John Charles Ryle

n.a.v. L.J. van Valen, John Charles Ryle. Evangelieprediker onder de armen van het volk, Kampen 1999

In weelde opgegroeid
Ryle, geboren op 10 mei 1816 in het Peak District, een streek bekend door prachtige natuur, leefde in een tijd van misstanden. Kinderarbeid, drankmisbruik, zedelijke ontsporingen en een zeer lage levensstandaard van de arbeidersbevolking kenmerkten deze tijd, als het ging om de steden. Ryle, die in weelde opgroeide (zijn vader was zelfs nog een tijdje lid van het Lagerhuis), merkt op dat op zijn school ‘de meeste jongens meer van heidense goden en godinnen afwisten dan van Jezus Christus’. Het was het begin van het Victoriaanse Tijdperk. De Oxford Beweging liet zich horen. De Evangelicals waren niet zo actief meer. Toch beleefde Engeland nog wel een geestelijke opwekking op kleine schaal. Hier was geen sprake van organisatie of leiding, maar van gebeurtenissen in vaak kleine plattelandsgemeenten.

Zelfstandige bekering
Ryle bezocht de beste scholen en studeerde theologie in Oxford. Ryle onderging in 1837 ‘een grondige en totale verandering’. Later zou hij dit zien als het werk van de Heilige Geest. Ryle ontdekt de bijbelse, ‘evangelicale’ leer. Geen predikant of christen was hieraan te pas gekomen. Helemaal zelfstandig had hij dit ontdekt. Voortaan nam het zuurdeeg van het Woord zijn gehele persoon in. Zijn familie begreep hem niet en keerde zich van hem af. Hij spreekt zelfs van ‘een complete breuk met al zijn vrienden en betrekkingen’. Waar hij niet mee brak, was met zijn geliefde sport cricket. Na zijn bekering ging het niet allemaal goed. Hij ging een beetje doelloos zijn weg. Later zou hij zeggen: ‘Ik denk nu vaak dat mijn voornaamste fout in die tijd was dat ik te veel bezig was met mijn eigen geestelijke strijd en dagelijkse moeilijkheden. Ik hield mij niet gericht bezig met het nuttig zijn voor de zielen van anderen’. Toen het bankkantoor van zijn vader failliet ging, kwamen de Ryle’s op straat te staan. Het was een grote klap, een zware beproeving. Ryle verliet het ouderlijke huis en kwam in contact met een gemeente die hem in 1841 tot hulpprediker ordende: Exbury.

Ik heb u wat te zeggen
In 1843 werd hij benoemd in Winchester. In 1844 volgde Helmingham (Ryle was nog steeds vrijgezel). Ryle’s eerste preek daar ging over Luk. 7:40. ‘En Jezus antwoordende zeide tot hem: Simon, Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester, zeg het’. In de hem eigen stijl begon hij: ‘Ik weet niet wie u bent. Ik weet niet of u oud of jong, rijk of arm, geleerd of ongeleerd bent. Ik weet alleen dat u een kind bent van Adam en een ziel heeft te verliezen of te laten redden. Daarom zeg ik: “Hoor naar mij! Ik heb u wat te zeggen!”’ In 1845 trad Ryle in het huwelijk met Matilda Charlotte Louisa, in 1846 werd hun eerste kind geboren. Zijn vrouw overleed een jaar daarna. In 1850 trouwde hij opnieuw, met Jessie Elizabeth Walker. Vier kinderen werden uit dit huwelijk geboren. In 1860 stierf ook zijn tweede vrouw.

Geen kanseltaal
Ryle preekte zonder aantekeningen bij zich te hebben; hij preekte ook lang. Het volk hoorde hem graag. In 1861 vertrok Ryle naar Stradbroke; een tijdperk begon die hij als de meest vruchtbare van zijn leven rekende. Hij beijverde zich hier onder andere voor goed christelijk onderwijs, omdat hij dit mede als een gezonde basis beschouwde voor de opvoeding en vorming van de natie. Ryle schuwde kanseltaal en zocht zich in goed en eenvoudig Engels uit te drukken, zodat iedereen hem kon begrijpen. Zijn woordgebruik was compact en eenvoudig. Hij sprak op de man af en confronteerde een ieder met het thema van de tekst. Hij had een ernstig voorkomen, wat hij ook van zijn hoorders verlangde. Daarom bestrafte hij mensen die onder de dienst zaten te lachen of praten.

Drijfveer voor de vervreemde massa
De belangrijkste taak in de familie was voor Ryle de dagelijkse huisgodsdienst. Ryle voegde zich bij de Evangelicals die streden voor de wortels van hun kerk. Het was vooral Ryle’ drijfveer om de massa van het volk, dat van het Evangelie was vervreemd, te bereiken. Hij had geen sociale of zoetsappige boodschap waarbij de mensen met een beroep op Gods liefde in slaap worden gesust. Wat is nu in feite Evangelical Religion? Ryle noemt vijf kenmerken: het gezag van de Schrift, de diepte van ’s mensen verlorenheid, het hoogste belang van Christus’ werk, de hoge plaats van de Heilige Geest in ons hart en het belang van een heilig leven. Het centrale thema was: de noodzaak van de wedergeboorte.

Anglicaan gebleven
De kracht van de Evangelicals was dat ze zich konden beroepen op de wortels van de Engelse kerk, de Negenendertig Artikelen bijvoorbeeld. Ryle had de Anglicaanse kerk lief, maar was bedroefd over elke afwijking van de oorspronkelijke grondslag. Hij was en bleef een Anglicaan in hart en nieren, maar dan wel met de leer voorop. Wanneer het ritueel en allerlei kerkelijke vormen de boventoon gaan voeren, is voor Ryle de belangrijkste wissel omgezet. Hij behoorde tot het kaliber van mannen als Usher die het episcopale systeem niet als het einde beschouwden, maar er ook niet mee wilden breken. Ryle wilde geen revisie van de belijdenisgeschriften. De actualiteit daarvan was hetzelfde gebleven. Op deze basis wilde Ryle verder bouwen. Ryle was volbloed evangelicaal, maar geeft ook aan ‘dat we grondig geloven dat de episcopale kerkregering, indien recht uitgeoefend, de beste vorm van kerkregering is die in deze boze wereld kan worden gevonden’. Ryle ging zo ver in het accepteren van het feit dat het ritualisme al zo ver in de kerk was doorgedrongen, dat dit proces niet meer te stuiten zou zijn als van hogerhand geen doeltreffende veranderingen zouden worden aangegeven. ‘Zolang als de Artikelen en het Gebedenboek niet veranderd zijn, bezetten we een onneembare positie’.


Het armoedeprobleem
Ryle zag niets in een loskoppeling van kerk en staat. Hij zag de kerk als volkskerk, die door de overheid moest worden beschermd. In zijn commentaren die hij schreef ging het meer om praktische opmerkingen over elk vers dan over een uitvoerige verklaring. Helder weet hij zijn gedachten te formuleren en zonder omwegen de kern te raken. De kerk raakte de greep op de arme klasse kwijt. Er was sprake van een zekere halfslachtigheid door de werkelijke problemen te verzwijgen. Ryle zocht de oorzaak van de armoede in de zonden van de natie. Benjamin Disreali publiceerde in 1845 een roman, waarin hij de realiteit van het armenprobleem aan de kaak stelde. Hij schetste de ‘twee naties’ in Engeland, de rijken en de armen.

Kinderen op foute spoor
Ryle’s derde huwelijk (met Henrietta) was gelukkig; zijn kinderen gingen echter niet allemaal in zijn voetsporen. De oudste werd dokter en verloochende het geloof, de jongste werd artiest en deed ook niet meer aan godsdienst. Een andere zoon, Herbert, ging wel in zijn voetsporen; hij zou later bisschop worden. Maar hij maakte in zijn leven een zwaai van evangeliaal naar liberaal. Het kwam niet tot verwijdering tussen hem en zijn vader, ze bleven elkaar respecteren. ‘Indien de duivel niet kan voorkomen dat de wateren vanuit de Fontein des levens stromen, probeert hij ijverig om deze te vernietigen’. Ryle doelt hier op dwaalleer in de kerk. Ryle ging ook veel schrijven; het waren vaak traktaatjes met pakkende titels. Schriftkritiek noemt Ryle ‘een worm aan de wortel van onze theologie. Men laat toe dat deze worm aan de wortel knaagt en wij moeten niet verbaasd zijn als de takken, de bladeren en de vrucht stukje voor stukje vergaan’.

De 18e-eeuwse Evangelical Leaders
Gedurende zijn periode in Stradbroke had Ryle een intensieve studie gemaakt naar de wortels van de Evangelicals. Vooral de 18e eeuw boeide hem. De prediking van de Evangelical Leaders uit de 18e eeuw was Ryle uit het hart gegrepen. Het was vooral hun directe boodschap die hem zo aansprak. Zij waren minder dogmatisch dan de Puriteinen, maar toch huldigden zij dezelfde leer. Zij brachten de boodschap dichter bij het volk en confronteerden hun gehoor direct met de goddelijke eisen en beloften. ‘Zij geloofden dat je uit het hart moet spreken, wil je tot het hart begeren te spreken en dat er een onmiskenbaar geloof en overtuiging op de preekstoel moet zijn, indien dit geloof en deze overtuiging er ook in de banken zal komen’. Met de Dissenters had Ryle weinig. Ze liepen in zijn tijd voorop in het propageren van deïstische en ariaanse ketterijen.

Directe stijl
Volgens Marcus L. Loane zijn de twee grote kenmerken van de prediking van Ryle: eenvoud en oprechtheid. Hij was als plattelandsprediker begonnen en had zich direct aangepast aan zijn eenvoudige gehoor. Zijn woordkeus was pakkend en to the point. Ryle bedoelt geen kinderachtige prediking, maar een prediking die de meest eenvoudige ziel kan begrijpen. Ryle vind het bijvoorbeeld goed om een ‘directe stijl’ te gebruiken. Het is beter om ‘ik’ en ‘u’ te gebruiken dan in de onpersoonlijke ‘wij’-vorm te spreken. Een veelvuldig gebruik van anekdotes en treffende beelden vindt Ryle ook belangrijk. Verder is van belang: ‘Laten we nooit vergeten om onze preken te doen vergezellen van een heilig leven en een vurig gebed’. De heilszekerheid is onmisbaar om toe te nemen in evangelische heiliging. ‘De man die het dichtst bij God in Christus wandelt, zal in het algemeen gesproken in grote vrede leven’. ‘Rust niet op uw eigen geloof, maar rust op Christus, het grote Voorwerp van het geloof’.

Het gaat om de hoofdzaken
Ryle stond vooral een praktische godsdienst voor. Het eenvoudige geloof is kenmerkend voor zijn prediking. Net zo eenvoudig als Luther: ‘Zoals u het gelooft, zo hebt u het’. Hoofdzaken in de leer zijn volgens hem niet verschillen over de doop, over de vormen van eredienst, of over de verhouding van kerk en staat. Het gaat om de belangrijkste zaken die voor de zaligheid nodig zijn. Een ieder behoort te worden gevraagd wat zijn hoop is. Ryle maakt het niet ingewikkeld; hij verwijst rechtstreeks naar Christus. ‘Predik een volle Christus en de genadige vergeving door het geloof in Hem. Dan zal de satan vreselijk woeden’.

Niet fatalistisch, geen arminiaan
De liefde die in Joh. 3:16 genoemd wordt geldt niet voor de uitverkorenen alleen, maar voor de wereld. ‘Hoed u voor de wijdverbreide leer dat Gods liefde enkele en alleen voor Zijn uitverkorenen zou zijn en dat God de rest van het menselijk geslacht voorbijgaat en aan zichzelf overlaat’. Ryle zegt dat bij de nodiging van Christus niet alleen vermoeiden vanwege de last van de zonde bedoeld wordt, maar ook mensen die onder de last van de moeiten van het leven gebukt gaan. Ryle heeft een afkeer van een fatalistische verkiezingsleer, waarin de verantwoordelijkheid van de mens wordt krachteloos gemaakt. Aan de andere kant wil hij geen arminiaan zijn, die Gods werk afhankelijk maakt van de vrije wil van de mens.

Gematigd calvinist
Hij is de man van de middenweg, die de zaken in het juiste evenwicht wil zien. ‘Een mens moet eerst naar de basisschool van bekering en geloof, voordat hij op de grote universiteit van verkiezing en predestinatie binnenkomt’. Ryle is kortom een gematigd calvinist die steeds probeert het bijbelse evenwicht vast te houden. Ryle wil op leerstukken als predestinatie ruimte geven voor andere uitgangspunten. Noch verkiezing noch verbond vormen de voorschans van Ryle’s dogmatiek. Ryle hanteert een ruime verzoeningsleer om zijn hoorders en lezers alle onschuld te benemen. Het genadeaanbod kan voor Ryle nooit te ruim worden gepredikt. Het is de ‘aggressive’ methode om zondaren klem te zetten die hem zo aanspreekt. Dit vindt hij bij Whitefield. Vaak komen we bij Ryle de term ‘simple faith’ tegen.

Moody, Pearsall Smith en Keswick
In 1880 werd Ryle benoemd tot bisschop van Liverpool. Deze stad was tot de 18e eeuw niet meer dan een kleine kustplaats, maar was uitgegroeid tot een grote stad van meer dan 700.000 inwoners. Ryle was de eerste bisschop hier. Hij kwam ook in contact met Moody en Sankey, die in 1873 en 1883 naar Engeland kwamen. Ryle stond hier positief tegenover. Hij sprak op hun bijeenkomsten. Niet alle evangelicalen waren blij met Moody. Waar Ryle wel met argusogen naar keek, was naar Pearsall Smith. Ook de boodschap van Keswick had niet zijn instemming. Rechtvaardiging en heiliging werden losgemaakt. Een gelovige die Christus kent, is nog vleselijk, totdat hij Hem ook leert kennen tot zijn heiligmaking. Ryle schreef het boek Holiness om een eigen visie te geven. Ryle wilde in het spoor gaan van William Romaine, die ook door Keswick werd geciteerd. ‘Hij die rechte gedachten over de christelijke heiligheid begeert te hebben, moet beginnen met het veelomvattende en ernstige onderwerp van de zonde te onderzoeken’, zo adviseert Ryle.

Ryle en Spurgeon
Niet alle geestverwanten van Ryle konden instemmen met zijn niet al te kritische kijk op het bezoeken van kerkelijke congressen, waarbij alle stromingen aanwezig waren. Met name Spurgeon had hier grote moeite mee. Die kon niet meegaan in Ryle’s gehechtheid aan de Staatskerk. Toch zijn er veel overeenkomsten tussen Ryle en Spurgeon: ze balanceerden allebei tussen hypercalvinisme en modernisme. Beiden repten met geen woord over de goddelijke verwerping. Spurgeon waardeerde de eerlijke manier waarop Ryle zijn tegenstanders bestreed, maar vond zijn mening over samenwerking met andersdenkenden ‘de droeve invloed van een verkeerde positie’. Spurgeon spreekt zelfs van ‘ecclesiasticism’, waarbij ‘Christus en de antichrist bij elkaar gebracht worden’. Het is volgens hem nodig dat Ryle zich hiervan afscheidt.

Secularisatie
In 1897 waren er al meer dan 12 miljoen exemplaren van zijn traktaten verkocht en velen daarvan waren ook in andere talen verspreid. Merkwaardig was Ryle’s waardering van een nieuwe bijbelvertaling, de Revised Version of the New Testament in 1881, waar elementen vanuit de tekstkritiek waren verwerkt. Secularisatie begon in Ryle’s tijd al. ‘Vertel me hoe de zondag in een land wordt gehouden, en ik zal u vertellen hoedanig de kerk van het land is’. De identiteit van Engeland als protestantse natie werd mede door de zondag bepaald. ‘De enige partij die naar mijn idee jaarlijks schijnt te groeien, is de reusachtige partij van “godsdienstige onverschilligheid”’. ‘De kerk is een schip dat vele lekken vertoont. Het ergste is echter dat de koers van het schip verkeerd is’. Een belangrijke hinderpaal voor de doorwerking van het Evangelie was volgens hem verdeeldheid.


Eschatologie
Ryle nam afstand van de eschatologie van de Puriteinen. Hij is in zijn toekomstvisie evenwichtig, al mist hij wel de geloofskracht van de oude Puriteinen, die zich inzetten voor het heerlijke Godsrijk op aarde als voorbereiding op de wederkomst. De dag van de wederkomst is volgens Ryle het enige punt dat uitzicht verschaft in deze ten onder gaande wereld. De paus is voor hem de antichrist die velen verleidt. ‘Gelukkig is hij, die geleerd heeft om weinig van regeringen of synodes, van staatslieden of van bisschoppen te verwachten en standvastig uit te zien naar de komst van Christus’.

Vaste rots van mijn behoud
Ryle’s laatste levensjaren waren nog vruchtbaar. Hij stelde een beheers- en pensioensfonds in, waarbij hij als pionier in Engeland gold. Verschillende reorganisatieplannen werden door hem voorgesteld en uitgevoerd. In 1889 stierf zijn vrouw. Ook in zijn ouderdom blijkt Ryle nog steeds de sportberichten te volgen. Zijn liefde voor het cricketspel is nog springlevend. Zijn belangstelling is breed en veelzijdig. Hij geniet van de geoorloofde dingen die de wereld biedt. In 1900 ziet Ryle zijn einde aankomen. Hij schrijft een brief met als einde de gevoelvolle woorden: ‘Nog een kleine tijd en we zullen elkaar weer ontmoeten. Velen, naar ik hoop, aan de rechterhand van de Koning en weinigen aan de linkerhand’. Ryle overleed op zondag 9 juni, op 83-jarige leeftijd. Op de begrafenis werd zijn lievelingslied ‘Rock of Ages, cleft for me’ gezongen. Vijf jaar na zijn dood werd Wales, het gebiedsdeel vlakbij Liverpool gelegen, begunstigd met een godsdienstige opwekking. Velen kwamen tot geestelijke doorbraak, maar toch waren de effecten gering. Wat Ryle en Spurgeon niet goed hadden onderkend, was dat de Evangelicals in en buiten de staatskerk de diepgang van de Puriteinen misten.


Gepubliceerd in april 2008