Johannes de Heer

n.a.v. Domus Elsman, Johannes de Heer. Evangelist in het licht van de wederkomst, Zoetermeer 1995

Inleiding en tijdsbepaling
We kennen Joh. de Heer vooral van zijn zangbundel. Hiervan verscheen de eerste editie in 1905. Inmiddels is de 28e editie verschenen en zijn er meer dan 1.350.000 van verkocht. Veel minder bekend is dat Joh. de Heer achter de Nederlandse Maranatha-beweging en de vereniging Het Zoeklicht zat. Zijn levensleus was: ‘Beter versleten dan verroest’. De tijd waarin hij leefde (1866-1961) was een heel onrustige tijd met veel gebeurtenissen. Denk alleen al aan de beide wereldoorlogen, de crisisjaren, de opkomst van het nationalisme, communisme en nationaal-socialisme en zionisme en de toenemende ontkerkelijking. Van belang voor zijn eigen leven was ook dat er veel Amerikaanse stromingen kwamen overwaaien naar Nederland; één daarvan, het Zevende-dags Adventisme, zou in De Heer’s leven een rol spelen.

Jeugdjaren
Zijn moeder sterft een jaar na zijn geboorte. Ze stierf in volle vrede onder het zingen van Psalm 103:3 berijmd (‘Looft Hem Die u vergunt uw zielsverlangen…’). Op zijn dertiende treedt hij in dienst bij een muziekhandelaar (1879). Hier ontwikkelt hij enerzijds zijn handelsgeest en anderzijds zijn belangstelling voor muziek. Maar zijn muzikale aanleg is matig: hij kan onvoldoende vlug van het blad lezen en ook zijn vingertechniek is slechts matig. Het gevolg is dat hij meestal uit het hoofd speelt en geïmproviseerd harmoniseert.

Godsdienstig milieu
Hij vertelt over het godsdienstige milieu (Ned.Herv.Kerk Rotterdam) waarin hij opgroeide: ‘In de godsdienstige kringen waar ik als kind verkeerd had, werd de vraag van het kindschap Gods altijd verbonden met de vraag of men wel uitverkoren was. Dat was één van de redenen geweest die mij voor de godsdienst onverschillig hadden gemaakt. Overal om mij heen vond ik zuchtende mensen die hun leven lang tobden over de vraag of zij wel uitverkoren waren. En daar ik tot blijdschap was aangelegd, kon ik het in die kringen niet vinden. En mijn conclusie was: als ik toch moet uitverkoren zijn, ga ik nog wat van de wereld genieten.’

Bekering
In 1896 sterft zijn dochter Dina op 4-jarige leeftijd. Dit veranderde zijn leven totaal. De kaarten maakten plaats voor de Bijbel en de wereldse vermaken voor de kerk. De halve nachten vroeger in schaakspel doorgebracht, vonden hem nu gebogen over de Bijbel. Korte tijd hierna kwam hij in aanraking met de Zevende-dags Adventisten. Deze groep legde de nadruk op de eschatologie (leer van de laatste dingen, bijvoorbeeld de wederkomst). Hij bezoekt hun samenkomsten, maar behoudt een gevoel van onvrede: ‘Een onvrede in mijn ziel, omdat ik de zekerheid miste een kind van God te zijn.’ Zelfs zingt hij bepaalde liederen niet mee: ‘Wat ik niet kan zingen, zing ik ook niet’. Er was genoeg van zijn roegere godsdienstige opvoeding overgebleven, dat hij meende te moeten beweren: dat gaat zomaar niet! Maar in de lente van 1896 werd alles voor zijn bewustzijn anders, zelfs de gewone dingen op straat. Hij had namelijk in het gebed beleden dat ‘Jezus Christus ook mijn Verlosser en Zaligmaker is’.

Sabbatsvraag
Nu kwam ook de worsteling rondom de ‘sabbatsvraag’ om de hoek kijken. Daardoor maakt hij weer een periode van onzekerheid door. Maar hij besluit uiteindelijk ‘hoewel alleen uit gehoorzaamheid en zonder enige vreugde’ de sabbat te vieren (op zaterdag dus) en op zondag te gaan werken. Ook laten hij en zijn vrouw zich dopen (onderdompeling). Spoedig krijgt hij een leidinggevende plaats binnen de Zevende-dags Adventisten.

Muziekuitgever en orgelhandelaar
Hoe langer hoe meer krijgt Joh. de Heer een gewetensconflict ten aanzien van zijn werk bij de muziekhandelaar. De opera’s en concerten konden hem niet meer bekoren, en het mondaine in het muziekbedrijf stuitte hem steeds meer tegen de borst. Nu begint een nieuwe periode in zijn leven: hij gaat zich toeleggen op drie zaken: het geven van orgellessen, de uitgave van christelijke muziek en de verkoop van orgels. Daarnaast begint hij zich te richten op het uitgeven van eigen composities en arrangementen voor harmonium (liederen voor cijferakkoorden). Omdat hij nooit harmonieleer heeft bestudeerd, schrijft hij deze voornamelijk op het gehoor. Tijd voor studie heeft hij niet. Hij probeert zich in elk opzicht te houden aan het sabbatsgebod, zelfs met ‘bijna fanatieke ijver’: ‘Ik had mij onder meer stellig voorgenomen slechts zodanige muziek uit te geven, die geheel vrij van ‘sabbatssmetten’ zou zijn.’ Al spoedig blijkt uitbreiding van de zaak noodzakelijk. Steeds meer panden achter het winkelhuis worden gekocht om zo de zaak uit te breiden.

Einde sabbatsviering
Op de sabbat werd steeds driemaal vergadert: op vrijdagavond, zaterdagmorgen en zaterdagmiddag. Maar na 6 jaar komen er bezwaren. De Heer komt er na lange studie achter dat ‘de viering van de zevende dag voor de nieuwtestamentische gemeente niet door God gevraagd wordt. (…) Ik besloot de sabbatsviering prijs te geven.’ Vanaf eind 1902 is zijn winkel op zaterdag open en op zondag gesloten. Voor hem en zijn vrouw breekt nu een periode van bezinnig aan waarbij ze zich voor enige tijd terugtrekken uit het godsdienstige leven. Het vertrek van De Heer bij de Zevende-dags Adventisten betekende een grote aderlating voor de Nederlandse Adventkerk. Van de ongeveer 230 leden vertrokken er 200.

Stadsevangelisatie Jeruël
Na een periode van bezinning komt De Heer in aanraking met de stadsevangelisatie Jeruël (in Rotterdam). Deze was in 1894 gesticht en bedoeld om evangelisatie en sociaal hulpbetoon samen te laten vallen. De bijbelkennis was hier niet zo groot. De nadruk werd gelegd op het ‘gered om te redden’. Jeruël maakte een bloeiperiode door. De Heer gaat bij de samenkomsten de zang begeleiden met orgel of piano. Hier ervaart hij de vruchten van het aangeleerde uit het hoofd spelen met eigen harmonisatie. Naast het houden van samenkomsten trekt men er vaak op uit. Prostituees worden geholpen, aan behoeftigen wordt soep uitgedeeld, in kroegen en danslokalen wordt het Evangelie verkondigd: ‘Wat een open gewetens ontmoet men daar!’

De Rotterdamse kermisweek als feestweek
Evangelisatiesamenkomsten worden gehouden waar de bekeerden de gelegenheid krijgen om van hun bekering te getuigen. Ook zijn er kamersamenkomsten (bij iemand aan huis), besloten bidstonden, zondagsscholen en jeugdverenigingen. De Rotterdamse kermisweek was tegelijk een feestweek voor Jeruël: men zette een evangelisatietent op. Gedurende de zomer werden er evangelisatiesamenkomsten in omliggende steden en dorpen gehouden. Ook had men de beschikking over een evangelisatieschip. Tenslotte had men nog de Jeruël-conferenties.

Aanraking me het Leger des Heils
Hoewel De Heer tegenover sommige gewoonten van Jeruël wat gereserveerd blijft, leert hij vooral ‘om op populaire wijze het volk met het evangelie te bereiken’. De Heer kwam ook in contact met het Leger des Heils met vrouwen die ‘halleluja’-hoeden ophadden, mannen met rode truien waari ‘Bloed en Vuur’ stond geborduurd en samenkomsten waarin met de grote trom werd geroerd en men in de handen klapte. In 1903 komt William Booth (de oprichter) naar De Doelen. De Heer gaat daarheen en raakt onder de indruk: ‘Tijdens zijn toespraak nodigde hij de onbekeerden uit naar de zondaarsbank te komen en velen kwamen’.

De zangbundel
In 1904 begint De Heer met zijn zangbundel. Bij zijn intrede in vrije kringen constateert hij een gebrek aan eenheid op het gebied van de zang: er is een grote verscheidenheid aan zangbundels. Met name tijdens conferenties is dit lastig. Juist op het moment dat er in Nederland een opwekking vorm begint te krijgen, zijn de bundels gereed om gebruikt te worden. De eerste druk bevat 675 liederen. De editie van 1991 bevat een geheel nieuwe en uniforme typografie. Ook zijn er nummers weggelaten en 300 nieuwe liederen toegevoegd. Vanaf het begin van verschijnen heeft de zangbundel voortdurend onder kritiek gestaan, een kritiek die voornamelijk gericht is op de methodistische en piëtistische kleuring van de liederen. De Heer: ‘Noch de woorden, noch de muziek verwierven de goedkeuring der ‘geleerden’. Maar de bundel heeft desondanks in huisgezinnen en samenkomsten veel zegen gebracht.’

Naar Wales
De Heer onderneemt een reis naar Wales, waar ook een opwekking aan de gang is. Er wordt een tafelorgeltje meegenomen, zodat ze overal (in de trein en op de boot) hun liederen ten gehore kunnen brengen. Alle kerken, behalve de Engelse staatskerk, staan open voor de opwekkingssamenkomsten. Deze reis naar Wales en de indrukken die hij daar kreeg, luidden een nieuwe periode in zijn leven in: hij gaat zich geheel wijden aan het evangelisatiewerk in woord en lied. Hij is dan 39 jaar oud. Een belangrijke bijbeltekst voor De Heer was 1 Kon. 5:9 ‘Ik zal hen op vlotten over de zee doen voeren (…) en gij zult het wegnemen; gij zult ook Mijn wil doen, dat gij Mijn huis spijs geeft’.

Zendingsreizen en conferenties
De Heer onderneemt ‘zendingsreizen’, in binnen- en buitenland. Ook vinden er conferenties plaats; naast toespraken nemen bidstonden en het lied een belangrijke plaats in bij de conferenties. Hij komt hier in aanraking met verschillende mensen: van J.H. Gunning JHzn. en J.J.P. Valeton tot eenvoudige landbouwers zoals de broeders Fikse uit Oldebroek. Hoe ging het er aan toe op zo’n conferentie?

Het gebed op de conferenties
– Over het algemeen zijn de uitgesproken gebeden kort, eenvoudig en praktisch. Komt het voor dat iemand ‘mooi’ wil bidden, dan wordt er eenvoudig een lied aangeheven en het gebed dat geen gebed is wordt afgebroken!
– ‘Allen stemmen met het gebed in en bidden nu en dan hardop mee, zodat men het gemeenschappelijke gebed hoort als een wondervolle, aangrijpende harmonie. O, welk een kracht is er in zulk samenbidden van broeders en zusters!’
– Sterk wordt de nadruk gelegd op de schuldbelijdenis.
– Over het algemeen bidt men staande.
– Het was niet zoals gewoonlijk wij, maar ik bid U, ik dank U. Het was een persoonlijk spreken tot God.

Overige
– In de toespraken werd sterke nadruk gelegd op ‘het appel op zondaren om zich te bekeren’. Er werd dikwijls een persoonlijke oproep gedaan te getuigen van het ontvangen heil in Christus.
– De avondsamenkomsten vormden vaak het hoogtepunt van de dag.
– Er werden trompetten gebruikt en koren traden op.
– Uitgangspunt was om interkerkelijk te zijn.
– Illustrerend is de overbekende vergelijking van een ongeredde ziel met een drenkeling. ‘Als wij straks in de hemel komen, zullen wij misschien nog wel eens spreken over de uitverkiezing of over een zuivere kerk, of over de gezangenkwestie, of over iets anders.’
– Er werd vaak een bepaald thema gebruikt. De toespraken werden gekoppeld aan en bepaalde bijbeltekst. Een belangrijk aspect was altijd de heiliging. Gelovigen moesten zich bij vernieuwing aan de Heere geven. Ook moesten bepaalde gewoonten steeds weer worden opgegeven.
– Er werd ook gegeten en gedronken; dat had een informeel karakter en werd gezien als een liefdemaaltijd.
– Ook werden er ‘straatmeetings’ gehouden: in het openbaar preken en zingen (‘wat een heerlijk lokaal toch, de natuur’).
– Na de samenkomsten tijdens de conferenties was er de zogenaamde ‘nasamenkomst’, een soort nazorg. Hier werd grote waarde aan gehecht: mensen moesten verder worden geholpen als ze geraakt waren door de boodschap.
– De Heer was geen gemakkelijk mens. Zo kan hij in samenkomsten moeilijk verdragen dat er hardop gehoest werd, of dat bij het binnenkomen van een bezoeker de hoofden in diens richting gingen. Hij was streng voor anderen omdat hij streng was voor zichzelf.

Kritiek, talen, uitgeput
Er kwam ook kritiek op de conferenties: de meeste bezwaren troffen de vorm van de samenkomsten, zoals het bidden van vrouwen in een vergadering, het plaatsen van een platform in de kerk, het zingen van ‘vlugge liedjes’, het opstaan in de samenkomsten en de speciale uitnodiging daartoe. De beheersing van de Nederlandse taal was bij De Heer matig: zo zei hij ‘leggen’ in plaats van ‘liggen’ en ‘kommen’ in plaats van ‘komen’ en stopwoorden als ‘niet waar?’ Hij besloot daarom op 40-jarige leeftijd z’n Nederlands alsnog bij te schaven! Later zou De Heer zich nog bekwamen in het Duits en Engels en ook de grondbeginselen van het Grieks en Hebreeuws zich eigen maken. In 1909 verhuist De Heer naar Den Haag om zich in die stad op de evangelisatie te richten. In 1910 raakt De Heer zwaar overspannen. Daarom verhuist hij in 1911 naar het rustige Rijswijk. In 1915 verhuist hij na een behandeling aan gewrichtsreumatiek naar Zeist.

Maranatha
Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog begint Joh. de Heer zich steeds meer te verdiepen in de samenhang tussen wereldgebeuren en de profetieën in de Bijbel. Hij bemerkt dat als gevolg van de spanningen van de oorlog de mensen om hem heen toegankelijker zijn geworden voor het Evangelie. Dit zal een nieuwe impuls geven aan zijn evangelisatiewerk. De Heer schrijft vele artikelen in het blad ‘Maran-Atha’, maar als blijkt dat er geen eenheid in denken is, wil De Heer een geheel nieuw blad dat volledig gewijd is aal het profetische woord. In 1919 verschijnt voor het eerst ‘Het Zoeklicht’.

Het Zoeklicht
Met name in de jaren 30 maakt dit blad een bloeitijd door. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verscheen het blad niet; De Heer had anti-nazi-artikelen geschreven. Tot de dag van vandaag is het een populair blad. Als vier belangrijkste kenmerken kunnen worden genoemd:
(1) Nadruk op de schriftuurlijke verwachting van de toekomst des Heeren.
(2) Het wijzen op de ernst der tijden om daardoor mensen te bewegen zich te bekeren en zich aan Christus over te geven.
(3) Het bevorderen van de eenheid der gelovigen. De beweging probeert hiertoe zo veel mogelijk onafhankelijk te blijven van enige kerk of gemeenschap.
(4) De erkenning van de absolute inspiratie en autoriteit van de Bijbel.

Radiowerk
In 1924 houdt De Heer voor het eerst een radiotoespraak. Hij krijgt 20 minuten de tijd. Naast de toespraak wordt er afwisselend gezongen door hemzelf en zijn vrouw en door Hilversumse diakonessen. In datzelfde jaar wordt de ‘Nederlandse Christelijke Radio Vereniging’ (NCRV) opgericht. Wat vond De Heer van de radio als middel tot evangelisatie?

Van aangezicht tot aangezicht als de normale weg
‘De gewone wijze van evangelieverkondiging, waarbij men elkaar van aangezicht tot aangezicht kan zien, blijf ik de meest normale weg achten. Het geschreven woord komt dan in de tweede plaats in aanmerking en pas in de derde plaats het woord door de radio.’ ‘Er zijn schaduwzijden voor de sprekers, maar ook voor de hoorders. Er kan plotseling een storing komen, waardoor men juist het voornaamste mist. Er ontbreekt de gemeenschap der heiligen, waardoor een sfeer wordt gevormd die het soms zo gemakkelijk maakt om besluiten voor God te nemen. Men kan ook al te gemakkelijk zonder iemand te storen wat later komen, of als het wat te warm wordt voor het geweten, vroeger heengaan door een ander radiostation in te schakelen.’

Positieve kanten radio
‘Er zijn ook tal van lichtzijden. Ten eerste dat men met de radio steeds een veel grotere schare bereikt dan in een kerk of zaal. Ten tweede dat men zeker is die mensen onder zijn gehoor te hebben die door afstand, ziekte, huiselijke omstandigheden of weersgesteldheid niet kunnen komen. Een voorname lichtzijde is tevens dat ook mensen die anders tot geen prijs een geestelijke toespraak zouden beluisteren, maar het nu zo gemakkelijk en ongezien kunnen doen, toegesproken kunnen worden.’

Radio voor God en de duivel
‘Diep ontroerende brieven heb ik gekregen, waarin men schreef als door een boodschap uit de hemel getroffen te zijn God heeft Zijn zegen op dit werk gegeven en zal dit ook zeker blijven doen. Daarom: ‘Grijpt toch de kansen door God u gegeven’. Wij hebben niet te beslissen of de radio er komen zal of niet. Ze is er en daarmee hebben we rekening te houden. Als ik te kiezen had of ze komen zou of niet, stemde ik zeker tegen, omdat ik de schade groter acht dan het nut. Ik acht de radio een van de uitvindingen, welke een anticipatie zijn op het komende Vrederijk, waarin de mensheid voor die dingen rijp zal zijn. Maar hetzelfde zouden we ook van vele andere uitvindingen kunnen zeggen, die we nu met genot gebruiken, voor maatschappelijke zowel als voor geestelijke doeleinden.’ ‘Juist omdat de radio zoveel winst aan de Overste dezer wereld brengt, mogen wij als christenen dat middel zomaar niet uit handen geven. We moeten trachten er voor de zaak van Christus uit te halen wat erin zit.’

Onvergetelijke liederenuurtjes
Tot 1940 treed De Heer 155 maal voor de radio op (in 16 jaar tijd dus): 57 maal voor morgenwijdingen, evangelisatieuurtjes en Maranatha-conferentietoespraken en 98 maal voor de zogenaamde liederenuurtjes. Na de Tweede Wereldoorlog gaat het verder. Nog op hoge leeftijd zingt De Heer solo met orgelbegeleiding zijn liederen, die in directe uitzendingen door de NCRV worden uitgezonden.

Sterven
Op 16 maart 1961 sterft De Heer op de leeftijd van 94 jaar. De hervormde predikant van zijn woonplaats Driebergen, W. Glashouwer, leidt de begrafenis. Zijn geest was helder gebleven tot het einde toe. Een karakteristiek gebed van hem was: ‘Heere, neem mij, breek mij, vul mij, zend mij!’ De Heer heeft nooit een theologische opleiding gevolgd, maar deed zijn kennis op door middel van zelfstudie. Hij was autodidact. Drie kernwoorden voor zijn boodschap: verzoening, vervulling en verwachting.

Gepubliceerd in maart 2006