vonden onder zijn leiding plaats. Als leider van de RSHA hield hij toezicht op de uitvoering van het program der Endlösung.

Wilhelm Frick (1877-1946), minister van Binnenlandse Zaken. Hij was een fanatiek antisemiet en was mede-verwantwoordelijk voor de verwijdering van de Joden uit Duitsland. Frick was bekend met de heersende verschrikkingen in de concentratiekampen maar stuurde daar desondanks duizenden Joden heen. De inrichtingen, waar het systeem van de ‘genadedood’ werd toegepast, stonden onder hem.

Julius Streicher (1885-1946), hoofdredacteur van Der Stürmer. Hij was Jodenhitser nummer één. Hij eiste dat de Joden ‘met wortel en tak’ zouden worden uitgeroeid.

Alfred Rosenberg (1893-1946), de voornaamste nazi-theoreticus. Hij werd in 1941 minister voor de bezette gebieden in het oosten. Hij was verantwoordelijk voor het ontwerpen en uitvoeren van de bezettingspolitiek aldaar. Hij was verantwoordelijk voor de roof van staats- en particuliere eigendommen in alle veroverde landen. Tot 1944 roofde hij meer dan 20.000 kunstvoorwerpen weg naar Duitsland. Zijn ondergeschikten bedreven massamoorden en hijzelf gaf order tot deportatie. Nu en dan liet hij een woord van protest horen tegen uitspattingen en wreedheden, maar hij bleef in functie. Rosenberg werd schuldig bevonden op alle vier de punten.

Hans Frank (1900-1946), gouverneur-generaal van Polen. Hij stelde een ongelooflijk terreurregime in en roeide onaanvaardbare lagen van de Poolse bevolking uit. Hij buitte Polen economisch uit en deporteerde slavenarbeiders. Frank was een willig medewerker van Himmlers misdrijven en was van alles op de hoogte.

Walther Funk (1890-1960), minister van Financiën. Hij trof maatregelen die nodig waren om de aanvalsoorlog economisch mogelijk te maken. Ook speelde hij een rol in de economische ontrechting van de Joden. Verzachtende omstandigheid was dat hij nimmer een overheersende figuur over de programma’s was.

Hjalmar Schacht (1877-1970), minister zonder portefeuille. Hij was vóór 1933 president van de rijksbank en bekleedde die functie in het Derde Rijk ook. Hij speelde een belangrijke rol in de herbewapening. Schacht behoorde niet tot Hitlers naaste medewerkers en was niet betrokken met het ontwerpen van nazi-aanvallen. Zijn invloed taande toen hij met Göring in conflict kwam aangaande kwesties van valuta-technische en politieke aard. Hij wenste dat de balans in evenwicht was, waardoor hij in conflict kwam met Hitler en diens bewapeningsprogram. In 1944 werd hij tot het einde van de oorlog in een concentratiekamp opgesloten.

Groot-admiraal Erich Raeder (1876-1960). Hij was chef van de marineleiding en van 1935 tot 1943 opperbevelhebber van de Kriegsmarine. Met schending van het Verdrag van Versailles bouwde hij de Duitse marine weer op. Hij ontraadde Hitler een aanval op de Sovjet-Unie, maar bij de andere aanvalsoorlogen was hij nauw betrokken. Zijn aandeel in de onderzeebootoorlog wordt niet bestraft.

Baldur von Schirach (1907-1974), hoofd van de Duitse Jeugdbeweging en Gauleiter van Wenen. In 1940 werd hij gouwleider en rijksstadhouder van Wenen. Hier had hij een aandeel in de deportatie van duizenden Weense Joden naar het gouvernement-generaal. Hij was volledig op de hoogte van het optreden van de Einsatzgruppen en bepleitte een bombardement op een cultuurcentrum in Engeland als represaille voor de moord op Heydrich.

Martin Bormann (1900-1945), hoofd van de partijkanselarij en Hitlers naaste medewerker. Vooral aan het einde van de oorlog nam zijn macht en invloed toe. Hij had aandeel in de Jodenvervolging, was mede-schuldig aan het dwangarbeidprogram en was verantwoordelijk voor het lynchen van geallieerde piloten.

Franz von Papen (1879-1969), nazipoliticus. Hij werd in 1933 rijkskanselier. Tijdens het Derde Rijk was hij gezant in Wenen en ambassadeur in Ankara. In 1944, na de verbreking van de diplomatieke betrekkingen tussen Duitsland en Turkije, keerde hij in zijn vaderland terug. Papen had aandeel in het aan de macht komen van de nazi-partij in 1933, maar raakte later in moeilijkheden met het regime.

Gustav Krupp von Bohlen und Halbach (1870-1950), hoofd van het Krupp-imperium.

Groot-admiraal Karl Dönitz (1891-1980). In 1943 werd hij opperbevelhebber van de marine en in april 1945 de opvolger van Hitler. Hij leidde de onderzeebootoorlog, maar dit werd niet bestraft. Hij was van de concentratiekampen op de hoogte. Verzachtende omstandigheid was dat hij de gevangengenomen Britse zeelieden volgens de Conventie van Genève behandelde.

Fritz Sauckel (1894-1946), Gauleiter van Thüringen en algemeen gevolmachtigde voor de Arbeidsinzet. Hij mobiliseerde door de invoering van de gedwongen Arbeitsdienst alle beschikbare arbeidskrachten, zulks onder onmenselijke en weerzinwekkende omstandigheden. Weliswaar stond hij het brute optreden niet voor als doel op zichzelf, maar het feit blijft dat onder zijn leiding vijf miljoen slavenarbeiders werden gegrepen.

Generaal Alfred Jodl (1890-1946). Op hem rustte de taak de eigenlijke militaire plannen voor de oorlogsvoering te ontwerpen. Hij verdedigde zich met de bewering dat hij geen politicus was, maar soldaat die zijn meerderen gehoorzaamheid verschuldigd is. Hij verklaarde ook dat hij meerdere malen heeft geprobeerd bepaalde maatregelen te verhinderen. In de kwestie van de opzegging van de Conventie van Genève nam hij het standpunt in dat de nadelen daarvan groter waren dan de voordelen. Hij gaf in 1944 bevel tot de evacuatie van de gehele bevolking van Noord-Noorwegen en het platbranden van hun huizen.

Arthur Seyss-Inquart (1892-1946), rijkscommissaris voor bezet Nederland. Hij was een Oostenrijks advocaat en werd in 1938 lid van de nazi-partij. In Oostenrijk had hij een aandeel in de intriges rondom de Anschluss. Onder zijn rijksstadhouderschap van Oostenrijk werden Joden weggevoerd en tegenstanders van het regime vermoord. In 1940 werd hij rijkscommissaris van het bezette Nederland. Hier paste hij een nietsontziende terreur toe om alle verzet tegen de Duitse bezetting de kop in te drukken, een program dat hij omschreef als de ‘Vernichtung’ van zijn tegenstanders. Hij noemde de Haagse Conventie verouderd en hield zich er niet aan. Hij maakte zo intensief mogelijk gebruik van de Nederlandse economie. Hij zond dwangarbeiders naar Duitsland, meer dan 500.000 in totaal. Hij was verantwoordelijk voor de deportatie van 120.000 van de 140.000 Joden van Nederland. Hij beweerde niet aansprakelijk te zijn voor sommige misdaden van hen die rechstreeks onder Himmler stonden. Soms verzette hij zich tegen te harde maatregelen.

Albert Speer (1905-1981), rijksminister voor Bewapening en Oorlogsproductie, en Hitlers architect. Hij had een groot aandeel in het dwangarbeidersprogram. Een verzachtende omstandigheid was dat hij tegenover Hitler moed aan de dag heeft gelegd zijn politiek der verschroeide aarde te saboteren met gevaar voor zichzelf.

Konstantin von Neurath (1873-1956), gewezen protector van Bohemen en Moravië. Hij was beroepsdiplmaat en was minister van Buitenlandse Zaken van 1932 tot 1938. Hij wist welke misdaden er tegen de Tsjechen werden gepleegd. In 1941 werd hij door Hitler erop opmerkzaam gemaakt dat hij niet streng genoeg optrad. Hierop nam hij ontslag.

Hans Fritzsche (1900-1953), nazi-radiocommentator. Hij heeft opgehitst tot het plegen van oorlogsmisdrijven. Hij was een uitgesproken antisemiet en verspreidde onware berichten.

Gepubliceerd in augustus 2008