Johannes Hendrikus Zelle (1907-1983)

n.a.v. W. van der Veen, Johannes Hendrikus Zelle (1907-1983). Volksverhalen over een legendarische predikant, Arum 2000

Kort gemeentepredikant
Johannes Hendrikus Zelle werd geboren op 8 april 1907 in Leeuwarden. Hij studeerde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In 1944 rondde hij zijn studie af. In 1949 pas wordt kandidaat Zelle (op 42-jarige leeftijd) beroepen als gereformeerd predikant te Rockanje. Zijn predikantschap aldaar verloopt echter niet zonder problemen. In 1956 krijgt Zelle vervroeg emeritaat en gaat hij terug naar zijn ouderlijke woning aan de Gysbert Japicxstraat 82 in Leeuwarden waar zijn moeder nog woont. Hij stopt niet met preken. Onvermoeibaar leidt hij soms vijf diensten per zondag. Omdat hij geen gemeente meer heeft, en dus minder inkomsten, probeert hij hier en daar nog wat bij te verdienen, bijvoorbeeld bij de spoorwegen of een meelfabriek.

Hardlopen in de nacht
Zelle was een markante verschijning. Zijn prediking was vaak gericht tegen de emancipatoire geest van de zestiger en zeventiger jaren van de 20e eeuw. Zijn felle oproepen tot bekering en zijn sterk antithetische denken staan velen nog helder voor ogen. Hij was een vreemde vogel. Zelle hoeft haast nooit zijn afspraken af te zeggen; hij heeft een goede gezondheid. Ook heeft hij een zeer goede conditie. Hij doet er veel voor: elke dag doet hij aan sport. Vele verhalen over zijn consequente wijze van lichamelijke trainingen deden de ronde. Zwemmen in de vroege morgen bijvoorbeeld; hij kapte ’s winters soms een groot wak in het ijs om toch te kunnen zwemmen. Hardlopen doet hij vaak op momenten dat heel Nederland slaapt. Iedereen die ook maar iets van ds. Zelle weet, spreekt over ‘de dominee op de racefiets in de korte broek’. Nooit gaat hij naar de dokter. Een ziektekostenverzekering heeft hij niet. Hoewel hij aan geld geen gebrek heeft, leeft hij zeer sober en zuinig.

Aansprekende thema’s
Zelle’s preken hadden duidelijke thema’s. Thema’s die op het eerste gezicht wat los aandoen. Maar uiteindelijk waren het allemaal thema’s met een hele serieuze inhoud.
– Slappe Tinus in de patatkraam
– Op de rand van het ledikant
– Piet Pelle op z’n gazelle
– Hou ze in de gaten!
– Het bed is te smal en het laken te kort
– Waarom, waarom zijn de bananen krom
– Simson de man des wonders, Simson de man des donders
– Doorbraak, uitbraak, inbraak
– Zacheüs in de boom…, Zacheüs uit de boom…, ‘Jan publiek’ heeft altijd gelijk
– Zwarte Tinus, de verliezer

Drie punten
Als iedereen de preek in drie punten en de tussenzang al heeft afgeschaft, gaat Zelle gewoon door op de oude voet. Een preek met als thema ‘De negentiende zet op ’s levens schaakbord’ heeft bijvoorbeeld de volgende onderverdeling:
1. De 19e zet op ’s levens schaakbord is de beslissende
2. Er is geen remise mogelijk
3. Wie verliest is voor eeuwig verloren
Het gaat hier om het 19e levensjaar, wanneer ongeveer een jongere belijdenis des geloofs moet doen. John Bunyan heeft een grote indruk op Zelle gemaakt. Vooral die duidelijkheid in het kiezen spreekt hem erg aan. Je kunt linksom of rechtsom. Een andere weg is er niet. Zijn preken zijn veelal donderpreken. Een preek, over de verloren zoon, met als titel ‘Het wonder van de wachtende vader’, heeft als indeling:
1. God geeft de mens het hoogste goed…, de vrijheid
2. Dat kostte God het liefste wat Hij had…, de Zoon
3. Wie de vrijheid misbruikt of niet gebruikt, gaat voor eeuwig verloren

Tegen de moderne mens
Zelle preekt tegen de ‘zedenverwildering’ en de vrije liefde. ‘Alles mag immers tegenwoordig. (…) De Nederlandse overheid doet wel een oogje dicht, is onze indruk. En van de kerken horen wij helaas geen protest. Maar dit is geen vrijheid meer, dit wordt de grootste losbandigheid. De moderne mens vandaag vraagt niet meer, hij eist! (…) Ga je gang, zeggen ze. (…) Totdat het spaak loopt in je leven. Uit het hart klinkt dan de benauwde bede omhoog: “O God, waarom geeft Gij mij zoveel vrijheid. Want ik kan het niet verdragen. Mijn leven wordt een bende”’.

Aan, uit, aan, uit, aan, uit
Zelle verzet zich dus tegen de geest van zijn tijd. Hij is een echte Kuyperiaan. Zijn denkkader is de antithese. In een preek zei hij eens: ‘Wij christenen zijn als lampen in de fitting. Zo onder elkaar zitten we goed vast en maken we heel goed contact. Dat zit wel goed! Dan branden we wel! Maar, in ons contact met buitenkerkelijken is dat heel anders. Dan zitten we los in onze fittingen. Dan branden we niet! Dan is de lamp uit! Wij laten ons licht niet schijnen voor de mensen. Wij zijn geen ijverige getuigen van de Heere. We laten onze lamp branden als wij dat willen. Goed beschouwd is het bij ons dus een kwestie van AAN!, UIT!, AAN!, UIT!, AAN!, UIT!’

Steen op de preekstoel
Om de aandacht van zijn gehoor vast te kunnen houden bedenkt hij allerlei blikvangers. Zo komt hij op meerdere plaatsen de consistorie binnen met een grote steen in zijn grote handen. De ouderlingen en diakenen proberen er dan achter te komen wat dominee eigenlijk met deze steen van plan is. ‘Dat ziet u straks wel’, is steevast het antwoord. In een genoeglijke spanning wachten de ambtsdragers dit af. Na de gebruikelijke handdruk positioneert hij voor iedereen duidelijk zichtbaar de steen op de preekstoel. Vlak voor de preek kijkt Zelle een tijdje roerloos naar de steen. ‘Deze steen gaat straks wonderen verrichten. Let dus goed op!’, zegt hij. De hele preek heeft hij er met geen woord over. Na het amen van de preek wordt het even heel stil. Zelle kijkt opnieuw strak naar de steen. Dan draait hij zijn hoofd naar de gemeente en zegt: ‘Is het wonder ook opgevallen, gemeente?’ Niemand zegt iets. ‘Nou, ik heb het wonder wel gezien. Tijdens mijn lange preek is er niemand van u in slaap gevallen. Is dat geen wonder?’

Ze wachten wel
Zelle moest op een vroege zondagmorgen worden opgehaald van de trein. Het is niet vroeg meer, dus spoedt de chauffeur, tevens ouderling van dienst, zich naar de kerk. Maar Zelle geeft aan dat hij nog wel even moet eten. ‘Ja maar, dominee, dat lukt nooit meer! Het is bijna half tien!’ ‘Geen probleem’, zegt Zelle. ‘Dan beginnen we gewoon wat later. Ze wachten wel. Ze beginnen echt niet zonder mij’. Een soortgelijk verhaal is bekend dat hij eerst bij de ouderling thuis koffie wilde drinken, waarbij Zelle rustig tijd nam voor een tweede bakje. ‘Maakt u zich maar geen zorgen, broeder. Mijn plaats op de preekstoel blijft wel open en voor u is er altijd nog wel een plaatje onder de preekstoel’.

Sprong van de preekstoel
Zelle zat een keer in de consistoriekamer vóór de ochtenddienst, waar een ouderling zich erover beklaagde dat de middagdienst niet meer zo vol zat. Dan antwoordt Zelle: ‘Dan zal ik daar vanmorgen eens wat aan doen. Let u maar eens op’. Tot na de zegen gebeurt er echter niets in de dienst. Maar dan komt het: Zelle slaat de trap van de preekstoel over. Met een grote sprong zweeft hij van de preekstoel en klapt met een harde dreun vlak voor de voeten van de ouderling van dienst op de grond. Zelle wankelt, maar houdt het nog net op de been. Grote hilariteit onder de gemeenteleden. Zo hebben ze nog nooit een dominee de preekstoel zien verlaten. De mensen besluiten massaal om die zondag voor de tweede keer naar Zelle te gaan. Die middag gebeurt er echter niets bijzonders.

De dominee schoonvegen
Op een keer loopt de spanning in de consistoriekamer op: de voorganger van deze morgen, ds. Zelle, is er nog niet. Preeklezen is de grote angst van elke ouderling van dienst. Maar dan komt Zelle binnen, met veel gestommel en gehijg. Zijn handen en voorhoofd vertonen grote veegsporen. ‘Broeders, gij moet mij bijstaan. Ik heb tot drie keer toe het ketting van mijn fiets gehad. Ik moet snel mijn handen wassen en dan zal ik de menigte toespreken’. Koortsachtig wordt er gewerkt om de dominee weer schoon te krijgen.

Preken in de kroeg
De Vrijmaking ging ook Friesland niet voorbij. Er waren plaatsen waar de meerderheid vrijgemaakt werd waardoor de Synodaal Gereformeerde Kerk haar kerkgebouw kwijtraakte. Men kwam bijvoorbeeld in Houwerzijl samen in de dorpskroeg. Ds. Zelle stond achter de tapkast. Op de plaats waar gewoonlijk de waard zijn klanten van de nodige, of onnodige, alcoholistische dranken voorzag, op diezelfde plaats probeerde Zelle zijn hoorders te voorzien van geestelijk voedsel. Zelle was goed in zijn doen: ‘Ja…, God is groot…, onze God is heel groot, gemeente!’ Hij spreidt zijn handen wijduit om de grootheid van God aan te geven. Maar dan wankelt hij, valt bijna achterover. Zijn grote lichaam dreigt achterover te vallen in de bierglazen. Het gaat net goed.

Simson-Zelle
In Haastrecht was een nieuw orgel in de kerk geplaatst, een zwaarder orgel, waardoor er twee extra pilaren moesten worden aangebracht. Maar dezen zaten nog niet helemaal goed vast. Ds. Zelle preekt daar in die tijd ‘toevallig’ over Simson. In het vuur van zijn preek stapt hij van de preekstoel. Hij loopt naar de nieuwe orgelpilaren. Zijn stem zwelt steeds meer aan. Zelle stapt langzaam als een blinde naar de orgelpilaren en leunt ertegenaan. Sommige gemeenteleden worden bang. Weet hij wel dat alles nog wat wankel is. De ouderling van dienst grijpt vreemd genoeg niet in. Zelle grijpt de pilaren. Als het tegenzit zal hij deze pilaren uiteendrukken en zal de orgelvloer krakend omlaag komen. Maar…, er gebeurt verder niets. Zelle weet van de wankele pilaren. Daarom heeft hij de preek over Simson uitgekozen. De ouderling van dienst speelde het spel mee.

Preken met open kerkdeuren
Zelle hield er van met open kerkdeuren te preken, zodat men hem in de wijde omgeving kon beluisteren. Een ouderling die Zelle ergens moest ophalen, maar niet precies wist waar het kerkje stond – en zich al zenuwachtig maakte of hij het wel op tijd kon vinden –, geloofde zijn oren niet toen hij opeens zijn stem hoorde. Hij hoorde van verre afstand het bekende stemgeluid van Zelle. De ‘Leeuw van Leeuwarden’ brulde over de hele omgeving heen. De ouderling vertelt hem in de auto het verhaal. Zelle is trots. Hij wil weten waar de ouderling precies was toen hij hem hoorde.

Sprong over de preekstoeldeur
Zelle’s reactie is altijd onvoorspelbaar en dat geeft een hoop sensatie. Zo gebeurt het eens dat een aantal catechisanten het plan opvat om de komende zondag de deur van de preekstoel in Rockanje onzichtbaar vast te binden. Wat doet Zelle? Hij rukt, nog een keer, een derde keer, dan geeft hij het op. Hij komt weer naar beneden de preekstoeltrap af. Hij zegt niets. Hij neemt een paar flinke passen afstand van de preekstoel en stormt dan met grote vaart terug naar de preekstoel. Hij neemt een grote sprong en zweeft, half steunend op de deur, als een echte atleet naar de plaats waar hij moet zijn.

Einzalgänger
In Rockanje ging Zelle elke morgen – ook ’s zondags – zwemmen in zee. Daarnaast ging hij ook iedere avond – of nacht – hardlopen. Dit doet hij om in goede conditie te blijven. Zelle doet ook aan fietsen. Naar de kerk heeft hij zijn zwarte preekpak (een toga heeft hij nooit gehad) in bruin pakpapier, aan het stuur hangen. Met een opvallend stuk touw wordt een en ander vastgehouden. Zelle is een ‘einzelgänger’. Steeds komt men voor nieuwe verrassingen te staan. Zijn gemeente leert hem kennen. Als hem in 1956 vervroegd emeritaat wordt verleend, is de reden: ‘Ernstige verstoring in de menselijke verhoudingen; er ontstonden twee groepen in de gemeente. Velen gingen niet meer ter kerke en er dreigde een scheuring’.

Schaap in de tuin
Zelle had in Rockanje een flinke tuin. Vooral het grasmaaien is iets waar hij vanaf wil. Hij krijgt een boer zover om één van zijn schapen gedurende de zomermaanden in de pastorietuin te laten grazen. Vele keren is Zelle te zien bij de bakker. Daar haalt hij dan onverkoopbaar brood. Zo krijgt het schaap tenminste ook wat variatie in zijn voeding. Boze tongen beweren echter dat de dominee zelf ook van het onverkoopbaar brood eet. Ds. Zelle kan makkelijk iemand zijn tuin laten doen, maar hij kiest zijn eigen lijn. Aan het einde van de herfst is het schaap plotseling verdwenen. De dominee heeft een slager opdracht gegeven om het dier te slachten.

Zuinigheid
Uit zuinigheid is zijn huis in de herfst en de winter nooit goed verwarmd. Dat geeft veel vochtigheid en is dus heel slecht voor de pastorie. Dit veroorzaakt heel wat ergernis bij veel gemeenteleden. Catechisanten – die hun ouders negatief over Zelle horen spreken – komen met een plan om de dominee eens flink te pakken te nemen. De dominee heeft de gewoonte om in het vuur van zijn preek zo nu en dan keihard op de preekstoel te slaan. Scherp wordt gelet op de plaats waar Zelle slaat. Niet altijd is het dezelfde plaats. Maar wel heel vaak.

Punaises
Het lukt allemaal. Op de plaats waar Zelle het vaakst zijn grote vuist laat vallen, worden twee punaises vastgezet. Dan komt de zondag. Zelle is behoorlijk op dreef. Hij slaat met volle kracht midden in de punaises. Hij voelt pijn, kijkt naar zijn hand en ziet bloed. De preek stagneert. Geschrokken kijkt hij rond. Een woeste blik in zijn ogen, maar hij zegt niets. De dominee is van slag. Dat hebben ze nooit meegemaakt. De koster grijpt in en plakt een pleister op de wond. Voor Zelle zijn de grenzen nu echt bereikt. In de consistorie blijkt zijn grote kwaadheid. Maar niemand meldt zich. Pas jaren later wel: de zoon van de koster. Helemaal in zijn eentje heeft hij het plan bedacht en uitgevoerd.

Uit eten
Zelle laat zich graag uitnodigen een hapje bij iemand te eten. Aanvankelijk vinden de gemeenteleden van Rockanje dat geen probleem. Thuis wacht er immers niemand op hem. Echter, het begint op te vallen dat de dominee eigenlijk maar heel weinig thuis eet. Steeds vaker komt hij op bepaalde adressen onverwacht binnen lopen en rekent dan gewoon op een plaats aan tafel. De rondtrekkende prediker is zijn loon immers waard. Niet meer welkom? Prima, er zijn adressen genoeg. De dominee is niet zo snel van zijn stuk te brengen.

Op vakantie
Zelle gaat elk jaar een maand op vakantie. Een gezin uit zijn gemeente wil graag – in verband met werkzaamheden in eigen huis – de lege pastorie voor een tijdje bewonen. Maar bij Zelle valt dit plan in zeer slechte aarde. ‘Ik wil niet dat er iemand in mijn papieren snuffelt’, is zijn verweer. Het gaat dus niet door. Maar dan blijkt dat Zelle de pastorie zelf gedurende zijn vakantie heeft verhuurd aan een bevriende vishandelaar. De verhoudingen tussen predikant en kerkenraad worden zo ernstig geschaad. Ze gaan scherper op hem letten.

Eigenzinnigheid
Zijn eigenzinnigheid verstoort steeds meer de relatie. In het bijzonder bij de mensen die direct met hem samenwerken. Er is ook een flinke groep die hem blijft steunen. Dat zijn veelal gemeenteleden die niet heel direct met hem optrekken. Het zijn de gemeenteleden die hem voornamelijk in de kerkdienst meemaken. Zij zien zijn optreden op de kansel. En zijn preken zijn rechtzinnig.

Enige troost
Op catechisatie gaat het een keer goed mis. Zelle vraagt aan Kees of hij zondag 1 kan opzeggen: ‘Kees, wat is je enige troost, beide in leven en sterven?’ Hij antwoordt: ‘Mijn enige troost dominee…, dat is op dit moment een kopje koffie’. Zelle is woest, hij komt naar voren en slaat Kees keihard op zijn hoofd. Zelle is gekwetst. Kees heeft gespot met het allerheiligste. De dominee kan zich niet voorstellen dat de jeugd zo ver durft te gaan.

De maat is vol
Zelle had in Rockanje de gewoonte om de pastorie niet via de voordeur te verlaten. Nee, hij stapt heel vaak via een schuifraam van zijn woonkamer naar buiten. Waarom eigenlijk? Wat beweegt hem? De mensen begrijpen het niet. Al deze voorvallen stapelen zich op. Tot de maat van de kerkenraad vol is. De kerkenraad treedt af, er komt een nieuwe, die hem nog een kans wil geven. Maar dit gaat ook niet lang goed. Zelle’s predikantschap in Rockanje komt na 6,5 jaar ten einde. Zelle gaat terug naar zijn ouderlijke huis in Leeuwarden, waar hij bij zijn moeder intrekt. Het respect dat hij als gemeentepredikant niet kon afdwingen, zou hij als rondtrekkend predikant wel krijgen.

Gezonde eter
Als Zelle gaat uit preken, eet hij als het even kan bij een gastadres. Die zijn dan erg zenuwachtig, want de dominee komt eten. En hoe gaat dat? ‘Dominee Zelle valt meteen aan. Hij schept zijn bord tot aan de rand toe vol. De kinderen kijken hun ogen uit. Als een uitgehongerde leeuw bestormt Zelle zijn prooi. Van etiquette schijnt hij niets begrepen te hebben’. Toen Zelle een keer ergens alle restjes opat die er overgebleven waren van de andere tafelgenoten, ging de hond hevig te keer. Er was dit keer niets overgebleven voor hem. Ergens stond er een stuk heerlijke pudding op tafel. ‘Deze is zeker voor mij?’, vroeg Zelle. Voordat de gastheer of –vrouw kon ingrijpen had hij de lekkere pudding – waar het hele gezin naar uit had gezien – op z’n bord. Onder verbaasde ogen verdwijnt de hele pudding in de maag van Zelle.

Eetadressen
Zelle gaat niet alleen op zijn racefiets naar de kerk, hij maakt ook vaak trainingsritten in de wijde omgeving. Op deze ritten heeft hij vaak vaste adressen waar hij eet. Bakkers, slagers en melkboeren behoren opvallend veel tot zijn kennissenkring. Hoe vaker Zelle ergens komt, hoe vrijer hij wordt. Er zijn zelfs plaatsen waar hij zich zelf redt door een ei te koken en een stuk brood te nemen. Hij haalt een en ander dan zelf uit de kast. Dit wordt niet door iedereen op prijs gesteld.

Jehova’s Getuigen
Eens kreeg Zelle Jehova’s Getuigen aan de deur in Leeuwarden. ‘Goed, ik zal hier met mijn moeder over spreken. Haar stem is voor mij heel belangrijk. Komt u over vier weken op dezelfde dag en dezelfde tijd maar terug’. Een maand later zijn ze er dus weer. ‘Ik heb breedvoerig met mijn moeder gesproken, maar…zij blijft liever bij ‘De Spar’ zegt ze. Nou dan houdt het op, nietwaar? Goedemorgen’.

Deurcollecte
Zelle hield eens een preek in de gemeente waar hij zelf lid van was, de Koepelkerk in Leeuwarden. Hij woont in de onmiddellijke omgeving van deze kerk. De preek gaat over het doen van barmhartigheid. De nadruk ligt op de daad. De dominee spreekt over de zogenaamde ‘christelijke doeleinden’. Met klem wijst hij de gemeente erop dat ze aan hun financiële plichten moeten voldoen. Als er de week daarop een collecte aan zijn deur is, vraagt hij eerst zijn huishoudster of ze een gulden ervoor heeft. ‘Nee, daar moet u zelf geld voor over hebben, dominee’, zegt ze. Zelle pakt z’n portemonnee. Er zit een briefje van vijf gulden in en daarnaast een kwartje en een dubbeltje. Zelle pakt de vijf gulden en vraagt: ‘Kunt u deze voor mij wisselen’. Maar dat kan niet. ‘O, dat lukt dus niet. Nou, dan moeten de vijfendertig centen er maar in’.

Rare snijboon
Eens moest Zelle in een dorp preken, maar hij wist niet precies waar de kerk staat. Dan maar vragen aan een voorbijganger. Hij vraagt iemand en die is juist op weg naar de gereformeerde kerk. Ze lopen samen op, terwijl de man de voorganger van deze morgen ‘een hele rare snijboon’ noemt. De man weet niet dat hij met Zelle zelf zit te praten. Eenmaal in de kerk krijgt hij de schrik van z’n leven als de kerkenraad binnenkomt, met dus de man met wie hij naar de kerk liep. Het thema van de preek was: ‘Rare snijboon’. Zelle zegt: ‘Is de kerk hier vanmorgen zo vol omdat we ons bewust zijn van onze zonden? Of is het zo dat uw zonden worden vermeerderd door uw honger naar sensatie?’

Het boek van Maarten ‘t Hart
In 1974 publiceerde Maarten ’t Hart zijn boek ‘Het vrome volk’. Na enkele jaren kwam Zelle er achter dat zijn naam in dit boek voorkomt, en wel als dominee. In een hoofdstuk getiteld ‘De neef van Mata Hari’ schetst Maarten ’t Hart een dominee, die zich per racefiets verplaatste naar de kerk waar hij de dienst moest leiden. Een dominee, die op onvergetelijke wijze preekte: ‘Hij kon de hel zo beschrijven dat de mensen met brandblaren de kerk verlieten. Als hij over de hemel preekte dan zag je de mensen voor de troon van God staan en op weg naar huis wandelde je over straten van goud’. Maar deze dominee was een enthousiast kroeg- en hoerenloper. Dit zou Maarten ’t Hart hebben ontleend aan het kerkelijk evangelisatiewerk dat ds. Zelle deed in een omgeving ‘waar de zonde welig tierde’.

Toch geen aangifte
Inderdaad heeft Zelle dit werk gedaan, maar niet meer dan dat. Iedereen wist dat het onwaar was wat Maarten ’t Hart schreef. En de personage uit het boek van Maarten ’t Hart is een achterneef van de legendarische nachtclubdanseres Mata Hari – een beeldschone Friezin (Margaretha Geertruida Zelle) die tijdens de Eerste Wereldoorlog vanwege vermeende spionage in Frankrijk wordt terechtgesteld. Dat is Zelle ook. Iedereen wijst dus nu naar Zelle. Maar Maarten ’t Hart beweert dat hij een andere ds. Zelle bedoelt. Maar er is geen andere ds. Zelle in Nederland. Zelle doet aangifte bij de politie, maar zag toch af van een rechtszaak, omdat hij bang was dat het te veel zou kosten. Zo kwam Maarten ’t Hart met de schrik vrij. Rockanje ligt trouwens niet ver van de geboorteplaats van de afvallige gereformeerde schrijver, Maassluis.

In de hooiberg
Ds. Zelle zoekt op zaterdagmiddag vaak onderdak voor de komende nacht waar hij de volgende zondag moet preken. Meermalen gebeurt het dat hij gewoon op goed geluk bij mensen aanbelt. Zo gebeurt het een keer dat hij geen adres heeft. Hij belt ergens aan, bij een boerderij. Hij zou graag in het hooi willen slapen. Dat mag, maar de boer is voorzichtig. Op voorwaarde dat de vreemde gast alles uit z’n zakken haalt en aan de boer in bewaring geeft. Dat doet Zelle. De volgende dag gelooft deze boer zijn ogen niet als hij als ouderling van dienst de consistoriekamer binnenloopt. Daar zit zijn gast, keurig in zwart pak.

Wanneer u hier slaapt, moet u mee naar de kerk
Eens kwam Zelle op een vroege zaterdagmorgen in een klein dorpje op de Veluwe aan, het is hooitijd, een hele drukke tijd, met veel mensen op het land. Er zijn veel mensen die zich spontaan aanbieden om te helpen. Zo ook Zelle. Als een paard werkt hij die dag in het hooi. De boer is dik tevreden over hem. Met veel genoegen betaalt hij hem ’s avonds zijn verdiende loon uit. Zelle heeft nog één wens: hij zou graag in de hooiberg willen slapen. De boer stelt een voorwaarde: ‘We zijn hier gewend om zondags naar de kerk te gaan. Wanneer u hier slaapt, verwacht ik dat ook van u. Ik zal u op tijd wekken’. Zo gebeurt het de volgende morgen. Zelle loopt met deze man naar de kerk, en als ze daar aankomen, zegt de man: ‘Ik ga door de deur van de consistorie want ik ben vandaag ouderling van dienst. U moet de hoofdingang maar nemen. Dan komt u vanzelf waar u moet zijn’. Zelle volgt echter de man naar de consistoriekamer en haalt zijn zwarte pak uit de tas. Stomme verbazing bij de boer.

Preekgeld
In die tijd werd het ‘preekgeld’ vlak na de dienst aan de dominee contant betaald. Toen Zelle een keer zijn geld had gekregen, vroeg de dienstdoende ouderling aan de chauffeur hoeveel geld hij moest hebben voor de reiskosten. Die gaf aan niets te hoeven hebben. Toen Zelle dit hoorde hield hij zijn enveloppe met het preekgeld snel voor de neus van de ouderling en zei: ‘Doe dat reisgeld hier ook maar in’.

Zelle als kerkklok
Toen Zelle eens in het kleine Groningse plaatsje Kruisweg moest preken, hoorde hij toen hij ’s zaterdags arriveerde dat de mensen over hem zaten te praten. ‘Hé, kijk eens wie daar aankomt. Kijk eens, morgen hebben we dus Zelle. Daar ga ik zeker naar toe!’ Zelle denkt: de mensen verwachten wat van mij, nu dat zullen ze dan weten. Op de vroege zondagmorgen galmt plotseling een zware stem over de daken van de huizen in het anders zo rustige Kruisweg. Voor het open raam van zijn slaapkamer zingt Zelle uit volle borst het volk wakker. De ene psalm na de andere klinkt over de vlakke velden. Zoals de koster de kerkklok luidt, zo vasthoudend gaat hij door. De kerk is die morgen bomvol – zoals altijd bij ds. Zelle.

Haar verven met schoenenpoets
Zelle is een opvallend figuur. Zijn lange, gitzwarte haar trekt de aandacht. Hij draagt zijn haar in een scheiding, een beetje lang maar altijd keurig in de plooi. Bij de vrouwen is hij populair. Hij besteedt heel veel aandacht aan zijn haar. Bekend is, dat hij in zijn studententijd vaak te laat op college komt omdat hij z’n haar eerst nog moet verzorgen. Dan was het: ‘Waar is Johan?’ ‘O, die is nog op het toilet met zijn haar bezig. We kunnen wel beginnen. Hem zien we voorlopig nog niet’. Koste wat kost wil hij z’n haar zo zwart mogelijk houden. Hij verft het dus steeds weer pikzwart met kachelpoets of schoenenpoets. Dit veroorzaakte bij menig gastadres zwarte sporen in slopen en lakens. En wanneer de dominee in het vuur van zijn rede op de preekstoel begint te zweten, is de verfstof ook heel duidelijk te zien. Dan lopen de zwarte strepen over zijn voorhoofd. Zelle bleef tot het laatst toe zijn haar verven – wat helemaal niet nodig was, want hij heeft altijd een goed ogend bos haar gehad. Deze houding typeert hem helemaal. Hij is eigenzinnig en zeer moeilijk tot verandering te bewegen.

Zingen
Zelle hield veel van de psalmen. Zijn lievelingspsalm is ‘’t Hijgend hert der jacht ontkomen’ (42:1), een psalm die Zelle heel vaak laat zingen en waarbij hijzelf dan boven alles uit de tweede stem zingt. Ook Ps. 25 was populair. In Rockanje zakte hij zo nu en dan helemaal onderuit op de preekstoel. Niemand kon hem meer zien, maar iedereen hoorde zijn zware stem boven alles uitzingen. Zelle ergerde zich eraan als de gemeentezang niet daverend, weinig meeslepend en slap verloopt. Dat was een keer zo in Hardegarijp. Met daverende stem brult Zelle plotseling door de kerk: ‘Niet op het “gemummel”, maar op de lofzang troont de Heere!’

Verplaatsing slaapkamermeubilair
Toen Zelle een keer op zaterdagavond te gast was bij een gezin in Broeksterwoude, en hij wilde zich ’s avonds laat nog even voorbereiden op zijn preken, lukt het niet. Hij kon zich niet goed concentreren. Waar lag dat nu aan? Alles wordt keurig nagegaan en ja hoor, Zelle weet het. Het ligt aan de inrichting van de kamer. De stand van het slaapkamermeubilair is weinig inspirerend. Zo kan de dominee onmogelijk werken. Dus Zelle gaat aan de slag. Het bed wordt verplaatst naar de muur aan de overkant. De grote klerenkast krijgt ook een andere positie. Een aantal schilderijen worden verhangen. Dan probeert hij het weer. En ja hoor, nu wil het wel.

Spreken voor de ARP
Zelle hield ooit een vurig betoog voor de ARP, ergens op het Friese platteland. Na de afgesproken spreektijd wil hij zijn betoog afronden. Echter, voordat de voorzitter het woord kan nemen, roept men uit de zaal: ‘De man moet doorgaan! We willen meer horen!’ Zelle antwoordt: ‘Ik kan nog wel een week achter elkaar praten. Maar ik ga niet verder voordat er hier een collecte voor de ARP is gehouden’. Hij hield ervan voor de ARP te spreken. ‘Hij kijkt langzaam de zaal in. Zijn ogen gaan van rechts naar links en dan weer terug. Hij speelt met de stilte en de spanning. Hij geniet met volle teugen van de volle zaal. Wat een mensen. Allemaal gekomen voor hem’. In het verkiezingsjaar van het eerste kabinet-Den Uyl (1977) horen we Zelle in een gebed zeggen: ‘Wij bidden U om een andere regering. Dat we straks in mei een andere regering mogen krijgen. Een regering die meer luistert naar Uw Woord’. Zelle zei vaak: ‘Een mens moet meegaan met zijn tijd…en niet…met de tijdgeest!’

Vrijgezel gebleven
Voor het vrouwelijke schoon heeft Zelle altijd veel oog, meerdere malen heeft hij verkering gehad, maar het liep altijd op niets uit – hij is zelfs verloofd geweest, waarbij de trouwjurk van zijn geliefde al klaar was. In Rockanje wilde men graag een vrouw in de pastorie. Maar met een vrouw elke dag om hem heen moet hij te veel inschikken. Zelle liet zich heel graag met schoonheden fotograferen. Wanneer hij op zondag in zijn gastgezin een mooie dochter ontdekt, wil hij ’s middags altijd een wandeling. En dan moet het fototoestel ook altijd mee. Hiervan zijn nog vele foto’s bewaard gebleven.

Dochter van de smid
Zelle had eens meer dan gewone belangstelling voor één van de dochters van de smid van Birdaard, waar hij nog wel eens at. Maar de smid en zijn vrouw willen er niets van weten. De dochter van de smid komt tussen twee vuren terecht. Onder de zware druk van de familie kan de dochter het niet meer uithouden. De smid wint terrein. Zelle bundelt nu zijn krachten. Hij maakt zich op voor het slotoffensief. En hij doet dit op een geheel eigen wijze. Hij verplaatst de zaak naar de preekstoel. De preek gaat over de zilversmid uit Handelingen 19. De zware stem van de dominee klonk op volle kracht door de kerk: ‘Demetrius, Demetrius, u heeft mij veel schade berokkend!’ (vgl. Alexander de kopersmid, 2 Tim. 4:14). De smid en zijn vrouw krimpen ineen in de bank. Dat Zelle zo ver durft te gaan is onvoorstelbaar.

Hij was rijk, maar leefde straatarm
Zelle leeft bij z’n moeder in Leeuwarden heel armoedig. Ze gebruiken op geen enkele wijze hun financiële mogelijkheden om wat comfortabel te leven. Er komen bijna geen mensen over de vloer. Ze hebben geen telefoon. Het hout zoekt hij hier en daar zelf bij elkaar. Daarnaast gebruik hij heel veel oude pallets die hij hier en daar opscharrelt. Thuis sloopt hij ze dan zelf uit elkaar en maakt zo het hout voor de kachel geschikt. Zelle bewaart veel dingen. Hij had geen enkele verzekering. Er is geen radio en televisie. Ook geen telefoon, geen douche en hij kookt op oude petroleumstellen. Feitelijk leidt hij een kluizenaarsbestaan.

Zelle en zijn moeder
Ondanks haar zwakke gezondheid acht Zelle het nodig om elke dag klokslag twaalf uur, bij weer en wind, met zijn moeder een blokje om te gaan. Ook zij moet haar dagelijkse beweging hebben, nietwaar? Totdat dit niet meer verantwoord is en familie en buren ingrijpen. Zelle’s brieven naar de minister helpen niet, op zekere dag komt er een ziekenauto om zijn moeder op te halen. Ze gaat naar een verpleeghuis. Zelle protesteert heftig, maar de verplegers hebben assistentie van de politie. Voor Zelle is dit een heel ingrijpende gebeurtenis. Zijn moeder is hem alles. Hij meent dat hij altijd goed voor haar zorgt. ‘Nu hebben ze mijn oude moeder meegenomen waar ik altijd zo goed voor heb gezorgd. Dat dit allemaal kan in Nederland’. Jaren later, op de begrafenis van zijn moeder, zegt hij: ‘Als de agenten toen mijn moeder bij mij thuis hadden gelaten, dan had ze nu nog geleefd’.

Eigen dokter
Hierna komt een huishoudster enige jaren bij Zelle werken. Ook dat gaat op een gegeven moment niet meer. Zelle blijft uiteindelijk alleen achter in zijn ouderlijke huis. Het huis zag er bij zijn sterven uit alsof er de jaren door niets was veranderd. Zijn huisraad was nooit vernieuwd, het was een sobere woning, volgepropt met allerlei zaken die velen al lang zouden hebben opgeruimd, maar waaraan Zelle kennelijk erg was gehecht. Overal waren boeken te zien, overal planken getimmerd. Zelle had een geweldige verzamelwoede. Zelle kwam nooit bij de dokter, en probeerde zelf zijn lichaam vrij te houden van kwalen. Op latere leeftijd kreeg hij last van suikerziekte. Zonder veel medicijnen en zonder veel doktershulp probeert hij ook nu deze ziekte te pareren. Dit is echter niet goed gelukt.

Alles bij het oude
Zelle bleef preken op de ouderwetse manier, met drie punten en tussen elk punt een tussenzang. Zijn verschijning liet steeds meer te wensen over. Hij leidde een teruggetrokken leven en de gemeente moest maar afwachten hoe de ‘Leeuw uit Leeuwarden’ zondags uit zijn ‘hol’ zou komen. Eens preekte hij in Sint Jacobiparochie. Na de dienst zei de ouderling van dienst: ‘U hebt een mooi nieuw jasje aan, dominee, nu nog een nieuwe broek’. Hierop antwoordde Zelle: ‘Alles kan niet in één keer, beste man’. De eens zo correct geklede Zelle laat het de laatste jaren wat zitten. Maar zijn haar houdt wel de aandacht.

Overlijden
Tot het einde toe bleef Zelle afspraken maken voor preekbeurten. Dat deed hij steevast per briefkaart. Die stuurde hij naar de verschillende gemeenten toe en daar zette hij dan de data op wanneer hij nog kon komen. De preekregelaar in desbetreffende gemeente stuurde dan terug wanneer het wat hem betreft kon en zo was het geregeld. Op Zelle’s briefkaarten zijn opmerkelijke dingen te lezen, zoals: ‘Een beetje warm eten in uw gemeente, is er ’s morgens een kopje thee in de consistorie?’ Zelle was meestal twee jaar vooruit met zijn planning. Op 12 mei 1983, hemelvaartsdag, had hij een afspraak in Munnekezijl. Echter, zijn overlijden een dag daarvoor haalde daar een streep door. Zelle werd donderdags gevonden, zittend achter zijn bureau, gestorven in het harnas. Hij was 76 jaar oud geworden. Zelle werd begraven op het kerkhof van Lekkum (bij Leeuwarden).

Gepubliceerd in november 2008