Hoe God verdween uit Jorwerd

n.a.v. Geert Mak, Hoe God verdween uit Jorwerd, Amsterdam 2005

De kerkklok
In Jorwerd wist je altijd wie er gestorven was: bij een sterfgeval werd de klok om 9 uur of 16 uur geluid (bij geboorte 11 uur). Voor een man werd de grote klok geluid, en dan valt de kleine in. Voor een vrouw begint de kleine, waarna de grote invalt. Jorwerd lag in de zogenaamde Greidhoek, het vlakke weidegebied, ongeveer midden in de driehoek Harlingen, Leeuwarden en Sneek. In het uitgestrekte weidegebied rondom Jorwerd lagen ruim 100 kleine dorpen! Rond 1900 woonden er 650 mensen. In 1950 nog 450. Rond 1995 was het aantal gezakt tot 330, en de meesten woonden met één been in de stad. In honderd jaar tijd was het dorp vrijwel gehalveerd.

Import
Er kwamen nieuwe dorpsbewoners. Op de foto’s uit de jaren zestig en zeventig kon je de kleren zien veranderen. eeuwige petten verdwenen uit het dorpsbeeld, de zondagse colbertjes van de arbeiders werden truien en jacks, de lange rokken van de vrouwen werden spijkerbroeken. Er werd ook minder gegroet; vroeger zei iedereen goedendag. De import had een andere mentaliteit. Toen de dominee in een gesprek met een aantal kerkenraadsleden gewag maakte van een hoogbejaarde vrouw, liet één van hen zich ontvallen: ‘Ja, maar dat is geen echte Jorwerter, die is hier pas in 1927 komen wonen.’ Import dus. Merkwaardig genoeg waren het vooral de ouderen en de autochtone inwoners die nieuwbouw in het dorp van harte toejuichten. En het waren uitgerekend de jongeren en de nieuwkomers die er grote aarzelingen bij hadden. De ouderen beleefden het dorp nog steeds als een economische eenheid, ieder gezin was er een klant bij, de jongeren hadden er bewust voor gekozen vanwege de sfeer.

Later uit bed
In Jorwerd stonden vanaf 1763 vijf straatlantarens, elk met één kaars. Later kwamen er olielampen. In 1885 kostte een reis van Jorwerd naar Amsterdam al gauw een dag of twee, en als het weer tegenzat nog langer. Toen de spoorlijn werd doorgetrokken naar Staveren, was de reis vanaf Enkhuizen met de boot ruim een halve dag. De melkmachine verscheen in Jorwerd voor het eerst in 1954. Dit betekende in de eerste plaats dat men langer op bed kon blijven liggen. Eerst moest met er om half vier al uit, door de melkmachine werd dat gauw vijf uur! Ook waren er minder arbeiders nodig. De eerste ligboxstal verscheen in Jorwerd in 1972. ‘Dat kon helemaal niet, dat vonden we niks, dat was onzin. Maar tien jaar later stonden ze wel overal in het landschap.’

Openbaar vervoer
Het openbaar vervoer was over het algemeen verbeterd, behalve voor kleine dorpen, wat opvallend was, omdat juist daar de inwoners voor de meeste voorzieningen de bus in moesten. Een kwart van de dorpen in Nederland had geen bushalte meer. In Jorwerd verliet de bus in 1973 het dorp voorgoed. Er woonde in Jorwerd een jongeman die weigerde dienst te nemen in het leger, omdat het risico hem te groot was dat het Nederlandse leger ooit nog eens tegen Friesland ten strijde zou trekken.

Warm eten tussen de middag
In Jorwerd at bijna iedereen nog tussen de middag warm. Veel boeren stonden nog altijd om 5 uur op. Hoewel met de komst van de koeltank het mogelijk werd om half 7 pas uit bed te gaan, duurde het zeker één à twee decennia voordat de boeren ook werkelijk van die vrijheid gebruikt begonnen te maken. In 1986 verscheen er voor het eerst een vrouw op een vergadering van de begrafenisvereniging. Altijd was dat een pure mannenaangelegenheid geweest, het soort vergadering dat om acht uur begon en kwart voor negen eindigde met een Beerenburgertje. Maar nu hadden de vrouwen stapels vragen.

Flessen melk
De melkboer kwam niet met pakken, maar met flessen melk. Overal in de huiskamer hingen portretten. Er waren ook spreekwoorden, zoals: ‘Het beste stuk huisraad is een goed wijf’ of: ‘De boer bij de kij (koeien), de vrouw bij de brij (pap)’. Ik kan nog twee andere teksten opnoemen: ‘Een vrolijke gast is niemand tot last’ en ‘Een gast brengt altijd vreugde aan; is het niet bij het komen dan wel bij het gaan’.

De lange winteravonden
En dan waren er die donkere, eindeloos lange winteravonden op de boerderijen. De goede oude tijd zat vol saaie uren waarin een goed verhaal goud waard was. Er werd dan ook veel mondeling doorgegeven. Overal in de dorpen werd geklaagd over de spekgladde stoepen; veel mensen strooiden geen zout meer op hun eigen straatje, dat was een zaak voor de gemeente, vonden ze. Zo werden de inwoners van Jorwerd langzamerhand bevrijd van een dwang die hun leven eeuwenlang bepaald had. De ban van de natuur werd doorbroken, maar tegelijk werd daarmee een bepaalde geestelijke orde verstoord.

Agrarisch Nederland
In 1849 was 44 procent van de Nederlandse huishoudens agrarisch. In 1950 was dat 20 procent. In 1995 had Nederland de meest intensieve landbouw van Europa, maar de boerenbevolking was gedecimeerd: van 750.000 in 1950 tot 75.000 in 1995. Geen 2 procent dus. Achteraf gezien stonden de kleine dorpen rond 1870 aan hun top, zowel in bedrijvigheid als in inwonertal. Daarna is het alleen maar slechter gegaan. Vooral na 1950 begon de bevolking van het platteland zich te concentreren in de grotere plaatsen. Dat was ook de bedoeling van het overheidsbeleid: daar was immers voldoende draagvlak voor scholen, winkels en bedrijven, en daar moesten ook bijna alle woningen gebouwd worden.

Stad en dorp
Op wereldschaal gebeurde ook zoiets dergelijks: tot ver na de Tweede Wereldoorlog bestond het overgrote deel van de mensheid uit boeren. In 1960 woonde tweederde van de wereldbevolking op het platteland. In 2025 zal volgens de verwachtingen slechts éénderde van de mensen een boerenbestaan leiden. In 1950 waren er slechts 2 megasteden van meer dan 8 miljoen inwoners: Londen en New York. In 2015 zullen er 33 zijn, plus nog eens 500 steden met meer dan één miljoen inwoners. Rond 2000 zou dus het omslagpunt plaats hebben moeten vinden: voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid wonen er meer mensen in de stad dan op het land. Voor Tolstoj was het verschil tussen plattelandsbestaan en het stadsleven bijna gelijk tussen goed en kwaad.

Heimwee naar het dorp
In de 20e eeuw lagen de verhoudingen veel anders: het was allang niet meer de gesloten stad tegenover het naïeve, openliggende platteland. Op allerlei manieren had de stad de afgelopen decennia het platteland geïnfiltreerd, met forensen en rijke gepensioneerden, met geld, met auto’s en met honderdduizenden kabelaansluitingen. Maar tegelijk bleef het platteland zich roeren in het onderbewuste van de stad. Ook stedelingen werden, meer dan ze dachten, bepaald door boerentradities. Als er in de politiek gesproken werd over een terugkeer naar de waarden van familie en gezin, dan was dat een teruggrijpen op het dorp, op het heimwee naar buiten dat nog sluimerde in het hart van talloze stedelingen.

De universaliteit van het dorpsleven
Er zijn in de loop van deze eeuw heel wat dorpen bestudeerd, en in bijna al die onderzoeken valt één ding op: de ‘universaliteit’ van het dorpsleven. Dorpen, waar ook ter wereld, lijken in sommige opzichten verbazingwekkend veel op elkaar. Zo maakten ze zich in Jolwerd druk over het voorbestaan van de school, ditzelfde bleek in een Amerikaans dorp. De landbouwgrond aan de wildernis overgegeven? In Frankrijk hetzelfde. Draaide het altijd om de familie? Ook in Polen, Indonesië en Zuid-Amerika.

Verschil in dorpen
Tegelijk zijn de verschillen per dorp ook enorm, zelfs binnen Nederland. Er zijn streken waar voornamelijk grote dorpen voorkomen (zoals de zandgebieden van Gelderland, Overijssel en Brabant). Er zijn gebieden waar heel veel kleine dorpen verspreid liggen (zoals Friesland, Noord-Holland, Zeeland en Zuid-Limburg). Er zijn dorpen met een duidelijk eigen karakter. Er zijn gehuchten en buurtschappen, die leunen op een naburig dorp en dus nauwelijks een eigen identiteit hebben. Er zijn forensendoren, woondorpen, door de stad aangevreten dorpen, toeristendorpen, ambtenarendorpen, rijkemensendorpen en boerendorpen. Er zijn saaie en mooie dorpen; dorpen waar nog winkelstraten zijn en dorpen waar de laatste kruidenier 25 jaar geleden gestopt is. Er zijn dorpen waar het verenigingsleven bloeit en dorpen waar de gemeenschap zo dood is als een pier. Er zijn dorpen aan de snelweg, aan de rivier, aan de zee, dorpen waar de schutterij marcheert en dorpen rondom een kanaal in het veen. Er bestaat dus geen standaarddorp.

Dorp als kleine wereld op zich
Het woordje ‘wij’ wordt vaak gebruikt om eigen dorp aan te duiden. Een dorp is als het ware een levenscyclus, een kleine wereld op zich. Nederland is wat dorpen en boerenculturen betreft een speciaal geval. Holland was al vroeg een sterk verstedelijkt gebied, Amsterdam was in de 17e eeuw zelfs één van de grootste steden van de wereld, en dat had een sterke uitstraling over de rest van het land. Bovendien waren, door de platheid van het land en het vele water, de verbindingen tussen stad en platteland hier vanouds makkelijk en intensief.

Dun bevolkt
Er woonden tot het begin van de 19e eeuw zo’n twee miljoen mensen in dit land, en het grootste deel van die bevolking was in het verstedelijkte Holland geconcentreerd. De rest van het land was uitermate dun bevolkt. Friesland kende uitgestrekte venen en moerassen, in Gelderland en Brabant waren eindeloze heidevelden en woeste gronden, die alleen aan de rand bebouwd konden worden. Drenthe bestond voor 3/4 uit wildernis. De Peel was één groot moeras van zo’n honderd vierkante kilometer.

Kolossale duisternis, onvoorstelbare donkerte
In deze leegte was na zonsondergang de duisternis kolossaal, een onvoorstelbare donkerte voor de hedendaagse Nederlander. Toen Leeuwarden in 1845 overging naar straatverlichting op gas, en de lampen voor de eerste maal werden aangestoken, dacht men in het nabijgelegen dorpje Wirdum dat er brand was. Bijgeloof ontstond ook op het platteland: zodra er tegenslag te verwerken was (ziekte, oorlog, overstroming, muizenplaag, enz.) kon de familie van het ene moment op het andere tot bittere armoede vervallen. De natuur was dus onvoorspelbaar.

Verhouding stad en land
De verhouding tussen stad en land lag door de eeuwen heen in Nederland minder vast dan men gewoonlijk denkt. Er is vermoedelijk een vrij lange periode geweest waarin de verschillen tussen steden en dorpen zelfs kleiner waren dan nu, deels omdat de steden in hun omvang ‘dorpser’ waren, deels omdat men in de dorpen ‘stadser’ leefde. Er was vanouds ook veel handel tussen steden en dorpen; de verbindingen waren goed. Het leven in een dorp zag er als volgt uit: men ging aan de arbeid bij zonsopgang (de ambachtslieden en de winkeliers wat later), om twaalf uur werd de klok geluid als signaal voor ‘warm eten’, en daarna werkte men door tot de klok zes sloeg. Tijdens de oogst werd doorgewerkt tot de dauw viel.

Lommerrijke dorpen verdwijnen
De variëteit aan dorpen en landschappen begon zo langzamerhand te vervagen: er ontstond een soort standaarddorp, een confectiemodel dat ‘modern’ was, en dus goed, en waaraan al het andere ondergeschikt werd gemaakt. Opvallend was de teruggang van het bomenbestand. In het begin van de jaren 50 konden veel dorpen nog betiteld worden als lommerrijk. Ze stonden vol eiken, beuken en lindebomen. Twintig jaar later was daar weinig meer van over: de bomen vielen voor het verkeer en de ruilverkaveling.

Middenstand kwijnt weg
De middenstand moest langzamerhand sluiten. Het waren geen drama’s. Het waren geen jongeren in de kracht van hun leven die failliet gingen, maar oudere, bijna gepensioneerde mensen die ‘stilletjes capituleerden voor de stroom van de tijd’. Bijvoorbeeld een smid: een oliekachel repareren ging nog wel, maar een compacte cv-brander met zijn wirwar van draden, relais, thermostaten, automatische kleppen, elektronische stuursystemen, membranen, koppelingen, pompen en dubbele beveiligingen, kortom een volgepropt industrieel minicomplexje van pijpen en elektronica?

Vechten voor voortbestaan school
De school was het belangrijkste ijkpunt in dit proces. Het was in veel gevallen het symbool van de dorpsgemeenschap, het was een kruispunt van activiteiten en ontmoetingen, en dikwijls was de school ook het laatste bastion in het gevecht om het voortbestaan van het dorp. Het einde van de lagere school werd door de meesten beschouwd als het einde van het dorp als gemeenschap. Vandaar ook dat voor het voortbestaan van de school vaak met hand en tand werd gevochten. Men vroeg nieuwe huizen, ‘voor de school’. Maar de nieuwbouw die er kwam werd niet zelden betrokken door welgestelde ouderen die rustig wilden gaan wonen.

Geen verloedering
In 1985 was in een derde van de Nederlandse dorpen geen kruidenierswinkel meer aanwezig. In de buurt van Jorwerd kon je zelfs nog maar in één van de vijf dorpen de gewone dagelijkse boodschappen doen zonder het dorp te hoeven verlaten. En een dokterspraktijk was slechts in één van de drie dorpen te vinden. Hoewel er nu armoede heerste in de kleine dorpen, het gaf niet dezelfde taferelen als in de probleemwijken van de stad; hoe slecht de situatie er op papier ook voorstond, de huizen vervielen niet, er ontstond geen verloedering en uit onderzoek bleek dat niemand wilde verhuizen. Blijkbaar kon de sociale structuur van de dorpen veel meer opvangen dan men veronderstelde. Dorpen bleken in de moderne tijd meer te zijn dan enkel economische samenlevingsverbanden.

Dorpen protesteren
De ligging maakte ook verschil: dorpen in het uiterste noorden hadden het moeilijker dan dorpen die bij de Randstad lagen. Nieuw was ook de verandering van het overheidsbeleid: in de jaren 60 regeerde de tweeprocentnorm. Kleine dorpen mochten met niet meer dan twee procent groeien, anders zou het ruimtelijk beleid een chaos worden. Maar in het midden van de jaren 70 begonnen dorpen te protesteren tegen deze systematische achterstelling.

Sociaal vangnet
‘Ik hoorde een verhaal over een boer die lange tijd met rugklachten in het ziekenhuis verdween, zijn vrouw en kinderen ontreddend achterlatend. Hun buurman liet niets merken, maar hij hield de boel goed in de gaten. Hij keek naar het vee en naar het land, en zo nu en dan liet hij een aanwijzing los, meer niet. Zo werd onder een beginnend drama al bij voorbaat een ‘sociaal vangnet’ getrokken!

Systeem van gedetailleerde protocollen
In de dorpen van vroeger was dat gezamenlijke levensritme vaak uitgegroeid tot een systeem van gedetailleerde protocollen, die de samenleving lieten doortikken als het mechaniek van een klok. Niets werd aan het onvoorspelbare overgelaten. Overal stonden regels voor. Bijvoorbeeld bij wie en wanneer men op bezoek ging, wie uitgenodigd werd bij bruiloften en begrafenissen, wie op kraamvisite kwam, wat er dan gegeten en gedronken moest worden, hoe nieuwe buren moesten worden ingehaald, wie bij bepaalde gelegenheden voor paarden moest zorgen, alles volgens een ingesleten patroon van langdurige wederkerigheid. Maar ook de tijden van opstaan en van zaaien, planten en oogsten lagen vast, en de methodes van werken, alles volgens één grote ongeschreven standaard. Dat mechanische karakter was kenmerkend voor bijna alle boerendorpen in de wereld.

Collectiviteit sterk
Het woordje ‘ik’ was op het platteland niet populair. De collectiviteit was op het platteland sterker, de individualiteit zwakker, vergeleken bij de stad. Er was nog een aspect dat de dorpsbeklemming groot kon maken: een stad heeft afwijkingen nodig, het platteland regelmaat. Als iemand wat meer aandacht besteedde aan zijn of haar uiterlijk, of zich wat anders gedroeg, vond men dat al gauw belachelijk. Zoals een stad het moet hebben van verandering en vernieuwing, zo hebben veel plattelandssamenlevingen zich eeuwenlang kunnen handhaven door stabiliteit en voorspelbaarheid. In een stad werden kinderen uitgelachen omdat ze níet met de mode meegingen, in een dorp omdat ze wél met het nieuwe meededen. Mensen op het platteland zeiden vaker: ‘Wat zullen de mensen hiervan zeggen?’

Kunstenaars
Er kwamen kunstenaars in de buurt wonen, en Hollanders die verliefd waren geworden op een boerderij even buiten het dorp. Decennia lang was het platteland vrijwel uitsluitend negatief bekeken. Maar naarmate de steden meer in de problemen kwamen werd men zich op het platteland bewuster van de eigen waarden. Zoals er na enkele jaren ongemerkt een nieuw lichaam wordt gevormd omdat de lichaamscellen zich eens in de zoveel tijd vervangen, zo was hier in stilte een heel ander dorp ontstaan.

Tevreden mensen
Mensen in steden werden steeds ontevredener, dorpsmensen waren nog altijd zeer tevreden met hun situatie. Veel stedelingen kwamen naar de dorpen toe. Ook waren er veel tweede-huisjeszoekers; maar daar had de dorpsgemeenschap niets aan, omdat ze de plaatselijke school niet steunden, niet meededen met verenigingen en de kerk. Bovendien dreven ze de huizenprijzen flink op, met als gevolg dat de eigen dorpsjeugd vaak nauwelijks meer aan een redelijk huis kon komen. Tot ver in de 19e eeuw stonden grote delen van Friesland, Groningen en Holland ‘s winters regelmatig onder water. Daarom is in de Friese taal het woord ‘dijk’ synoniem aan ‘weg’. Veel land kon dus maar een paar maanden per jaar gebruikt worden.

Hecht gezinsleven
Vaders, zoons, moeders, dochters, grootouders en kleinkinderen verkeerden het grootste gedeelte van de dag in elkaars fysieke nabijheid, en het meeste werk deden ze samen. Omdat er altijd gebrek was aan voldoende handen werden ook de kinderen al jong aan het werk gezet, en zo leerden ze bijna spelenderwijs de belangrijkste handgrepen van het boerenambacht: wieden, maaien, oogsten, melken. Het boerenleven was vanouds een complete bestaanswijze. Men deed en maakte alles zelf. De gemiddelde veestapel was vier tot zes koeien, maar veel kleine boeren hadden er maar twee. Met allerlei ander werk scharrelde men zo’n beetje door het leven.

Bevolkingsgroei, infrastructuur en mechanisatie
Vanaf 1800 kwamen er grote veranderingen:
(1) Na eeuwen van stilstand begon in heel Europa de bevolking weer sterk te groeien; mensen gingen op jongere leeftijd trouwen waardoor ze meer kinderen kregen, de kinderen bleven vaker leven doordat de verzorging verbeterde. Zo nam de bevolking enorm toe. Dit had grote gevolgen voor de landbouw.
(2) Het transatlantische scheepvaartverkeer breidde zich enorm uit, overal werden spoorwegen aangelegd, en goederen konden zo over grote afstand vervoerd worden. De rijkdom die hier op volgde is bijvoorbeeld te zien aan de talloze fiere kop-hals-rompboerderijen in Friesland.
(3) Mechanisatie: de meeste landbouwvernieuwingen in de 17e en 18e eeuw waren alleen gericht op het verhogen van productie, niet om de werkdruk te verlichten. De landbouw ging bovendien buitengewoon inefficiënt om met de factor arbeid: een doorsnee dagloner besteedde 12 dagen per jaar aan ploegen en zaaien, 28 dagen aan maaien en hooien en de rest van de dagen werd besteed aan het dorsen! Dit was ook stoffig en ongezond werk. Voor de hooi had je zeker een week mooi weer nodig!

Gratis arbeiders
Dorsmachines waren aan het eind van de 18e eeuw al bekend, in Nederland kwamen ze pas midden 19e eeuw: een grote periode dus tussen uitvinding en toepassing. Machines kostten geld, terwijl arbeid in de ogen van de meeste boeren gratis was, want het zwoegen van vrouw, kinderen en de boer zelf telde men niet als kosten. Alles was alleen voor ‘t nut, niet voor ‘t genot.

Naar de fabriek in de stad
In 1878 kwam aan de bloeiperiode plotseling een einde: door de aanleg van nieuwe spoorwegen waren er namelijk enorme korenvelden in de Oekraïne en in het hart van de Verenigde Staten opengelegd, en opeens werd de Europese markt daarmee overspoeld. De tarweprijs duikelde naar beneden en men schakelde over naar andere producten. Ook de boterhandel klapte in met de uitvinding van de margarine. Tijdens deze crisis, die duurde tot ongeveer 1895, verlieten talloze boerenarbeiders de dorpen: in de stad verrees de fabriek. Uit Friesland vertrok maar liefst een kwart van de bevolking!

Uitvinding kunstmest
Door de uitvinding van het kunstmest werd het mogelijk om veel meer vee te houden op dezelfde hoeveelheid grond. Voor het eerst kon zo de omvang van een boerenbedrijf min of meer losgekoppeld worden van de bodem! Bij het begin van de nieuwe eeuw staken overal op het platteland de schoorstenen van de zuivelfabrieken tussen de bomen uit. Tijdens de crisisjaren stopte de trek naar de stad; de opnamecapaciteit was daar vrijwel tot nul gereduceerd. De werkloosheid was zo groot dat iedere ruimte voor immigranten ontbrak. Men bleef dus noodgedwongen in het dorp.

De landbouw wordt een kwestie van politiek
‘Onze eerste trekker kwam in 1960, en dat maakte alle verschil van de wereld. Als ik in het begin met dat ding aan het maaien was en er haperde iets, dan trapte ik niet op de koppeling, maar ik riep: “Ho!”, zo was ik nog aan de paarden gewend’. De landbouw was een kwestie geworden van politiek. Met allerlei Europese subsidies werden de prijzen kunstmatig hoog gehouden. Tegelijk werden de eigen boeren door heffingen en tariefmuren beschermd tegen de concurrentie van de goedkope landen in de rest van de wereld. Voor de boeren zelf betekende dit alles maar één ding: zoveel mogelijk produceren tegen de laagste kosten.

Het mestprobleem
Er doemde een nieuw probleem op: de 83 miljoen ton mest die de 15 miljoen varkens, 4,5 miljoen runderen en 84 miljoen kippen jaarlijks produceerden. Wat eerst een kostbare afvalstof was, werd nu tot een gigantische last. Om het mestprobleem op te lossen, mochten de boeren hun mest niet meer op de ouderwetse manier opslaan. Ze mochten het alleen nog maar tijdens een beperkte periode en op een speciale manier over het land verspreiden, en er kwam een mestquotering.

Melkproductie omhoog
Door de almaar nieuwere foktechnieken kon men met steeds minder koeien steeds meer melk produceren. ‘Wij hebben altijd gezegd: als je vee wilt houden, moet je ook land hebben. Die varkenshouders hebben zich daar niet aan gehouden. Maar wij moeten er wel voor opdraaien.’ In 1755 was men gemiddeld 300 uur per jaar per koe bezig, dit gold tot na de Tweede Wereldoorlog. Toen kon de boer ook maximaal 8 à 10 koeien aan. Met de komst van de melkmachine, trekker en hooiperser scheelde het al gauw 70 uur per koe per jaar. Daarom kon aan het eind van de jaren 50 een boer zonder hulp ongeveer 14 koeien aan. In de jaren 60 werd ook het namelken en de mestafvoer gemechaniseerd: het aantal werkuren per koe zakte tot 80 per jaar: één veehouder kon nu 40 koeien hebben. Daarna kwamen de cyclomaaiers, de melktanks, de ligboxstallen met melkputten en de computers. In de jaren 90 kon de boer in z’n eentje 80 koeien aan! En dit moest ook wel om de investeringen eruit te krijgen.

De koeltank
De komst van de koeltank: het was gedaan met de ouderwetse melkbussen die ‘s ochtends en ‘s avonds voor de boerderijen aan de weg werden gezet, met de melkrijder die ze op kwam halen, met het geroep en gerammel in de talloze kleine melkfabrieken. De gevolgen van dit alles verschilden per boer:
– De grotere bedrijven kwamen in een vicieuze cirkel terecht, een spiraal van almaar meer investeringen, want anders ging de belasting er toch mee vandoor. De schuren kwamen vol te staan met trekkers, maaidorsers, bietenrooiers, beregeningsinstallaties, kippers, spuitmachines, zodenbemesters, maaiers, laad-loswagens, hydraulogische schudders, kuilblokwagens, voerdoseercontainers, cultivators, stoppelploegen, maïshakselaars, kneuzers en wat verder aan machines bedacht was.
– De kleinere boeren deden het omgekeerde: ze konden weinig investeringen doen omdat het bedrijf te klein was. Het liep niet zelden uit op schulden en faillissement. De meesten lieten het zover niet komen en stopten.

Stilte gaat verloren
In de jaren 50 ging de echte, diepe stilte van Jorwerd verloren. Een paard maakte geen lawaai. Nog na de oorlog was het vlakke land rondom het dorp grotendeels motorloos. Men kon op kilometers afstand over de weilanden het gehamer van de dorpssmeden horen, het getinkel van een maaier, een emmer die ergens omviel, een koe, een enkele auto, losse geluiden die in een achtergrond van stilte vielen. Wie in de jaren vijftig 300 kippen had, had er in de jaren tachtig 30.000.

Het geld stroomt binnen
Door betere voeder- en foktechnieken werd de melkproductie tot ongekende hoogte opgevoerd. Er ontstonden boterbergen en melkplassen, groenten en fruit werden gedumpt en doorgedraaid. Haalde een doorsnee koe in de jaren 60 per jaar zo’n 3500 liter, aan het eind van de eeuw was 8000-10.000 niet abnormaal, en de meest productieve koe haalde zelfs 16.000 liter! In sommige streken, met name in Brabant en Gelderland, werd dankbaar gebruik gemaakt van mogelijkheden die nieuwe technieken boden om te boeren als je vrijwel geen land had: je legde een paar duizend vierkante meter beton neer, bouwde wat varkenshokken, de meelfabriek leverde biggen en voer op krediet, zo nu en dan kwam een vrachtwagen om de volwassen varkens weg te halen, en het geld stroomde binnen.

De boerenlobby
Ook de geuren begonnen te veranderen: vroeger had de mest een warme geur, niet onprettig vaak. Maar de gier vanaf de jaren 70 rook scherp door het krachtvoer. De combinatie van subsidies, schaalvergroting en vakkundig fokken had de productie zo omhoog gejaagd dat de melkplassen waren uitgegroeid tot melkzeeën. Iedereen zag dat de markt uit zijn krachten was gegroeid, maar aan de andere kant hadden de politici, onder druk van de boerenlobby’s, er veel geld voor over om deze situatie zo lang mogelijk te handhaven. In het begin van de jaren 80 lagen in de Europese pakhuizen meer dan één miljoen ton melkpoeder en 600.000 ton boter, en de subsidiekosten liepen in de miljarden. Op de een of andere manier moest de melkproductie aan banden worden gelegd. Zo ontstond de zogenaamde ‘superheffing’. Het was een ommekeer in het denken; dat je weleens te veel kon melken, daar had een boer nooit bij stilgestaan. Het was een enorme schok.

Melkquotum
In 1984 besloten de Europese landbouwministers dat er een superheffing zou komen: alle boeren mochten voortaan alleen nog maar een bepaald quotum produceren, een vaste hoeveelheid melk, gebaseerd op hun productie in het voorafgaande jaar. Op iedere liter die ze meer molken kregen ze in plaats van subsidie een stevige boete. Wie in 1983 dus een forse plas melk produceerde, was binnen! De quotering had één groot voordeel: de boeren wisten waar ze aan toe waren en er kwam daardoor rust. Maar deze maatregel heeft de boerenstand ook uit elkaar gespeeld: de grotere boeren waren enorm in het voordeel. De kleinere boeren konden nauwelijks meer overleven én hadden geen kans meer om te groeien. Veel boeren stopten en hun boerderijen werden burgerwoningen.

Groten groter, kleinen kleiner
Er was ook het verschijnsel ‘Het Witte Paard’: ‘s nachts reden er auto’s met aanhangwagens met twee paarden erin, maar in werkelijkheid zat daar een koeltank in, om het teveel aan melk naar collega’s die onder hun quotum hadden gemolken te brengen. Dit was illegaal. Het aantal koeien dat in de Friese weiden liep te grazen verminderde tussen 1984 en 1994 met ruim een derde. Er ontstond het zogenaamde ‘klapbrug-effect’: de grote boeren werden steeds groter, de kleine kleiner. Er was ook een grote verzoeking: de boeren begonnen te handelen in melkquota, en al snel ging het daarbij om grof geld. Voor het recht om één liter melk per jaar te produceren werd gemakkelijk 4 gulden betaald. Wie een koe erbij wilde melken moest zo’n 24.000 gulden neertellen: tienmaal de waarde van het beest zelf!

Meer concurrentie
Op 1 januari 1995 waren er nog bijna 40.000 melkveebedrijven. In 1975 waren dat er nog ruim 90.000. In 1995 trad de wereldomvattende vrijhandelsakkoord in werking, en dat betekende weer een nieuwe horde voor de boeren; de bescherming van de subsidie- en tariefmuren zou langzaam verdwijnen om te gaan concurreren tegen Amerikanen en Nieuw-Zeelanders. Veel melkveehouders vreesden voor hun inkomen. Ze kregen in 1995 75 cent per liter melk, maar daar zat flink wat subsidie bij. In Amerika was de kostprijs 50 cent, in Australië 40 cent, in Nieuw-Zeeland 25 cent: daar konden ze dus nooit tegen opboksen. Ook de grond was in Nederland heel duur: gemiddeld 46.000 gulden per hectare, tegenover Duitsland 35.000 en Engeland 11.000! Het melkquotum was in Nederland 3,50 gulden per liter; in België was dit maar 2 gulden, in Duitsland 90 cent!

Veranderde relatie tussen boer en koe
Het bleek bij een onderzoek in 1994 dat het overgrote deel van de boeren het einde van de eeuw ervoer als een diepe crisis, zij het een crisis in luxe, want meer dan de helft had over het inkomen niets te klagen. Tekenend voor de nieuwe geest van onnatuur was de veranderde relatie tussen boer en koe. Vroeger had een koe altijd gelijk. Nu is er sprake van de rebellerende koe. De koe is in de eerste plaats productiefactor geworden. Vroeger kende de boer al zijn koeien goed, nu zijn de koeien een nummer en kent hij geen beest meer. Vroeger was het zo dat als een koe een zucht of geloei liet horen, de boer direct kon horen of er iets mis was, of een koe ‘riep’.

Boer en natuur
Er is tegenwoordig ook sprake van ‘land teruggeven aan de natuur’. Dit kan nu ook, omdat de boeren veel minder afhankelijk zijn geworden van de nabije omgeving: veevoer, mest, kapitaal en techniek wordt allemaal vanuit de hele wereld aangevoerd. Bepaalde boeren begonnen zich te richten op zogenaamde ‘duurzame landbouw’. Zij streefden ernaar om op natuurvriendelijke wijze aardappels, peen, witlof en appels te produceren, en ook melk, vlees en eieren. Ze zwoeren kunstmest en bestrijdingsmiddelen af, en begonnen biologisch te boeren. Ze lieten hun varkens weer scharrelen en propageerden ouderwetse omgangsvormen met hun koeien.

Landschap
Regelend, ordenend, altijd waren de Nederlanders meesters in het scheppen van hun eigen natuur. Het was het Nederlandse woord ‘landschap’ dat de Engelse taal binnenkwam als ‘landscape’! En dat al aan het einde van de 16e eeuw. Zelfs in het aangeharkte Nederland werd zo’n honderd jaar geleden het natuurlijke landschap nog algemeen beschouwd als lelijk, woest en leeg, wachtend op de ordenende hand van God en Zijn rentmeester, de mens. In Nederland strooiden de meest vooruitstrevende boeren de eerste kunstmest uit bij nacht, uit angst voor de roddel van de rest.

De milieubeweging
De milieubeweging zou een natuurlijke bondgenoot van de boeren hebben moeten zijn, maar het tegendeel was meestal het geval. Veel boeren hadden er geen goed woord voor over. ‘Wie leeft nu eigenlijk dicht bij de natuur? Wie is er altijd mee bezig geweest?’ Ze vonden dat milieumensen de boel verpestten. In de Achterhoek woonde zelfs een milieuactivist die namens Milieudefensie bezwaar indiende tegen alle hinderwetvergunningen die de boeren aanvroegen. De boeren konden zijn bloed wel drinken.

Kinderen
Bij een boerderij hoorden kinderen, ze waren broodnodig als arbeidskracht, ze fungeerden als een verzekering voor de oude dag en vormden de zekerheid dat de wereld zou doordraaien zoals die was. Kinderloosheid was voor overlevers een regelrechte ramp. Seksuele omgang voor het huwelijk gold op het platteland dikwijls als een omgekeerde zwangerschapstest. Terwijl de steden in de 19e eeuw steeds preutser werden, werden op de Friese boerderijen verliefde paartjes nog altijd met opzet alleen gelaten als de ouders naar bed gingen. Eventuele gevolgen werden manmoedig gedragen, vaak wenste men die gevolgen zelfs, want het was de enige zekerheid dat er nooit een stilte zou vallen op het erf.

Geen bedrijfsopvolging
In het midden van de jaren 90 sloten in Nederland gemiddeld zes veehouders per dag hun bedrijf! Alleen al tussen 1990 en 1995 hield twintig procent van de kleinere boeren het voor gezien. Voor jongere boeren werd het vrijwel onmogelijk om nog een melkveebedrijf te beginnen. Bedrijfsopvolging was er vaak niet; de continuïteit van generatie op generatie verdween zo, wat grote emoties opriep. In het zuiden van het land bracht de neergang van de boerenstand dramatische taferelen met zich mee: men sloot de stallen achter zich en hun honderden varkens rotten weg, voor zover ze elkaar niet opvraten. In Friesland ging het allemaal er wat rustiger aan toe.

Daling aantal boerenarbeiders
Per jaar verloren 12 tot 15 duizend werknemers in de landbouw hun baan, en dan spreken we nog niet eens over de duizenden ontslagen in de toeleverende bedrijven. In het midden van de jaren 90 had de helft van de Nederlandse boerenbedrijven een tweede inkomen uit een of ander nevenactiviteit, variërend van part-time leraarschap tot een vissenkwekerij of een windturbine voor elektriciteit. Of een camping. Het totale aantal boerenarbeiders in Nederland daalde tussen 1947 en 1960 met ruim een derde, van ruim 200.000 tot 124.000. Melkmeisjes waren al helemaal niet meer nodig. Ook meewerkende kinderen was bijna verleden tijd.

Europese subsidies
Na honderden jaren veeteelt en akkerbouw lieten de vertrekkende boeren een leemte achter waar niemand goed raad mee wist. De landbouw stierf af in rijkdom. Het verschil tussen kostprijs en melkprijs was dankzij alle Europese subsidies zo groot dat de grotere veehouders fortuinen verdienden. Één liter melkquotum kostte in 1995 rond de vier gelden. Voor een gemiddelde koe kwam dat neer op 20.000 gulden. Voor een doorsnee boerderij op één miljoen!

Uitspraak: ‘Boer zijn is geen beroep, het is een leven’.

De kerk
Het gemeenschapsgeld zat vanouds bij de kerk. Bij de Reformatie had de gereformeerde kerk de kloostergoederen overgenomen. Land, wegen, straten, alles was van de kerk. Als er wat gebeurde in het dorp, als er lantarenpalen moesten komen of een brug moest worden gebouwd, dan was het de kerkvoogdij die dat betaalde. Iemand heeft eens beschreven hoe de westerse religies langzamerhand hun duivels en kwade goden verloren. God werd tot ‘goed’ verklaard, en het kwade werd bij de mens gelegd. Slechte goden, zoals die bijvoorbeeld in het hindoeïsme nog veelvuldig voorkomen, kende het Westen niet meer.

De televisie
Een belangrijke factor in de ontbinding van de dorpssolidariteit was de rol van de televisie: in de 19e eeuw had de Franse overheid een manhaftige poging gedaan om vanuit Parijs het platteland te civiliseren. Om dit doel te bereiken werd in ieder dorp een gendarmerie gebouwd, plus een jongens- en een meisjesschool, waar volgens straffe regels taal, rekenen en geschiedenis werden gedoceerd. De invloed van deze poging om van de boeren brave burgers te maken is gigantisch geweest. Eind 20e eeuw gebeurde iets soortgelijks, maar dan door middel van de televisie. Het tempo van verspreiding van televisies was verbijsterend: in de meest afgelegen Afrikaanse dorpen was in het begin van de jaren 90 bijna niemand te vinden die niet wel eens een voetbalwedstrijd op de televisie had gezien. ‘Er was een tijd dat, als een jongen een meisje zwanger maakte, hij met haar moest trouwen. Dat was de manier waarop we zijn opgegroeid. Maar je ziet op de televisie hoe het anders gaat, en je denkt: hé, zo kan het dus ook, dat is ook oké. En je merkt dat je verandert.’

Ruzie ouders en kinderen
‘De grote macht van de televisie is de manier waarop dit medium woorden door beelden weet te vervangen; zien is geloven, en dat heeft geen enkele vertaling nodig.’ Het staat als een paal boven water dat het bombardement aan nieuwe spelletjes en soapseries diepe sporen naliet. Ook wat betreft de tradities, de starheid en de dorpsbeklemming. Niet alleen de televisie, maar ook omdat ze gedwongen werden meer te doen naast hun bedrijf, zodat ze met nieuwe mensen en met nieuwe werelden in aanraking kwamen verbreedde de blik. Als een samenleving snel verandert, krijgen ouders en kinderen ruzie.

Kerk vroeger vol, nu leeg
Tot na de oorlog had de kerk elke zondag vol gezeten; tot in de jaren 50 van de 20e eeuw zat de kerk van Jorwerd iedere zondagochtend vol blinkende achttiende-eeuwse oorijzers. Daarna verdween God geleidelijk uit het dorpsleven. De oudere kerkgangers waren overleden, anderen verhuisden naar elders en de meeste nieuwkomers hadden geen enkele affiniteit meer met het godshuis. In de jaren 90 luisterden er op een doorsnee zondag in Jorwerd nog hooguit veertig mensen naar de preek. De predikantsplaats omvatten nu maar liefst vier vroegere zelfstandige kerken. Met andere kerkverbanden werd steeds meer samengewerkt, want wat moest men anders?

Alles maakbaar, herstelbaar en compenseerbaar
Die neergang had al eerder in de steden plaatsgevonden. In de moderne verzorgingsstaat leek geen onontkoombaar noodlot meer te bestaan. Dankzij medische techniek en sociale zekerheid hadden de mensen kans gezien om dood, rampspoed en ellende uit te bannen, te beheersen of althans naar de marges van het bestaan weg te drukken. Dat leidde op den duur tot een andere houding jegens onzekerheid in het algemeen en jegens de lotsbestemming van ieder mens in het bijzonder. Het besef van tragiek, de erkenning dat er in een leven onontkoombare gebeurtenissen konden plaatsvinden, het leek vervangen door het idee dat alles maakbaar was, of herstelbaar, of op zijn minst in geld compenseerbaar.

Techniek verminderde ontzag voor God
Daarmee veranderde er ook iets in de houding van mensen ten opzichte van de natuur, al was dat een veel subtieler proces. In Jorwerd was dat eigenlijk alleen maar meetbaar in het almaar dalende aantal bezoekers van de bid- en dankdiensten voor het gewas. Dankzij de techniek kregen de boeren de indruk dat ze de natuur steeds beter in de hand hadden. Dat deed hun angsten wegnemen, maar het verminderde ook hun ontzag voor het Hogere.

Godsdienst toch nog een grote rol
Als een stadsbewoner op het platteland verzeild raakt kan het bijna niet anders, of hij wordt getroffen door de rol van de godsdienst. In de grote stad speelde religie aan het einde van de eeuw nauwelijks meer een rol, in Jorwerd was het percentage van de bevolking dat ieder zondag naar de kerk ging, ondanks de enorme terugloop, nog altijd niet te verwaarlozen. En zo was het in de meeste dorpen. Verval is zelden het gevolg van een openlijke confrontatie; het is bijna altijd een complexe en verraderlijke gang, een proces dat van onderaf plaatsvindt, terwijl aan de oppervlakte nog niets te merken is.

Ook atheïsten
De echte felle atheïsten werden echter vooral op het platteland gevonden. En dat had alles te maken met de verpletterende invloed van de natuur. Wie dagelijks werkt met weer en wind en leven en dood kent zijn eigen betrekkelijkheid. Maar ook dat veranderde in de loop der jaren. Toen het weer en de dood steeds meer op eigen kracht konden worden weerstaan, verdween ook God langzaam uit het zicht van Jorwerd.

Hervormden, gereformeerden en katholieken
Soms splitste een dorp zich weer in kleinere ‘geestelijke’ dorpen. Heel Nederland werd bijvoorbeeld decennia lang beheerst door de indeling van katholieken en protestanten. Omdat er rondom Jorwerd maar weinig katholieken wonden, ging het in deze streken vooral om ‘de gereformeerden’ tegenover ‘de openbaren’, ofwel ‘de fijnen’ tegenover ‘de staatsen’.

Christelijke grafstenen
Iedere gemeenschap heeft behoefte aan een collectief geheugen. Wat Jorwerd betreft lag het collectieve geheugen in de eerste en laatste plaats bij de kerk. Eigenlijk was het verleden van het dorp alleen op het kerkhof te vinden, de plek waar de inwoners van Jorwerd al zeker duizend jaar hun doden begroeven. Zo zijn er drie grafstenen met een mooie tekst:

‘Rust zacht gij lieve doode / Te vroeg hierheen gebracht / In ‘t korte leven hebt hij / Uw plichten steeds betracht’ (een jonge vrouw die 24 werd).
‘Bezie o wandelaar dit graf / In stille eenzaamheid / De vrouw die God mij eens gaf / Is hier terneer geleid / Zij stierf gelaten in haar lot / Met biddend opzien tot haar God’ (zij werd 25).
‘Haar leven was op aard tot steun / Voor echtgenoot en kinderen / Maar God riep haar van hier / Dat kan geen mens verhinderen’ (zij was 28 geworden).

Omgang met geld
Een belangrijke omwenteling was ook de omgang met geld. Eerst contant in het handje, later op de bank. Eerst bij het innen van een rekening een gezellig praatje maken, dat was er niet meer bij. Met betrekking tot de middenstand bestond er het zogenaamde ‘krediet’, ofwel ‘het boek’. De meeste klanten in een dorpswinkel betaalden eens per week. Dat was een heilige traditie, maar het was wel een vorm van klantenbinding die de kleine winkeliers regelmatig slapeloze nachten bezorgde.

Steenrijke boeren
Er bleef een zekere schroom om geld uit te geven. Veel oudere boeren die met hun bedrijf ophielden hadden dan ook grote moeite met het feit dat ze opeens steenrijk waren. De nieuwe omgang met geld bracht ongekende problemen mee. Zo was er een oude boer waarvan men wist dat hij meervoudig miljonair was geworden, maar men merkte geen verandering in zijn leven. Geen nieuw huis, geen auto. Kennissen overtuigden hem dat hij maar eens op vakantie moest gaan. Het werd een weekje Appelscha, en hij was er helemaal opgewonden van. Een etentje in de stad met de kinderen was ook een sensatie waar ze dagen over praatten.

Gepubliceerd in februari 2006