Het Romeinse Rijk

n.a.v. Guy de la Bédoyère, De Romeinen voor Dummies, Amsterdam 2007

Inleiding
Begonnen als klein dorp
Rome is begonnen als een klein dorp. Ze creëerden zo’n krachtig en overtuigend gevoel van identiteit en veiligheid dat naburige dorpen, en later heel Italië, daarin wilden meedelen. De Romeinen hebben veel goeds gedaan, bijvoorbeeld: aquaducten, riolering, wegen, irrigatie, onderwijs, gezondheidszorg, openbare orde en bovenal vrede (Pax Romana). Bij de Romeinen draaide alles om beeldvorming. Ze hielden de fantasie overeind dat ze eigenlijk alleen maar eenvoudige dorpelingen en boeren waren. Op zijn hoogtepunt telde de stad Rome ruim een miljoen inwoners. Bedenk dat andere grote steden in die tijd maar met moeite een inwonertal van tienduizend wisten te halen. Rome was niet enkel een woonplaats, het was een concept, een levenswijze, een mentaliteit.

Superioriteitsgevoel
Rome kwam als winnaar uit het strijdperk, simpelweg omdat het voortdurend de confrontatie bleef zoeken en zijn tegenstanders uitputte. De Romeinen waren ervan overtuigd dat zij niet alleen superieur waren aan ieder ander volk, maar ook voorbestemd waren de wereld te regeren. Ze geloofden dat hun superieure deugden hun al die macht had opgeleverd en waren zeer ontdaan dat al die rijkdom had geleid tot decadentie, corruptie en verkeerde keizers zoals Nero. Deze verwording van het Romeinse ideaal was een slag in het gezicht. De Romeinen waren niet de enige beschaving in hun tijd.

– Tegen de tijd dat de Romeinen op eigen benen leerden staan, was de Egyptische beschaving al zo’n vijfduizend jaar onderweg. Rond 2700 v.Chr. begon het oude Egypte tot grote bloei te komen en verschenen de piramiden. In 31 v.Chr. werd de langstdurende van alle beschavingen de zoveelste Romeinse provincie.

Mesoptamiërs vonden het schrift uit. Hier heersten de Soemeriërs, Akkadiërs, Assyriërs en Babyloniërs.


– De Feniciërs waren briljante zeevaarders (iets wat de Romeinen nooit zijn geworden) en koopvaders. Ze stichtten kolonies in het hele Middellandse Zeegebied. De belangrijkste nederzetting was Carthago. Deze stad vormde de grootste bedreiging voor de Romeinse expansiedrang. Drie oorlogen waren nodig om Carthago op de knieën te dwingen. In 146 v.Chr. werd de stad met de grond gelijk gemaakt, waarna de Romeinen niets meer in de weg stond om het hele Middellandse Zeegebied onder hun controle te brengen.

– In Griekenland draaide alles om de stadstaten. Ook buiten Griekenland hadden ze vestigingen. Op de noordwestkust van Turkije lag Ilium, beter bekend als Troje. Tegen 800 v.Chr. werden de epossen van Homerus, de Ilias en de Odyssee geschreven. Deze heldendichten markeerden het begin van de Griekse literatuur. Athene en Sparta kwamen tot ontwikkeling. Griekse kolonie lagen verspreid over het hele Middellandse Zeegebied, waaronder ook Zuid-Italië en Sicilië. De Griekse stadstaten lagen echter voortdurend met elkaar overhoop. Een verzwakt Griekenland was daardoor een makkelijke prooi voor de Macedoniërs en daarna de Romeinen. Maar Griekse kunst, cultuur, literatuur en sportbeoefening bleven immens populair.

– De Etrusken leefden in het huidige Toscane en Umbrië. Ze waren bijzonder bedreven zeevaarders en handelaren. Het was aan de Etrusken te danken dat de Romeinen goed uit de startblokken kwamen. Ze waren het die de eerste muren van Rome hebben gebouwd. Sommige van de koningen van Rome waren Etrusken.

– De Macedoniërs onder leiding van Alexander de Grote veroverden Perzië (het gebied dat via Turkije en Irak tot Iran liep, helemaal tot aan de Indusvallei aan de rand van India. Hij nam Egypte in en overleed op het hoogtepunt van zijn macht. Na zijn dood viel het rijk al snel uit elkaar.


Dankzij Romeinse schrijvers en Middeleeuwse overschrijvers
We weten veel van het Romeinse Rijk, omdat er veel Romeinse (geschied)schrijvers waren. Namen als Cicero, Julius Ceasar, Catullus, Vergilius, Horatius, Livius, Ovidius, Plinius, Suetonius, Tacitus en Cassius Dio zijn hieraan verbonden. Een boek van Vergilius bevat een beschrijving van de komst van een soort messias, in feite geschreven om vooruit te lopen op de dynastie van Augustus, maar door sommige vroege christenen opgevat als een mogelijke voorspelling van de komst van Christus. De nieuwsgierigheid van Plinius de Oudere is hem uiteindelijk fataal geworden. Hij kwam door verstikking om het leven toen hij in 79 n.Chr. de uitbarsting van de Vesuvius van dichterbij wilde bekijken (pas in 1594 werd Pompeii herontdekt, in 1748 werd met opgravingen begonnen, tot op de dag van vandaag; Pompeii was en is een regelrechte sensatie. De andere bedolven stad, Herculaneum, ligt voor het grootste deel nog diep begraven onder de grond). Suetonius schreef een reeks beknopte biografieën over keizers, gericht op het grote publiek en volgestouwd met schandalen, intriges, pikante roddels en allerlei historische details. De reden dat we überhaupt nog iets weten van Romeinse schrijvers is dat anderen hun werken hebben gekopieerd, vooral monniken in de Middeleeuwen. Met name Karel de Grote bevorderde dit. Het schrijven werd ook gemakkelijker, door een nieuw soort handschrift: de Karolingische minuskel.

De Romeinen nadoen
Volgens sommige beschouwers hebben de Romeinen nooit ook maar één origineel idee gehad, maar ze waren uitzonderlijk bedreven in de praktische toepassing van ideeën die ze elders hadden opgedaan Na het Romeinse Rijk hebben verschillende vorsten hun best gedaan erop te lijken, zoals Karel de Grote, die zich liet kronen tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Maar ook Napoleon Bonaparte, die zelfs met lauwerkrans werd afgebeeld en Benito Mussolini. Het Nederlandse woord keizer en het Russische tsaar zijn beide afgeleid van Caesar, de familienaam van de eerste keizers. In de 19e eeuw had Groot-Brittannië één van de grootste rijken die de wereld ooit had gehad. De victorianen zagen de Romeinen als rechtvaardiging om ook met geweld gebieden in te nemen om daar vervolgens ‘superieure’ waarden op te dringen. De huidige Verenigde Staten heeft op haar munt staan E Pluribus Unum Liberty, ‘uit velen één’. Amerika maakt dus gebruik van de oude taal van de Romeinen om hun centrale identiteit mee uit te drukken. Vrijheid komt uit het Romeinse Rijk, waar Libertas een godin was. Het ultime symbool van de macht is de adelaar, door de Romeinen gebruikt en nu ook op de Grootzegel van de Verenigde Staten. De Europese Unie werd in 1957 in het leven geroepen juist op de Capitolijn te Rome, het spirituele middelpunt van het Romeinse Rijk.


Taal en rechtssysteem
Latijn komt van de oude naam voor dat deel van Italië waar Rome in ligt: Latium. De Latijnse taal kent de letters J, W en Y niet. Latijn was bestuurstaal, en was samen met Grieks hoofdtaal. Elke ontwikkelde Romein moest beide talen beheersen. Een dusdanige verspreiding van een taal had een kolossale impact op lokale talen. Die is aanwijsbaar in het Frans, Italiaan en Spaans (Romaanse talen). Aan Germaanse talen (Engels, Duits en Nederlands) werden en worden Latijnse woorden toegevoegd wanneer daar behoefte aan is. De Romeinen hadden een compleet uitgewerkt rechtssysteem. Ze hadden wetten, rechters, advocaten en strafmaten, aanklagers en verdedigers. Wetten werden niet alleen opgetekend, ook de toepassing van die wetten in concrete gevallen. Hun type recht wordt wel het burgerlijk recht of privaatrecht genoemd. Dit had enorme invloed op het latere Europese recht. In 530 laat de Byzantijnse keizer Justinianus I het hele spul van wetten vastleggen in één wetboek: Corpus iuris civilis (burgerlijk wetboek). Het kende de volgende rechtsverdelingen: burgerrecht, landenrecht, privaatrecht, publiekrecht, singulier recht, ongeschreven recht en geschreven recht.

Epicurisme en stoïcisme
Qua filosofie ontleenden de Romeinen veel aan de Grieken. Daar waren twee hoofdrichtingen. Ten eerste het epicurisme: toewijding aan sensueel genot met als ultieme doel volledige gemoedsrust. Lichamelijke genoegens genoten de voorkeur omdat onthouding ervan de ziel veel pijn berokkende. Epicuristen meenden dat materie bestond uit onverwoestbare atomen. Ten tweede het stoïcisme: dit was veel populairder. De dingen accepteren zoals ze zijn. Dit is echt iets voor Romeinen: ze bewonderden niets meer dan mannelijke deugden en onverzettelijkheid in zelfs de meest beroerde omstandigheden. Stoïcijnen geloven dat alleen tastbare zaken echt bestaan. Keizer Marcus Aurelius was een stoïcijn. Hij zei: ‘Beschouw jezelf alsof je gestorven bent en je leven hebt voltooid tot aan het heden. En leef de tijd die je nog vergund is volgens de regels van de natuur’.

De stad
De Romeinen hebben de idee van de stad gevestigd, niet slechts van de stad als een plek om te wonen, maar vooral ook als een plaats waar het centrum van het bestuur zich bevond, met openbare diensten, veiligheid en een eigen identiteit. De Romeinen transformeerden overal steden in Romeinse steden, steden werden gemodelleerd aan Rome. Veel van de grote steden van de huidige Europa zijn een directe erfenis van het Romeinse Rijk. Totdat de Romeinen er in 43 n.Chr. verschenen was er nog geen Londen aan de Thames. De Romeinen onderkenden de mogelijkheden die de rivier bood en bouwden er een bruggenhoofd waar al snel een handelsnederzetting ontstond. Binnen enkele generaties groeide Londen uit tot de grootste Romeinse stad boven de Alpen. Romeinse invloeden op steden reikte verder dan Europa. Washington D.C. heeft een aan het klassieke Romeinse model ontleend model van stratenplan, een Hooggerechtshof geënt op het bouwmodel van een grote Romeinse tempel en een Capitool met Romeinse architectuurtypen. De Normandiërs, de belangrijkste macht in Europa in de 11e eeuw, deden er alles wat in hun vermogen lag om de kracht van het Romeinse architectuur te imiteren door bogen en gewelven te gebruiken. Hun stijl wordt niet zonder reden de Romaanse genoemd. Aan de andere kant van het Romeinse Rijk fungeerden de Romeinse christelijke kerken in Constantinopel (nu Istanbul) als sjabloon voor de latere moskeebouwers.



Rangen en standen
Plebejers en patriciërs
De Romeinse samenleving was in wezen gefundeerd op rijkdom en op de familie waarin je geboren werd. Slaven waren de motor om de Romeinse wereld draaiende te houden. Door voortdurend nieuwe veroveringen kwamen er steeds slaven bij. Direct boven hen vinden we de bevrijde slaven (liberti), daarboven de vrij geboren Romeinse burgers en helemaal bovenaan de tweeledige aristocratie van ridders en senatoren. De Romeinse maatschappij was een mannenwereld. De hoeksteen was de familie (familia). De belangrijkste man was de pater familias. De Romeinse samenleving was streng paternalistisch. Het woord pater komt vaak terug: patriciër, patrimonium, patria, patriarch en Pater Patriae. Het onderscheid tussen de vrije bevolking en de aristocraten kreeg de vorm van ‘standen’, plebejers en patriciërs. De verschillen komen tot stand op grond van rijkdom.

Doorsneedag
Hoe zag een doorsneedag eruit? De Romeinse dagen waren onderverdeeld in 12 uren. Het eerste uur ontbeet men en zei men de ochtendgebeden op. Vanaf het tweede uur gaat iedereen aan de slag. Het zesde uur is de lunch, gevolgd door een middagslaapje. Het achtste uur gaat men weer aan het werk, de rijke mannen gaan naar de badhuizen. Het negende uur of later is de hoofdmaaltijd. De oorspronkelijke patriciërfamilies raakten georganiseerd in familieclans (gentes), die banden aangingen door huwelijken en die gezamenlijk zo veel land bezaten dat ze het feitelijk voor het zeggen kregen. Er was sprake van een standenstrijd. In 445 v.Chr. werd het verbod op onderlinge huwelijken tussen patriciërs en plebejers opgeheven. Het woord plebs betekent iets als de meerderheid of de rest, maar op den duur het gepeupel, het gewone volk. Men kende de relatie van patroon en cliënt. De patroon trad op als vaderfiguur voor zijn cliënten, met wie hij zich persoonlijk betrokken wist. De cliënt had zich loyaal op te stellen en hem financieel bij te springen als zijn patroon een openbaar ambt bekleedde. Het hebben van veel cliënten verhoogde iemands status.

De toga en de kandidaat
De toga was een uniek Romeins kledingstuk. Dit werd gedragen als teken dat men een vrijgeboren Romeins man was (ironisch genoeg droegen ook prostituees een toga). Een toga werd gedragen over de linkerschouder en was een lap wollen stof in de vorm van een uitgerekte halve cirkel met een lengte van zo’n zes meter. De toga was alleen geschikt voor speciale gelegenheden omdat het de bewegingsvrijheid ernstig belemmerde. De Toga candida was een speciaal gebleekte witte toga, gedragen door edelen die een magistraatfunctie nastreefden, om hun zuiverheid te benadrukken (denk aan ons woord ‘kandidaat’). Er was ook een toga pulla, een donkere toga ten teken van rouw.


Cursus honorum
Er ontstond in de 3e eeuw v.Chr. als gevolg van de vermenging van patriciërs en rijke plebejers een nieuwe aristocratie (nobiles) van rijke grootgrondbezitters. Simpelweg omdat ze rijk waren, voldeden ze aan de kwalificatie-eis om lid te worden van de senaat. Omdat al deze posities onbezoldigd waren en beschouwd werden als erebanen (honor). De maatschappelijke ladder van politici noemen we de cursus honorum (de ‘opeenvolging van ereambten’). De plebs hadden het recht verworven om mee te dingen naar openbare functies, maar dat was in de praktijk niet haalbaar omdat ze niet over voldoende financiële middelen beschikte. In theorie mocht elke burger meestemmen, maar in werkelijkheid stemden alleen zij die zich in Rome bevonden. Patronen maakten gebruik van cliënten en omkoping om hun functies te krijgen/behouden. Een gevolg was dat openbare ambten een bijna erfelijk karakter kregen.

De ridders
De ridderstand dateerde van de tijd van de koningen, toen de Romeinse maatschappij was opgedeeld in klassen op basis van het vermogen de militaire dienstplicht zelf te bekostigen. De hoogste klasse bestond uit mannen die het zich konden veroorloven een eigen paard met uitrusting en personeel op na te houden. Ze werden ridders (equites, naar equus, paard) genoemd. Tijdens de late republiek werd de ridderstand een belangrijke politieke rivaal van de senatoren. De beroemdste eques van allemaal was Pontius Pilatus, die gouverneur werd van Judea.

De gewone Romein
De gewone Romein die een beroep uitoefende leidde een zwaar, kort en gevaarlijk bestaan in een wereld waarin nog geen wetgeving bestond omtrent gezonde en veilige werkomstandigheden. Mar het waren ook mensen die door de adel zoet werden gehouden met georganiseerde spelen in circus en amfitheater en die gevoed werden met de gratis verstrekking van graan en olie. De edelen mochten dan neerkijken op het Romeinse gepeupel, maar ze wisten goed dat ze niet zonder hen konden. De kern van het Romeinse burgerschap was het recht van iedere man om te stemmen, en de verplichtingen jegens de staat (belasting en militaire dienstplicht). Zonder een arrestatiebevel konden Romeinse burgers niet worden opgepakt en gevangengezet. De apostel Paulus kreeg in de stad Philippi een lijfstraf opgelegd. Toen Paulus dat zei, vertelde de commandant dat zijn eigen burgerschap hem een hoop geld had gekost, waarop Paulus antwoordde dat hij vrij geboren was. Hij werd onmiddellijk in vrijheid gesteld (Hand. 22:28).


Municipia
Het Romeins burgerschap was een angstvallig bewaakt voorrecht, tot 212, toen keizer Caracalla in één klap alle vrijgeboren mannen in het Rijk Romeinse burgers maakte. Romeinse burgers hadden meestal een drieledige naam: praenomen (voornaam), nomen (de naam van de familieclan) en cognomen (achternaam van de familie). Steden die vergelijkbare rechten kregen toebedeeld werden municipia genoemd. Deze steden dienden ook troepen te leveren. Na 89 v.Chr. kregen ze stemrecht en ging de aanduiding municipium elke zichzelf besturende Italische stad betekenen met uitzondering van de kolonies. Mensen konden zich vrij door het hele Romeinse Rijk bewegen. Niet-Romeinse en niet-Latijnse burgers werden peregrinae (buitenlanders) genoemd.

Meesters en slaven
Met de groeiende macht van Rome nam ook het aantal slaven toe en werd de Romeinse samenleving er geheel afhankelijk van. De slavenopstand van 73-71 v.Chr. zat de Romeinen niet lekker. De senaat had ooit overwogen slaven specifieke kledij voor te schrijven, totdat iemand er fijntjes op wees dat ze dan pas echt in de gaten zouden krijgen met hoeveel ze waren. Ontwikkelde slaven in eigendom van rijke meesters hadden het vaak beter dan arme vrije burgers. Plinius de Jongere schreef dat hij al wandelend interessante gesprekken voerde met zijn ontwikkelde slaven. Vrouwelijke slaven werden in de regel seksueel misbruikt door hun meesters of toezichthouders. Slaven trouwden soms onderling, maar zo’n huwelijk had geen legale status, zodat ze afzonderlijk verkocht konden worden als de meester dat wilde. Het was een dure grap om slaven te kopen, want die moesten ook verzorgd worden.

Vrijgelatenen
Slaven hadden enkele rechten, die geleidelijk aan werden uitgebreid. Het werd verboden een slaaf te doden of deze simpelweg van de hand te doen omdat hij of zij ziek was. Er waren strikte wetten tegen het castreren van slaven of het anderszins misbruiken van hun lichaam. Anders dan bij de meeste slavenculturen in de geschiedenis konden slaven in de Romeinse wereld altijd de hoop koesteren dat ze ooit hun vrijheid terug zouden krijgen. Er waren miljoenen vrijgelaten mannen en vrouwen in het Romeinse Rijk. Een meester kon zijn slaaf vrijmaken bij testament of bij wijze van geschenk. Maar ook al was je een vrijgelatene, een vrijgelaten slaaf had nog steeds een loyaliteitsverplichting jegens zijn voormalige meester. Dat hield in dat hij zijn cliënt werd. Een nadeel voor de meester was dat hij belasting moest betalen voor de vrijlating van een slaaf: vijf procent van zijn of haar waarde. Vrijgelatenen namen meestal de naam van hun eerdere meester aan. Vrijgelatenen konden nooit de rang van ridder of senator bereiken. Maar hun kinderen konden dat wel. Keizer Pertinax (193) was zoon van een vrijgelatene. Het hoogste waar de gemiddelde vrijgelatene op mocht hopen was een bestuurlijke functie in zijn stad of in dienst van de keizer, of om een bescheiden zakenman te worden als koopman en handelaar.

De vrouw
Een vrouw kon geen zelfstandig keizerin zijn. Als een keizer alleen een dochter had, ging de opvolging over op een mannelijke verwant of zelfs heel iemand anders. Vrouwen waren in de regel uitgesloten van onderwijs. Maar sommige meisjes van belangrijke komaf werd lezen en schrijven geleerd; zij stonden bekend als doctae puellae, ‘geleerde meisjes’. De vrouw werd geacht volledig onderdanig te zijn aan haar echtgenoot, en vóór hem aan haar vader. Het stond Romeinse mannen wettelijk vrij hun vrouwen een pak slaag te geven. Er liepen nogal wat vrouwen rond met littekens in het gezicht als gevolg van zo’n behandeling. Iemand sloeg zijn vrouw dood omdat ze wijn had gedronken. Niemand die het raar vond. Als haar echtgenoot overleed, gingen de bezittingen over op de zoon.

Kinderen en de paedagogos
Kinderen waren ongelooflijk belangrijk voor Romeinse families, niet enkel als potentiële erfgenamen of als huwbare vrouwen om familieverbintenissen te smeden, maar ook als individuen. Hoe welgestelder de familie, hoe groter de kans dat de zorg voor de kinderen aan de voedster werd overgedragen, en aan mannelijke slaven (paedagogi), die hen overal heen begeleidden, bijvoorbeeld naar school. Ze waren meer dan alleen oppassers; ze waren er ook voor de morele opvoeding en waren verantwoordelijk voor de manieren en gedrag van de kinderen onder hun hoede. In Galaten 3:24 gebruikt Paulus dit woord ook, wat vertaald wordt met ‘tuchtmeester’. Hij wil daarmee de plaats van de wet ten opzichte van Christus uitleggen. Er bestond geen systeem van openbaar onderwijs in het Rijk, hoewel Vespasianus de eerste keizer was die in Rome leraren in welsprekendheid aanstelde op kosten van de staat. Kinderen moesten de meeste tijd met de armen over elkaar luisteren, omdat schrijfspullen te duur waren. Maar veel kinderen moesten het zonder enige vorm van onderwijs stellen en mochten van geluk spreken als ze later in hun leven nog leerden lezen of schrijven. Arme families waren gewend aan het idee om een ongewenst kind, vooral als het een meisje was, ergens te vondeling te leggen (expositio). Kinderen die geboren werden met ernstige gebreken of afwijkingen hadden vrijwel geen kans op overleving.

Pad naar de macht
Macht altijd gedeeld
In het Romeinse Rijk draaide alles om macht. Van elk type magistraat moesten er altijd twee zijn, zodat niemand het te hoog in de bol kreeg. Maar de Romeinen realiseerden zich dat wanneer de nood echt aan de man was, de leiding beter een tijdje bij één sterke man kon berusten: het ambt van dictator. Dit kon alleen in noodgevallen en dan voor een beperkte duur. Julius Ceasar werd benoemd tot dictator voor het leven, binnen het formele kader van de republiek (die zo natuurlijk helemaal uitgehold was). Het Romeinse volk kende verschillende vergaderingen. De plebs in de volkstribunen stonden tegenover de aristocraten in de senaat. Onder de keizers bleven de organen formeel intact, maar hun bevoegdheden betekenden weinig meer. Tribuni plebis, ‘tribunen van het volk’, konden de senaat bijeenroepen, mochten ingrijpen namens een plebejer die onderdrukt werd door een patriciër, konden troepen tegenhouden, belastingen opheffen en ze hadden het vetorecht. Hun machtspositie was dus aanzienlijk. Strikt genomen bestond er trouwens helemaal geen wettelijke basis voor de machtspositie van tribunen, maar was deze voortgekomen uit de massale steun van het volk voor hun tribunen. De senaat kon het zich niet veroorloven een en ander weg te wuiven.

Edielen en senatoren
In de begintijd hadden de edielen (aediles) slechts tot taak toezicht te houden op de stenen tafels waarop de aangenomen wetten en decreten stonden geschreven. De wettafels werden bewaard in een tempel (aedes). Het plebs vreesde dat de patriciërs met het archief zouden gaan knoeien als er geen edielen in de buurt waren om een oogje in het zeil te houden. De senaat was samengesteld uit de nobiles. Een senator diende over een grondbezit dat op z’n minst één miljoen sestertiën waard was (minder voor een ridder). De senaat is voortgekomen uit de Raad van Ouderen (senex betekent ‘oude man’), samengesteld uit de hoofden van alle toonaangevende clans. Zij waren het aan wie de vroegere koningen van Rome om advies vroegen en ze kwamen bijeen in het senaculum, een open plek op het Forum. Geleidelijk aan groeide ze in macht en invloed, hoewel er van enige wetgevende macht nog geen sprake was.

Bevoegdheden senaat
De ridderstand was de belangrijkste bron voor vers bloed in de senaat. In latere eeuwen traden ook provinciebewoners uit het hele Rijk toe tot de senaat. Alleen Brittannië heeft voor zover bekend geen enkele senator geleverd. Wat waren de bevoegdheden van de senaat? Ze moesten de wetten van de volksvergadering goedkeuren, verdragen ratificeren, gouverneurs voor de provincies benoemen, iemand tot vijand van de staat verklaren en het uitroepen van de noodtoestand. Een senaatsresolutie (senatus consultum, afgekort tot SC) was strekt genomen geen wet, maar kreeg wel die status. Een bekende uitdrukking van de identiteit van de Romeinse staat was Senatus Popoulusque Romanus (SPQR), ofwel ‘de senaat en het volk van Rome’. Het Curia (Senaatsgebouw) op het Forum van Rome is één van de best bewaard gebleven Romeinse gebouwen.


Titels van keizers
Vanaf de tijd van Augustus maakten de keizers de dienst uit. Ze droegen de volgende titels. Octavianus kreeg in 27 v.Chr. de naam Augustus, ‘de Verhevene’ of ‘de Eerbiedwaardige’. De maand Sextilius werd omgedoopt in Augustus, de naam die deze maand nog steeds draagt. Augustus was een soort religieuze titel. Caesar was een deel van de familienaam van het Julisch-Claudische huis (alle keizers van Augustus tot Nero). Imperator betekende ‘opperbevelhebber’ en werd ook door de keizers gedragen. Imperium verwees naar het zich op alle terreinen van staatsbemoeienis uitstrekkend gezag van de keizer. Pater Patriae, ‘vader des vaderlands’ was een soort religieus-patriottische term. Pontifex Maximus betekende ‘hogepriester’. De houder had het oppergezag over alles wat te maken had met religie en ceremoniële rituelen. Een moderne equivalent is de paus, die zich ook zo noemt. Princeps komt van de Latijnse woorden primus en capio, ‘ik neem de eerste plaats in’. Deze titel ging vergezeld van primus inter pares, eerste onder zijns gelijken. Ons woord ‘prins’ is hiervan afgeleid. Tenslotte Dominus Noster, ‘Onze Heer’. Dit markeert de overgang naar het dominaat.

Keizers begroetten de senaat met de woorden: ‘Als u en uw kinderen gezond zijn, is het goed; ik en de legioenen zijn gezond’. Dit was een teken van formeel respect dat de senaat toekwam als de oudere en traditionele grondslag van de Romeinse staat. Keizers konden verschillende ambten dragen, zoals tribuun, consul en censor (belast met het toezicht op de publieke moreel en de volkstellingen). Er bestond geen systeem dat voorzag in de opvolging van de keizers. Wanneer een keizer stierf zonder een duidelijke opvolger, was er nooit gebrek aan aspirant-keizers met de nodige soldaten achter de hand.

Magistraatsambten
Als een man eenmaal de eerste magistraatpositie had bekleed, kreeg hij toegang tot de senaat. De carrière van toekomstige senatoren werd de curus honorum genoemd, de opeenvolging van belangrijke ereambten. In theorie moest voor alle magistraatsambten gekozen worden. In de praktijk werden de baantjes nog wel eens verkocht. Een Romeinse ambtsdrager moest deze kwaliteiten bezitten: gezag (auctoritas), waardigheid (dignitas), hij diende een man van eer te zijn, trouw en loyaal (fides) en standvastig in zijn principes (constantia) en mannelijke waarden en normen bezitten (virtus). Gedurende de eerste en de tweede eeuw konden senatoren de volgende functies vervullen, terwijl ze zich een weg naar de top baanden: de quaestor was verantwoordelijk voor de openbare financiën, belastinggelden, overheidsuitgaven en de schatkist. De aediles (edielen) waren verantwoordelijk voor de korenuitdelingen, het stedelijk wegennet, de openbare orde, de watervoorraad, gewichten en maten en religieuze ceremonies. De praetor hield zich bezig met de rechtspraak. De consuls waren de hoogste civiele en militaire gezagsdragers. Wie consul was geweest, adelde zijn familie. Een consul moest bij zijn eerste aantreden minstens 42 jaar oud zijn en mocht de eerste tien jaar niet opnieuw worden gekozen. Ze waren met z’n tweeën.


Pontius Pilatus
Een proconsul was een ex-consul en gouverneur van één van de oudere, door de senaat beheerde provincies, meestal gelegen rond de Middellandse Zee. Keizerlijke provincies (zoals Brittannië en Duitsland) waren doorgaans grensprovincies. De provincie Egypte was het persoonlijk eigendom van de keizer. De meest bekende provinciegouverneur uit de ridderstand is Pontius Pilatus. Hij was prefect in Judea, dat een kleine, maar uiterst tegendraadse provincie was, vandaar dat de keizer die liet besturen door gouverneurs uit de ridderstand. De reden dat sommige posities waren voorbehouden aan leden van de ridderstand was dat de keizer deze immens machtige functies zo uit handen kon houden van de senatoren. De verdeling van de aristocratie in senatoren en ridders duurde tot de regering van Constantijn, toen het onderscheid elke praktische relevantie had verloren.

Het leger
Drijvende kracht
Het Romeinse leger was de drijvende kracht achter de Romeinse machtsexpansie. Legereenheden werden over in het Rijk gestationeerd, met name in de probleemregio’s. Opmerkelijk is dat er maar zo’n 300.000 tot 350.000 soldaten in totaal waren. Een verbazingwekkend gering aantal als je bedenkt wat voor gigantisch territorium erdoor bestreken werd. In de Eerste Wereldoorlog bracht alleen Frankrijk en Duitsland allebei al 1.000.000 man op de been. Een Romeins leger bestond uit burgerinfanteristen die vochten in legiones (enkelvoud legio, dat zo’n 5500 soldaten telde). De overige soldaten werden de auxilia (hulptroepen) genoemd: provinciale huurlingen die waren onderverdeeld in infanterie, cavalerie en gemengde eenheden. Ook mannen van buiten de rijksgrenzen, de ‘barbaren’, maakten er deel van uit en speelden een steeds belangrijker rol in de verdediging van het Rijk.

De hoofdman over honderd
Legioenen werden gestationeerd op plekken waar ze het hardst nodig waren. Om die reden lagen er aan de Rijn (één van de gevaarlijkste grenzen) veel manschappen, terwijl er in Noord-Afrika en Egypte maar heel weinig waren. Het legioen was onderverdeeld in manipels, die elk weer uit twee centuria bestonden. Bij de gevechtsformatie stonden de jonge mannen vooraan, de oude, ervaren soldaten helemaal achteraan. Een centurie betekende oorspronkelijk 100 soldaten, maar op den duur werden dat er 80, die weer waren onderverdeeld in ‘tenteenheden’ van 8 man. In het Nieuwe Testament komen we vaak de ‘hoofdman over honderd’ tegen; dit een centurio (Matth. 8:5, Mark. 15:39, Hand. 10:1, 22:25, 24:23, 27:1). Een cohort had 480 soldaten. Legionairs werden door de Romeinse overheid ingezet voor een grote verscheidenheid van taken, van het bouwen van forten, legerkampen en openbare gebouwen voor burgers tot het aanleggen van bruggen, het repareren van wegen, het innen van belasting en het uitvoeren van politietaken. Standaarddragers droegen veldtekens mee tijdens parades en veldtochten. Het verlies van standaarden was het ergste dat een Romeins leger kon overkomen.


Hulptroepen
De hulptroepen bestonden uit provinciebewoners die men ooit had verslagen. Ze kregen veel minder betaald en kregen steevast het leeuwendeel van het vechtwerk voor de kiezen. De reden dat de hulptroepen hiertoe bereid waren, was dat ze er het Romeinse burgerschap mee konden verdienden, voor zichzelf maar ook voor hun families. Het burgerschap werd toegekend na 25 jaar trouwe dienst. De Romeinen huurden ook veel ongereguleerde ad-hoc-hulptroepen in, vaak van barbaarse stammen in de buurt van het front (de foederati, verbondenen). Die waren onbetrouwbaarder en zouden een belangrijke rol gaan spelen in de latere Romeinse geschiedenis. Ondanks dat de Middellandse Zee het middelpunt was van de Romeinse wereld, was de Romeinse vloot (classis) of marine in feite slechts een verlengstuk van het leger. De Romeinen waren geen geweldige zeilers en blonken niet uit in navigatie en zeemanschap, wat op zichzelf verrassend is met zoveel zee in de buurt.

Doet aan de gehele wapenrusting…
Het uniform van de soldaat bestond uit een helm, een maliënkolder als borstharnas, een dolk, een zwaard, een schild, een speer en open leren sandalen met schoenspijkers in de zool. Het Romeinse leger was traditioneel een offensieve, en niet een defensieve strijdmacht. Een generaal zag een keer hoe een jonge soldaat zijn schild stond te showen en zei: ‘Het is een fraai exemplaar, jongeman, maar een Romeins soldaat dient meer vertrouwen te hebben in zijn rechterarm dan in zijn linkerarm’. Hij doelde op de arm met het zwaard. Efeze 6: 11-17 zegt: ‘Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in de boze dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid; en de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes; bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen. En neemt de helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.’

Een Romeins fort
Een Romeins fort had veel weg van een kleine stad. Elk Romeins fort, waar of hoe groot ook, kende dezelfde basisindeling. Elke Romeinse soldaat moest precies weten waar hij hoorde te zijn in het fort. Zo’n fort had verdedigingswerken, stenen muren (tot 4,5 meter hoogte), een grote gracht en soms extra grachten. De poorten waren zwakke punten en werden daarom zwaar bewaakt vanuit wachttorens. Een stratenplan verdeelde het kamp in verschillende zones. Het belangrijkste deel was de centrale zone, waar zich de gebouwen van de kampleiding bevonden. Forten zijn karakteristieke manifestaties van de Romeinse denkwereld: alles draaide om systematiek. Een leger dat onderweg was, moest natuurlijk een plek hebben om te overnachten. Er werd een geschikte plek uitgekozen die hoger lag dan de omgeving en met water in de buurt, waarna het fort systematisch werd opgebouwd, inclusief met geul van een meter diep en verdedigingswal. De volgende dag pakte iedereen zijn biezen en werd de wal weer in de geul geschoffeld. Toen de grenzen van het Rijk eenmaal vastlagen werden wachttorens gebouwd, het liefst aan rivieren. Met behulp van vuurbakens of boodschappers te paard werden waarschuwingen overgeseind naar het dichtstbijzijnde fort.

Het meest extreme voorbeeld is de Muur van Hadrianus in Groot-Brittannië. Dit 117 kilometer lange bouwwerk was de grens tussen Brittannië en Caledonia (Schotland). Een Romeins historicus beweerde dat het bedoeld was om barbaren en Romeinen gescheiden te houden, maar het was onmiskenbaar toegestaan om de muur te passeren. Het werkelijke doel was waarschijnlijk om het personenverkeer in de gaten te houden en tol te heffen. De Romeinen trokken in de 5e eeuw weg uit Brittannië.


Plattelandsleven
Voorvaderen waren boeren
Er moest een gigantische hoeveelheid voedsel geproduceerd worden dat naar Rome moest worden getransporteerd om de massa van Rome en de bevolking van de rijkssteden te voeden. De Romeinen bleven ervan overtuigd dat innerlijke vrede en rust alleen te vinden waren door op en van het land te leven. Zelfs als ze geen kans hadden op het platteland te verblijven, decoreerden ze de muren van hun huizen van mythische pastorale (herderlijke) scènes. Als het hart van de Romeinse wereld de stad was, dan was de ziel ervan, zo meenden de Romeinen zelf, het platteland. Schrijvers hebben dat beeld helpen vormgeven en bevorderen. Rijke Romeinen gaven daar gestalte aan door hun landelijk gelegen villa’s. Romeinen fantaseerde onophoudelijk over een idyllisch landelijk Italisch verleden. Ze geloofden dat hun land groot was geworden door hun roots als boeren met het zware werk en de discipline.

De villae
De Romeinse geleerde Cato groeide op een boerderij. Hij voelde zich verwant met de grond en het eenvoudige, ongecompliceerde boerenleven en beschouwde het boerenbestaan als het ultieme gebaar van Romeins patriottisme. Hij draagt de boodschap uit dat landbouw de enige eerlijke manier is om de kost te verdienen. Vergilius schreef een verzameling leerdichten die hulde brachten aan het geïdealiseerde leven op het land. Voor de meeste mensen in het Romeinse Rijk zag de werkelijkheid er echter heel anders uit. Één van de grote paradoxen van het stadsleven is nu eenmaal dat stedelingen er voortdurend van dromen dat ze ergens anders wonen. Steden zijn lawaaiige, drukke en vieze plekken en veel Romeinen verlangden naar de open ruimte. Ontwikkelde Romeinen lazen Vergilius om te dromen van een verloren paradijs. Voor een onbehoorlijk rijke Romein bood een landgoed een prachtige manier om te ontsnappen aan het openbare leven en de vreselijke herrie van Rome. Ze bouwde extravagante landhuizen die ze villae (herenboerderijen) noemden.


Seneca over het landleven
Hoe prestigieuzer de villa, des te aantrekkelijk het object was voor afgunstige keizers die elk excuus aangrepen om de rijkste landerijen te confisqueren. Zo hield grote rijkdom voor een Romein paradoxaal tevens een groot risico in. Seneca (Nero’s privéleraar) werd op een dag ziek en besloot Rome te ontvluchten en zijn heil te zoeken op zijn landgoed. Hij zegt: ‘Zodra ik die verstikkende lucht van Rome en de stank van uitpuilende en rokende haardvuren met alle as van dien en alle giftige dampen die ervandaan komen zodra ze worden aangestoken, achter mij had gelaten, voelde ik mij meteen een stuk beter. Je kunt je voorstellen hoe energiek ik mij voelde toen ik mijn wijngaarden bereikte. Ik viel gelijk aan op mijn avondeten; het had veel weg van vee dat voor het eerst weer de lentewei in mag!’ De Gallo-Romeinse dichter Ausonius (privéleraar van keizer Gratianus) schreef gedichten over de rivier de Moezel. Hij beschreef het stroomgebied van de Moezel als een landelijk paradijs met overvloedige oogsten en hij bevolkte de streek met oude Romeinse goden.

Met de verspreiding van de macht en invloed van Rome verspreidde zich ook de villatraditie en de Romeinse hang naar eenvoudiger, landelijke roots. Het geniale aan de Romeinen was altijd geweest dat ze bij andere volkeren de ambitie kweekten om ook Romein te worden en wisten te voorkomen dat ze zich beschouwden als een overwonnen en onderworpen volk. De villabewoner was afhankelijk van een enorme arsenaal aan arbeidskrachten en veilige en betrouwbare transportlijnen. Toen het West-Romeinse Rijk ineenstortte en het gezag in de provincies teloorging, werd het onmogelijk de landgoederen en de bijbehorende Romeinse fantasie van het plattelandsleven nog langer in stand te houden.

De stad
Rome, de stad
Het Romeinse Rijk was boven alles een rijk van steden. De Romeinse macht was ondenkbaar geweest zonder steden. In het hele Romeinse Rijk leek elke stad van enige betekenis op een miniatuurversie van Rome. Rome zelf werd vaak aangeduid met simpelweg Urbs, ‘de stad’. Egypte kende ook al een stedencultuur, met steden als Thebe en Memphis; Griekenland was verdeeld in stadstaten met steden als Athene die heersten over het achterland. De Fenicische kolonie Carthago was een belangrijke handelsstad die zou uitgroeien tot de grootste rivaal van Rome. Rome zelf was voortgekomen uit een verzameling dorpen die bijeen werden gebracht onder de vroege koningen dankzij hun gezamenlijke cultuur en hun gemeenschappelijke belang zich te verdedigen tegen vijanden in de regio. De Romeinen geloofden ook dat hun stad door de goden was uitverkoren in de mythe van Aeneas en zijn afstammelingen Romulus en Remus. Rome was dus niet alleen maar een praktisch onderkomen, het was een plek met een spirituele identiteit. De idee dat de stedelijke beschaving van Rome het ware fundament van zekerheid en veiligheid was en de natuur gevaarlijk en onvoorspelbaar, was ook populair.

Rome als etalage
De stad Rome heeft er eeuwen over gedaan om het uitdijende monster te worden uit de keizertijd. De macht en weelde van Rome trok grote aantallen mensen aan, die allemaal bestuurd, gevoed en vermaakt moesten worden. De keizers wilden van Rome een etalage maken van hun eigen en Romes macht. De Romeinen maakten van Rome een gigantisch sjabloon voor hun beschaving. In het centrum bevonden zich de openbare gebouwen en tempels. Daaromheen lagen theaters, amfitheaters en het Circus Maximus. Een wegennet ontspon zich als een web vanuit het centrum door de wijken, terwijl boven de stad aquaducten water aanvoerden en onder de stad een rioleringssysteem het weer afvoerde. Er waren basilieken (gerechtshoven en bestuursgebouwen), badhuizen, de curia (het gebouw waar de senaat bijeenkwam) en forums (openbare pleinen voor handel en politiek).


Beton
In heel het Romeinse Rijk functioneerden provinciale en regionale hoofdsteden als miniatuurversies van Rome. Maar denk nu niet dat alles oorspronkelijk uit Rome kwam. Rome zelf kopieerde nogal wat ideeën van elders, vooral van de Grieken. In het Oost-Romeinse Rijk kende het stadsleven al een veel langere traditie. Vooral in gebieden als Brittannië en Gallië was de stad een nieuwer verschijnsel. Veel van de bouwontwerpen zijn afgekeken van de Grieken en Etrusken. Maar ze maakten wel op buitengewone wijze gebruik van twee fundamentele technieken: beton en de boogconstructie. Beton was het mirakel van de Romeinse bouwkunst. Ze noemden het opus caementicium. Het had slechts vier componenten: water, kalk, vulkanisch tufsteen en steengruis. Het mooie van beton is dat het ter plekke kan worden gemaakt van gemakkelijk te vinden materialen en in elke denkbare vorm kan worden gegoten. Daarnaast is het bijzonder sterk en duurzaam. Grote complexe gebouwen konden zo snel uit de grond worden gestampt, omdat het Romeinse beton bijna net zo sterk was als modern beton.

Bogen
Door de beton hoeft men geen platte houten of stenen plafonds meer te maken. Beton vormde een ideale bouwsteen voor bogen, gewelven en koepels. Het ultieme voorbeeld vormt het Pantheon in Rome, dat nog steeds volledig intact is. Het geheim van de constructie zit ‘m in de sterkte en het afnemende gewicht: de dikte van de koepel neemt naar boven toe steeds verder af, beginnend bij 6 meter aan de voet en afnemend tot net 1,5 meter aan de top. Het gebruikte materiaal aan de top is van het lichtste vulkanische tufsteen. Grote houten mallen werden gebruikt om de koepel op z’n plaats te houden terwijl het beton uithardde. Het is de grootste koepel die ooit is gebouwd. Bogen en gewelven werden in vrijwel alle belangrijke Romeinse gebouwen toegepast. Ze maakten het gebouw lichter en sterker en vereisten minder materiaal. De Etrusken hadden de Romeinen in aanraking gebracht met de boogconstructie, maar het waren de Romeinen die de toepassing ervan hebben geperfectioneerd.

Het Colosseum kon zo gebouwd worden
Bogen werden in rijen gegroepeerd. De muur werd zo lichter, het gebouw veel stabieler en sterker. De Romeinen combineerden het gebruik van bogen met alle componenten van de Griekse bouwkunst, zoals zuilen, kapitelen, architraven en frontons. Het gebruik ervan heeft het aanzien van de wereld ingrijpend gewijzigd. De Romeinen konden zo de meest uitzonderlijke gebouwen produceren, zoals het Colosseum. De enige reden dat het nu een bouwval is, is dat er tijdens de Middeleeuwen stenen uit zijn gesloopt, en niet omdat het vanzelf is ingestort. Er waren ook bogen voor de show: de triomfboog die keizers lieten bouwen om grote militaire overwinningen te vieren.

Alle wegen leiden naar Rome
Alle wegen leiden naar Rome, zo luidt het spreekwoord. Romeinen staan bekend om hun lange, rechte wegen. Maar hun wegen werden wel vaak aangelegd bovenop prehistorische paden en routes en die waren niet altijd even recht. De voorkeur ging wel uit naar rechte lijnen. De Romeinen waren de eersten die wegen bouwden op grote schaal, zodat voor het eerst veel plaatsen met elkaar verbonden waren. Het was echt zo dat alle wegen naar Rome leidden. Appius Claudius bouwde in 312 v.Chr. een mooie, geëgaliseerde weg tussen Rome en Capua, waar soldaten zich snel over konden verplaatsen. Deze weg, de Via Appia, diende als sjabloon voor alle toekomstige wegen an het Romeinse Rijk. Snelle communicatie was van essentieel belang. Augustus introduceerde het keizerlijke postsysteem. Dorpen en nederzettingen langs een route werden verplicht altijd paarden en wagens klaar te hebben staan. Vaak was er ook een herberg aanwezig waar reizigers zich konden opfrissen en overnachten. Deze dienst werd enkel verleend aan keizerlijke boodschappers of functionarissen op dienstreis.


Brood en spelen
Logistiek, gilden en kruiken
De uitgestrektheid van het Romeinse Rijk vereiste een uitgebreide logistieke infrastructuur van havens, scheepvaart, handelaren en geld om niet alleen Rome te voorzien, maar ook de hele rest van het Rijk, inclusief het verspreid opererende Romeinse leger. Ostia was de haven van Rome. Van daaruit werden schepen als trekschuiten naar Rome getransporteerd. De handelaren in Ostia verenigden zich in gilden (collegia). Zo’n gilde vormde een hechte belangenorganisatie die zijn leden hulp bood en offers bracht aan een specifieke god. In veel opzichten leken zo op moderne vrijmetselaarsloges. Amforen waren kruiken van aardewerk, de standaardverpakking van Romeins handelswaar. Die waren gemakkelijk op te stapelen en te verplaatsen. Er werden miljoenen ervan geproduceerd.

Voedseluitdelingen en grondstoffen
Romeinse politieke leiders ontdekten de voordelen van de aankoop van voedsel om gratis uit te delen. In de tijd van Augustus hadden 200.000 mensen in Rome recht op gratis graan. Dit was de persoonlijke verantwoordelijkheid van de keizer geworden. De Romeinen gingen in de gebieden die ze veroverden altijd meteen op zoek naar mineralen. Het Rijk had een schreeuwende behoefte aan metalen, zoals zilver en goud (voor het muntstelsel), ijzer (voor wapens en gereedschappen), koper, zink en tin (allerlei voorwerpen) en lood (het plastic van het Romeinse Rijk, gebruikt voor pijpleidingen, afdichtingen van daken en bekleding van watertanks). Vooral Spanje was aantrekkelijk wat betreft grondstoffen. De mijnbouw werd vooral uitgevoerd door slaven, uiteraard zonder enige aandacht voor gezondheid of veiligheid.

Munten
Romeinse munten waren gebaseerd op hun intrinsieke waarde. Het erin verwerkte metaal moest dezelfde waarde hebben als het muntstuk zelf. Belangrijke munttypen waren quadrans, semis, as, dupondius, sestertius, denarius en aureus. Munten waren voor de keizer een uitstekend propagandamiddel; zijn verrichtingen en zijn familie kon hij zo aan een ieder bekendmaken. Als er een nieuwe keizer aantrad, kwamen er meteen nieuwe munten in omloop zodat iedereen wist wie hij was. Inflatie kwam er onder keizer Septimus Severus die simpelweg koper toevoegde aan de munten om langer met het beschikbare zilver te kunnen doen. Handelaren verhoogden hun prijzen als compensatie voor de inferieure munten. Geldontwaarding en prijsverhogingen waren het gevolg. Rond 270 bestonden ‘zilveren’ munten enkel nog uit brons met een dun laagje zilver.


Maten en gewichten
De afstandsmaat was de Romeinse mijl (mille passus), die 1536 meter bedroeg en gebaseerd was op 1000 dubbelpassen van 5 Romeinse voet. De Romeinen gebruiken ook de stadium, 1/8 mijl. Onderverdelingen in Romeinse voeten (pes= 296 millimeter). Als gewicht was er het Romeinse pond (libra), 327,5 gram, en het Romeinse ons (uncia), dat overeenkwam met 27,3 gram. Graan werd gewogen in een korenmaat die overeenkwam met 8,67 liter. Wijn wordt gemeten met de sextarius (0,54 liter) en de congius (3,25 liter).

Aquaducten
De Romeinen waren vooral beroemd vanwege hun legendarische beheer van de publieke watervoorziening. De nabijheid van een rivier als de Tiber was daarbij geen voordeel. Rivieren zijn vooral van belang voor transport en afvallozing. De verplaatsing en het omhoog leiden van grote hoeveelheden water is vreselijk ingewikkeld en arbeidsintensief. Water naar een stad leiden draaide helemaal om zwaartekracht: het vinden van een bron die hoger lag dan de plek waar het water heen moest en het vervolgens daarheen leiden met een heel geleidelijk verval. Geen geringe opgave. Appius Claudius gebruikte een bron van zestien kilometer van Rome en liet het water voor het grootste gedeelte door een ondergrondse tunnel lopen. Pas in de buurt van Rome werd het water door een bovengronds kanaal over stenen boogconstructies geleid. In de stad aangekomen stroomde het water in een verdeeltank. Omdat de waterdruk kranen zou hebben weggeblazen, werd het water omhoog geleid naar straathoekreservoirs, die niet overstroomden vanwege de voortdurende waterafname door de gebruikers. In de 1e eeuw telde Rome al 1350 openbare fonteinen. Dat waren de plekken waar de gewone Romein zijn water kwam halen. Er waren trouwens meerdere aquaducten die een enorme hoeveelheid water naar Rome vervoerden.

Badhuizen
Baden was een vast onderdeel van de Romeinse levenswijze. Er werden grote openbare badhuizen gebouwd. Rijke lieden konden het zich veroorloven privébaden te installeren in hun huizen en villa’s. Naar het badhuis gaan was een dagelijks middagritueel voor de meeste bemiddelde mensen. In de oude tijd wasten de Romeinen zich nauwelijks en waren ze er trots op dat ze roken naar het eerlijke zweet van ‘leger, boerenwerk en mannelijkheid’. Het geheel had veel weg van een modern fitnesscentrum of een sportclub: er was een omkleedruimte, een warme ruimte waar het lichaam begon te zweten, een hete saunaruimte, een koud bad en een oefenruimte waar men kon rennen, springen, met gewichten kon trainen en andere vormen van sport kon beoefenen. Het badhuis was ook de plaats waar zakendeals werden gesloten. Het was een belangrijke sociale ontmoetingsplaats.

Afvalwater werd via ondergrondse riolen geloosd in de rivier de Tiber. Sommige riolen in Rome waren groot genoeg om er met een boot doorheen te varen. Er waren er zoveel van dat Rome een ‘stad op stelten’ werd genoemd. Veel steden gebruikten de straten als open riolen. Daarom ook hebben de straten van Pompeii grote stapstenen, zodat de bevolking netjes de straat over kon steken. Openbare toiletten bestonden uit een doorlopend zitgedeelte langs de muur met daarin sleutelgatvormige gaten.


Brood en spelen
Voor de meeste mensen in het Romeinse Rijk was het leven zwaar, wreed en kort. In een wereld waar oorlog normaal was, waren fysiek geweld en wreedheid aan de orde van de dag. En niemand die daar echt van opkeek. Het waren vaak slaven die werden ingezet voor het vermaak van de massa. De bekende uitdrukking ‘brood en spelen’ (panem et circenses) is afkomstig van de Romeinse satiricus Juvenalis (60-130). Hij stelde dat het Romeinse volk maar in twee dingen geïnteresseerd was: een volle maag en het spektakel van de spelen. Aristocratische Romeinen keken oorspronkelijk neer op alle vormen van publiek vermaak. Het was in strijd met ‘ware Romeinse burgerdeugden’ als zelfbeheersing en zelfdiscipline.

De arena
De spelen bevorderden ook de gemeenschapszin van de bevolking. Het leidde de massa af van sociale onrustgevoelens. De massa voelde zich niet moreel bezwaard door de spelen, die gratis toegankelijk waren. Publieke evenementen vormden een belangrijk deel van de religieuze jaarkalender. In de begintijd was elk open terrein goed genoeg voor het houden van spelen. Tijdelijke houten tribunes werden dan gebruikt. Rome kreeg pas een stenen amfitheater in 29 v.Chr. De oudste permanente arena staat in Pompeii, waar 20.000 mensen in konden. Het waren oplopende tribunes zodat de toeschouwers een goed zicht hadden. Als bescherming tegen gladiatoren en wilde dieren bevond zich een hoge muur tussen arena en publiek. Arena’s konden gebruikt worden voor gladiatorengevechten, jachtpartijen met dieren, het naspelen van beroemde veld- en zeeslagen, schijngevechten tussen legereenheden en religieuze festivals.

Het Colosseum
Arena’s werden meestal gebouwd aan de rand van grote steden of erbuiten. Amfitheaters komen vrijwel nooit voor in het oosten waarde Griekse theatertraditie een dominante rol bleef spelen. De grootste arena’s hadden onderaardse gangen en ruimten voor dieren, gevangenen en gladiatoren en liftmechanieken waarmee ze naar de begane grond werden gehesen. Daarnaast hadden ze een hydraulische uitrusting om de arena onder water te zetten voor zeeslagen. De Romeinse samenleving was strikt hiërarchisch, wat goed te zien was aan de indeling van de zitplaatsen. Het beroemdste en meest imposante amfitheater van allemaal is het Colosseum in Rome. Het stond op de plek waar een gigantisch beeld van Nero had gestaan, de Colossus, waaraan het nieuwe amfitheater uiteindelijk zijn naam heeft overgehouden. Er konden 70.000 toeschouwers in. Op een keer waren er 10.000 gladiatoren tegelijk in het strijdperk. Het Colosseum had enorme zonneschermen die konden worden uitgeschoven om de toeschouwers in de schaduw te houden.


Gladiatorengevechten
De gladiatorengevechten was de meest extreme vorm van massavermaak in de hele wereldgeschiedenis. Het woord ‘gladiator’ (zwaardvechter) komt van gladius, zwaard. Een buitengewoon goed strijder die zijn gevechten wist te overleven kon er zijn vrijheid mee terugwinnen. Nero gaf ooit opdracht 400 senatoren en 600 ridders tegen elkaar te laten vechten. Het was een manier om hen te vernederen en het volk zal er kostelijk om gelachen hebben. Keizer Commodus kon zelf een aardig potje zwaardvechten. Er werd niet zomaar iemand de arena ingestuurd. Er moest op niveau worden gestreden. Alleen mannen met talent werden uitgekozen en naar speciale gladiatorscholen gestuurd, waar ze in absolute topconditie werden gebracht. Gladiatoren vertegenwoordigden een angstaanjagend, superspannend en opzwepend soort glamour. De slavenopstand onder leiding van Spartacus in 73 v.Chr. was begonnen in een opleidingsschool voor gladiatoren. Deze knapen hadden immers niks te verliezen.

Zij die sterven gaan groeten u
Gladiatorengevechten werden van tevoren aangekondigd. De gevechten waren altijd het hoogtepunt van de dag. Als ze de arena binnenmarcheerden groetten ze de keizer met de woorden Ave Imperator, morituri te salutant (‘Heil keizer, zij die sterven gaan groeten u!). Het hoogtepunt van elk gevecht kwam wanneer een gladiator verslagen op de grond lag. Dan was het woord aan de menigte. Als het een gevecht van niks was geweest, schreeuwde men Iugula, ‘dood hem’, maar als er dapper gestreden was, riepen ze Mitte, ‘laat hem gaan’. De uiteindelijke beslissing was aan de man die de spelen georganiseerd had. Als de verslagen gladiator gespaard werd, ging het gevecht verder. Zo niet, dan werd hij gedood en het lichaam de arena uitgesleept, zodat het volgende gevecht kon beginnen. De gelukkige winnaar kreeg geld en een palmtak. Als een gladiator uitzonderlijk goed had gepresteerd, kreeg hij een houten zwaard, een symbool van zijn vrijheid.

Allerlei soorten dieren
Tijdens de openingsspelen van het Colosseum in het jaar 80 werden er maar liefst 5000 dieren in één dag gedood. In 247 vond er een speciaal spektakel plaats met 60 leeuwen, 40 wilde paarden, 32 olifanten, 6 nijlpaarden en 1 neushoorn. Dieren werden dus uit de exotische gebieden aangevoerd. De meeste provinciale arena’s moesten genoegen nemen met minder tot de verbeelding sprekende dieren als hazen, wolven en wilde zwijnen. De dieren werden gehouden in kooien in de ondergrondse vertrekken van het Colosseum en gevoed met vee en onder Caligula zelfs een keer met criminelen. Je kon dieren tegen elkaar laten vechten, maar dat leverde nogal chaotische taferelen op. Om het gebeuren wat aantrekkelijker te maken werden jagers de arena in gestuurd. Die werden geselecteerd uit slaven, criminelen en krijgsgevangenen. Deze lieden waren echter bij lange na niet zo populair als gladiatoren. De meest extravagante voorstellingen in de arena waren gewijd aan het naspelen van grote historische gebeurtenissen. Julius Caesar organiseerde een schijngevecht tussen twee legers. Sommige liefhebbers kampeerden langs de kant van de weg om op de dag zelf verzekerd te zijn van een goede zitplaats.

Stadion voor wagenrennen
Een stadion (of circus) werd gebruikt voor wagenrennen. Het was een langwerpige, rechthoekige terrein met een rond einde aan de ene en een open einde aan de andere kant. Rome had alleen al acht stadions. De grootste renbaan van Rome was het monumentale Circus Maximus, wat plaats bood aan 250.000 fans, wellicht het grootste stadion ooit. Midden in de nacht begonnen mensen zich bij de renbaan te verzamelen voor de beste zitplaatsen. De schrijver Plinius de Jongere verheugde zich altijd op de racedagen, omdat de straten dan uitgestorven waren en hij eindelijk in alle rust kon werken. Wagenrennen was een immens populaire sport, wat terugging op de vroegste dagen van Rome. Romulus zou de Sabijnen hebben uitgenodigd voor een middagje wagenrennen. En terwijl de Sabijnen opgingen in het sportgeweld, liet hij zijn zware jongens de vrouwen van de Sabijnen ontvoeren: de Sabijnse maagdenroof.

Een gevaarlijke, populaire sport
Als het fout ging, brak het ultralichte strijdwagentje meteen in honderd stukken en werd de wagenmenner eruit geslingerd: geen veilige sport dus. Wagenmenners waren daarom meestal slaven, vrijgelatenen of veroordeelden. Een enorme bedrevenheid en een groot reactievermogen was vereist. De belangrijkste teams waren de Roden, de Witten, de Blauwen en de Groenen. Het volk in de steden was gek op de wagenrennen. Supporters van elk team schiepen er groot genoegen in supporters van de andere teams een flink pak rammel te geven. Daar hadden ze ruim de gelegenheid voor en er waren vaak soldaten aanwezig om de orde te handhaven. De gestoorde keizer Caligula was een fanatieke supporter van de Groenen; hij at zelfs bij hun stallen. Net als gladiatoren waren wagenmenners grote sterren. Dit verklaart ook waarom een aantal van hen bleef doorgaan met racen nadat ze hun vrijheid hadden verdiend.

Theaters en haar immorele praktijken
De gemiddelde Romeinse stad beschikte ook over één of meerdere theaters. De wortels daarvan lagen in het Griekse oosten. Het Romeins establishment moest niets hebben van theaters: het zou tot immorele praktijken leiden. Theaters speelden een grote rol in de religieuze feesten. In de buurt van een theater was dan ook vaak een tempel te vinden. Rijke aristocratische Romeinen hadden weinig op met theaters en nog minder met acteurs. Er was zelfs een wet die verbood dat een senator, zijn zoon, kleinzoon of achterkleinzoon zou trouwen met een vrouw wier ouders toneelspelers waren geweest. Toneelstukken waren het populairst onder gewone mensen die zich niet druk maakten over wat ‘geschikt Romeins amusement’ was. Oorspronkelijk waren er twee soorten theatervoorstellingen: komedies en tragedies. De Romeinen hielden vooral van actiestukken, het naspelen van mythische vertellingen (waarbij functioneel naakt niet geschuwd werd), pantomimes (zonder woorden, maar soms heel expliciet) en wedstrijden in welsprekendheid. Het publiek mocht een onderwerp aandragen, waar men dan al improviserend een gloedvol betoog over hield. Theatervoorstellingen hebben hun populariteit niet lang weten vast te houden. Daarnaast ging de associatie van theaters met religieuze feesten verloren door de opmars van het christendom, dat overigens weinig gevolgen lijkt te hebben gehad voor het enthousiasme voor de renbaan.

Godsdienst
De goden beheersen alles
De Romeinen geloofden niet alleen in hun goddelijke missie om te heersen over de wereld, maar veel mensen zagen ook daadwerkelijk de aanwezigheid en het ingrijpen van goden in alles en overal. Ze geloofden dat de goden alles bepaalden en beheersten, tot aan het laatste zuchtje wind toe. In Rome waren enorme tempels te vinden, maar ook de kleinst mogelijke heiligdommetjes langs de kant van de weg en kleine altaren in huis. Munten hadden op hun keerzijde vaak afbeeldingen van een bonte verzameling goden en godinnen. Romeinse goden waren er in overvloed. De enige uitzondering was het christendom. De Romeinen hadden zonder bezwaar Christus aan hun lijst met goden willen toevoegen, maar daar wilden de christenen niets van weten. Het is dus opmerkelijk dat het christendom uiteindelijk staatsgodsdienst is geworden. Religie was ook een politieke kwestie. Het onderhouden van de staatserediensten was onderdeel van de uitdrukking van loyaliteit aan het Rijk.

Gelofte en offer
Romeinen sloten overeenkomsten met een god, om het winnen van een oorlog of bescherming van de oogst. In ruil daarvoor gaf de Romein een geschenk, meestal een offer of geld. Hij legde dan eerst een gelofte af (votum), wat hij dan op een tablet schreef, met inbegrip van de tegenprestatie. Soms worden ze ‘vloektabletten’ genoemd omdat ze een boosdoener vervloekten en de godheid verzoeken de betreffende personen hard te treffen. Als de god aan het verzoek voldeed werd het offer gebracht. Alles draaide om het ritueel. Elk offer moest precies op de voorgeschreven manier plaatsvinden, tot op het laatste woord. Wie een foutje maakte, kon het vergeten.

Voortekenen
De Romeinen waren geobsedeerd door voortekenen (omina), goede en slechte. Een zwerm gieren dat over vloog en de zon verduisterde was bijvoorbeeld zo’n voorteken. Romeinse historici etaleerden graag hun inzicht achteraf door alle slechte voortekenen op te sommen. Er waren ook waarzeggers, gespecialiseerde priesters die de toekomst voorspelden aan de hand van de interpretatie van natuurverschijnselen en het gedrag van dieren, en de ingewanden van offerdieren. Sommige Romeinen streefden naar een hoger bewustzijnsniveau door middel van extreme dronkenschap. De bedoeling was dat dit een verrassend inzicht zou kunnen geven in een bepaalde zaak. Hun roes konden ze in de tempel uitslapen en hun dromen werden door de droomuitlegger van de tempel ontvouwd, tegen vergoeding uiteraard. Orakels waren er ook, het beroemdste bevond zich in Delphi, Griekenland. Een orakel was een speciaal aangewezen persoon door wie een god tot de wereld sprak. Meestal spraken ze in cryptische bewoordingen die geïnterpreteerd moesten worden.


Vesuvius
Niet alle Romeinen lieten zich overtuigen door het (bij)geloof. Cicero vroeg zich af of het geen vorm van zelfopsluiting was, waarbij mensen gevangen zaten in hun angst voor wat voortekenen konden betekenen en doodsbenauwd waren een ritueel verkeerd te voeren. Plinius de Oudere vond het allemaal maar bijgelovige onzin; hij vond het fascinerend om te zien hoe mensen ervan overtuigd waren dat de godin Fortuna achter al hun geluk schuilging en tevens verantwoordelijk was voor al hun tegenslagen en misère. Plinius de Jongere beschreef de doodsbange menigte na de uitbarsting van de Vesuvius in 79: ‘Velen zochten de steun van de goden, maar er waren er nog meer die meenden dat er geen goden meer waren en dat het universum voor alle eeuwigheid in een permanente duisternis was gedompeld.’

Tempel alleen voor de priesters
Er waren verschillende typen Romeinse tempels, maar anders dan kerken waren heidense tempels geen verzamelplaatsen voor gelovigen. Het waren heilige plekken voor het opslaan van beelden en tempelschatten en alleen toegankelijk voor priesters. De ‘handelingen’ vonden buiten plaats. In stadscentra op het forum en vaak in de buurt van theaters werden tempels vaak gebouwd, omdat beide gebouwen ritueel met elkaar verbonden waren. Soms verrezen tempels ook buiten de stad, vaak op kruispunten of als onderdeel van een ander complex, zoals badhuizen. Er waren ook tempels bij speciale religieuze centra buiten de stad, zoals bij een heilige boom of bron. Op landerijen waren ze ook, onder beheer van de villabezitter ten behoeve van de lokale bevolking. Soms waren het complete tempelcomplexen. Bij Trier waren maar liefst zeventig tempels op een kluitje.

Basilieken wel voor gelovigen toegankelijk
Tempels waren rechthoekige gebouwen met zuilen langs de zijkanten en een trap aan de voorkant. Ze vertonen ook invloeden van de plaatsen waarin ze staan. Christenen zouden later in basilieken samenkomen; die zagen er anders uit dan de heidense tempels. Gebaseerd op het ontwerp van een openbare hal met middenschip en zijbeuken, waren die alleen geschikt voor godsdiensten waarbij de gelovigen zich in het gebedshuis verzamelden voor de eredienst. Romeinse goden kenden een hiërarchie die bovenaan begon met het pantheon van de belangrijkste goden onder leiding van Jupiter, de oppergod. Hij voerde een hele familieschare van goden aan, van wie er veel Griekse tegenhangers en Etruskische wortels hadden. De goden waren net mensen, met hun eigen persoonlijkheid, specifieke krachten, favorieten en zwakheden. Sommigen waren met elkaar verbonden door familiebanden. Hun bescherming van Rome werd van groot belang geacht voor het lot van de stad. Voor Romeinen was de steun van de goden geen vanzelfsprekend gegeven; die moest actief gezocht en verdiend worden.


Beschermgoden en keizerverering
De Romeinen hadden een god voor van alles en nog wat. Er was een huis- en familiegod (genius), de ‘beschermgeest’. Er waren geniussen van legioenen, keizers, van elke stad en van handelsgilden. Elk huis kende zijn eigen lares, huisgeesten die over het huis waakten. Er waren zelfs drie goden met specifieke taken ten aanzien van een Romeinse deur: één voor de feitelijke deur, voor de scharnieren en voor de drempel. De lijst is eindeloos. De verering van heersers als levende goden was heel gebruikelijk in de oudheid. Alexander de Grote vroeg als god vereerd te worden op basis van zijn claim de zoon van een god te zijn. De Romeinen waren niet gecharmeerd van die gedachte en de vroege keizers evenmin. Het is twijfelachtig of veel mensen serieus geloofden dat de keizer een god was, maar alleen de christenen maakten daar een echt probleem van. Keizers werden nog wel eens na hun dood tot god verheven (de apotheosis). Voor nog levende keizers kwam er een soort compromis: de zoon van een dode keizer was immers de zoon van een god dus zelf ook een beetje god.

Tolerant
De Romeinen waren buitengewoon tolerant ten opzichte van andere godsdiensten, omdat ze geloofden dat alle goden macht bezaten en ze liever hadden dat die macht aan hén ten goede kwam en niet aan hun vijanden. Ze absorbeerden zo cultussen uit het hele Rijk, en combineerden die met hun eigen goden. De Romeinen deden geen poging de godsdienst van overwonnen volken uit te roeien. Er waren uitzonderingen, onder wie de Joden en christenen, maar in die gevallen was het probleem van politieke aard. Er zijn niet veel perioden geweest in de geschiedenis van de mensheid dat godsdienstvrijheid op zo’n niveau is gepraktiseerd.

Mysteriegodsdiensten
Toch waren er veel mensen die voelden dat er nog iets aan ontbrak. Deze mensen wendden zich tot de zogeheten ‘mysteriecultussen’ (uit het oosten), die geheime riten kenden, die alleen toegankelijk waren voor ingewijden en gewoonlijk een soort van hergeboorte in het vooruitzicht stelden. Extase, zelfkastijding, angst en de triomf van de toelating tot de sekte waren kenmerken. In zekere zin vormden deze cultussen een aanslag op de religieuze verdraagzaamheid van de Romeinen. Het verdragen van pijn, het belang van bloedvergieten als middel om het eeuwige leven te bereiken en de mitraïsche gezangen werden verafschuwd door de christenen, die enige gelijkenis herkenden met sommige van hun eigen opvattingen. Het waren vooral christenen die het hadden voorzien op de Mithrastempels, die, net als kerken, een middenschip en zijbeuken hadden.


Het christendom
In theorie was het christendom ook gewoon één van de vele mysteriecultussen. Maar het christendom verschilde op essentiële punten: het was altijd, overal en voor iedereen opengesteld, en gelovigen dienden alle andere goden af te zweren. Dat was natuurlijk een slag in het gezicht van de in religieus opzicht tolerante Romeinen. Daarom ging de Romeinse overheid de christenen met grote argwaan gade te slaan. Christenen werd kannibalisme verweten en waren welkome zondebokken voor keizer Nero. Tacitus noemde het christendom een ‘hardnekkig bijgeloof’ en beweerde dat christenen werden ‘verafschuwd om hun ondeugden’. De Romeinen waren stomverbaasd dat christenen weigerden zelfs maar lippendienst te bewijzen aan de heidense staatscultussen. Plinius de Jongere, gouverneur onder Trajanus, stelde een onderzoek naar christenen in. Hij was uiterst bezorgd over de populariteit van de nieuwe godsdienst. Trajanus droeg hem op geen actieve vervolging in te stellen en christenen alleen te straffen als hij geen andere keus had.

Constantijn
Het christendom zag er heel aantrekkelijk uit in een rijk in een tijd van ongenoegen over de oude goden en teloorgang van het Romeinse Rijk. Grootschalige vervolgingen kwamen er onder Trajanus Decius (249-251), Diocletianus (284-305) en Maximianus (286-305), maar er waren altijd al vervolgingen geweest sinds de dagen van Nero. Zelfs Marcus Aurelius, de filosoof-keizer, gaf opdracht tot een vervolging. Keizer Constantijn I (307-337) geloofde niet alleen dat de god van de christenen de reden was voor zijn eigen succes, maar zag ook de grote politieke voordelen van het gebruik van het christendom om het Rijk bijelkaar te houden. Toen het christendom eenmaal gelegaliseerd was, probeerde de Kerk onophoudelijk om de Romeinen zover te krijgen dat ze hun oude gebruiken opgaven. Oude heidense heiligdommen werden vervangen door kerken. Het heidendom werd geleidelijk uitgebannen. Zelfs de mummificatie in Egypte werd verboden. Het christendom zegevierde op alle fronten, maar onenigheid binnen de Kerk zelf vanaf de vierde eeuw zou de Romeinse wereld doen beven op haar grondvesten.

Verbranden of begraven?
Terug naar het Romeinse heidendom. Volgens sommigen zouden de geesten (manes) van de doden leven in de onderwereld, al hadden de Romeinen ook een idee van een soort onderwereld, die ze Elysium noemden. Pluto (Grieks: Hades) zou de onderwereld regeren. In de begintijd waren crematies gebruikelijker, maar op den duur – onder invloed van het christendom – won de begrafenis aan populariteit. Tegen de derde eeuw was het de standaardprocedure geworden. Bij crematies werd het lichaam verbrand op een brandstapel; de as werd verzameld in bijvoorbeeld aardewerken potten. De armste mensen werden begaven in een doodskleed, rijkeren in loden doodskisten. Wettelijk moesten Romeinen buiten een bepaalde gewijde zone rond het bevolkte gebied worden begraven (reden: hygiëne, door ons pas in de 19e eeuw weer ontdekt!). Begraafplaatsen vond je meestal bij elkaar liggen langs de kant van de weg bij het verlaten van een stad. Op Romeinse graven kon men nog wel eens lezen: Hodie mihi, cras tibi (heden ik, morgen gij).


Voorouderverering
Het was de gewoonte de doden in familiegroepen te begraven, tenzij men lid was geweest van een gilde (collegium), dat standaard zorg droeg voor de begrafenis van de leden. Catacomben waren onderaardse begraafplaatsen die bestonden uit een tunnelstelsel met kapellen en uitgehakte grafkamers. Ze waren zeer geliefd bij de christenen van Rome. De catacomben van Rome moeten oorspronkelijk honderden kilometers hebben beslaan. De verering van voorouders was een belangrijk onderdeel van het Romeinse leven. De Romeinen bezochten ook graven om plechtigheden te houden waarmee ze de banden met de voorouders opnieuw aanhaalden. De Parentalia (herdenkingsplechtigheden) werden gehouden van 13 tot 21 februari; dan mochten er geen huwelijken worden gesloten. De overledenen werden bij de feestelijkheden betrokken: eten en drinken werd door buizen naar ondergrondse graven geleid.

Overige
– De Romeinse samenleving kende een strikt protocol ten aanzien van beledigingen. Iedere burger mocht op gelijke wijze reageren op de belediging van een andere burger, ongeacht hun status.
– Liefdadigheid was uiterst belangrijk in een wereld zonder echte sociale voorzieningen. Rijke mannen lieten soms grote sommen geld na in hun testament, zodat de rente gebruikt kon worden voor de zorg van behoeftige kinderen.
– Voor een Romeinse edelman was grondbezit en de exploitatie ervan de enige aanvaardbare manier om geld te verdienen. Op de grootste landgoederen waren niet alleen duizenden slaven te vinden, maar ook hele dorpen van pachtboeren die uitgestrekte stukken land bewerkten. In de tijd van Nero was de helft van de provincie Africa in handen van slechts zes grootgrondbezitters.
– Het Romeinse beleg van Syracuse tijdens de tweede Punische oorlog was moeilijk, omdat binnen de stadsmuren de briljante wiskundige Archimedes verbleef. Hij ontwierp verdedigingswerken die goed werkten. Uiteindelijk viel de stad en werd hij op uitdrukkelijk verzoek van de generaal gedood.
– Het grootste drinkfestijn van het jaar waren de Saturnalia, de midwinterfeesten. Voor één keer vielen alle sociale standsverschillen weg: mensen van allerlei rang en stand deelden tafels bij een vrij toegankelijk banket. Zelfs slaven hadden een vrije dag en werden bediend door hun meesters. Later hebben de christenen dit Romeinse midwinterfeest overgenomen en omgevormd tot Kerstfeest. Al krijgen tegenwoordig steeds meer mensen het gevoel dat dit christelijke feest weer erg veel op de Romeinse Saturnalia begint te lijken!

Opgaan
De mythe
Het middelpunt van de wereld begon als klein dorpje. De machtigste republikeinse staat ging als koninkrijk van start. Het verdrijven van de koningen wegens allerlei misdragingen veranderde alles. Hoe het landelijke verleden van Rome eruit zag wist geen Romein, want het was te lang geleden. Ze hielden vol overgave vast aan de idee dat dit landelijk verleden het geheim van Romes succes in zich droeg. Men heeft pogingen gedaan met behulp van de legendarische held Aeneas een rechtstreeks verband te leggen tussen de Romeinen en de goden. Aeneas was de mythische zoon van de Trojaanse leider Anchises en de godin Venus. Nadat Troje was gevallen, wist hij te ontsnappen en beleefde hij op zijn omzwervingen allerlei grootse avonturen. Aeneas stichtte de stad Lavinium. Zijn zoon Ascanius volgde zijn vader op en stichtte de stad Alba Longa. Hier kwamen twaalf koningen. De laatste, Numitor, werd afgezet door zijn broer Amulius. Om er zeker van te zijn dat hij van Numitors dochter Rhea Silvia geen gevaar te duchten had, maakte Amulius van haar een Vestaalse maagd. Maar Amulius had buiten de god Mars gerekend, die Rhea bezwangerde. Rhea beviel van de tweeling Romulus en Remus, die Amulius in de Tiber liet gooien. De tweeling werd echter door een wolvin gered en gezoogd en daarna grootgebracht door een herder. Ze groeiden op als krijgers, zetten hun grootvader Numitor weer op de troon en stichtten in 753 v.Chr. de stad Rome.

Domineren van de regio
Rome was in feite één van de vele nederzettingen in dat deel van Italië. Sommige nederzettingen waren bondgenoten, andere weer rivalen. De eerste stap die Rome zette op weg naar de wereldheerschappij was het domineren van deze regio. De Etrusken (Toscane en Umbrië) waren een belangrijke rivaal. Nog nooit is iemand erin geslaagd hun taal te ontcijferen. Ze zouden een aanzienlijke invloed gaan hebben op de Romeinse cultuur. Het vroege Rome werd geregeerd door koningen. Hun verhaal bestaat uit een mengeling van mythe en werkelijkheid, en ons probleem is het daartussen een onderscheid te maken. Onder koning Romulus vond het bekende verhaal van de Sabijnse maagdenroof plaats. Enige tijd na die gebeurtenis vielen de Sabijnen Rome aan maar de Sabijnse vrouwen (inmiddels vrouwen van de Romeinen geworden) stelden zich op tussen de strijdende partijen en wisten een verzoening tot stand te brengen die van de Romeinen en Sabijnen één volk maakten.

Koningentijd
De koningen van Rome hebben enkele zeer belangrijke veranderingen teweeggebracht. Het gebied was zes keer zo groot geworden. Door politieke en militaire hervormingen begon Rome een geoliede machine te worden. Dienstplicht werd ingevoerd en moerassige valleien werden bewoonbaar gemaakt, waardoor bijvoorbeeld de losse nederzettingen op de zeven heuvels van Rome konden uitgroeien tot een stad. Rome raakte bekend als een nieuwe machtsfactor in het Middellandse Zeegebied. Maar op dit punt in de geschiedenis had Rome evengoed nog van het toneel kunnen verdwijnen zonder een spoor na te laten.

Koning afgeschaft
Vanaf de 6e eeuw v.Chr. waren er geen koningen meer, men had er genoeg van. Nu kwamen er twee consuls die elk jaar opnieuw werden gekozen. In tijden van crisis kon een dictator worden aangesteld, maximaal voor zes maanden. Het onderliggende principe van deze veranderingen was: niemand mag permanente politieke macht bezitten. De samenleving kende twee groepen: patriciërs en plebejers. De kans dat iemand uit een arm milieu het tot consul zou kunnen schoppen was nihil. De senaat begon machtiger te worden. Het was eerst een adviesorgaan voor de koningen.

De fasces bestonden uit een bundel met touw samengebonden houten stokken met een bijl in het midden. Ze werden gedragen door de assistenten van de magistraten. Omdat de stokken afzonderlijk kwetsbaar waren, maar gebundeld juist erg sterk, werden deze geacht de kracht en eenheid van Rome te symboliseren. Fascisten uit begin 20e eeuw ontleenden hier hun naam aan.

Standenstrijd
De standenstrijd ging voort. De plebs gingen zich organiseren. Ze formeerden het concilium plebis tributum, een volksvergadering met volkstribunen, die gekozen werden om de belangen van het plebs te behartigen. Ze zwoeren hun tribunen tegen elke prijs te zullen beschermen. Hun vetorecht speelde een grote rol in de uitbreiding van de macht van het volk. De patriciërs zagen zich gedwongen de nieuwe vergadering van de plebejers te accepteren. Huwelijken tussen patriciërs en plebejers waren echter nog altijd verboden. Dit werd in 445 v.Chr. afgeschaft. Er was sprake van een werkbaar, maar labiel machtsevenwicht. Het functioneerde zolang bevoegdheden als het vetorecht niet werden misbruikt.

Latijnse Liga
In de 5e eeuw v.Chr. was Athene de belangrijkste macht in het Middellandse Zeegebied. Egypte was al lang en breed op z’n retour en het wereldrijk van Alexander de Grote zou nog zo’n honderd jaar op zich laten wachten. Wat Rome zo bijzonder maakte was dat het elke tegenslag aangreep om de gelederen te sluiten en met nog meer overtuiging de aanval te kiezen. Van doorslaggevend belang daarbij was dat de Romeinen omstandigheden schiepen die juist zeer aantrekkelijk waren voor de Italische volkeren. In de 5e eeuw v.Chr. werd de Latijnse Liga gevormd. Gevolg was dat Latijnse steden steeds meer Romeins werden. Rome vestigde kolonies op plaatsen waar de aanwezigheid van een stad van strategisch belang was. In de 4e eeuw leden de Romeinen nog een verpletterende nederlaag tegen de Galliërs, die beschikten over lange zwaarden. Rome werd op het nippertje gered, omdat de Galliërs niet doorzetten en Rome nog spaarde. Slechts plunderingen vonden plaats en na het betalen van een losprijs verlieten ze het gebied weer.

Macht van plebejers groeit
De economische achteruitgang als gevolg van de schade door de Galliërs toegebracht en het groeiend aantal plebejers leidden ertoe dat het plebs de overhand kreeg. Rentetarieven kregen een maximum, schuldenaren konden niet meer tot slaaf worden gemaakt en aan de hoeveelheid openbaar land dat iemand kon bezitten werd paal en perk gesteld. Ook zou in het vervolg één van de twee consuls een plebejer zijn. De grootste overwinning was dat hun volksvergadering wetten mocht aannemen waaraan ook patriciërs gebonden waren. Ooit begonnen als onwettig orgaan verkreeg ze het vetorecht over alles wat een magistraat deed en over elke resolutie van de senaat. Rome kreeg ook nieuwe muren, zodat de stad nooit meer kon worden ingenomen: 7 meter hoog en ruim 3,5 meter dik. Het leger werd gereorganiseerd in meer flexibele eenheden. Het was niet langer een verdedigingsmacht, maar een leger dat geschikt was voor een veroveringsoorlog. Rome werd steeds machtiger binnen de Latijnse Liga; de techniek waarvan de Romeinen zich bedienden was ‘verdeel en heers’ (divide et impera).

Pyrrusoverwinning
Na het veroveren van nieuw territorium stichtten de Romeinen consequent kolonies op de meest strategische plekken. Toen de Romeinen het grootste gedeelte van Centraal-Italië beheersten richtten ze de blik op Magna Graecia. Dat was de naam voor het zuiden van Italië, dat beheerst werd door de Griekse kolonies. Steeds vaker werd Rome om hulp en bijstand gevraagd door plaatsen die zich bedreigd voelden. Een Griekse koning, Pyrrhus van Epirus, wist de Romeinen nog te verslaan – op het nippertje. Over deze overwinning zei hij: ‘Nog zo’n overwinning, en ik ben verloren’. Tegenwoordig wordt de uitdrukking pyrrusoverwinning gebruikt om een overwinning mee aan te duiden die zoveel inspanningen heeft gekost dat ze meer weg heeft van een nederlaag. Hij kreeg later trouwens een dakpan op z’n hoofd en overleed. De Griekse steden in het zuiden kwamen steeds meer in het Romeinse web terecht en werden bondgenoten (socii).

Tegen Carthago
Carthago (in het huidige Tunesië) was een handelskolonie die in 814 v.Chr. door de Feniciërs van Tyrus was gesticht. De stad was zeer succesvol. Hun invloedssfeer verspreidde zich over het westelijke deel van het Middellandse Zeegebied. Het sprak vanzelf dat de snelle opkomst van deze stad en Rome tot een confrontatie zou leiden. Dit waren de Punische oorlogen, de eerste grootschalige, internationale oorlogen die Rome voerde. Het zou een keerpunt in de wereldgeschiedenis worden. Niet Carthago, maar Rome kwam als winnaar uit de strijd, maar het had evengoed andersom kunnen zijn geweest. De eerste Punische oorlog wonnen de Romeinen, met name door drie sterke punten: (1) Ze beschikten over zoveel mankracht zodat ze veel verliezen konden veroorloven. (2) Ze namen nieuwe strijdmethoden over van hun vijanden. (3) Elke nederlaag vatten ze op als een fout die moest worden rechtgezet.

Hannibal
In deze oorlog veroverde de Romeinen onder andere Sicilië, Sardinië en Corsica. Toen de Romeinen hun vizier richtten op Spanje (het Iberische schiereiland = het deel van Europa ten zuiden van de Pyreneeën), brak er een tweede Punische oorlog uit. Intussen werd ook in drie zomers Noord-Italië veroverd om van de Galliërs geen last meer te hebben. De tweede Punische oorlog was de oorlog van Hannibal, die een confrontatie in Spanje omzeilde door in 218 v.Chr. met heel zijn leger en al zijn olifanten de Alpen over te steken, een onwaarschijnlijke prestatie waar geen Romein mee gerekend had. Hij kreeg gezelschap van Gallische stammen, die het best nog een keertje tegen de Romeinen wilden opnemen. De Romeinen leden grote verliezen, niet zonder grote fouten van hun kant. Maar Hannibal buitte dit niet uit.

Scipio Africanus
Publius Cornelius Scipio wilde meer: hij richtte zijn aandacht aan de hoofdprijs: het Carthaagse thuisland zelf, Africa. Wat de Romeinen Africa noemden, kwam ruwweg overeen met het kustgebied van het huidige Tunesië. Het werd later één van de eerste overzeese provincies van het Rijk. Scipio versloeg dezelfde Hannibal, dit keer in een ‘uit-wedstrijd’. Hoewel de vredesvoorwaarden er niet om logen, slaagde Carthago er toch in de nederlaag te boven te komen en weer een welvarende stadstaat te worden. Scipio kreeg de naam Africanus aan de zijne gevoegd. Bittere vijandschap bleef; in het Latijn was er zelfs de Latijnse uitdrukking Punica fide (‘met Carthaags vertrouwen’), dat synoniem stond voor verraad.

Griekenland raakt vrijheid kwijt
Niet alleen Africa, ook Griekenland kwam in beeld. In twee Macedonische oorlogen hielpen de Romeinen een anti-Macedonisch verbond van Griekse steden om hun van de Macedonische koning Philippus te verlossen. De Romeinen waren al heel lang gefascineerd door alles wat Grieks was. Griekse beelden werden naar Rome verscheept en veelvuldig nagemaakt. Maar in een volgende oorlog verloren de Grieken hun vrijheid, want Rome was hun onderlinge ruzies zat. De stad Korinthe werd met de grond gelijk gemaakt, met name omdat ze een belangrijke economische rivaal was. Alle mannen werden vermoord en de vrouwen en kinderen weggevoerd als slaven. Een eeuw later stichtte Julius Caesar een kolonie op de plek waar Korinthe had gestaan en dit is ook het Korinthe wat we in het Nieuwe Testament tegenkomen.

Succesformule
Elke soldaat wist precies wat zijn taak was. De inrichting van kolonies voor de bewaking van havens, bergpassen of belangrijke knooppunten van wegen betekende dat er op cruciale locaties altijd een Romeinse reservemacht aanwezig was. De steden en dorpen in ingenomen gebied bleven in grote lijnen functioneren zoals ze altijd hadden gedaan. In heel Italië kwamen gemeenschappen tot de ontdekking dat het van groot voordeel was om deel uit te maken van de Romeinse invloedssfeer. In ruil voor hun bijdrage aan het Romeinse leger mochten ze delen in de oorlogsbuit. De bondgenoten voerden wel bij de stabiliteit, zonder dat ze onderdrukt werden.

Het hele Middellandse Zeegebied
Carthago was nog steeds niet definitief op de knieën gedwongen. Het Middellandse Zeegebied was wel veroverd, en dat was een ongelooflijke prestatie. En ze konden het gehele gebied ook nog eens besturen. De Grieken bijvoorbeeld konden zichzelf nauwelijks besturen, laat staan anderen. De Romeinen konden het wel. Spanje was van belang vanwege haar minerale delfstoffen: tin, ijzer, goud en zilver. Hier werden twee provincies gecreëerd: Hispania Citerior en Hispania Ulterior, dichterbij en verderweg gelegen, het huidige Spanje en Portugal.

Overigens ben ik van mening…
Marcus Porcius Cato, een 84-jarige veteraan van de Tweede Punische Oorlog en spreekbuis van de anti-Carthaagse fractie in Rome, eindigde zijn redevoeringen (over welk onderwerp dan ook) in de Senaat altijd met de woorden Ceterum censeo Carthaginem esse delendam! (‘Overigens ben ik van mening dat Carthago moet worden weggevaagd’). Deze zin kennen velen die Latijn hebben geleerd op school als een voorbeeld voor een gerundivum: ‘…moetende worden…’ Cato’s tegenstanders meenden juist dat men Carthago moest laten zoals het was, omdat het geen reële bedreiging inhield voor Rome en het een samenbindend effect had op het Romeinse volk. De oude Cato kreeg echter zijn zin, hoewel hij overleed toen de oorlog net was uitgebroken.

Pergamom
In die oorlog werd Carthago volledig in de as gelegd. De legende wil dat de Romeinen na de verwoesting van de stad zout uitstrooiden over de velden rond de stad om die voor altijd onvruchtbaar te maken. Enige tijd later werd vlakbij die plek een Romeinse kolonie gesticht: de ultieme vernedering. In 133 v.Chr. viel de stad Pergamom de Romeinen zomaar in de schoot. De stad was bij testament door een koning die geen erfgenamen had overgemaakt aan Rome in de veronderstelling dat de belangen van de stad daarmee het beste gediend zouden zijn. Pergamom werd onderdeel van de Romeinse provincie Asia, waarmee Rome nu beschikte over een belangrijke toegangspoort naar het oosten en een bron van fabelachtige rijkdom. In het bijbelboek Openbaring wordt melding gemaakt van een kerk in deze stad (Openb. 2:12).

Blinken
Consolidatie van het Rijk
In de eeuw die nu volgt zou de Romeinse republiek worden uiteengereten. Alle rijkdom en macht steeg verscheidene ambitieuze lieden naar het hoofd. Burgeroorlogen maakten bijna een einde aan het Rijk. Het had fataal kunnen aflopen als niet één man zijn genialiteit in de strijd had geworpen: keizer Augustus. Het geniale aan zijn optreden was de pretentie dat hij de republiek in ere had hersteld. Op zijn hoogtepunt strekte de Romeinse macht zich uit van de heuveltoppen van Schotland tot aan de afgelegen woestijnen van Egypte.

Rijk en arm
De rijken werden steeds rijker en de armen steeds armer. En niemand had erbij stilgestaan of de inmiddels verouderde instituties van de republiek wel opgewassen waren tegen de nieuwe orde. Corruptie en eigenbelang leidden tot de roep om hervormingen. In de Romeinse politiek werd steeds meer schaamteloos op de persoon gespeeld. De onrust ontstond over de vraag wie er zou gaan profiteren van de nieuwe rijkdom en macht van Rome. Het Romeinse gepeupel was gestaag in omvang aan het toenemen. Het werd voor de aristocraten van steeds groter belang de grote massa tevreden te stellen vanwege het grote risico van rellen en ongeregeldheden als het volk zich ging roeren.

De teerling geworpen
Gaius Julius Caesar (100-44 v.Chr.) is de beroemdste Romein die ooit heeft geleefd. Hij was ambitieus en intelligent en spendeerde veel geld aan publieke werken en volksvermaak. Slinkse en achterbakse streken en steekpenningen waren voor hem gewoon. Hij ging deel uitmaken van het triumviraat, een driemanschap: hij met Pompeius en Crassus. Cicero, een geletterd man en een briljant spreker, was niet echt enthousiast over deze opzet. En het driemanschap híéld niet stand. Toen Caesar als vijand van de staat werd gebrandmerkt, besloot hij vanuit zijn uitvalsbasis in Gallië naar Rome op te trekken; hij had immers niets meer te verliezen. Toen hij onderweg de rivier de Rubicon overstak, zou hij de beroemde woorden alea iacta est hebben uitgesproken (‘de teerling is geworpen’). Caesar nam Rome in maar ging zacht te werk, waardoor zijn reputatie intact bleef.

Ik kwam, ik zag en ik overwon
Caesar ontmoette tijdens de strijd om de macht in Egypte Cleopatra, een vrouw die bekend stond om haar intelligentie, politieke sluwheid en manipulerende aard. Zij werd een maîtresse van Caesar en moeder van hun zoon Caesarion. De overige oppositie werd makkelijk uitgeschakeld in een bliksemoorlog van vijf dagen die Caesar samenvatte in de onsterfelijke woorden Veni, vidi, vici (‘ik kwam, ik zag, ik overwon’). Door zijn overwinningen over zijn mededingers naar de macht werd hij door de senaat tot dictator over tien jaar aangesteld om alle schade aan de republiek te herstellen. Zijn invloed op de Romeinse staat zou gigantisch zijn. Zijn hervormingen reikten ver.

Later komt Cleoptra nog een keer in beeld: toen Antonius in Parthië een invasie voorbereidde, ontmoette hij haar en hij was meteen verkocht en ook zij kregen samen kinderen. Antonius was van plan Cleoptra koningin van Rome te maken en het Romeinse Rijk te gaan besturen vanuit Egypte. Toen Octavianus hun leger versloeg pleegden ze zelfmoord. Hierna werd Egypte een Romeinse provincie en het persoonlijke eigendom van de keizers.

De schrikkeldag
Één van zijn meer duurzame hervormingen was die van de kalender. Het Romeinse jaar duurde 355 dagen met een extra maandje na februari om synchroon te blijven lopen met het zonnejaar. Omdat priesters echter allerlei extra dagen hadden ingevoegd, werd het geheel volslagen onwerkbaar. Caesar kwam met de oplossing om het jaar 365 dagen lang te maken en elk vierde jaar een extra dag toe te voegen. Deze nieuwe kalender is eeuwenlang gebruikt, totdat men ontdekte dat de kalender niet geheel overeenkwam met de baan van de aarde om de zon. Tegen 1582 liep de Juliaanse kalender tien dagen achter. Die fout werd hersteld door de invoering van de Gregoriaanse kalender in 1582.

Caesar vermoord
Caesar werd door velen bewonderd om zijn hervormingen. Maar het succes steeg hem naar het hoofd. Hij stond toe dat bij het begin van de spelen naast de godenbeelden ook een beeld van hemzelf werd meegedragen. Hij werd in 44 v.Chr. benoemd tot dictator voor het leven en hij kreeg een vergulde troon, een triomfale mantel en een lauwerkroon. Hij was eigenlijk een koning. Cicero noemde Caesar een tiran, een idee dat zich in hoog tempo begon te verspreiden. Caesar was inmiddels zo overtuigd geraakt van zijn onoverwinnelijkheid dat hij het niet eens meer nodig vond er een lijfwacht op na te houden. In 44 v.Chr. werd Caesar vermoord, door een complot onder leiding van Cassius en Brutus. Zijn lichaam telde 23 messteken. Caesar had in zijn testament Octavianus als zijn geadopteerde zoon en wettige erfgenaam aangewezen.

De Verhevene
De leiders van de afgelopen eeuw hadden hun eigen ambities nagejaagd en hadden de stabiliteit van de Romeinse wereld ernstig ondermijnd. De heerschappij van de keizers die nu begon valt samen met één van de meest dramatische en bepalende perioden in de Romeinse geschiedenis. Octavianus kwam in 29 v.Chr. als onbetwiste leider uit de strijd. Hij had een megalomane machtswellusteling kunnen worden, maar dat gebeurde niet; en eigenlijk was dat één van de opmerkelijkste dingen aan zijn heerschappij. In 27 v.Chr. droeg Octavianus al zijn bevoegdheden en provincies over aan de senaat en het volk van Rome. De senaat en het volk van Rome waren zo tactvol om een en ander meteen weer terug te geven. Octavianus had zijn macht nu als een geschenk ontvangen. Het was een briljante zet. Hij had nu absolute macht. In dat jaar veranderde hij zijn naam in Augustus (‘de Verhevene’). Augustus wierp zich op als vertegenwoordiger van het volk, en daarom gaf hij het consulaat op en werd volkstribuun. Dit maakte hem populair bij het volk.

Het belang van publieke beeldvorming
Feitelijk verenigde Augustus alle staatsambten in zich. Deze uiterst merkwaardige opzet slaagde omdat Augustus zijn uitzonderlijke bevoegdheden niet misbruikt heeft. Wat we niet kunnen zeggen van zijn opvolgers. Augustus was een echte conservatief. Hij bracht veranderingen aan, maar wilde tegelijkertijd het volk laten geloven dat alles bij het oude bleef. Augustus herstelde allerlei traditionele waarden zoals het dragen van toga’s door mannen. Hij vaardigde wetten ui tegen overspel en omkoping. Ook bevorderde hij de traditionele Romeinse godsdienst en liet hij tempels bouwen en maakte hij zichzelf tot hogepriester (pontifex maximus). Hij stimuleerde schrijvers om de mythen en legenden over de oorsprong van Rome op te tekenen. Dit alles deed hij om het imago en de politieke status van Rome te versterken. Hij onderkende het belang van publieke beeldvorming. Rome moest er op z’n best uitzien; hij spendeerde enorme bedragen aan stadsrenovatie. Hij zei zelf: ‘Ik trof Rome aan in baksteen en liet het na in marmer’.

De Rijngrens
Augustus gaf om reden van bestuurlijke hervormingen opdracht tot een census (dezelfde volkstelling als in Luk. 2:1). Hij introduceerde grondbelasting en belasting op andere bezittingen. Italië en Romeinse burgers waren hiervan vrijgesteld. Hij stichtte veel kolonies, zoals Turijn en voorzag deze nieuwe nederzettingen van openbare gebouwen, waarmee hij er in feite miniversies van Rome van maakte. Niet in alles was hij succesvol. De Rijngrens was problematisch. Toen Germanen drie complete legioenen van gouverneur Varus naar een bos lokten en daar volledig in de pan hakten sloeg dit nieuws in als een bom. Quinctili Vare, legiones redde! zo jammerde hij: ‘Quinctilius Vares, geef mij mijn legioenen terug!’

Caligula
In 14 n.Chr. stierf Augustus vredig op 75-jarige leeftijd. Weinig van zijn opvolgers hebben zo’n lang leven mogen hebben of het geluk gehad een natuurlijke dood te sterven… Na hem kwamen Tiberius, Caligula, Claudius en Nero. Deze vier keizers waren niets meer dan perverse grootheidsmaniakken. Caligula riep ziczhelf uit tot een god onder het motto ‘Laat er één heer, één koning zijn’. Hij voerde zuiveringen uit in de senaat zonder vorm van proces en voerde het gebruik van informanten weer in. Hij was gek op wagenraces en schijnt zelfs met het idee te hebben gespeeld om een paard tot consul te benoemen. Hij was beestachtig wreed. Hij zei: ‘Had het Romeinse volk maar één nek’, zodat hij het met één klap een kopje kleiner kon maken. Hij liet een vazalkoning ter dood brengen omdat hij het gewaagd had in Rome te verschijnen in een paarse mantel (een te ambitieuze kleur naar Caligula’s smaak). Hij provoceerde Judea zozeer dat het bijna tot een opstand kwam. Uiteraard werd Caligula vermoord.

Nero
Met Nero begon het beruchtste regime in de Romeinse geschiedenis. Op zijn 17e werd hij al keizer. Hij gaf zich over aan een leven vol verdorvenheden en buitensporigheden en deed geen enkele poging meer het Rijk te besturen. Hij vermoordde zijn eigen moeder vanwege haar bemoeizucht. Hij haalde het in zijn hoofd Ethiopië aan te vallen, maar toen de legers alleen woestijn aantroffen, werd het invasieplan opgegeven. Tijdens de grote brand van Rome in 64 zou Nero op z’n viool aan het spelen zijn geweest. De ramp was een uitgelezen mogelijkheid om zijn populariteit op te krikken door geld beschikbaar te stelen voor wederopbouw. Hij eigende zich een groot stadsdeel toe (48 hectare), om een gigantisch paleis te laten bouwen. Het volk was woedend, omdat het vermoedde dat Nero de brand zelf had aangestoken. Daarop liet hij het gerucht verspreiden dat de christenen verantwoordelijk waren voor de brand en begon hij aan een reeks haastige vervolgingen om het verhaal te bewijzen. Seneca, zijn oude leermeester, kreeg het dwingende ‘advies’ zelfmoord te plegen omdat Nero dacht dat hij betrokken was in een samenzwering. Nero moest Vespasianus naar Judea sturen om er een grote opstand neer te slaan. Door hem van een leger te voorzien had Nero hem de middelen in handen gegeven om hem ten val te brengen en zelf keizer te worden…

Vespasianus en Titus
In 68 pleegde Nero, in het nauw gedreven, zelfmoord. Toen hij stierf, illustreerden zijn laatste woorden nog eens ten overvloede dat hij nooit enige notie van het keizershap had gehad: Qualis artifex pereo, ‘welk een groot kunstenaar sterft er met mij!’ Met Nero was het met het Julisch-Claudische huis afgelopen. Na vier keizers in één jaar werd Vespasianus keizer. Hij was een verstandig en praktisch man. Zijn zoon Titus mocht de Joodse opstand verder helpen neer te slaan, hij vertrok naar Rome om keizer te worden. Hij was het die openbare bouwprojecten organiseerde, zoals de bouw van het Colosseum, en hij stond iedereen toe te gaan bouwen op braakliggend terrein in de stad. Titus volgde hem in 79 op. Hij was ook populair. Tijdens zijn bewind vond de uitbarsting van de Vesuvius plaats (24 augustus 79), waar twee belangrijke steden, Pompeii en Herculanum, werden bedolven. Hij overleed plotseling na twee jaar keizerschap.

Damnatio memoriae
Na Titus kwam Domitianus, een wreed despoot. Toen een gouverneur een nieuw type speer had ontwikkeld en die naar zichzelf vernoemde moest hij dood. Het verhaal gaat ook dat Domitianus zijn vrije tijd doorbracht met het doodsteken van vliegen. In 96 werd hij – mede door zijn vrouw – vermoord. Het nieuws van zijn dood werd met vreugde ontvangen en de senaat gaf de opdracht alle standbeelden van hem te verwijderen en elke inscriptie van zijn naam weg te beitelen. Dat was een Romeinse bestraffing die damnatio memoriae werd genoemd, de veroordeling van de nagedachtenis, een manier om iemands bestaan zo veel mogelijk uit te wissen. De nu volgende tijd werd wel de gelukkigste en voorspoedigste in de hele geschiedenis van de mensheid genoemd. Het Rijk kende haar grootste welvaart en stabiliteit.

Hadrianus
Één van de keizers in deze periode was Hadrianus, die heel reislustig was en alle uithoeken van zijn Rijk wilde bekijken. Hij maakte het cruciale besluit om geen nieuwe provincies meer te veroveren. Het Romeinse Rijk had zijn territoriale grenzen bereikt. In het noorden van Brittannië liet hij zijn beroemde muur bouwen. Sommige provincies gaf hij op, zoals Armenië en Mesopotamië. Hij was gek op Griekenland en de Griekse cultuur. Hij liet dan ook zijn baard groeien zoals de Grieken dat deden. In de jaren 132-135 moest hij afrekenen met een grote opstand in Judea onder leiding van Bar Kochba. Hadrianus’ pogingen om de Joden in Palestina te assimileren leidden tot een nationalistische opstand die het hele oosten dreigde te destabiliseren. Nadat Hadrianus de opstand had neergeslagen, verloren de Joden hun land en begon voor hen de diaspora, de verspreiding van het Joodse volk over de hele wereld.

Verzinken
Feodale systeem
Marcus Aurelius gruwde al bij het idee dat gladiatoren gewond konden raken en liet hen alleen met stompe wapens vechten. Deze keizer had veel liever de hele tijd met zijn neus in de boeken gezeten en gemediteerd. Het was dan ook ironisch dat hij het grootste deel van zijn regeerperiode aan oorlogsvoering moest besteden. Na zijn dood begon de verval van het Romeinse Rijk zich echt af te tekenen. Na hem werd de Romeinse wereld een eeuwlang door uiterste gewelddadige types beheerst. Diocletianus vond het middeleeuwse feodale systeem uit: mensen werden aan hun woonplaats en baan gebonden. Het idee was om de economie draaiende te houden en te voorkomen dat er rondzwervende bendes van landloze werklozen zouden ontstaan. Maar dit betekende wel het einde van alle persoonlijke vrijheid. Onder keizer Elagabalus bereikte de decadentie van het Romeinse Rijk een voorlopig dieptepunt: hij was beducht om zijn seksuele uitspattingen en hield er allerlei homoseksuele relaties op na. Hij kwam op gruwelijke wijze aan z’n einde: zijn verminkte lichaam werd door de straten van Rome gesleept alvorens in de Tiber geworpen te worden. Decius (249-251) maakt een begin aan de meedogenloze christenvervolging.

Rome zakt af
Steeds minder werd de werkelijke betekenis van Rome. Symbolisch bleef de stad wel van grote waarde, maar in werkelijkheid woonden de Romeinse keizers dichterbij de randgebieden om daar opstandelingen te lijf te kunnen gaan. Diocletianus splitste het Rijk in tweeën, met elk van de twee keizers een juniorkeizer. Elk had zijn eigen hoofdkwartier: Nicodemia (Klein-Azië), Sirmium (Servië), Milaan en Trier. Rome kam in dit rijtje niet meer voor. Het lag te ver verwijderd van de probleemgebieden. Tekenend was dat Diocletianus pas na twintig jaar aan de macht te zijn geweest voor het eerst Rome bezocht! Provincies werden ook opgedeeld tot ongeveer het dubbele aantal, zodat geen individuele gouverneur machtig genoeg kon worden om een opstand te beginnen. Regionale provincieclusters werden bestuurlijk ondergebracht in dertien diocesen, die elk onder toezicht stonden van een vicarius. Provincies werden geleid door de praeter of rector (beschermer en leider).

De benamingen diocees, vicaris en rector klinken ons bekend in de oren. De kerk heeft een deel van haar eigen bestuur gemodelleerd naar dit systeem. Daarom besturen tegenwoordig bisschoppen een diocees en worden onder meer plaatsvervangers op helpers van een bisschop vicarissen genoemd. Een rector is een priester of leek die de leiding geeft over een instelling zoals een universiteit.

In hoc signo vinces
Het resultaat van Diocletianus’ nieuwe wereld was de geboorte van de totalitaire staat: overheidsbemoeienis met elk aspect van iemands leven en een vergaande beperking van de bewegingsvrijheid. Onder hem en Maximianus begon in 303 een grootschalige christenvervolging. Kerken werden vernield en heilige teksten in beslag genomen. Op zijn ziekbed stelde Galerius in 311 een edict op dat een einde maakte aan de vervolging van christenen. Het edict verzocht de christenen tot hun God te bidden om de Romeinse staat bij te staan. De tolerantie jegens de christenen werd vernieuwd bij het Edict van Milaan (313), maar daar bleef het niet bij. Constantijn de Grote kwam op het wereldtoneel. Bij de slag bij de Milvische burg bij Rome was hij ervan overtuigd dat hij de overwinning te danken had aan de christelijke God. Bij een visioen voorafgaand aan deze slag werd hem opgedragen het monogram (Chi-Rho) van Christus op het schild van zijn soldaten te laten schilderen en zou hij de woorden in hoc signo vinces, ‘in dit teken zult gij overwinnen’ hebben gehoord. Eerst was Constantijn de keizer van het Westelijke deel van het Rijk, maar hij slaagde erin ook de macht over het Oosten te krijgen.

Constantinopel
Constantijn begon de kerk allerlei voorrechten te geven, zoals vrijstelling van belastingen en voorrang bij belangrijke benoemingen. Hij dacht dat het christendom het enige bindmiddel was dat het Rijk bijeen kon houden. Er kwam een nieuwe hoofdstad: Constantinopel (het huidige Istanbul), met een kerk gebouwd in de vorm van een kruis. Het oude heidense basiliekontwerp, bestaande uit een hal met een middenschip en zijbeuken, werd aangepast tot een kerkontwerp en werd de basis van alle grote middeleeuwse kathedralen. Er werden grote standbeelden van de keizer gehouwen, maar nu met een onpersoonlijk gezicht en met de ogen naar de hemel gericht. De grote kerk Santa Sophia (‘heilige wijsheid’) werd in 360 ingewijd in Constantinopel. Het is één van de meest opmerkelijke gebouwen die bewaard zijn gebleven uit de Romeinse tijd. Tegenwoordig is die kerk helaas een moskee, Hagia of Aya Sophia.

Gij hebt overwonnen, o Galileeër!
In 371 verklaarde Valentinianus I dat alle godsdiensten zouden zijn toegestaan. In 381 werden tijdens het concilie van Constantinopel de besluiten van het concilie van Nicea (325) geratificeerd, wat betekende dat het arianisme definitief werd veroordeeld en verdween uit het Romeinse Rijk, hoewel het nog een eeuw lang heel populair bleef onder een aantal Germaanse stammen. Een terugval tot het heidendom kwam er even met Julianus Apostata, ‘de Afvallige’. Hij vond het christendom maar een instabiele en gevaarlijke noviteit. En inderdaad waren ook de christelijke keizers geen voorbeelden van hoe een christen zou moeten zijn. Bij zijn dood op een slagveld moet hij gezegd hebben: Vicisti Galilaee, ‘Gij hebt overwonnen, o Galileeër’, doelend op de Heere Jezus.

Het Rijk verbrokkeld
Gedurende de vierde eeuw begon het westelijke deel van het Rijk te verbrokkelen onder de druk van de barbaarse invallen en zou uiteindelijk ook Rome zelf ten onder gaan. De Romeinen noemden iedereen ‘barbaren’ die anders waren dan zij. Maar sommige barbaren waren zeer gecultiveerd en tot grote dingen in staat. De geordend bestuurde Romeinen keken met afschrik naar de barbaren. Ze hadden geen idee hoe ze hen moesten aanpakken, want ze verkeerden in een voortdurende staat van verandering, trokken van de ene plek naar de andere en gingen allianties aan en verbraken die weer. Er waren Goten (Oekraïne en Roemenië), Vandalen (Scandinavië), Hunnen (Zuid-Oost Europa), Alanen (Kaukasus), Franken en Alemannen (Germaanse stammen).

De val van Rome
Rome is niet op één dag gebouwd, maar ook niet in één dag verwoest. Het einde was vernederend en tergens langzaam. De stad deed er nauwelijks meer toe. Rome viel in 410. Dit was een vreselijk demoraliserende ervaring. Bij velen leefde de overtuiging dat het einde van de wereld nabij was. Romulus Augustus was de laatste westelijke keizer, zijn naam herinnert aan de stichter van Rome. 1229 jaar na de stichting van de stad en 985 jaar na de laatste koning van Rome was het voorbij. Het Rijk viel ineen in onder andere de volgende latere landen: Italië (in 1870 werd het pas weer één ongedeelde natie), Brittannië (ironisch genoeg in de 18e en 19e eeuw hadden zij een wereldrijk waarbij het Romeinse Rijk in het niet viel, opmerkelijk voor een ‘barbaars niemandsland aan het einde van de wereld’), Gallië (het latere Frankrijk), Spanje, Portugal en Duitsland (slechts kleine stukken van Duitsland maakten deel uit van het Romeinse Rijk).


De islam
Het oostelijke deel van het Rijk zou nog zo’n 1000 jaar bestaan. De naam Byzantium kwam eigenlijk pas in de 16e eeuw in zwang. Bij de dood van de profeet Mohammed in 632 was de islamtische godsdienst beperkt tot een deel van Arabië. Tegen 750 hadden moslims alle voormalige provincies van Noord-Afrika, Sicilië en het grootste deel van Spanje in handen. Tegen 1250 heersten ze over vrijwel geheel Klein-Azië (Turkije). Constantinopel werd veroverd door de Ottomaanse Turken in 1453. In 1054 kwam het tot een scheuring van de oostelijke en westelijke kerk, de oosters-orthodoxe en de rooms-katholieke kerk. Tijdens de vierde kruistocht (begin 13e eeuw) werd Constantinopel geplunderd door op buit beluste kruisvaarders. In 1453 viel het Byzantijnse Rijk definitief. 2206 jaar na de legendarische stichting van Rome had het Romeinse Rijk in zijn laatste gedaante opgehouden te bestaan.

De Romeinen in Nederland
De Romeinen besloten zich terug te trekken achter de Rijn, nadat ze toch wel geprobeerd hadden ook de Friese gebieden in Noord-Nederland te onderwerpen. De Romeinse invloed op het gebied boven de Rijn bleef evenwel. Belgische steden als Tongeren, Doornik en Aarlen komen uit deze tijd. Ook in het huidige Nederland werden steden gesticht, zoals Oppidum Batavorum (stad der Bataven) bij Valkhof (Nijmegen). De Friezen (Frisii) kwamen voor het eerst in opstand in 28 n.Chr. De bekendste opstand was die onder Julius Civilis in 69/70 n.Chr. Deze ‘Bataafse mythe’ bleef voortleven en Rembrandt schilderde erover. Ze wilden niet een soort onafhankelijkheid nastreven, maar juist het oude bondgenootschap vernieuwd zien. Vanaf de 3e eeuw raakten de Romeinen hun grip op deze gebieden kwijt.

Overige
– Volkstribunen moesten zich kleden als gewone burgers. Hoe gewoner hij voor de dag kwam, hoe populairder hij was. Benaderbaarheid was essentieel.
– In de Punische oorlogen bouwden de Romeinen een vloot naar het voorbeeld van een Carthaags scheepswrak; veel ervaring of kennis hadden ze op dit vlak dus niet.
– Het senatus consultum ultimum bepaalde dat de senaat in noodgevallen magistraten moest bijstaan die optraden tegen een vijand van de staat.
– Een novus homo (nieuwe man) was een politicus die zijn macht had te danken aan zijn persoonlijke kwaliteiten en niet aan zijn rijkdom of afkomst.
– Brittannië had voor de Romeinen een mythische klank, omdat algemeen werd aangenomen dat het aan het einde van de wereld lag.
– Een filippica was een heftige strafrede. De term verwijst naar de redevoeringen die de Griekse redenaar Demosthenes uitsprak tegen Philippus II van Macedonië. Cicero sprak zulke filippica’s uit tegen Antonius, hetgeen ook zijn dood werd.

Gepubliceerd in augustus 2008