K. Schilder

n.a.v. J.J.C. Dee, K. Schilder. Zijn leven en werk (deel 1: 1890-1934), Goes 1990

Jeugd en studie
Kuyper en Bavinck
Abraham Kuyper had zich tot levenstaak gesteld de gereformeerde theologie tot nieuw leven te brengen, ‘weer wakker te schudden en in rapport te brengen met het menschelijk bewustzijn’. Herman Bavinck wilde het dogma voluit laten functioneren in de denkwereld van de 19e eeuw. Hij is op het modernisme ernstig ingegaan. Hij wilde de gereformeerden confronteren met de vragen van cultuur, wetenschap en politiek. Zijn bijdrage aan de consolidatie en groei van de GKN is groot geweest en hij heeft het gereformeerde leven tussen 1883 en 1921 diepgaand beïnvloed. Theologisch was hij tegen Kuyper opgewassen, waarschijnlijk zelfs diens meerdere. Bavinck was minder activistisch. Hij was een denker, die zijn leven lang geworsteld heeft om waarheid en waarachtigheid; daarbij was hij een irenische geest.

Meer eenheid na 1905
Binnen de GKN waren er onenigheden tussen afgescheidenen en dolerenden. De synode van Utrecht 1905 deed uitspraken over leergeschillen waarover de synode van Middelburg 1896 geen beslissingen genomen had. L. Lindeboom was de voorman van hen die ingingen tegen kuyperiaanse opvattingen. De uitspraken van de synode waren van verzoenende aard. 1905 heeft in sterke mate bijgedragen tot de versteviging van het gereformeerd kerkelijk leven, tot bevordering van zijn eenheid naar binnen en naar buiten. De geestelijke ineensmelting van beider kerkelijk leven nam zo toe. Alle op de synode van Utrecht samengekomen stromingen vonden elkaar ook op het punt een wijziging aan te brengen in artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Kuyper, Rutgers, Noordtzij, Wielinga, Lindeboom, Biesterveld, Bavinck en Donner hadden in 1896 hiertoe een gravamen ingediend.

Behouders en vernieuwers
De verdere uitbouw van de gereformeerde wereld vond plaats in de veranderde culturele, politieke en sociale omstandigheden van Nederland en Europa in en na de Eerste Wereldoorlog. Dit leidde tot discussies over voortzetting en heroriëntatie van de gereformeerde beweging en over onderscheiden interpretaties van elementen uit de gemeenschappelijke gereformeerde erfenis. De periode van 1910-1930 was vol spanningen en conflicten tussen ‘behouders’ en ‘vernieuwers’. Het was in deze periode, waarin het gereformeerde volksdeel een volwaardige plaats in de Nederlandse samenleving had ingenomen, dat de predikantsjaren van Klaas Schilder vielen.

De beweging der jongeren
In de GKN was er na de Eerste Wereld de ‘beweging der jongeren’, die vreesden dat de gereformeerde wereld vast zou lopen in een geest van behoudzucht. Het was geen georganiseerde groep. Ze streefden naar vernieuwing, zonder daarvoor duidelijke plannen te hebben. Ze riepen op tot een verandering van het gereformeerde levens- en denkpatroon, dat in rapport moest worden gebracht met de veranderingen en vernieuwingen die zich overal in de samenleving voordeden. Ze wilden meewerken aan de opbouw van een nieuwe, betere wereld. Een exponent van de ‘jongeren’ was de Nederlandse Christelijke Studentenvereniging (NCSV). Zij hadden waardering voor de niet-christelijke cultuur, een hang naar de psychologie, de mystiek en de Christus-ervaring en accentueerden de persoonlijkheid. Het was een wending tot het subjectivisme.

Openheid naar vernieuwing
De oudere generatie maakte zich hierover zorgen. Ze zag te veel openheid naar ethische en confessionele kringen in de Ned.Herv.Kerk. H.H. Kuyper, professor in Amsterdam, hoopte de eenheid door middel van een gematigde tactiek te kunnen bewaren. Een aantal jonge predikanten voerde het pleit voor een doorbreking van het verstard dogmatisme en voor een persoonlijke geloofsbeleving. B. Wielinga was de meest begaafde woordvoerder van de beweging. Hij wilde een nieuwe bijbelvertaling, vernieuwing van de liturgie en vernieuwd belijden. J.G. Geelkerken en J.G. Ubbink waren medestanders, allen leerlingen van Bavinck. J.C. Aalders, J.B. Netelenbos en J.C. Brussaard waren andere toonaangevende figuren. Sommigen verlieten na diepgaande meningsverschillen de GKN en werden hervormd. Anderen werden Hersteld Verband in 1926.

Het Getuigenis van 1920
De synode van Leeuwarden 1920 hield zich bezig met de vraag of de ‘beweging der jongeren’ uiting van een zuiver gereformeerd streven was. Ze stelde zich voorzichtig en behoudend op. Het accent kwam meer op isolement en antithese dan op openheid en vernieuwing te liggen. Men deed een getuigenis uitgaan ‘tegenover de verlerlei dwalingen van deze tijd en de toenemende wereldgelijkvormigheid’. Honig wilde vooral tegen ‘schouwburg-bezoek, kaartspel en dansen waarschuwen’, terwijl Bavinck ‘de woekerhandel, het maken van oorlogswinst, de verwereldlijking schrikkelijker achtte’. Het Getuigenis werd gekenmerkt door een pessimistische waardering van de cultuur en een scherpe antithese tussen kerk en wereld. De ‘jongeren’ waren er niet blij mee.

Oprichting van De Reformatie
Enkele weken na de sluiting van deze synode verscheen op 24 september 1920 het eerste nummer van De Reformatie, weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven. Het geluid van de ‘jongeren’ zou hierin aan bod moeten komen. Dit blad zou het stempel van Bavinck moeten dragen. Maar het oorspronkelijke doel veranderde al snel. Het was een orgaan niet uitsluitend voor de ‘jongeren’ geworden. K. Dijk was bijvoorbeeld redacteur, en die was toch echt geen representant van de beweging, evenals V. Hepp. Met name het beleid van Hepp betekende dat de ethisch-gereformeerde ‘jongeren’ steeds meer naar de achtergrond werden gedrongen. Onder zijn leiding kreeg De Reformatie een traditioneel-gereformeerd karakter. Hepp zou een belangrijke rol gaan spelen in het touwtrekken over de interpretatie van en legitimatie van de ‘late Bavinck’. Binnen de redactie bleven de twee stromingen.

Confessionele ‘beweging der jongeren’
De vernieuwingsbeweging binnen de GKN hield niet bij Geelkerken halt, toen hij in 1926 afgezet werd. Er kwamen anderen, die zich ook diepgaand met deze zaken bezighielden, maar tot een geheel ander oordeel kwamen. Één van hen was Schilder, die zich in zijn verdediging van de synode van Assen 1926 en in zijn verzet tegen Geelkerken níét tegen de vernieuwing in de GKN heeft gekeerd, maar gewerkt heeft aan de ontwikkeling van het gereformeerde leven. Mede door zijn arbeid groeide er een confessionéle ‘beweging der jongeren’.

Achterafstraatje
Klaas Schilder werd op 19 december 1890 te Kampen geboren in een gezin behorend tot de eenvoudige Kamper arbeidersklasse, de sigarenindustrie wel te verstaan. De werkweken in deze sector waren lang en de hygiënische omstandigheden slecht. Vader Schilder (Johannes) was namelijk een thuiswerkende sigarenmaker, voor wie een werkweek van 90 tot 100 uur normaal was. Het gezin leefde in de geur en in het stof van de tabak. Vader overleed in december 1896 ten gevolge van de Spaanse griep. De omstandigheden in het gezin waren van toen af moeilijk. Ze woonden in het achterafstraatje Houtwijk 3 met twee zonen van 9 en 6, in verwachting van een dochter. Ze moest in haar onderhoud voorzien en verdiende wat met naaien, boorden strijken en verstellen. Schilder heeft geen gemakkelijke jeugd gehad. Met respect denkt hij terug aan zijn moeder.

Minderwaardigheid
Al vroeg deed hij de ervaring op hoe wreed de jeugd onder elkaar kon zijn en hoe hij als sociaal minderwaardig werd beschouwd. In de eerste klas van het gymnasium zei de rector tegen de stille en verlegen Schilder dat hij in het vrije kwartier naar buiten moest gaan, omdat dit goed was voor zijn gezondheid. Toen hij zich bij zijn groepje klasgenoten wilde voegen, zei een zoontje van een dominee: ‘Ga jij maar naar je eigen soort’. Hij trok zich dat soort dingen erg aan. Schilders leven is nauw verbonden geweest met Kampen. Het was toen een geïsoleerde stad in een vergeten uithoek in Nederland. Kampen was rond 1900 maar klein. Het ademde de sfeer van een oud stadje met torens, poorten, pleinen en oude gevels. Sociaal-economisch klom de stad uit een diep dal. In 1800 telde Kampen 6500 inwoners, in 1900 al 20.000. Vooral de tabaksindustrie was hier aanwezig.

Voorzienigheid
Schilder was bijna níét gereformeerd geweest. Zijn vader behoorde namelijk tot de Ned.Herv.Kerk, zijn moeder was christelijk gereformeerd. Hervormd voelden ze zich steeds minder thuis, waarna ze overgingen naar de Gereformeerde Kerken in Nederland. Dus het is zijn moeder geweest die ervoor zorgde dat Schilder later kon zeggen dat het een ‘diepe weelde’ was om gereformeerd te zijn. Gereformeerd Kampen werd in 1835 gesticht door Hendrik de Cock. De Theologische School die er vanaf 1854 kwam, en waaraan vier docenten verbonden waren, zorgde voor de toen driehonderd leden tellende gemeente. Dus ze hadden geen eigen predikant, maar de vier docenten zorgden voor prediking en pastoraat en al het overige. Hierdoor ontstond een nauwe band tussen opleiding en kerk.

Gereformeerd Kampen
In 1864 ging men voor het eerst over tot het beroepen van een predikant: W.H. Gispen, de man van de opwekking te Vlissingen, de man van artikel acht (singuliere gaven). Voor hem zelf was de nauwe aanraking met de school een leerstoel voor geheel zijn leven. In 1873 werd hij opgevolgd door de autodidact J. Bavinck, vader van Herman, die ook al eens een verzoek om docent te worden had geweigerd. Met de Doleantie stonden er twee gemeenten naast elkaar: Burgwalkerk (A) en Hagenpoortkerk (B). In 1895 vond de samensmelting plaats, in 1900 telde de kerk 4000 zielen, met drie kerkgebouwen en vier predikanten. Dit was Schilders kerkelijke achtergrond. Een gereformeerde wereld was het, waarin Afscheiding en Doleantie waren samengevloeid en waarin kerk, christelijke scholen en Theologische School, studenten en docenten, predikanten en gemeenteleden een sterk gereformeerd kerkelijk bolwerk vormden.

G. Wisse
Van werkelijke invloed van de Kamper predikanten op de jonge Schilder is slechts sprake bij G. Wisse (1909-1912). In het gereformeerde Kampen, waar alles en iedereen ‘wel geloofde’, liet Wisse een prediking horen met een ontdekkend accent. Er ontstond een geestelijke opwekking. Bij hem heeft Schilder openbare geloofsbelijdenis gedaan. Ook volgde hij de cursussen van Wisse in de door hem opgerichte Vereeniging voor Christelijke Wijsbegeerte. Zo heeft Wisse bij Schilder belangstelling gewerkt voor allerlei filosofische, culturele en religieuze vragen. Wisse legde er tijdens de catechisaties de nadruk op dat het afleggen van belijdenis het zelfbewust aanvaarden van de doopverplichtingen inhoudt en accentueerde daarmee met name het verbond.

Met de vinger in de lucht
Schilder bleef op school niet onopgemerkt. Hij was ‘een klein, bleek, mager jog’, die ‘altijd weer de vinger in de hoogte stak om te bewijzen dat hij nog iets meer wist dan een ander’. Na de lagere school ging hij werken als loopjongen in een manufacturenhandel en daarna ging hij werken op een notariskantoor. Financiële mogelijkheden om hem door te laten leren had zijn moeder immers niet. Toen Schilder financiële steun kreeg kon hij alsnog naar het Gereformeerd Gymnasium. En dominee worden, dat wilde hij. Hij stond immers al in zijn vroege jeugd op een stoof te ‘preken’ en wilde vanaf zijn derde al predikant worden.

Schuchtere aard
De leerlingen van het Gereformeerd Gymnasium kwamen uit alle delen van het land. Het was in hetzelfde pand gehuisvest als de Theologische School. Schilder, ‘lichamelijk zwak’, was ook zwak in wiskunde: ‘…Die het in zijn bol had gezet niets voor wiskunde te doen’. De wereld van het gymnasium, die voor hem volkomen nieuw en vreemd was, verschrikte en boeide hem. Door zijn schuchtere aard stond hij er eerst naast. Hij was stil en verlegen. Wel haalde hij de hoogste cijfers voor Grieks en Latijn. Hij drong zich nog niet op, zijn klasgenoten lieten hem veel alleen staan. Het grote ontwaken kwam in de 4e klas. Hij werd anders, hij ging schreeuwen, werd brutaal soms. Hij ging zingen, dichten: het geniale brak door. Zijn stemmingen leefde hij uit op het orgel van de Burgwalkerk. ‘Wanneer we ’n gezellige avond hadden, ging hij vaak halverwege weg [om zijn moeder te helpen], want hij wilde niet dat zijn moeder zich zou overwerken voor hem’. De gymnasiasten werden aan regels onderworpen: zeilen en roeien op en zwemmen in de IJssel was niet toegestaan. Het lezen van romans onder de preek (!) evenmin. Toen de gymnasiasten – die altijd naast elkaar in de kerk zaten – te veel rumoer maakten, werd het naast-elkaar-zitten beëindigd.

Noordtzij en Lindeboom
Hoe stond de Theologische School ervoor? In 1902 vertrokken Bavinck en Biesterveld met 27 studenten naar Amsterdam: een flinke aderlating. Voor hen in de plaats kwamen H. Bouwman en A.G. Honig, samen met M. Noordtzij en L. Lindeboom die er al stonden. In 1903 waren er slechts 18 studenten, maar in 1923 al weer 100. De meeste invloed op Schilder zou dogmaticus Honig hebben, die Schilder uiteindelijk ook zou opvolgen, en daarna H. Bouwman. M. Noordtzij stelde tegen de aanvallen van de historische kritiek de organische inspiratie en de Schriftgebonden exegese. Ook zijn benadrukken van de openbarings-historische ontwikkeling van de Heilige Schrift is voor Schilders omgang met de Bijbel van belang geweest. L. Lindeboom was bezield, polemisch, vol initiatief en met een uitgesproken mening. Hij keerde zich tegen Kuyper en was conservatief ingesteld, behalve zijn ijveren voor het vrouwenstemrecht in de kerk en het nieuwtestamentische kerklied. Schilder leerde van de man die ‘zoo massief kon exegetiseeren’ diens eerbied voor de Schrift als het Woord van God. Het polemische, apologetisch en het brede van Lindeboom troffen Schilder. Een gevleugelde uitspraak van hem is: ‘De Doleantie heeft ons nodig gehad, maar wij ook haar; de Doleantie heeft ons gered’.

Bouwman, Honig en Hoekstra
H. Bouwman is vooral bekend van zijn Crisis der Jeugd en had een bevindelijke inslag. Het liefst preekte hij over Ps. 25, de verborgen omgang met God, het lijden, de vertroosting. In geestelijk opzicht heeft Schilder zich met Bouwman één gevoeld in de combinatie van klaarheid en warmte, van kennis van de zuivere leer en van de praktijk der godzaligheid. Hij was immers in het noorden van Groningen opgevoed in de geest van de Nadere Reformatie. A.G. Honig was een vredemaker, ‘die de Canones van Dordt onophoudelijk op de tafel der tijgenooten heeft neergelegd’. T. Hoekstra van de ambtelijke vakken probeerde de nieuwere psychologie in zijn vakgebied in te zetten. Hij heeft generaties van studenten leren preken. Zijn Gereformeerde Homiletiek is een handboek. Hij was een groot prediker en zocht een eenheid van explicatie en applicatie, van reflectie en beleving. Kenmerkend bij de opbouw van de preek waren het soms breed omschreven thema en de verdeling in punten. Schilder leerde van hem om ‘alle deelen van den tekst recht te doen’, het ‘voorkomt motto-prediking – dat schandelijk bederf – dwingt tot het laten spreken van den tekst, niet van den dominee, verhindert de in den grond oneerbiedige en ongereformeerde kapstokexperimenten, waarbij de dominee iets opmerkt “naar aanleiding” van een of ander bijbelwoord’.

Op de studentenvereniging
Zijn studie in Kampen zouden vijf bewogen jaren worden, een heel intensieve en explosieve periode in zijn leven. Vriendschapsbanden voor het leven werden gelegd, verwijdering werd hier en daar ook al zichtbaar. Een medestudent was onder andere J. Waterink. Voor het studentencorps Fides Quaerit Intellectum (FQI) schreef hij een behoorlijk aantal bijdragen. Schilder maakte in alle opzichten een grote ontwikkeling door, maar ook een diepe crisis. Hij stond in kennis en inzicht ver boven zijn medestudenten. Zijn studiegang verliep vlot en goed. Hij viel op. Op de studentenvereniging ging het niet altijd goed. Ruzies kwamen nog wel eens voor. Zo liepen de senaatsverkiezingen nog wel eens uit de hand, vooral toen een keer bleek dat J. Waterink op zichzelf gestemd had! Als Schilder optrad, was de verwachting altijd hoog gespannen. Zijn geestige zetten, zijn rake opmerkingen, zijn fijne woordspelingen lieten geen twijfel aan zijn zeldzame vindingrijkheid. Schilder kon niet tegen een oneerlijke, tweeslachtige houding, tegen intriges en diplomatie, tegen vriendjespolitiek en geschipper. Dan ‘brak’ er iets bij hem.

Diepe doorleving der dingen
Schilders in contact komen met de wereld bracht een diepe crisis en strijd. Hij zag en doorleefde de dingen diep, scherp en gevoelig. Het leven werd steeds meer een donker raadsel. Hij ging iets zien en verstaan van wat de mens is. Wisse’s aandacht voor filosofische en religieuze stelsels en stromingen in de 19e en 20e eeuw deed bij de jonge Schilder een snaar raken. Schilder noemde Wisse ‘mijn altijd gerespecteerde filosofisch-dogmatischen cursusleermeester’. Later zou diens overgang naar de CGK en zijn argumenten daarvoor Schilder ernstig teleurstellen. Schilder las Dante, Goethe, Strauss, Hegel, Nietzsche (Jezus als een bleke Galileeër), Anatole France (Christus als vijand der vreugde), Kloos (die vreugde verkoos boven de vaal bleke Christus), Kierkegaard, Dostojewski en Tolstoj. Laatstgenoemde zegt dat het ergste wat een mens kan overkomen is, wanneer hij meent zonder geloof te kunnen leven. Hij waarschuwt voor het ongeloof als een gevaarlijke toestand waarin een mens kan verkeren. Schilder kwam gelouterd uit deze geestelijke strijd. Hij kwam tot de overtuiging dat het subjectieve waarheidsbegrip van Kierkegaard onverenigbaar was met de waarheid van de Schrift. Hij heeft toen aanvaard dat geloof en religie objectief zijn, omdat ze aan de openbaring van God onderworpen moeten zijn en daaraan dienen te beantwoorden. Van deze vaste lijn zou Schilder in zijn leven niet meer afraken.

Eerst ratio, daarna gevoel
Schilder had een gecompliceerd karakter. Hij was eenvoudig, beminnelijk, hoffelijk, verlegen soms. Hij hield van het goede van het leven en had behoefte aan huiselijkheid en warmte. Zijn kritische instelling van geest bracht met zich mee, dat hij antithetisch voelde, dacht en zich uitte. De strijd om het bestaan heeft een stempel op zijn persoonlijkheid en karakter gedrukt. Hij leefde zwaar en tilde zwaar aan het leven. Hij had een sombere kijk op het leven en schaterend lachen kon hij niet. Hij leefde met een neiging naar het absolute en kon slecht relativeren, waardoor hij soms de humor miste. Zijn bovengemiddeld verstand bracht over hem een grote eenzaamheid. Schilder zocht naar waarachtigheid in het leven. Hij ervaart hoe vaak liefde onbeantwoord blijft. Het genie kent in alle hevigheid de geloofstwijfel. Zo ook Schilder. Het eerste artikel van Schilders hand ging over de vraag waarom ‘openhartigheid inzake de ervaring op religieus gebied (…) bij gereformeerden in het algemeen zo goed als niet gevonden wordt’. Tegenover mystieke ervaring en religieus subjectivisme stelde hij het gereformeerde geloofsgoed. De Bijbel moet voor de gereformeerde het één en al zijn. Schilder wilde geen dualisme tussen hoofd en hart. Er moest eerst een rationele zekerheid zijn, voordat het tot gevoelsmatige geloofsuitingen kon komen.

Van student tot predikant
Schilder heeft een grote maar ongelukkige liefde gehad, die voor zijn verdere leven mede bepalend kan zijn geweest. Zij had het uigemaakt omdat haar moeder het standsverschil te groot achtte. Schilder heeft zijn eenzaamheid, zijn geloofstwijfel en het verlies van zijn grote liefde overwonnen en op een hoger plan gebracht. Uiteindelijk zou Schilder trouwen met Anna Johanna Walter. Schilder legde in 1914 cum laude kandidaatsexamen af en maakte als student al naam; zijn grote gaven, ook op de kansel, werden bekend. Schilder, een slanke jongeman, was naar de mode van die tijd gekleed in een lange geklede jas, met een hoog gesloten boord, een bleek gelaat met hoog voorhoofd. Er kwam een beroep van Ambt-Vollenhove A, waar hij op Goede Vrijdag al eens gepreekt had over de tekst uit Ps. 22. ‘Gij antwoordt niet’. Hij had er nadruk op gelegd, dat voor de mens ‘de hoogste vreugde hierin gelegen is, dat God spreekt tot de mens’.

Overige
– J. Ridderbos denkt dat de indrukken van zijn jeugd heel belangrijk voor Schilder zijn geweest. ‘Een sterke band bond Schilder aan zijn moeder; van haar had hij het belang van de vertrouwelijke omgang met God geleerd. Juist omdat hij zelf de bevindelijke beleving van het geloof kende, wist hij wat de gevaren van de mystiek waren’. Hiertegen pleit dat Schilder de gevaren van de mystiek vooral in Vlaardingen en Gorinchen uit de praktijk van het kerkelijk leven heeft leren kennen.
– G. Wisse zegt: ‘Toen ik nog predikant in Kampen was, was Schilder er student; hij kerkte zeer veel bij me, en was een der op den voorgrond tredende studenten op den philosophischen cursus, dien ik daar destijds had opgericht.’
– Schilder voelde zich wel eens eenzaamheid in zijn studententijd, getuige deze passage uit een brief: ‘Het is soms zwaarmoedig de gordijnen ’s morgens te openen, vooral in bepaalde maanden van ’t jaar’.
– Schilders schoolresultaten voor Grieks, Latijn en vaderlandse geschiedenis waren het beste. Iets minder waren de cijfers voor Nederlands en de drie moderne talen; daarna volgden de exacte vakken.
– De vrouw met wie Schilder verloofd was geweest en die de verloving verbrak, zou in 1944 met de Vrijmaking meegaan.
– Kierkegaard had ook te maken gehad met een verbroken verloving, hoewel anders dan Schilder, maar ook zo ingrijpend. Kierkegaard schreef een dissertatie over het begrip ‘ironie’, vooral bij Socrates, Fichte, Schlegel, Tiech en Solger. De overeenkomsten tussen Kierkegaard en Schilder zijn opvallend.
– Schilder kreeg vier kinderen: Johanna Gretha (1915), Petrus Anthonius Catharinus (1917), Johannes (1920) en Eppie Jansje Hubertha Maria (1927).
– Een oudejaarspreek van student Schilder viel goed in de smaak: ‘Dat was een gloednieuw geluid. Weg met dat sentimentele: Uren, dagen, maanden, jaren vliegen als een schaduw heen’.

Vollenhove en Vlaardingen
Gij hébt…
De gemeente waarin hij kwam was een A-gemeente. Tijdens Schilders periode daar zou het nog niet tot vereniging komen met B. Schilder was qua tekstkeuze en uitwerking origineel. Zijn intredepreek begon hij met de woorden van Guido Gezelle: ‘O Christi kruis, doorprent mij diep met het bewustzijn mijner zending’. De tekst was 1 Joh. 2:20,27a. ‘Doch gij hebt de zalving van de Heilige en gij weet alle dingen. En de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft in u en gij hebt niet van node, dat iemand u lere’. Schilder zei dat hij de gemeente van het voorwerpelijke, van hetgeen zij wisten, steeds terug wilde leiden tot het onderwerpelijke, tot het beginsel van hun weten. Hij sprak de gemeente aan op wat zij objectief ook was: een gemeente die de zalving van de Heilige had ontvangen en daardoor op haar geloof kon worden aangesproken. Het moest na de dienst ‘niet zijn: hoe mooi was de preek, maar: hoe rijk was het Woord’.

Oorlog en vrede
‘De studie van theologie en wijsbegeerte, van de klassieke en moderne literatuur, van politieke en sociale vragen trok hem machtig aan. Daarbij kwam dat hij een journalistieke pen had. Maar de gemeente ging vóór. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij zich bezig met het vraagstuk van oorlog en vrede en leidde hij oorlogsbidstonden. Schilder stelde de vraag naar het ‘waarom’ van de oorlog en de dood aan de orde. Hij ging de moeilijke vraag naar de relatie tussen het handelen van God en de oorlogshandelingen niet uit de weg. ‘En nu? We roepen reeds meer dan een jaar; smeeken doen we dat de God des vredes moge ingrijpen in het al sneller voortrollende rad van den krijgswagen van den god des oorlogs; maar God antwoordt niet’. De eigenlijke en laatste fronten waren die van Christus en de antichrist, een thema dat een grote plaats in Schilders werk zou blijven innemen.

Origineel
Schilder was in zijn huisbezoek trouw, maar in het begin nog onzeker en schuchter. ‘Verlegen heb ik gegrepen naar het Woord, omdat ik geloofde, dat het Woord alleen het moest doen. Mijn verlegenheid werd zo verteerd door Gods gelegenheid’. We vragen ons af in hoeverre de gemeente de prediking van Schilder – door het hoge niveau ervan – heeft kunnen volgen en de inhoud ervan, die sterk voorwerpelijk was, zich heeft kunnen eigen maken. De gemeente kwam onder de indruk van inhoud, opzet en stijl. Zij hoorde preken over onbekende teksten en bij bekende teksten kwamen er gedachten naar voren die men niet eerder vernomen had. Het taalgebruik was barok. Preken was voor Schilder vooral het stellen van de mens voor de majesteit van God en het leiden tot Christus. Grote denkers en dichters kregen in zijn preekbouwwerk een plaats. Schilder preekte lang. Zijn tekstkeuze was meestal verrassend en de exegese nauwkeurig en uitgebreid. Zijn diepe bijbelkennis en enorme belezenheid kwamen goed uit de verf. Weinig preken in deze periode zijn bewaard gebleven. Hij schreef zijn preken, in tegenstelling tot het advies van Hoekstra, niet uit. Soms gebruikte Schilder een schets, gewoonlijk sprak hij zonder iets voor zich te hebben. Wel heeft hij van Hoekstra overgenomen om de inhoud van de tekst in een duidelijk thema samen te vatten en door een verdeling in punten het volgen makkelijk te maken. Schilders formulering van de punten was echter meestal ingewikkeld. Het was ook niet de voordracht die het in Schilders preken moest doen. Zijn uitspraak was slordig, gehaast en soms onduidelijk.

Combinatievermogen
Schilders combinatievermogen is opvallend. Hij wist door heel de Schrift verbindingslijnen te trekken. Zijn preken konden echt pastoraal van toon zijn. Hij wees de uitverkiezing en wedergeboorte als troostgrond aan. Geloofsgehoorzaamheid was een belangrijke term bij hem. Schilder wees in verband met dit geloofsvertrouwen alle subjectivisme af. Hij wees eigengerechtigheid én kerkelijke zelfgenoegzaamheid af. Het meest opvallende in Schilders preken is, hoe hij zijn hoorders telkens weer stelde voor de majesteit van God en diens openbaring. Al vroeg treft men bij Schilder de gedachte aan dat hemel en hel, verkiezing en verwerping gelijkelijk worden uitgewerkt. Het leerstuk van de predestinatie mag niet misbruikt worden om de mens van zijn verantwoordelijkheid te ontslaan of aan de prediking zijn kracht te ontnemen. Zoals God actief is in Zijn uitwerking van het ene dubbelbesluit, moet ook de mens actief zijn om de zaligheid te verkrijgen. Weliswaar betekende Gods soevereiniteit dat voor eeuwig over de mens was beslist, maar lijdelijkheid was uitgesloten. Tegen de remonstranten heeft hij het over ‘het toegeven aan de logische kracht der redeneringen. Mensenwerk. Dat is bij ons anders. Volgens ons moet de Heilige Geest het doen’.

Gemeente met gesloten aard
De uitgebreide Schriftuitleg en de dogmatische verwerking van de stof vormden de voornaamste elementen. Hij liet vooral de majesteit van God in Zijn openbaring zien, waardoor geloven op grond van het gepredikte Woord een sterker accent krijgt dan de subjectieve beleving van het geloof. Schilders preken waren dan ook niet primair pastoraal, ze waren wel actueel. Schilder stond er nauwelijks 2,5 jaar toen hij vertrok naar Vlaardingen A. Zou hij zich belemmerd hebben gevoeld door de gesloten aard van de bevolking en de dorpstradities? Het dorpje lag tussen de meren en de Zuiderzee tamelijk geïsoleerd. Financieel waren ze heel zuinig ingesteld, waardoor plannen om de kerk te verbouwen niet doorgingen. Verandering van standplaats was ook nodig, omdat het traktement wel heel laag was. Schilder zou nogal eens van standplaats verwisselen: zes maal in twintig jaar. Schilder wilde zijn vleugels breder uitslaan. De natuur van de omgeving boeide hem ook niet. Veel meer had hij behoefte aan cultuur. Schilder had behoefte aan mensen met wie hij spreken kon over studie, wetenschappelijke onderwerpen en de vragen en problemen van de dag. Hij nam afscheid met Nehemia 13:14,22b. ‘Gedenk mijner, mijn God, in dezen; en delg mijn weldadigheden niet uit, die ik aan het huis van mijn God en aan Zijn wachten gedaan heb. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God, en verschoon mij naar de veelheid uwer goedertierenheid.’ Nog vóór zijn vertrek drong Schilder er bij de kerkenraad op aan voor zijn opvolger het traktement te verhogen door in ieder geval boven het traktement een kindergeld toe te zeggen.

Vlaardingen
Vlaardingen was een nieuw begin. Hij heeft zich er kunnen ontplooien, maar kwam er ook in conflicten terecht. Het pastoraat eiste veel en de geest van gearriveerdheid baarde hem zorgen. Ook kwam hij in aanraking met een bevindelijke onderstroom. De ineensmelting van A en B vond pas na zijn vertrek plaats. Hij deed intrede met Openbaring 10:10,11. ‘En ik nam dat boekske uit de hand van de engel en at dat op; en het was in mijn mond zoet als honing, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter. En hij zeide tot mij: Gij moet wederom profeteren voor vele volken en natiën en koningen’. Het huisbezoek nam in het kerkelijk leven een grote plaats in. De ouderlingen gingen éénmaal per jaar hun wijk door en op de vergaderingen werden de aantekeningen daarbij gemaakt uitvoerig besproken. Schilder bezocht samen met een ouderling zes gezinnen per week.

Boven het gewriemel staan
Schilder had een hoog ambtsbesef. Hij heeft het ambt ook ervaren als een aanvechting. Zelf zag hij dit alles als een navolgen van Hem. Schilder lag niet altijd op één lijn met de kerkenraad. De kritiek uit de gemeente dat zijn preken te lang waren deelde de kerkenraad niet. Zijn preken werden vooral kritisch bekeken door mensen met een bevindelijke inslag die zijn preken niet zwaar genoeg vonden omdat hij geen voedsel gaf voor de ‘bekommerde ziel’. Schilder is scherp hierover: ‘Gelukkig de prediker, die ook zijn preken voor zijn God heeft leeren brengen en dan bóven dergelijk gewriemel staat.’ De kritiek op hem hinderde hem. Dan kon hij scherp worden en min of meer humoristische trekjes kregen een sarcastische ondertoon. Schilder voerde strijd om het werkelijk gereformeerde karakter van de kerk. Van formalisme en uiterlijkheden hield hij niet, ook niet in zaken van taal of kleding. Ook vond Schilder dat veel ouders hun kinderen ‘maar lieten begaan’. ‘Ouders, uw kinderen, uw kinderen!’ Schilder bepleitte maatregelen om de gemengde huwelijken tegen te gaan. Schilder doorzag lauwheid, verborgen achter een formeel goed kerkelijk leven. Zo signaleerde hij dat in de rijkere gezinnen de ouders hun zoon liever lieten studeren voor arts, advocaat of tandarts dan hem aan te sporen tot de keuze voor het predikantschap. Onder gereformeerde kerkmensen zag hij een soort deïsme opkomen: ‘Ze gelooven wel áán God, maar ze rekenen niet met Hem’.

Tegen de ongereformeerde bevindelijkheid
In Vlaardingen was een bevindelijke inslag aanwezig, die soms overheersend werd. Schilder verwierp de gedachte dat de vrome gedachten van mensen boven het Woord van God stelde. Schilders strijd tegen een zijns inziens verkeerde bevindelijkheid richtte zich ook tegen de avondmaalsmijding. Hij wilde het afleggen van belijdenis sterk verbinden met de toegang vragen tot het avondmaal. Kort na zijn komst in Vlaardingen schreef hij al dat het er niet op aan kwam ‘wat deze of gene zegt, maar wat Gods Woord eischt’. Schilder zag veel ongereformeerde kanten aan het bevindelijke geloofsleven. Schilder ontkende echter niet dat de geloofszaken niet buiten de mens omgingen. Daarvoor waren zijn omgang met en zijn verstaan en vertolking van de Schrift te levensecht. Hij vond altijd wel ergens een aanleiding om zich tegen de geloofsbeleving van bevindelijke kringen te keren: hij schreef artikelen over de lastering van de Heilige Geest, tegen angst, onzekerheid en ‘bekommerdheid’, tegen antinomianisme, lijdelijkheid en de vergeestelijking van de Schrift. Bekeringsverhalen vond hij ook niet goed: ‘Niet de Christus is dan het voorwerp van bewondering en dank en attentie, maar de mensch zelf’.

Kinderen van Dordt zijn
Schilders oog ging kritisch over het gereformeerde leven in Vlaardingen en regelmatig vond hij aanleiding om naar de pen te grijpen. De Eerste Wereldoorlog greep hem aan. Maar het had weinig veranderd: ze hadden ‘in meer dan vier jaren Gods stem gehoord in de gewelddadigheid van Zijnen donder’, maar ze gingen rustig weer over tot de orde van de dag. Godsdienstige stromingen buiten de kerk hield Schilder scherp in de gaten. De ‘nalatenschap van Dordrecht, de leer der verkiezing’, het ‘kinderen van Dordrecht’ zijn, waren voor hem levende werkelijkheden; maar hij bespeurde er in de Gereformeerde Kerken zo weinig van. Schilder kwam niet eenzijdig vanuit het systeem van Kuyper of de theologie van Bavinck. Hij kwam vanuit de Schrift, met een wezenlijke originaliteit.

‘De christelijke gereformeerde scheurkerk’
Schilder keurde het bestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken af. Hij vond ook dat ‘men meer en meer moest leren breken met de valsche leuze, dat “in den hemel niet zal gevraagd worden naar deze of die kerk of naar A en B”. Staat er niet dat alle dingen onderzocht zullen worden en dat er geen ding verborgen zal blijven?’ Schilder zei: ‘Wie niet met Christus vergadert, die – verstrooit’. De CGK noemde hij ‘de christelijke spelonk van Adullam’ (negatief bedoeld) en hij vraagt zich af ‘of we soms kerkje gaan spelen?’ Daarom heeft Schilder het ook over de ‘christelijke gereformeerde scheurkerk’. Schilder zag de voortzetting van 1834 langs 1892 lopen. De separatie van de CGK achtte hij zonde. Schilder wilde een zichtbare eenheid. Hij wilde uitdrukkelijk geen vertegenwoordiger zijn van de traditie der Afscheiding waar hij uit voortkwam, ook al kwamen de eerste drie kerken die hij diende uit de Afscheiding.

Het goed recht van het gereformeerde vooroordeel
Schilders eerste publicaties betreffen bijdragen aan de brochure-reeks Ons Arsenaal, waarin moderne ontwikkelingen in kerk en theologie aan de orde worden gesteld. Dit was een gereformeerd wapen tegen allerlei goedkope brochures uit socialistische kring. Schilder schreef in 1918 een brochure over de Darbisten. De inzet was actueel: hij bracht het verschil onder de noemer van het conflict tussen ideaal en werkelijkheid. Was er na de Eerste Wereldoorlog ook onder jong-gereformeerden, niet een zoeken naar een ideale kerk en samenleving? In de brochure Tegenstrijdigheden in den Bijbel? Wees hij Schriftkritiek van de hand, tekstkritiek niet. ‘Een gezonde tekstkritiek is de grootste vijand van de bijbelkritiek’. Kenmerkend was zijn beroep op het ‘gereformeerde vooroordeel’: de Heilige Schrift is een eenheid en altijd waar. Hier komt zijn later breed uitgewerkte gedachte naar voren, dat God Zich in Zijn spreken aan het bevattingsvermogen van de mens aanpast en Hij Zijn openbaring weliswaar niet adequaat, maar wel altijd zuiver geeft. Dit geloofs-vooroordeel: het gezag en de onfeilbaarheid van de Schrift, was voor Schilder begin- en eindpunt.

Wat is de hel?
Schilder bezag de Eerste Wereldoorlog in een apocalyptisch licht. Hij had al vroeg iets profetisch. Schilder had sterk het gevoel te staan ‘op het breukvlak van twee eeuwen’. Het ‘christelijke’ Europa is bezig ‘zichzelf uit te moorden en te ontkrachten en dat straks de machten van de heidenen zich werpen zullen op onze matte volkeren’. In dit klimaat is het boekje Wat is de hel? ontstaan. De wereld was in deze tijd vol van ‘ondergangsstemmingen’. Ondanks algemene ontkenning van de hel, kwam het vraagstuk weer in de belangstelling te staan. Een schrijver uit die tijd schreef treffend: ‘Geloof jij niet in de hel, waar je toch eigenlijk midden in zit?’ Schilder zegt onder andere over de hel: ‘De dreigende klanken der aloude helle-voorzeggingen vinden weerklank in de wereld-consciëntie.’ De hel – niet geschapen tegelijk met de wereld, maar na de zondeval ontstaan; meer dan alleen een toestand, óók een plaats – was zijns inziens een realiteit, maar moest tevens symbolisch worden verstaan. Schilder beschouwt de hel als een plaats van activiteit: de zielen slapen niet. Ook in de hel zal God verheerlijkt worden. Schilders denken over de hel is er één van strenge logica. Hij heeft ook veel ontleend aan Dante, wiens fantasie hij verwierp, maar wiens logica hij tot de zijne maakte. Schilder verwierp de gedachte van vernietiging of wederherstelling van alle dingen en kwam uit bij Gods welbehagen. Niet voor niets eindigt het boek met de woorden ‘eeuwig recht’. In een recensie was Hepp kritisch. Hij vond Schilders manier van schrijven te exuberant en te onrustig. Dit was de eerste ontmoeting tussen Hepp en Schilder in de pers en het verschil tussen beiden is direct opvallend.

Overige
– Over Vollenhove: ‘Tien jaar geleden werd hier anders gepreekt, toen deden de zalige nieten van Schortinghuis nog opgeld. Sinds Schilder hier is en we zondag op zondag de rijke Woorddienst ontvangen, is de geest hier totaal veranderd’.
– Over Schilders prediking in Vollenhove: ‘Hij trok van paradijs naar Paradijs machtige, grote lijnen, rechtdoor, ongebogen.’
– In Vollenhove ging bij Schilder ‘een toenemende neiging tot meer luxe openbaren’. Dit moet niet geïnterpreteerd worden in de richting van het zich graag geven óók in de mooie dingen van het leven. Hij zocht niet naar de luxe, maar de expansie.
– Schilder had in Vollenhove ook een beroep ontvangen om zendingspredikant te worden. Hij nam dit beroep echter niet aan wegens het feit dat zijn vrouw een verblijf in de tropen ontraden werd.
– Het algemene beeld van Schilder is, dat hij typische een exponent van de Afscheidingstraditie is. Dit is niet zo. Vanaf 1934 pas ontwikkelt Schilder zich steeds meer in deze richting.
– Schilder had het in de eerste jaren nogal moeiljk met de tekstkeuze. ‘Als ik zaterdagvond om negen uur in de pastorie kwam, zei hij meer dan eens: “Geef me eens een tekst voor morgen”. Met z’n werkzame geest had hij misschien wel meer dan 10 teksten geëxegetiseerd, maar tot een keuze was het niet gekomen.’ Soms zette Schilder de wekker daarom maar op 3 à 4 uur in de morgen.
– ‘Het maken van preken heeft Schilder geen grijze haren bezorgd. Ik betwijfel of hij wel ooit een tekst heeft moeten zoéken. (…) Een gedeelte uit de Schrift, als was het bijwijlen slechts één zinnetje, sprak hem dadelijk aan’.
– Bij het jubileum van een broeder, die een keer in zonde was gevallen en daar zijn leven lang op aangekeken was, liet Schilder bij de opening van de bijeenkomst zingen: ‘Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven.’ Daar was moed voor nodig. Schilder schafte de openbare schuldbelijdenis bij het ‘moeten trouwen’ af. Hij zag dat daardoor mensen zelfs een leven lang van het avondmaal wegbleven.
– In zijn eerste predikantsjaren bestreed hij dat gegevens van de geologie in overeenstemming met de Bijbel te brengen zouden zijn, onder andere het bestaan van een mensheid vóór Adam. Hij ging in op de betekenis van de woorden ‘woest en ledig’. Telkens valt hierbij op, dat Schilder geduldig luisterde naar de Schrift en hamerde op de noodzaak van exegese om zodoende de bijbeltekst recht te doen.
– Schilder pleitte al in 1919 voor een nieuwe Bijbelvertaling, omdat hij de Statenvertaling wetenschappelijk niet meer bij vond zijn.
– In de samenbesprekingen tussen A en B in Vlaardingen vond Schilder dat de eis van Gods Woord voorop diende te staan, maar de kerkenraad vond dat het beter was ‘in vrede naast elkaar te wonen dan samen te wonen in ruzie en onvrede’.
– Schilders werkwijze in discussies met anderen bestond uit een nauwkeurige analyse van alle argumenten van de tegenstander; hierdoor werd de hoofdzaak nogal eens naar de achtergrond geschoven.
– Teksten uit Openbaring speelden een grote rol in zijn prediking.
– In Vlaardingen ligt het begin van Schilders heilshistorische, eschatologisch gerichte prediking.
– Schilders vrouw is ‘onbesproken, stil en bescheiden, beweegt zich niet veel.’

Gorinchem en Delft
Gorinchem
In september 1919 vertrok Schilder naar Gorinchem. Hij nam afscheid met Openb. 22:17a. ‘En de Geest en de bruid zeggen: kom!’ Later zei Schilder over Vlaardingen: ‘Het was daar dat ik voor ’t eerst met eigen oog gezien heb de armoede van de mystiek en den grooten rijkdom van de kerk en de kracht van het Woord’. In Gorinchem bestond de kwestie van A of B niet. Wel waren het aantal afgescheidenen het tienvoudige van de dolerenden. De bevindelijke inslag van de Alblasserwaard en de Vijfherenlanden overheerste dus. De gemeente telde ongeveer 1000 leden, maar het groeide in zijn tijd tot 1200. Intrede deed Schilder met Openb. 1:17a. ‘En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten’. Schilder zag de kerkbode als een onderdeel van de gehele gereformeerde pers en als een middel tot christelijke arbeid in het brede verband van de samenleving. Het redigeren van de kerkbode was voor Schilder een geliefde bezigheid. Schilder werkte hard; de notulen spreken van tussen de 60 en 70 huisbezoeken per maand. Schilder kreeg te maken met een bevindelijke inslag in de geloofsbeleving. Er waren nog restanten van oude gezelschappen, die de kerk meden. Schilder pleitte ervoor om censuur op hen toe te passen om hen zodoende te bewegen weer in de kerk te komen. De kerkenraad hield het echter bij een beleid van ‘voorzichtigheid en lankmoedigheid’. Tegen de geest en tegen het taal- en bijbelgebruik van deze bevindelijke kringen schreef hij Kerktaal en Leven in 1923. Schilder is hierin soms fel van toon.

Tegen Het Zoeklicht
Tegen het subjectivisme en cultuurverachting verzette Schilder zich, maar ook het ‘enthousiasme’ van de Maranatha-beweging. Schilder pleitte voor een ander taalgebruik in de kerk. ‘Hoe leeft onze taal? Waar zijn onze levende bruisende woorden? Waar is onze nieuwe taal voor Gods eeuwig Woord?’ Schilder wilde ‘eenvoudige natuurlijkheid’, niet de ‘nette’ taal van een dode orthodoxie. Een nieuwe, levende taal is nodig. Schilder waarschuwde tegen het blad Het Zoeklicht met diens ‘chiliastische bespiegelingen’ en ‘ongemotiveerde toekomst-droomen’, ‘bijbel-geknoei’ en het ‘scheurmaken’. ‘Als dan de Anti-christ komt, dan kan hij Het Zoeklicht vriendelijk bedanken, omdat het in de naam der eenheid – gelijk de “Darbisten” – heel langzaam en velen heeft verstrooid’. Schilder hekelde de ondermijning van het kerkelijk besef en de onhoudbare bijbeluitleg. Ook noemde hij het ‘eschatologische hysterie’, en stoorde hij zich aan het feit dat men het Koninkrijk búíten de kerk zocht. Schilder besluit: ‘De beste voorbereiding voor de toekomst is: in het heden uw plicht doen’.

Tegen de christelijk gereformeerden
Ook met de christelijk gereformeerden bleef in de pers de strijd gaande. Schilder bestreed de typische christelijk gereformeerde gedachten als het ‘krijgen’ van teksten en van ‘innerlijke werkzaamheden’ buiten de Schrift om. Hij ontkende ten stelligste dat in de Gereformeerde Kerken een geest van rationalisme zou heersen. Schilder vond dat de kerken zó dicht bij elkaar stonden, dat ze niet gescheiden mochten optrekken. Dit kwam zijns inziens door het ontbreken van de liefde en het wantrouwen van de christelijk gereformeerden ten opzichte van de veronderstelde wedergeboorte, wat ze foutief interpreteerden als iets dat ‘gereede aanleiding geeft, dat velen met een ingebeelden hemel verloren gaan’. In deze tijd stond Schilder nog niet afwijzend tegenover de gedachte, die achter de leer van de veronderstelde wedergeboorte lag. Ook de kloof tussen de ARP en de SGP achtte hij ‘verdeeldheid zonder oorzaak’ en vond dat dit ‘moest worden tegengestaan als eigen werk des duivels’. De SGP noemt hij een partij ‘die in de antirevolutionairen veel kwaad ontdekt heeft, die ook in de Gereformeerde Kerken bijna alles te licht vindt’.

Schilder en Wisse
De overgang van G. Wisse naar de CGK bezag Schilder kritisch, maar toch ook mild. In de gereformeerde pers werd ongemeen fel gereageerd op deze stap van Wisse. Deze verdedigde zich met een beroep op persoonlijke overtuigingen, in hem gewekt of liever plotseling gerijpt door zeer intieme geestelijke ervaringen. Wisse had ervaringen naar aanleiding van Ps. 17:3. ‘Hoog bezoek in geheimnisvolle uren’, zo noemde Wisse dat. Schilder veroordeelde dit als een subjectivistisch element. ‘Ds. Wisse heeft eigen persoonlijke ervaring, eigen subjectief beleven verheven tot norm en maatstaf van objectieve waarheid’. Schilder was bang voor zulke ‘groote woorden’. Schilder schreef niet lang hierna zélf een meditatie over Ps. 17:3, waarin hij in plaats van Wisse’s ‘bézoek’ ‘ónderzoek’ zag. Wisse vond deze meditatie spottend. Hierop voelde Schilder zich weer gekrenkt en werd zijn toon feller. Vooral het oncontroleerbare subjectivisme speelde in deze discussie een grote rol. Tussen Schilder en Wisse is hierna nog tweemaal contact geweest. Na de schorsing en de afzetting van Schilder in 1944 schreef Wisse hem een brief en enkele jaren later, toen Wisse in Kampen was uitgenodigd een lezing te houden, zocht hij Schilder thuis op.

Wisse waardeert Schilders eerlijkheid wel
Schilder sprak over de spiritualiteit van G. Wisse dat ‘veel bijbelteksten uit ons onderbewuste leven in het bovenbewustzijn zijn binnengesmokkeld, en dus niet door den Heiligen Geest “toegepast”, maar door eigen fantasie opgediept en door den duivel tot verkeerde, onschriftuurlijke handelingen aangewend zijn als immers “goddelijke” argumentatie’. Wisse zegt in 1949 dat toen hij christelijk gereformeerd werd, ‘Schilder geweldig tegen mij gefulmineerd heeft in zijn kerkelijke courant. Maar dat neem ik hem niet al te kwalijk. Zelf schreef hij mij destijds, dat hij dit deed (en dat geloofde ik) uit liefde. Want hij kon het niet van me hebben, dat ik, één zijner oud-leermeesters, de Geref.Kerk verliet. Fiat. Ik kan daar wel tegen; liever zóó, dan die onwaarachtige gehuichelde sympathie en “likkerij”’.

Waardering van zijn prediking
In Gorinchem vonden velen hem te geleerd. Dat blijkt onder andere uit de catechisaties die niet goed bezocht werden. De jongelui moesten bij hem namelijk veel leren. Hij zelf liep dan door het lokaal terwijl hij de Catechismus uit het hoofd citeerde. Hij sprak het liefst met de catechisanten over de preken van de afgelopen zondag. Openbare geloofsbelijdenis betekende bij Schilder niet een aangenomen worden als lidmaat, maar een toegang vragen tot het Heilig Avondmaal. Schilders prediking vond de kerkenraad ‘rijk aan gedachten’ en ‘aan de Schrift ontleend’, maar men gaf de dominee de raad zo te preken, dat de inhoud ‘onder ieders bereik’ kon vallen. Sommigen misten er ook de oude A-toon in. Voor Schilder stond de menselijke ervaring niet op de voorgrond, maar de beloften van God die in het geloof aanvaard en gehoorzaamd moesten worden. Van zijn hoorders verwachtte hij inspanning onder het luisteren, want ‘eenvoudig’ te preken wenste hij niet. Trouwens wel in het kleine dorpje Spijk, behorend bij Gorinchem, preekte hij eenvoudig. Maar hij zei daarbij dat hij zich zou schamen als hij zó zou preken in de stadsgemeente Gorinchem.

Schilder en de ‘beweging der jongeren’
Hoe ging Schilder om met de ‘beweging der jongeren’? Hij deelde hun kritiek niet. Hij vond dat ze maar uit waren op ‘nieuwigheidsnieuwigheid’, ‘en men doet aan alles álles, als ’t maar niet oud is’. Hun motto is dan ook: ‘Vooral geen dogmatiek meer!’ Schilder is er later wel meer genuanceerd over gaan denken. Hij zag ook de andere kant: ‘Het denkend percentage der menschheid is niet zoo groot (…) De jongeren, die critiseeren, hebben tenminste nog belangstelling. Maar de anderen, de critiek-loozen, interesseeren zich voor niets meer’. Dan denkt hij met name aan bevindelijk-gereformeerde kring. Schilder was duidelijk wél door de vragen van de ‘jongeren’ aangeraakt, maar hij ging op een geheel eigen wijze met die vragen om. Waar de ‘jongeren’ meer de richting van een ethische Schriftbeschouwing uitgingen, koos Schilder een geheel eigen weg. In de jaren van de Eerste Wereldoorlog leefde men onder de indruk van het chaotische en grillige verloop van de wereldgeschiedenis. Het is dan ook niet vreemd, dat juist in die tijd bij Schilder grote aandacht is ontstaan voor de geschiedenis van de eschatologie. De Openbaring van Johannes heeft hem enorm geboeid en aan de hand van dit bijbelboek begon hij over de leer van de openbaring en over de theologie van de geschiedenis na te denken. Het was de vraag of juist deze dingen in de kring van de ‘jong-gereformeerden’ leefden, maar Schilder probeerde wel met de eigentijdse vragen bezig te zijn.

Naar Delft
Begin 1922 nam Schilder een beroep naar Delft aan (na onder andere voor Brussel bedankt te hebben). Hij preekte afscheid over Hebr. 12:26,27. ‘Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog éénmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel. En dit woord: Nog éénmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn’. Waarlijk een originele tekst! Als thema koos hij: ‘De heerlijkheid van de toekomstige beweging aller dingen’. Samenvattend kunnen we over zijn tijd in Gorinchem zeggen dat hij steeds meer naam maakte als publicist. Hij koos zijn eigen fronten en was daarin geen uitgesproken respresentant van de ‘jong-gereformeerden’. Uit zijn pen vloeide een enorme variëteit aan onderwerpen. Hij ontwikkelde hierin een eigen stijl. In de vernieuwing van het gereformeerde leven stond hij nog dicht bij Hepp. Van enig conflict was nog geen sprake. Door zijn eigen stijl in optreden, prediking en geschriften miste hij wel aansluiting bij het traditionele kerkelijke patroon in Gorinchem.

Diep graven in de Schrift
Delft telde 4000 gereformeerden. De geest van de Vrije Universiteit was overheersend. Schilder deed intrede met Hebr. 12:25. ‘Ziet toe, dat gij Dien, die spreekt, niet verwerpt’. Hij zei daarin onder meer dat ‘heel de Schrift één voortdurende afbuiging naar onze menselijkheid’ is. Opvallend genoeg werden de wijken in de gereformeerde kerk van Delft ‘parochies’ genoemd. Per parochie waren dan tien ouderlingen aangesteld. Er waren drie wijken. Het was een periode van bloei. Schilder spreekt zelfs van ‘een intense opleving (…) Het vuur van partijstrijd was daar pas gebluscht en er was een vruchtbare bodem voor kerkwerk’. De kerkdiensten duurden bij Schilder twee uur en waren altijd overvol. Van zijn hoorders vroeg hij veel, van zichzelf ook. In zijn intredepreek had hij dit al aangegeven: ‘Zo mag dan de prediker niet ophouden met à l dieper te graven in de Schrift.’ Later zou Schilder zeggen: ‘Het meest heb ik den rijkdom van het preeken genoten in Delft en dat lag mee aan mijn gevoeligheid voor inrichting en grootte van een gebouw’.

Schilder in de kerkelijke pers
Landelijk kon hij in de pers zijn stem laten horen in De Bazuin, waarvan hij vanaf 9 juli 1921 medewerker was en de rubriek Op en Om Ons Erf verzorgde, flitsen uit het kerkelijk leven, meestal voorzien van een kort commentaar. Bij de oprichting van De Reformatie in 1920 trad hij daar tot de kring van medewerkers toe. Hij zag de oprichting als ‘een daad’, en roemde haar poging om ‘de jonge mensen trachten te behouden voor het oude geloof’. Mederedacteur was V. Hepp, die als opvolger van Herman Bavinck aan de VU zou komen. Schilder roemde hem in deze tijd nog hoog. In Delft nam Schilders journalistieke en publicistische arbeid enorm toe. Eerst verzorgde hij naast artikelenseries en meditaties de Kroniek voor De Reformatie. Hij gaf het eerste stukje de titel ‘Agathei tuchei’: op goed geluk af, of: in vredesnaam dan maar. Acht maanden verzorgde hij deze rubriek, het laatste stukje droeg de titel ‘Feestelijk uitgang’, om daarmee aan te geven dat hij het helemaal gehad had met deze rubriek. Hij vond dat ‘de mogelijke nuttigheid’ van deze rubriek niet ‘opwegen tegen de werkelijke schade aan tijdsverlies’). Later verzorgde hij de Persschouw. Deze rubriek verzorgde hij tot zijn dood. Schilder hield de pers goed bij. Elke week werkte hij twintig à dertig bladen met de gehele kerkelijke en politieke pers door voor deze rubriek.

Front tegen de SGP
In het christelijk dagblad van Delft en omstreken schreef hij en in het AR-blad Hou Koers. Verder werkte hij mee aan een christelijk gezinsblad: Op den Uitkijk. De grote hoeveelheid artikelen, meditaties en uitgaven in boekvorm moet Schilder zoveel tijd hebben gekost dat het zelfs voor hem niet altijd eenvoudig zal zijn geweest al dit werk te combineren met het predikantschap in de grote stad. Schilder zag de pers als middel om invloed uit te oefenen, gedachten te scherpen en het eigen beginsel uit te dragen. Daarom kon Schilder over kerkbladen spreken als een wonder van Gods voorzienigheid. Maar als de pers zich in anti-christelijke richting zou ontwikkelen, konden de gevolgen ontzettend zijn. Schilder polemiseerde in Delft regelmatig tegen de SGP en haar vertegenwoordigers de predikanten P. Zandt en G.H. Kersten en tegen de Hervormd Gereformeerde Staatspartij van ds. C.A. Lingbeek. Hij verwijt de SGP te leven van het negatieve, de grote vragen van kerkvorm en schoolstrijd te laten liggen en te weigeren om in een anti-christelijke wereld één front te maken met de ARP. Hij vond dat ze van kleinigheden een beginsel maakten. Schilder verzette zich tegen het ‘veel gedweep met de vaderen’, en had zelf de geschriften van de Nadere Reformatie niet nodig. Hij zag meer in Calvijn en wilde daar op voortbouwen.

De SGP heeft alleen maar negatieve kritiek
Schilder had veel kritiek op de SGP. Het was een partij die niet meer wist wat gereformeerd is. Ze hebben ook ‘geen positief beginsel; ze worden alleen bijeen gehouden door negatieve kritiek op anderen (…) Arm volk, dat zoo geleid wordt (…) Maar over hun laster zal eens het oordeel gaan’. Schilder laakte de houding van de SGP, die alleen op het vierde gebod lette in verband met de zondagsheiliging en de stelregel huldigde: ‘Laat al die verwaterde medechristenen maar verder verwateren en scheidt u af en laat hen over aan ’t verderf en stemt op ons, staatkundig-gereformeerden’. Voor Schilder waren alle geboden even heilig en de kern van het vierde gebod lag voor hem in de houding die men aannam ten opzichte van de kerkdienst. Met vele citaten uit Smytegelt bracht hij zijn mening naar voren.

Kierkegaard en Nietzsche
Schilder sneed in De Reformatie thema’s aan die in het denken van Kierkegaard een belangrijke plaats innamen, zoals eenzaamheid, verworpenheid, het absurde en de angst als ‘oerelementen’ van het menselijk zijn. Geloven betekende een sprong doen in het gebied buiten alle redelijke denken, zo dacht Kierkegaard. Weliswaar moest de bidder vastheid zoeken in het Woord, maar het geloof blééf een sprong. Voor Kierkegaard was de sprong-gedachte met betrekking tot het geloof belangrijk. Schilder verwierp evenals Kierkegaard de esthetische visie op Christus. Christus vroeg niet de bewondering van de mens, maar diens verbrijzeling. Juist als lijdende was Christus de overwinnaar. Dit bracht Schilder tot een scherpe aanval op Nietzsche, die spotte met ‘de bleeke Jezus’, die alleen maar lijden wilde. Het sterven van Jezus was geen levensmoeheid, maar sterke daad. Schilder kwam in al deze overdenkingen naar voren als iemand die in tegenstellingen dacht. Die tegenstellingen werden opgeheven bij het kruis.

Klacht over de christelijk gereformeerden
Schilder heeft zich gegrepen gevoeld door het laatste bijbelboek, mede door de tijd waarin hij leefde. De werkelijkheid had in en na de Eerste Wereldoorlog demonische trekken vertoond en de geschiedenis was een chaos gebleken. Schilder kon de 19e-eeuwse gedachte – ook door Kuyper uitgewerkt – dat de kosmos een systeem van rationele waarheden en de openbaring een organisch systeem bevatte, niet meer tot de zijne maken. In de reeks Ons Arsenaal schreef Schilder over Vrijmetselarij, Gereformeerd Farizeïsme? Zijn de Gereformeerden de Farizeeërs van dezen tijd? (tegen de vanzelfsprekendheid en verbondsautomatisme) en Dr.A. Kuyper en het ‘Neo-Calvinisme’ te Apeldoorn veroordeeld? (naar aanleiding van een rede van J.J. van der Schuit; Schilders betoog was een ernstige klacht, dat allerlei aanklachten en beweringen van de christelijk gereformeerden het kerkelijke leven bedierven en het streven naar eenheid in de weg stonden; hij achtte het bewust tegenhouden van eenheid ‘obstructie tegen den Geest der profetie’, en hij zegt: ‘Maar laat men van “breuken” alléén spreken, waar de rotsen scheuren en de aarde beeft en God de voren diep heeft getrokken. Want de kerk moet jagen naar eenheid. En tot het jagen naar eenheid is een eerste vereischte: de waarheid zeggen, al is ze hard en verdrietig te zeggen’).

Schilder en de NCRV
Toen V. Hepp en J.G. Geelkerken in discussie kwamen over toneel, schreef Schilder dat hij plaats zag voor een christelijk toneel. ‘Maar ik acht het tevens tamelijk wel onbereikbaar’. Schilder zag vanaf het begin het belang van de radio in. Hij waardeerde ‘de draadloze’ dan ook als één van de eersten positief en behoorde tot de oprichters van de NCRV. Over toneel en radio was lang niet iedereen zo positief. Maar volgens Schilder is een christen ‘niet meer de angstvallige onthouder, doch de rustige genieter’. Schilder bleef tot de Tweede Wereldoorlog lid van het Algemeen Bestuur van de NCRV en was ook regelmatig op de radio te beluisteren. Na de oorlog hield dat natuurlijk op. Schilder wilde eens een preek voor de radio niet uitgeven, want hij wilde niet de verdenking op zich laten dat hij voor de radio beter zijn best deed dan voor zijn eigen gemeente. Schilder wees er op dat de NCRV de gescheidenheid van de kerken niet sanctioneerde, omdat binnen de NCRV het kerkelijk vraagstuk buiten bespreking werd gelaten. Schilder wilde er dan ook voor waken dat de NCRV tot een soort boven-kerkelijk instituut zou worden’.

Weet jij het nu heusch alleen?
Na drie jaar in Delft te hebben gestaan vertrok Schilder naar de veel kleinere kerk van Oegstgeest. De hoeveelheid persarbeid viel voor hem moeilijk te combineren met het veeleisende predikantswerk in een grote stad. Het is ook de vraag of de collegiale verhoudingen wel zo optimaal waren. Zo zei een collegapredikant eens tegen hem: ‘Deugt iemand niet, als hij niet voor jouw wagen loopt? Weet jij het nu heusch alleen?’ Een reden om Delft te verlaten is zonder enige twijfel verdere studie geweest.

Overige
– In zijn tijd in Gorinchem streed Schilder voor eerlijkere traktementen.
– ‘Dat we nog zooveel lijdelijkheid zien, dat is ook een teeken der tijden. Vooral in onze actieve zonde-eeuw’.
– Schilder ging niet heen om de kritische vraag welke bladen de kerkmensen lazen. Hij vond het onwaarachtig, wanneer in gereformeerde kring neutrale of anti-godsdienstige bladen werden gelezen.
– Schilder stond voor nieuwe dingen open; hij pleitte bijvoorbeeld voor een jeugdouderling.
– Van het zingen van gezangen wilde Schilder geen partijstrijd of kenmerk van orthodoxie maken.
– Toen in Delft een nieuwe gereformeerd kerkgebouw werd gebouwd, stemde de kerkenraad in meerderheid tegen een uitnodiging naar de hervormde gemeente om bij de opening aanwezig te zijn.
– Een recensent: ‘De brochure is op zijn Schildersch! Forsch, krachtig, pittig, argumenteerend.’
– Schilder over de tekstkritiek: ‘Wij, Gereformeerden, aanvaarden niet, dat in de oorspronkelijke handschriften die fouten gestaan hebben’. Schilder beriep zich hier op L. Lindeboom, die de mogelijkheid open liet, dat een afschrijver fouten gemaakt kon hebben.

Oegstgeest en Rotterdam
Oegstgeest als kwelling
Schilder was de eerste predikant voor Oegstgeest, waar ruim 400 leden waren. Het groeide voortdurend. Een uit de hand gelopen conflict over de kerkbouw heeft tot gevolg gehad dat er van Schilders studieplannen veel en veel minder terecht kon komen dan hij zich had voorgenomen. Later noemde hij Oegstgeest zelfs zijn ‘vexatorium’: vagevuur! En toen hij later briefpapier van de gereformeerde kerk van Oegstgeest onder ogen kreeg, krabbelde hij daar bij ‘brrrr…’. Tussen Schilder en de kerkenraad was de verhouding echter goed. Schilder preekte intrede over 1 Kor. 2:9. ‘Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben’.

Dichtbij universiteitsstad Leiden
Over Schilders periode in Oegstgeest is weinig bekend. Hij wilde promoveren. Daarom ontzag de kerkenraad hem zoveel mogelijk wat betreft het huisbezoek: hij hoefde slechts éénmaal per jaar zijn gemeenteleden te bezoeken. De helft van de gemeente dweepte met hem, terwijl de andere helft hem verguisde. Wanneer hij de kerkelijke verenigingen bezocht, las hij zijn kerkelijke bladen en dagbladen en deed dan ook nog aan de besprekingen mee. Zijn vrouw liet zich in de gemeente weinig zien. Tot zijn grote spijt heeft Schilder in Oegstgeest zijn studie niet kunnen realiseren. Oegstgeest bood Schilder tevens gelegenheid om contacten te leggen met de Leidse Universiteit. Bij professor Eekhof aan huis heef Schilder Karl Barth een keer ontmoet. Schilder onderhield ook goede contacten met de gereformeerde studenten, de Leidse afdeling van de Societas Studiosorum Reformatorum (SSR). Schilder werd daar zelfs bij zijn eerste optreden daar tot ‘geestelijk leider’ benoemd. Schilders verdedigen van de besluiten van de Asser Synode van 1926 maakte hem impopulair in de studentenkring.

Openheid naar de wereld tegengaan
In Oegstgeest heeft Schilder veel gepubliceerd. Zijn aandacht richtte zich vooral op vragen van literatuur, esthetiek en Christusbeschouwing. Het was een confrontatie met literatuur en kunst. Een romantische en esthetisch levensgevoel was aan Schilders persoonlijkheid niet vreemd. Hij wenste alles te normeren aan de Schrift. Daarom kwam het tot één grote confrontatie mét die literatuur. In gereformeerde kring kwam steeds meer openheid naar de wereld. Schilder heeft zich daarom ingezet voor een eigen gereformeerde literatuur- en kunstkritiek. In 1948 verscheen Bij Dichters en Schriftgeleerden. Hij benadrukte de realiteit van satan. Het was voor hem een kwestie van evangelie of geen evangelie: door de werkelijkheid van satan te verkondigen kon hij de historiciteit van Christus prediken. Een andere thematiek was ‘Onze Psalmberijming’, waarin hij 1773 bekritiseerd. Deze berijming doet volgens hem te kort aan het geopenbaarde Woord. ‘Onze huidige psalmberijming moet weg’, zo was zijn stellige overtuiging.

Tegen het subjectivisme en individualisme
Schilder heeft het subjectivisme afgewezen en gezocht naar de juiste verhouding tussen God en mens. Hij wilde consequent uit de openbaring denken. Zijn oppositie tegen subjectivisme en individualisme bracht hem er toe zijn uitgangspunt te nemen in de openbaring alleen. God was het object van het geloof, Christus het object van de prediking. Schilder wilde niet dat de gelovige in angst en onzekerheid op zichzelf werd teruggeworpen en daarom bepaalde bij hem de openbaring en het historisch christendom. Evenmin wenste hij dat de vrome mens en zijn bevindelijk leven vol subjectief getuigen en gevoel centraal zou komen te staan. Om die reden was het van het grootste belang dat Christus het voorwerp van het geloof bleef en accentueerde hij het Pinksterfeest. Zo is ook zijn verzet tegen groeperingen en sekten buiten de kerk te verklaren. Uiteindelijk kwam dan de mens op zichzelf te staan, zo zag hij.

Tegen Karl Barth
Het kruis hield geen schoonheid in, maar betekende een verschrikkelijkheid: Christus was de Man van smárten. Het moest om ‘de hele Christus’ gaan die tot de hele christen inging. Een scherpe aanval op de ethische Schriftbeschouwing deed Schilder in zijn bespreking van het boek van dr. H.Th. Obbink en dr. A.M. Brouwer, Inleiding tot den Bijbel. Schilder zocht ook de confrontatie met Karl Barth op. Hij verwierp radicaal het door Barth (en Haitjema) gehanteerde openbaringsbegrip – het paradoxale karakter van de waarheid. Hij zag hierin een retour naar Kierkegaard. In de Gereformeerde Kerken werd vrij algemeen de theologie van Barth afgekeurd. Men zag er niets anders in dan modernisme in een orthodox gewaad. F.W. Grosheide, nieuwtestamenticus aan de VU, wees de Römerbrief van Barth op exegetische gronden af. V. Hepp leek eerst Barth wel te waarderen, maar daar kwam aan het eind van de twintiger jaren een einde aan. Hij ging hem in het vervolg sterk afwijzen. G.C. Berkouwer, destijds predikant in Amsterdam-Watergraafsmeer, schreef in De Reformatie, in een boek en in zijn disseratie over Karl Barth.

Barth’s openbaringsbegrip aangevallen
Het meest consequent in zijn afwijzing van Barth’s theologie is Schilder geweest. Met name Barth’s openbaringsbegrip bekritiseerde hij. Schilder typeerde Barth als navolger van Kierkegaard. Deze had de waarheid van het christendom buiten de regels van de logica laten vallen en dus paradoxaal gemaakt. Barth’s ontkenning van de immanentie zou volgens Schilder leiden tot deïsme. ‘God heeft niet alleen blikseminslagen te werpen, die in de horizontale wereld inslaan; Hij gaat ook met wolk- en vuurkolom mét ons de horizontale kronkelwegen van woestijnen door.’ Voor Schilder was er geen verzoening mogelijk tussen wat hij zag als de klassieke gereformeerde theologie en het Barthianisme. De paradox die Barth zag werd volgens Schilder dankzij de ‘klaarblijkelijkheid’ van de openbaring, door het gelovig-denkend verstand opgeheven. ‘Calvijn zegt: het geloof is geen “sacrificium intellectus”: het offert het redelijk denken niet op.’ Haitjema kon niet zo goed tegen Schilders kritiek, want hij schreef aan hem: ‘En mag ik U, nu ik U toch schrijf, tevens nog eens den collegialen raad geven U ietwat te matigen in Uw zwaar fanatieke ontboezemingen ten aanzien van mijn theologische inzichten?’ J.J. Buskes noemde Schilders verzet tegen Barth ‘uitingen van een farizeeuwschen Assergeest’.

Voor de betrouwbaarheid van Gods openbaring
Voor Schilder was inzet van de strijd de betrouwbaarheid van Gods openbaring. Schilders uitgangspunt was, dat kennis van God, zoals Hij werkelijk is, mogelijk was door de Heilige Geest. Barth’s gebruik van het begrip ‘paradox’ in de openbaringsleer vond Schilder ‘de opheffing van de grondwet van ons redenerend denken’ en de uitschakeling van elke mogelijkheid van een historia revelationis. Christus komt als een ‘plof’ uit de hemel vallen bij Barth (dit zijn woorden van dr. W. Aalders). In positieve zin werkte Schilder de ‘klaarblijkelijkheid’ van de openbaring en de ‘doorzichtigheid’ van de Schrift nader uit door te wijzen op Gods accommodatie en het wezen van Christus’ onderricht als kénbare leer. Schilder won veel aan inzicht door een intensieve Calvijnstudie. Vanuit het grondmotief schepping-val-verlossing verwierp Schilder de dialectische theologie, want er kon geen sprake zijn van enig dualisme tussen natuur en genade. De stelling van Barth was, dat waar openbaring was geen geschiedenis kon zijn. Bij Barth lag dan ook de onmogelijkheid van de historiciteit van de heilsfeiten. Het heil in Christus hield immers een absolute eenmaligheid in! Het gevolg van dit alles was dat Barth een nog krachtiger pleidooi hield voor heilshistorische prediking. Barth koos positie in de volstrekte antithese tussen tijd en eeuwigheid, mens en God, waardoor God als de volstrek Andere de grote crisis over al het menselijke en al het historisch gewordene bracht. Gods oordeel was voor Barth geen oordeel over het historische gewordene als zodanig, maar over de zónde in de historie.

Schilder over Geelkerken
Schilder toonde zich een verdediger van Assen 1926. Hij meende dat alleen zó een ethische Schriftopvatting en de vervorming van de kerk tot een kring van gelijkgezinden kon worden tegengegaan. Schilder, die eerst zijn hoop had uitgesproken op een goede oplossing, werd in de loop van de tijd een steeds sterkere tegenstander van Geelkerken. Assen 1926 bracht teweeg dat Schilder met grote nadruk de historiciteit van de openbaring, de feitelijkheid van het heil in Christus en de voortgang van Gods werk door de eeuwen heen naar voren schoof. De historiciteit van de Schrift werd gehandhaafd. Hij was daarmee een exponent van een gereformeerde Schriftuitleg, die zich op het standpunt stelde, dat het geloof voor de uitleg van de Schrift zijn eigen wetenschap meebracht en niet te verzoenen was met een evolutionistisch denken. Het ging Schilder niet om letterlijkheid – dat achtte hij mechanische binding – maar om het laten staan van de feiten in hun historische (volg)orde. Schilder zag het gezag van de Heilige Schrift en haar betrouwbaarheid in het geding.

Schilders hartstocht voor de kerk zichtbaar
Schilder heeft de positieve betekenis van ‘Assen’ gezien en verdedigd. Geelkerken was er volgens hem niet voldoende van bewust dat zijn visie verregaande consequenties had. Evolutie of revelatie – tot die tegenstelling was voor Schilder de kwestie voor het grootste deel te herleiden. Schilder vond dat de Hersteld Verbanders hun eigen verleden verloochenden en de Gereformeerde Kerken scheurden. Schilder waarschuwde ervoor dat de katholiciteitsgedachte werd losgelaten en dat er een geest van separatie kwam. ‘Laat ons bang zijn voor den “geest” van het schisma (…) En laat ons geen gezelschapjes maken (…) Daar is de kerk, ginds de secte.’ Rondom de scheuring en het ontstaan van het Hersteld Verband kwam Schilders hartstocht voor de eenheid en de breedte van de kerk naar boven. ‘Wie de rivier Gods liefheeft, versmade het kanaal, dat de vaderen groeven, niet’. Schilder zegt verder over Assen 1926: ‘Assen heeft het ongeluk gehad dat het conflict op een paar “bizonderheden” werd toegespitst, en dat dus de synode, die immers geen theologische conferentie, maar een uit het leven zelf opkomend geschil behandelend college was, wel gedwongen werd, voor die “bizonderheden” alle aandacht te vragen, en daarover tenslotte speciaal te spreken. De oppervlakkigheid van het lezend publiek, die over openbaringsvragen gauw heenloopt, maar over een “slang” en een “paar bomen” vol praatstof vergaren kan, deed de rest, om dan de indruk te vestigen, alsof de zaak afgehandeld was met een exegese van bepaalde teksten. Dat was jammer, maar het feit lag er eenmaal toen.’

Naar Rotterdam-Delfshaven
Schilder wilde het vraagstuk rondom de nieuw ontstane kerk slechts in één dilemma bezien: uit God of uit de duivel. Hij moest niets van een ‘clubgeest’ hebben. Toen de VU zich niet in alle opzichten gebonden voelde met de uitspraken van de Asser synode kwam het tot de eerste aanvaring tussen Schilder en Hepp. In 1928 kwam het beroep naar Rotterdam-Delfshaven, wat werd aangenomen want van de voorgestelde studie in Oegstgeest was weinig terecht gekomen. De afscheidstekst was Matth. 5:37. ‘Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen, wat boven deze is, dat is uit de boze’. In het licht van alle verwikkelingen en strijd in Oegstgeest rondom bijvoorbeeld de voorgenomen kerkbouw was dit een scherp woord. Schilder ging naar Rotterdam-Delfshaven, ‘om weer eens fijn te kunnen preeken in groote gebouwen, die het preeken zoo gemakkelijk maken’. Rotterdam telde in 1928 bijna 600.000 inwoners en was vanaf het einde van de 19e eeuw enorm gegroeid. Schilder werd predikant in Rotterdam-West, een wijk van arbeiders en middenstanders. Rotterdam-West omvatte het Oude Westen, Spangen, Oud-Mathenesse en Delfshaven. De gemeente telde 8000 zielen, vier predikanten en vier kerkgebouwen. Intrede deed Schilder met Jesaja 8:16,18a. ‘Bind het getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen. Ziet, ik en de kinderen, die mij de Heere gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël’.

‘Het was machtig’
Schilder was door zijn optreden een predikant die imponeerde en die in de persoonlijke omgang grote uitstraling had. De kerken waren overvol en met de indruk ‘het was machtig’ zijn velen uit de kerk gegaan. Het was de inhoud die boeide en die ook werd verstaan. De hoorders kregen de indruk dat preken voor Schilder iets was, dat hij met overgave en bezieling deed. In de kerkdiensten ‘werd hij gegrepen, meegevoerd, door de majesteit Gods, door de macht van Christus’ werk, door het geweld van het Woord. Hij vroeg van zijn hoorders onvoorwaardelijke onderwerping aan Gods openbaring in Christus. Zijn preken stootte hij uit als een eis, een bevel, waarop enkel een ja of een neen mogelijk was.’ Veel meditaties en voorstudies publiceerde hij in de plaatselijke kerkbode, zoals latere boeken Tusschen ‘Ja’ en ‘Neen’, Christus in Zijn Lijden en Wat is de hemel? Schilder polemiseerde ook hier weer met christelijk gereformeerden, die hem wel van hem zeiden: ‘U is een vervelend mensch. Hetgeen ik al wist.’ Schilder betoogde dat zegen samenhing met gehoorzaamheid en dat juist de vraag van de gehoorzaamheid tussen de GKN en de CGK lag.

Tegen de veramerikanisering van het leven
Gezag en realiteit waren de centrale thema’s van het boek Tusschen ‘Ja’ en ‘Neen’. Opstellen als ‘Calvijn en de geloofsparadox’, ‘Het Satanische: Spel of Ernst?’ laten de breedte van Schilders denken zien. Vooral eerstgenoemd opstel is belangrijk. Schilder schreef over theologie, psychologie en filosofie. Hij hoorde bij mensen als Freud en Spengler de roep om de ideale, naïeve, religieuze mens, die weer in een harmonische verhouding met God, zichzelf en de natuur zou leven. Schilder beoordeelde dit als een 20e-eeuwse reactie op de moderne cultuur van techniek en gekunsteldheid, van de ‘oververmoeide mensch’, die zich verzette tegen de ‘veramerikaniseering’ van het leven. Dit zoeken was voor Schilder terugkeer tot het eigen mensheidsideaal en protest tegen de openbaring. Onderwaardering voor de openbaring zag Schilder ook in de bevindelijkheid, waar uitgangspunt in de innerlijke beleving werd gekozen en niet in Gods openbaring. Valse mystiek noemde Schilder het. Openbaring was voor Schilder de ene, grote heilsgeschiedenis, waarin de gelovige was opgenomen. ‘Maar de valsche “mystiek” laat de lijn van verbintenis aan de doorlopende openbaringsgeschiedenis rustig los’. Er moest volgens Schilder een zuivere relatie zijn tussen object en subject. Dus: het zwaartepunt in de objectieve gave van Gods openbaring. Schilders aandacht voor de psychoanalyse en de school van Freud was een diepgaande confrontatie, die hij ‘een oorlog op leven en dood’ noemde. Freud psychologiseerde de religie volkomen weg. Schilders plaatste de openbaring tegenover de vicieuze cirkel van de psychoanalyse.

Christus in Zijn lijden
Schilder driedelige werk over het lijden van Christus was ‘een gevaarlijk experiment’. Vooral vond Schilder het een ‘nadeel, dat je niet altijd de stemming hebt’ om erover te schrijven. Ook zijn stenografe maakte nogal wat fouten en begreept de stof vaak niet. Over de recensies was Schilder niet erg te spreken. Vooral de kritiek van G. Wisse raakte hem. Die zei: ‘Meermalen zeg ik: mooi gedacht, frappant raak enz., maar soms denk ik zoo tegelijk: gold het nu maar niet den persoon van den Heere Jezus’. Schilder vond dit een ‘anti-gereformeerd zinnetje’. Een andere predikant vond het ongepast om te spreken over ‘Christus onder de bandieten’ en ‘Christus onder den katastrofalen vloek’. Schilder voelde zich weer gepasseerd, er buiten staan en onbegrepen als het om de gereformeerde wereld ging. In deze jaren heeft Schilder de Schriften geopend op een voor die tijd unieke wijze. Hij heeft alle nadruk gelegd op de openbaringshistorie en de samenhangen in heel de Schrift. Voor zijn trilogie Christus in Zijn lijden is het uitgangspunt dat de Schrift een eenheid vormt. Men moest ‘den bijbel niet lezen als een verzameling van losse stukken en boeken, maar als een éénheid’. De Heilige Schrift was naar Schilders overtuiging geen verzameling verhalen van bijbelse geschiedenissen, maar één geschiedenis. Elk ‘punt’ in een ‘lijn’ moet worden gezien in zijn onmiddellijke eenheid met alle andere ‘punten’ van die ‘lijn’. De (heils)geschiedenis heeft één middelpunt: Christus. Over Schilders gewaagde taalgebruik in Christus in Zijn lijden zegt iemand: ‘Het klinkt te ongewijd. Maar toch maken zulke opschriften u benieuwd om te weten wat er mee bedoeld wordt’. K. Dijk wierp de vraag op: ‘Spreekt hier niet veel meer Schilder dan de Schrift?’ G. Wisse zei: ‘Daar is iets moois in, maar ook wel eens iets dat afstoot (…) Als dan telkens van die “moderne” termen en woorden worden gebezigd, dan voelt dat mij althans niet stichtelijk genoeg aan.’

Afwijzing van de exemplarische prediking
Schilder is dus dienstbaar geweest aan de vernieuwing van de prediking. Hij vond dat de inhoud van heel Gods openbaring de lijdensprediking moest beheersen. Over Golgotha zegt hij: ‘De invoering van dit eene moment in heel den gang, heel den voortgang van het werk des heils, zooals dat op den eenen “jom Jahwe”, den ongebroken “dag des Heeren” zich voltrekt van den beginne der wereld aan tot aan het einde toe’. Schilder Schriftuitleg staat haaks op een verstarde orthodoxie en een esthetische Christusbeschouwing. Ook wees Schilder de exemplarische methode van Schriftuitleg af. In veel prediking kregen de bijbelfiguren met hun zielsconflicten en gewetensverharding veel aandacht. Zij hadden een illustratief doel en werden mensen zo als men ze dagelijks om zich heen zag. Dit vond Schilder vol willekeur. Op gewrongen wijze moest de prediker naar verbindingen, die vaak onhistorisch waren, met Christus zoeken. De prediking werd al snel moraliserend en er was sprake van de-historisering van de tekst. Naar het inzicht van Schilder moest in ieder verhaal Christus worden gezocht en wat Hij van ogenblik tot ogenblik ondervond. Schilders studie van de lijdensgeschiedenis heeft hem veel geleerd: ‘Ik heb Golgotha leeren zien, zooals ik nog nooit tevoren gezien had (…) Heel Zijn lijdensgang door, is Hij van dit drievoudig ambt de volstreke en enige ware drager geweest’. De trilogie is volgens W.J. Kooiman ‘intellectueel scherp ontledend en tegelijk vol gewogen mystiek. Nuchter en verrukt in éénen.’ We zien ‘het dogma een gedicht worden’. ‘Hoewel boven-paradoxaal, toch nederig-geloovig. (…) Een juichend drama’.

Geen detail in de Bijbel overbodig
Schilder zag de gevaren van een psychologische Schriftverklaring, waarbij figuren uit de Schrift alle aandacht kregen en er parallellen werden gezocht tussen hun ondervindingen en die van de gelovigen. Waar onderwerpen behandeld werden als ‘zielsgeschiedenissen, bekeeringsprocessen, hoogmoedsverdwazingen, gebedsverhooringen, en al wat er zooal meer een mensch kan overkomen’, verdween de Christus-prediking (‘Wij gaan droomend den bijbel langs; zien geen concrete situaties meer’). Wie preken wilde over ‘zielkundige onderwerpen’ moest volgens Schilder teksten kiezen die God daarvoor gegeven had. Schilder was er ook op tegen dat sommigen stelselmatig bepaalde bijzonderheden uit het lijdensevangelie oversloegen. Volgens Schilder bestonden er geen toevalligheden in het ‘evangelische bericht’. Geen detail valt buiten het lijden van Christus. Schilder legde bij voorkeur geen lange verhalen of perikopen uit, maar maakte meestal gebruik van korte teksten, zodat er ruime aandacht kwam voor het detail. Schilders bijbeluitleg was heilshistorisch. Dit had tot doel te laten zien dat de Schrift niet vele, losse verhalen bevatte, maar één verhaal, de ene geschiedenis van Gods steeds verder voortschrijdende openbaring.

Schilder als (s)preker
Schilders preekstijl ‘ging soms gepaard met bepaalde onestethische kwaliteiten. In het vuur van zijn rede zette hij de handen in de zij (…) en dan was het een schouwspel dat meer interessant dan aantrekkelijk was.’ Schilder heeft zijn uitspraak nooit gecultiveerd; die bleef slordig. Hij sprak gehaast, jakkerend soms, en slikte gauw lettergrepen in. Het was dus de inhoud, die boeide en die over de hinder van de gebrekkige articulatie wel heenhielp.’ Soms sprak Schilder ‘zelfs zo gehaast, om toch maar alles te kunnen zeggen, in de beperkte tijd van twee uur, wat er in zijn boordevolle hart lag opgestapeld.’ Schilder had de kleine luyden onder zijn gehoor en die hingen aan zijn lippen. ‘Met hén had hij contact, zoals hij zelf verklaarde. Zij zullen waarschijnlijk ook wel niet altijd alles begrepen hebben. Maar wát zij begrepen was, dat het Woord geopend en verklaard werd en dat was de greep naar hun hart, en dat hart begreep het toen ook’. Nooit schreef Schilder zijn preek uit, hoogstens hanteerde hij een blaadje: ‘Dan frommelde hij, eenmaal op de preekstoel, uit een of ander vestzakje een stukje papier, waarop zijn tekst stond aangegeven met de psalmen, die hij wenste te laten zingen’. Schilders diensten duurden twee uur, maar ‘nooit verviel hij in herhalingen. (…) Hij had radio- of krantennieuwtjes niet nodig om “actueel” te zijn en ook de jongeren te boeien.’ Het gebeurde nog wel eens dat Schilder door ‘de begeerte het allemaal te willen uitzeggen over zijn woorden struikelde. Zijn gehele lichaam transpireerde er bij en hij had vaak meer dan één glas water nodig om in conditie te blijven.’ Er zijn ook negatieve geluiden over Schilders prediking: ‘…las hij toen Zondag 31 voor, over de sleutelen des Hemelrijks. Droog als een notaris.’ Merkwaardig was dat hoe zwaar geladen zijn preken ook waren en hoe geconcentreerd hij zich instelde op zijn stof, in het kerkgebouw hem toch niets ontging. ‘Hij zag álles’. Schilder preekte liever ’s middags of ’s avonds dan in de morgenuren.

Overige
– Schilder was voor vrouwenkiesrecht, omdat zo meer mensen gemobiliseerd konden worden in de politieke strijd.
– Schilder sprak duidelijk de wens uit naar het zingen van gezangen in de eredienst. Hij vond de gereformeerde kerkdienst ‘kunst-loos, vaak zelfs anti-aestehtisch’. Het orgelspel was meestal slecht en de liturgie zeer eentonig. ‘Toch zou ik voor mij ontzaglijk veel voelen voor een kort en teer orgelspel na de preek’.
– De passage ‘al Uw baren en al Uw golven zijn over mij heengegaan’ (Ps. 42:8) wilde Schilder uitsluitend christologisch lezen.
– Iemand noemde Schilders periode in Oegstgeest ‘een periode van alleen maar moeilijkheden’.
– Schilder noemde Barth ‘troetelkind van velen’ en verwachtte voor het calvinisme meer van Emil Brunner.
– ‘Laat het Calvinisme – dat van huis uit internationaal is – zich weer ontplooien buiten onze grenzen; laat het de frontieren overgaan. Laat het zijn dogma uitwerken, zijn Christus zeggen en noemen in de taal van den tijd’.
– Over de kanon vond Schilder ‘een beroep op de voorzienige leiding van den Heilige Geest, ook bij het werk der vaststelling van den kanon, een zeer natuurlijk uitvloeisel van zijn aanvaarding der theopneustie’.
– ‘Elk anthropomorphisme is een noodmaatregel, het bewijst onze armoede; het is een goddelijke consesie aan onze grovigheid’.
– De Korte Verklaring noemt Schilder ‘een architectonische en monumentale eenheid, een teeken van gezonde ontwikkelingskracht’.
– Schilder keerde zich tegen Geelkerken en het blad Woord en Geest, waar men de ‘gedachten van Barth’ en de ‘Bavinck-geest’ wilde vasthouden’. Dat kon volgens Schilder niet samengaan.
– Over Schilders prediking: ‘Altijd weer kwamen zelfs de wonderlijkste zinnen, taalkundig normaal en gehoorzaam aan de taalwetten op hun pootjes terecht’.
– Schilder hield hele plakboeken met recensies bij.
– ‘Schilder is nu eenmaal…Schilder. Hij is ’n persoonlijkheid. Hij bezit ’n ruime mate van oorspronkelijkheid. Hij zegt het op zijne wijze’.
‘Menig orthodoxe preek draagt, juist bij het behandelen van historische teksten, gereformeerde rechtzinnige gedachten aan, doch neemt die niet uit den afgelezen tekst, doch, integendeel, uit andere Schriftgedeelten. Dat is dan vrijzinnig in methode’.
– ‘Christus heeft geen biografie. Hij is als mensch geheel in het werk van God verslonden’.
– ‘Daar zijn er, die over het bloed van Christus meestentijds zoo spreken, dat men den indruk krijgt, dat vrijwel heel het lijden van Christus voor hun begrip ópgaat in bloedstorting. Voor den geestelijken strijd, voor de levenslange ambtsbediening van den Christus, voor Zijn zielsconflicten, voor de spanning van Zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid, ook waar deze nog niet eenig lichamelijk letsel Hem doet, hebben zij doorgaans geen oog’.
– Buskes sprak steevast van Gereformeerde Kerken O.V. en H.V. (Oud Verband en Hersteld Verband).
– Buskes zag dat de GKN intern diep verdeeld waren: ‘En straks komt het groote conflict. Het kan niet uitblijven. De strijd is niet over heel de linie uitgestreden. De strijd is zelfs op het specifiek kerkelijk terrein niet uitgestreden. Assen was nog maar voorpostengevecht’.
– ‘In de kerk gaat het niet om broertjes van ons, doch om de broeders van onzen Heere Jezus Christus’.

Promotiestudie
Studieverlof; naar Erlangen
Schilder kreeg van midden 1930 tot begin 1933 studieverlof om te gaan promoveren. Met enkele onderbrekingen was hij de meeste tijd in Erlangen. Schilder ervoer het dat ‘mijn wegen zoo geleid [werden], dat de mogelijkheid tot promotie openkwam’, wat hij niet meer verwacht had na zijn vertrek naar de grote stadsgemeente. Schilder had hier en daar al eens informeel kenbaar gemaakt dat hij promoveren wilde en bovendien drong de tijd: in 1933 moest de synode een vervanger voor Honig in Kampen (dogmatiek) benoemen. Algemeen werd Schilder als diens opvolger gezien, maar promotie was vereist. Zo ontstond het plan om studieverlof aan te vragen. In Kampen was promoveren nog niet mogelijk, aan de VU wel, maar daar wilde Schilder niet omdat zijn relatie met Hepp niet goed was (Hepp had bijvoorbeeld geëist dat Schilder de studie in de dogmatiek vanaf het eerste jaar moets overdoen, te beginnen bij Hepp’s eigen dogmatiek-dictaten. Daaraan kon Schilder, gezien zijn eigen reeds omvangrijke theologie oeuvre én zijn ambtelijk werk als predikant, niet voldoen). Daarom ging hij naar Duitsland: Erlangen, bij Neurenberg in (het rooms-katholieke) Beieren, een lutherse universiteit, voortgekomen uit een door Hugenoten opgerichte Academie. Daar betrok hij dan ook een gemeubileerde kamer. Er werden enkele ‘financiers’ gevonden die Schilder financieel ondersteunden.

De opkomst van het nationalisme en nationaal-socialisme
In Erlangen moest Schilder twee semesters – halve jaren – de colleges aan de filosofische faculteit volgen (want hij ging in de filosofie promoveren). Met twee hoogleraren kreeg Schilder vooral te maken: Otto Stählin en Eugen Herrigel. Aan de universiteit was het nationaal-socialisme al sterk doorgedrongen toen in 1933 de nazi’s de macht grepen en meteen een verplicht college-uur over de geschiedenis van de nationaal-socialistische beweging doorvoerde. Schilder leefde met de kerk in Erlangen mee. De eerste maanden was Schilder er enthousiast, het leven daar was voor hem iets geheel nieuws en het boeide hem buitengewoon. Schilder was ook kritisch, met name tegen het sterk opkomende nationalisme na de Eerste Wereldoorlog. ‘Het is een mooi volk, quoad naturam. Maar dat was Tyrus ook: mooi. En tenslotte is het dus allemaal tragisch’. Met belangstelling volgt Schilder de politieke gebeurtenissen. Hij neemt zelfs in gebrekkig Duits deel aan een debat, waarin hij wees op de onverzoenlijke tegenstelling tussen kruis en hakenkruis en met grote ernst wees op de dodelijke bedreiging die het hakenkruis vormde voor het kruis. Schilder denkt in juli 1932 nog van de nazi’s dat ‘hun groote opmarschtempo nu wel gebroken schijnt te zijn’.

Onderwerp: de paradox
Schilder was met zijn promotie-onderwerp bijzonder tevreden: ‘Zooeven een thema afgesproken voor diss. De paradox! Niet door mij gevraagd (expres niet), doch door den eventueelen promotor (Herrigel, philosoof hier, geweldig!) opgegeven, nadat hij mijn boeken had doorgezien (ik heb ze expres daartoe meegenomen).’ Schilder ging aan de slag. ‘Ik weet niet hoe sterk jij je voelt in de philosophie, maar ik voel me zwak. (…) Ik ploeter zoo af en toe in Kant, maar het is nog machteloos vechten’. Wie exemplaren van toen doorgenomen boeken ziet, treft veel aanstrepingen en omkringelingen, waaruit blijkt dat Schilder het woord voor woord heeft uitgeplozen. Niet in alles voelde Schilder zich thuis in Duitsland. Hij hekelt een ‘applaus-schreeuw-vergadering’ en kan het niet laten te zeggen dat ‘een volk dat Calvijn niet kent, erg veel mist’. Schilder volgde per week elf uur college en studeerde daarnaast voor zijn dissertatie, die hij tegelijkertijd ook schrijven moest; daarmee schoot hij niet erg op. Ook het vinden van een vertaler wilde niet erg lukken (Schilder beheerste het Duits niet goed genoeg). Schilder zou uiteindelijk niet zozeer na een schitterende studiegang, maar via een voor hem lange en moeizame weg promoveren.

Lauwe zondagen in Duitsland
Vooral de zondagen waren voor Schilder eenzaam en vol verlangen kon hij dan denken aan de kerkdiensten in Nederland, die hij in Duitsland zo miste. ‘O wat is de kerk ’n zegen, de lange avonddienst. Je weet niet hoe miserabel hier de zondagen zijn’, zo schrijft hij aan zijn vriend C. Veenhof. Schilder stoorde zich aan de preken die werden gehouden. Hij miste de exegese, hij hoorde niet spreken over God en Christus; hij beluisterde alleen een gerichtheid op het ik van de mens. In Nederland ontstond in 1930 een conflict binnen de redactie van De Reformatie. Schilders positie was daar mede in het geding, maar hij kon de ontwikkelingen slechts uit de verte volgen. Spannende tijden dus. Waterink liet doorschemeren dat er aan de VU plannen waren om Schilder, als hij gepromoveerd was, ‘te vragen voor elenchtiek, ethiek en nog een vak, die ik werkelijk vergeten ben’. Maar Schilder kon niet geloven dat de VU hem ooit voor een professoraat zou vragen. Schilder kon niet aannemen ‘dat de domineerende geest aan de VU mijn geest kan verdragen’. Van Gunning kreeg Schilder overmatige lof. Hij vond dat je Schilder gerust in één adem mocht noemen met Kuyper en Bavinck.

Schilders kerkvisie verder uitgewerkt
Toen Schilder even in Nederland terug was mengde hij zich direct weer in allerlei kerkelijke kwesties. Hij begon in deze tijd met steeds meer nadruk de vraag naar de kérk te stellen en met name naar de kerk als geloofsstuk. Hij bestreed de neiging om buiten de kerk naar een eenheid te streven, terwijl men in de kerk dit vraagstuk liet liggen. De boodschap van de kerk moest zijns inziens meer zijn ‘dan een neutraal preekje over hoe-ik-in-den-hemel-kom.’ Schilder keerde zich tegen het annexeren van allerlei kerken buiten de GKN van de naam ‘gereformeerd’, terwijl men het vraagstuk van de kerk vermeed. ‘De strijd begint pas. “Wilt gijlieden ook niet heengaan?”’. Het eerbiedigen van elkaars standpunten vond Schilder ‘onzin, èn zonde’. ‘We moeten (…) elkaars standpunten toetsen aan Gods “nooit genoeg” geëerbiedigd recht’. Sommigen noemden dit ‘verharding’, maar Schilder vond deze positie heilige plicht. ‘God straft de zonden van de kerk-verscheurders in het derde en vierde lid, èn over hèèl de linie (…) De bezoldiging der zonde is de dood, en die der kerkverscheuring is de kerknegeering’. De kerk als geloofsstuk werd volgens Schilder bewust vergeten en ingeruild voor het ‘zichtbare’, het ‘onbereikbare’ of voor de ‘oecumenische waardeering’: dit laatste werd door Schilder het ‘gemeene zweven’ genoemd.

Het funeste woordje ‘nog’
Voor interkerkelijk evangelisatiewerk voelde Schilder weinig. Schilder vond dat het kernpunt niet was ‘gelooven in den Heere Jezus, maar concreet u laten inlijven in de kerk, naar haar jongste ontwikkelingsphase, adres daar en daar, en nergens anders’. De vraag naar de kerk heeft Schilder ook in de verhouding tot de CGK niet laten rusten. Waar in verschillende kerken dezelfde belijdenis werd gehandhaafd, was het voor hem een onmogelijkheid deze kerken naast elkaar te laten voortbestaan, of dit nu gebeurde wegens verschil in ‘vroomheid’, ‘ligging’, ‘type’ of ‘religie’, of wegens de onwil naar eenheid te zoeken. Schilder hekelde het spreken over het feit dat in een bepaalde kerk de Christus ‘nog’ wordt gepredikt, dat bij de doop ‘nog’ de goede formule wordt gebruikt, dat de Heilige Geest blijkbaar ‘nog’ bekeringswerk doet. Er zijn ‘nog’ goede dominees. Schilder wilde empirisch gegeven grootheden (de aanwezige kerkinstituten) niet tot uitgangspunt maken. Uitgangspunt mocht alleen zijn het ‘kerkvergaderend werk’ van Christus Zelf.

Geen interkerkelijkheid
Van het soort ‘interkerkelijkheid’ zoals in het blad De Standaard moest Schilder niets hebben. Hij vond dat De Standaard ondermijnend bezig was door andersdenkenden vanuit allerlei kerkgroepen (Hersteld Verband, CGK) naar voren te halen. ‘Het leven is één; kerk, waarheid, theologie, politiek, ze kunnen slechts van dezelfde hoofdbeginselen leven’. Schilder weigerde dan ook een meditatie te schrijven in dit dagblad. Hij voerde hierover correspondentie met Hendrik Colijn, die maatregelen beloofde. Waterink stuurde niet lang daarna een briefje naar Schilder dat Colijn ontstemd was over zijn kritiek, dit tot grote verbazing van Schilder. Maar wat bleek? Waterink had een verkeerde voorstelling gegeven van zijn gesprek met Colijn om Schilder in een bepaalde richting te drijven. Schilder vond ‘dat het nu maar eens uit moest zijn met Waterink’s goedbedoelde, maar toch op den duur de waarheid niet dienende overhaasting en suggestieve bewerking’. Schilder stelde de zaak direct scherp. Hij zelf had ‘bewust veel vriendjes-van-de-kouwe-grond verloren na [zijn] eerste publicaties, die velen lokten’. Vanaf nu was de verhouding van Schilder en Waterink, ooit studiegenoten in Kampen, verstoord. Dit had natuurlijk ook consequenties voor De Reformatie, waarvan zowel Schilder als Waterink redactielid waren.

Schilder en Hepp tegenover elkaar
Hepp was pleitbezorger van nationale samenwerking van calvinisten uit verschillende kerken en voor internationale samenwerking. Daarom speelde hij een belangrijke rol in de Bond van Calvinisten. Tegelijk met Hepp’s enthousiaste artikelen hierover begon Schilder kritiek te uiten. Schilder stond in zijn kritiek niet alleen. Een conflict kon binnen de redactie van De Reformatie niet uitblijven (de afspraak dat de redacteuren, als zij meningsverschil bij elkaar vermoeden, trachten moeten zich vooraf met elkaar te verstaan en niet te schrijven over onderwerpen die de algemene leiding van het blad betreffen, kwam in het geding). Hepp kon in 1930 opstappen uit de redactie. J.J. Buskes waardeerde deze opstelling van Schilder: ‘Wij verschillen in kerkbeschouwing nog al veel van Ds. K. Schilder. En niet alleen in kerkbeschouwing. Daarom doet het ons genoegen, dat wij het ditmaal van harte met hem eens zijn. Ook wij hebben bezwaren tegen schipperen en plooien, tegen een middenstandpunt (…) Schilder wijst in zijn beschouwingen in den grond der zaak op het onzuivere en onwaarachtige van de samenwerking in den Calvinistenbond. Wij zijn het van harte met hem eens (…) We zijn het geheel met Ds. Schilder eens: Zonder scherpe probleemstelling komen wij niet verder en een eenheid ten koste van de waarheid is geen eenheid’.

Schilder over zijn kerkgang in Erlangen
Wekelijks stelde Schilder zich in Erlangen door middel van een groot pakket dagbladen en kerkelijke bladen, die hem werden toegezonden, op de hoogte van het kerkelijk leven in Nederland. In Erlangen voerde Schilder een zeer uitgebreide correspondentie. Hij bleef de rubrieken Kerkelijk Leven en Persschouw schrijven en schreef elk van zijn kinderen om de beurten een brief, waarin hij onder andere een keer zei: ‘Ik snák naar de buitenlucht’. Schilder was trouw meelevend met de kerk in Erlangen, hoe minimaal hij het kerkelijk leven ook vond. Schilder sloeg een uitnodiging om te gaan preken uit de wind, omdat hij bang was dat ze hem én niet verstonden qua taal én niet qua inhoud. ‘Van theologische begrippen hebben ze hier geen verstand, en voor de bakerpraatjes, die ze hier gewoon zijn, voel ik op mijn beurt weer niet veel. Bovendien zou ’t in dat geval het beste zijn de preek uit te schrijven, om niet zoo nu en dan naar een woord te moeten zoeken, en in dat uitschrijven heb ik geen zin, terwijl de menschen bovendien niet gewoon zijn aan ’t lezen van de dominee, want ze preeken hier allemaal uit ’t hoofd, of ze ’t kunnen of niet, dat doet er blijkbaar niet toe’.

Jezus Christus en het Menschenleven
In de zomer van 1932 bemerkte Schilder dat zijn breed opgezette dissertatie Zur Begriffsgeschichte des Paradoxon niet in korte tijd gereed kon komen. Zijn gezinsomstandigheden en financiële situatie, én de kans die hij maakte om in 1933 voorgedragen te worden als professor in Kampen, brachten hem ertoe om zich te beperken. Uiteindelijk zouden het 472 pagina’s worden. In 1932 verscheen zijn bundel Jezus Christus en het Menschenleven. Maar hij was hier allerminst tevreden mee: ‘Ik ben onvoorspoedig bevallen van een onrijp haastding, dat me leelijk in de maag ligt’. Later werkte hij dit geschrift om en breidde het uit en het werd één van zijn belangrijkste werken. Nieuw was dat Schilder zijn uitgangspunt-van-bespreking niet koos in de idee van de gemeene gratie, maar in de gereformeerde ambtsidee. Schilder ging ook in tegen Karl Barth, die heel het mensenleven onder de ‘crisis’ wilde brengen en voor cultuur in welke vorm dan ook geen mogelijkheden liet. Schilder stelde Christus in Zijn ambtswerk centraal. Hij bestreed tevens het tegen elkaar uitspelen van religie en cultuur. Van beslissend belang was of de mens zijn taak goed volbrengen zou. Aan de christenen stelde Christus de plicht tot cultuur. De verplichting stond centraal. Het was ‘een kwestie van taak (…) van scheppingsmandaat’.

Miskotte’s kritiek
K.H. Miskotte recenseerde het boek kritisch. ‘Schril en flakkerend is de kleur van Ds. Schilder’s denk- en schrijftrant (…) Het is voor mij haast niet om te lézen, zoo oneerbiedig, zoo bijna godslasterlijk vind ik zulk spreken. Hoe iemand zoo wordt, kan ik bij benadering psychologisch verstaan.’ Ook stond hij kritisch tegenover het feit dat het grote kwalitatieve onderscheid tussen God en mens volkomen werd genegeerd. Miskotte sprak over een ‘hoogmoedige manier van theologiseren’. Schilder wilde niet met Miskotte in discussie gaan. Hij vond dat dat weinig zin had, daar er geen gemeenschappelijk uitgangspunt bestond. Miskotte was iemand die zich ‘aan Barthianismen bedrinkt’ en ‘van het barthiaanse hondje vrij hevig gebeten is’! Getuige zijn latere Christus en Cultuur heeft Schilder zich van Miskotte’s kritiek niets aangetrokken.

Christus en Cultuur
In 1938 weigerde Schilder zijn opstel ‘Jezus Christus en het cultuurleven’ weer op te laten nemen in de tweede druk van de bundel. Er was onenigheid over het feit dat Schilder zijn opstel ingrijpend wilde wijzigen; dit was bij een herdruk niet mogelijk.’ Schilder gaf in 1948 een herziene, tweede druk, onder de titel Christus en Cultuur. In dit boek stoten we door tot het hart van de theologie van Schilder. Schilder wilde ‘de kwestie van de cultuurwaardering’ niet verbinden met de gemene gratie, maar met de ambtsgedachte. De mens is ‘medearbeider’ van God. De eerste mens in het paradijs was ambtsdrager. Door de zonde is de wereld niet stukgebroken; God heeft ons de historie gelaten. In het paradijs was er geen kwestie van ‘gunst’, maar van ‘opdracht’. De roeping tot cultuurarbeid zag Schilder niet als een algemene opdracht, maar als een individuele taak. Er moet een christelijke cultuur zijn tegenover het cultuurbederf, dat in de wereld is.

Overige
– ‘Zondag in Keulen geweest. Een allerzielenpreek gehoord in den Dom. Als preek allerzieligst. Als rede heel en heel gewoon. Had ik niet gedacht van die Roomschen’.
– ‘Er zijn er zeer velen hier, die een nieuwe oorlog verwachten. Morgenavond spreekt hier de bekende Hitler in eigen persoon, in besloten vergadering voor academici en genoodigden. Er broeit wat in de lucht, maar ik heb te weinig verstand van dergelijke dingen om de samenhang te doorzien’.
– ‘De studiegang, hoewel succesvol, was moeizaam; het leven eenzaam. Met het universitaire leven heeft Schilder zich niet bemoeid hij had weinig contacten (…) Het kerkelijk leven heeft hij als krachteloos en teleurstellend ervaren.’
– C. Veenhof geeft een misschien ietwat overtrokken beschrijving van de opkomst van de nazi’s bij Schilders verblijf in Duitsland: ‘De dreunende stap van de bruine horden klonk door tot in zijn hoge studeerkamer en velen heeft hij zien ondergaan in de roes van de nationalistische afgoderij. Hij heeft er toen en daar reeds tegen gevochten.’
– Een Duitse vrouw over Schilders verblijf in Duitsland: ‘Hij leefde nogal teruggetrokken (…) Toch was hij altijd zeer openhartig en opgewekt (…) Klaas kon in het algemeen zo hartelijk lachen, hij had iets uitgesproken kinderlijks in de beste zin van het woord. (…) Ik heb Klaas ook nooit in een slecht humeur of neerslachtig gezien (…) Ik geloof dat hij heel wat nachten erg weinig sliep! (…) Hij maakte altijd een even opgewekte als tevreden indruk.’

Benoeming tot hoogleraar
Dissertatie af
In maart 1933 vond de promotie plaats. Herrigels beoordeling van de dissertatie van Schilder was vol lof. Zijn financiën lieten hem niet toe om een groot feestelijk gebeuren van de promotie te maken. Schilder stormde na het behalen van zijn doctorstitel met grote sprongen van de trap af en riep: ‘Het is gelukt. Summa cum laude. Dit is de gelukkigste dag van mijn leven’. De titel van de dissertatie luidde: Zur Begriffsgeschichte des ‘Paradoxon’, mit besonderer Berücksichtigung Calvins und des nach-kierkegaardschen ‘Paradoxen’. Het werd een confrontatie met de dialectische theologie en in het bijzonder met Karl Barth. De kritiek op Barth zette Schilder in bij de openbaringsleer en met name bij het gebruik van het begrip ‘paradox’. Het is een grote prestatie dat Schilder in een tijdsbestek van twee jaar grote delen van de geschiedenis van de filosofie en theologie heeft doorgewerkt en in zijn boek heeft samengevat. Tegelijk is dit ook een zwakke kant van het geheel: de dissertatie werd voor een niet onbelangrijk deel een verslag van Schilders verplichte studie in de wijsbegeerte. Schilder beperkte zich tot enkele filosofische ontwikkelingen na Kant: Fries, Kierkegaard, Otto en Barth. De dissertatie was dus eigenlijk een beschrijving van de geschiedenis van een filosofisch-theologisch begrip.

Inhoud dissertatie
Schilders dissertatie valt te omschrijven als wijsgerige prolegomena bij een theorie aangaande de verhouding Barth-Calvijn. Barth heeft Gods immanentie en transcendentie gescheiden, filosofische termen en probleemstellingen in de theologie geïmporteerd en de onkenbaarheid van God in Zijn openbaring geponeerd. Calvijn benadrukte het leerambt van Christus, de klaarblijkelijkheid als kenmerk van de openbaring, de doorgaande illuminatie van het wedergeboren menselijk verstand. God is te kennen in en door de openbaring. Schilder accentueerde sterk de gedachte van de accommodatio Dei. Kierkegaard bracht de paradox in nauw verband met geloof. Otto had in navolging van Kierkegaard de paradoxialiteit van de geloofswaarheid tot dé fundamentele gedachte gemaakt. Schilder zag Barth in zijn cultuurkritiek, zijn verwerping van alle immanentie, zijn axioma van het oneindig kwalitatief onderscheid tussen eeuwigheid en tijd en God en mens (tussen God en mens lag de zogenaamde ‘Todeslinie’, die dit kwalitatief onderscheid markeerde) en zijn naar voren halen van de enkeling, als een directe voortzetting van Kierkegaard. Ook laat Schilder zien hoe binnen de kring van de dialectische theologen de eenheid ging ontbreken en met name de vraag naar het ‘aanknopingspunt’ een scheiding teweeg bracht tussen Barth en Brunner.

Calvijn en Barth
Het eigenlijke doel van Schilders dissertatie was zijn dogmatische kritiek vanuit Calvijn op Barth inzake de leer der openbaring. Barth liet in zijn Kirchliche Dogmatik 1/1 van 1932 het woord paradox vallen, maar Schilder these bleef overeind dat Barth niet anders dan met behulp van de dialectische methode dogmatiek bedreef. Dialectische theologen beriepen zich op de reformatoren, met name op Calvijn; daarom is Schilders onderzoek zo van belang. Het was de these van Schilders dissertatie, dat de openbaringsleer van Barth oncalvinistisch was. Calvijn beriep zich niet zozeer op het oneindige kwalitatief verschil tussen God en mens om de verhouding tussen de sprekende God en de horende mens te bepalen, maar op Gods welbehagen en almacht die een verbinding wilden leggen tussen God Zelf en het schepsel. Er was geen paradoxale verbinding tussen transcendentie en immanentie, maar een eenheid, juist in de aanpassing van God aan de menselijke zwakheid met het doel de mens op te voeden tot kennis van God. Kennis van God was mogelijk door de Schrift. Het was volgens Schilder geen hoogmoed om God te kennen, zoals Barth beweerde. Zich aansluitend bij Calvijn stelde Schilder, dat God aan de mens Zijn Woord gegeven heeft, hetgeen voor zijn heil voldoende is.

Barth liet het boek dicht
De belangstelling voor doctor Schilder, die onder velerlei lof bedolven werd, was groot. Ds. H. Knoop, Schilders collega in Delfshaven, zei: ‘Gelijk in het land, waarin hij promoveerde, een Adolf Hitler strijd voert om een ideaal te verwerkelijken, en een volk te redden, zoo voert Dr. Schilder al jaren lang, met taaie volharding een strijd om de hoogste goederen, het Woord, de Kerk, het Koninkrijk Gods’. Later toonde Knoop zich overigens een heftig bestrijder van het nationaal-socialisme en hij heeft deze houding met het concentratiekamp moeten bezegelen (ook zou hij in 1944 met de Vrijmaking meegaan). Naast de felicitaties werd hier en daar al eens voorzichtig gezinspeeld op een aanstaand professoraat voor Schilder. De weg van de kansel naar het katheder moest maar spoedig gemaakt worden. Het meest opmerkelijke na de promotie van Schilder is, dat er inhoudelijk niet op zijn dissertatie is ingegaan! Het boek (een ‘massieve dissertatie’) was dan wel niet geschikt om in kerkbladen besproken te worden, maar de wetenschappelijke pers besprak het ook nauwelijks. Ook in het buitenland was er weinig aandacht. Naar het zich laat aanzien, heeft Barth de dissertatie van Schilder nooit gelezen… Barths exemplaar van Schilders boek blijkt er ongelezen uit te zien! Dit stilzwijgen vanuit de theologische wereld moet voor Schilder toch uiterst pijnlijk zijn geweest! Want zelf heeft hij veel met zijn boek willen zeggen.

Afscheid van Rotterdam-Delfshaven
De ambtelijke arbeid nam Schilder niet meer daadwerkelijk op. De synode van Middelburg benoemde hem samen met G.M. den Hartogh tot hoogleraar. Laatstgenoemde kwam in de vacature van Bouwman; dr. K. Dijk was daarvoor ook kandidaat, maar die trok zich eigener beweging terug; later zou hij alsnog hoogleraar in Kampen worden. Zo nam Schilder afscheid van Rotterdam-Delfshaven. Knoop sprak bij het afscheid over zijn ‘unique prediking – wie kan Schilderiaansch preeken?’ Schilder preekte over Ps. 46:5a. ‘De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods’. Hij refereerde ook nog aan de machtsovername van Hitler. ‘Ieder voelt: het gaat er óp of er ónder’.

Opnieuw tegen de CGK
De CGK was nog niet van Schilder af. Hij heeft namelijk geen moment een terughoudend standpunt ingenomen, zich op de achtergrond gehouden of zich voorzichtig opgesteld. Zo bleef de verhouding tot de CGK een belangrijk aandachtspunt in zijn rubrieken in De Reformatie. Schilder bekritiseerde onder andere ds. A.M. Berkhoff te Sneek, die er verkeerde chiliastische toekomstverwachtingen op na hield. In 1933 kwamen enkele gereformeerde kerkenraden met het voorstel officieel in contact te treden met de CGK en op de meerdere vergaderingen te behandelen hoe hereniging in de toekomst mogelijk zou zijn. Schilder: ‘Als onze Kerken komen tot eenheid met de Christelijke Gereformeerde Kerk, dan zie ik van tevoren weer enkele tientallen jaren van narigheid. Ik aanvaard om Christus wil (…) al de moeiten, die een hereeniging meebrengen zal, omdat Gods gebod ons hier beveelt (…) De kerk moet breed zijn, niet zoo “smal”’. Schilder kreeg wel door collega’s tegengeworpen dat ze liever in goede buurschap wilde leven dan naar hereniging, maar dat kon er bij Schilder niet in. De mentaliteit van mensen mocht nooit tot maatstaf worden. Want dan miskennen we volgens Schilder het wezen der kerk. ‘De kerk is er, om narigheid van personen te genezen door het Woord, en in gezonde samenleving’.

Schilder tegen de ‘Kersten-groep’ en Hugo Visscher
In de CGK kwam Schilder ook een ‘Kersten-groep’ tegen, die tegenover de GKN ‘geladen met wantrouwen, hebben over onze Kerken, over onze prediking, onze opvoeding, ons schoolonderwijs de wonderlijkste gedachten, leggen ons beschouwingen in den mond, die niemand onder ons ooit zou uitspreken, en vallen dus in een polemische houding terug, die voor nuchter feiten-onderzoek geen plaats meer openhoudt (…) Deze mensen zijn grootendeels ongereformeerd in hun denken. Maar wij mogen ze niet afstooten’. Hugo Visscher, hervormd professor, liet weten dat christelijk gereformeerden veel dichter bij hervormd gereformeerden staan dan bij de gereformeerden. Visscher zegt dat de neo-calvinistische cultuur-filosofie van de GKN ‘zoover afstaat van den eenvoud der gereformeerde vaderen’. In een breed betoog toonde Schilder aan dat Visscher zélf de theologie had ingeruild voor de filosofie.

Schilder en Buskes
Schilder was ook op staatkundig vlak actief. In een lezing maakte hij zich zorgen over het feit dat veel gereformeerde jongeren afscheid namen van de anti-revolutionaire politiek. Dit afscheid van de christelijke politiek was door bepaalde kerkelijke leiders (met name Barth) onderbouwd. Hij verweet dit aan de invloed van Luthers twee rijken-leer. Een artikel eindig hij vlijmscherp met: ‘Van Thorbecke tot Geelkerken-Miskotte-Buskes, en Mussert, en zoo. O, Dr. Abraham Kuyper!’ J.J. Buskes was het niet eens met Schilders kritiek op Barth. Hij vond dit niet alleen ‘theologische bekrompenheid’, maar ook getuigen van ‘zeer groote ondankbaarheid (…) Men mag zoveel bezwaren hebben als men wil, wij zullen op het oogenblik alleen God moeten en mogen danken voor wat Hij de Duitsche Kerk in één van de voor haar meest beslissende momenten in den persoon van Karl Barth geeft.’

Installatie
Op woensdag 17 januari 1934 wordt Schilder geïnstalleerd als hoogleraar. Schilder sprak in zijn inaugurele oratie over ‘Barthiaanse Existentie-Philosophie contra Gereformeerde Geloofsgehoor-Theologie’. De rede duurde van 14.05 tot 15.30 uur. Hij eindigde de rede met het theologisch houvast dat de Dordtse Leerregels naar zijn overtuiging gaven. Hij wilde niet anders zijn dan een klassiek-gereformeerd, dat is een oecumenisch theoloog zijn. Schilder gaf de rede niet uit. Er gaat het verhaal dat Schilder zijn eigen rede niet in druk zou hebben willen uitgeven, omdat zijn college G.M. den Hartogh de zijne ook niet van plan was te publiceren, omdat hij dat niet waard vond. En Schilder wilde dat niet publiek accentueren door de zijne wel uit te geven.

J.H. Gunning over Schilder
J.H. Gunning is onder de indruk van Schilder als hij een preek van hem hoort: ‘Een uur na de predikatie gehoord te hebben, heb ik dit op schrift geschreven. Versch onder den indruk van dit machtige woord. (…) Dat noem ik preeken! Niets geen bijzondere welsprekendheid. (…) Maar in langen tijd werd ik niet zóó gegrepen als nu door de majesteit der waarheid, de verhevenheid van Gods gedachten, de heerlijkheid van mijn Zaligmaker. (…) Deze zeer bekwame, soms zeer moeilijk te volgen schrijver (…) is een polemicus van de bovenste plank. (…) Maar hij is ook een prediker, van buitengewone kwaliteit. (…) Welk een doordacht en doorwrocht stuk brengt hij op den kansel! (…) Het is een zeldzaam voorrecht (…) een man te beluisteren, die waarlijk wat te zeggen heeft. (…) Zoo innig had ik ook die beide gebeden hier weergegeven’. Gunning zegt ergens anders: ‘Hij heeft bij al zijn fanatisme toch God en Zijn Woord, Christus en Zijn Kerk bovenmate lief.’

Tussenbalans 1934
Schilder was een leidinggevend predikant geworden. Er was een vloed van artikelen van zijn hand in De Reformatie. Eerbied voor het Woord van God ging bij hem gepaard met gehoorzaamheid. Zijn opstelling werd steeds scherper omlijnd. De eis van absoluutheid mocht niet verdwijnen. Zijn soms naar het absolute neigende opstelling maakte zijn positie steeds meer omstreden. Hij bemerkte een sfeer van tegenwerking om zich heen. Hij voelde zich vaak onbegrepen. De VU verloochende volgens hem haar grondslagen door de ‘geest’ van het Hersteld Verband toe te laten. De houding ten opzichte van de groep rond Geelkerken vond Schilder inconsequent, omdat men alleen in de kerk, maar verder op geen enkel terrein van het leven de lijn van ‘Assen’ durfde door te trekken. Omdat de gereformeerden politiek en maatschappelijk een belangrijke factor in de samenleving geworden waren, werd vooral de breedte gezocht, maar daardoor werden volgens Schilder de calvinistische beginselen niet meer scherp gesteld en uitgewerkt. Schilders visie was, dat heel het leven vanuit de Schrift genormeerd moest worden. Daarom heeft hij de strijd naar binnen aangebonden met alles, wat hij met de eisen van de Schrift in strijd achtte. Er werd in de periode van omstreeks 1920 wel geroepen om vernieuwing, verbreding en openheid maar niemand wist hoe. Het gereformeerde leven was in zekere zin vastgelopen. Schilder ging het steeds meer als zijn taak zien om uit te werken wat zijns inziens echt en waarachtig gereformeerd was.

Wisse schrijft Schilder
Toen Schilder in 1944 geschorst werd kreeg hij van G. Wisse een briefje met de volgende inhoud: ‘Amice! Het is nu c.a. 35 jaar geleden, dat ge op mijn studeerkamer in Kampen een ernstige ure hebt doorgebracht in ernstig en hartelijk zielsgesprek. Ge weet dit nog wel. En thans…? Ik wilde nog wel eens met mijn mij ver boven het hoofd uitgegroeide “leerling” spreken. Ik heb behoefte om U mijn sympathieke gevoelens te vertolken. Ik heb met de “geschillen” in zekeren zin niet te maken, maar ik kan niet goedkeuren wat thans in uw midden geschiedt. Als ik lid dier Synode ware geweest, ik had wat uw “afzetting” (horribile dictu!) aangaat tegen gestemd. En nu wat uw opvattingen aangaat in casu verbond en doop. Ik beken dat ik uw gevoelens niet voldoende ken. Kunt ge bij gelegenheid het mij niet eens duidelijker zeggen in korte woorden? Staat ge aan onze zijde? Kunt ge thans de Chr.Geref.Kerk niet wat beter en althans milder beoordelen? Komt ge ooit in de gelegenheid mij te ontmoeten, ge zijt hartelijk welkom. Moge de Heere verder zelf uw Leidsman wezen. Misschien hoor ik eens iets van U? Met vriendelijke en hartelijke groeten, ook van mijn vrouw, Gode bevolen door uw toegenegen broeder in Christus, G. Wisse’. Toen G. Wisse in 1949 een bezoek bracht bij Schilder zei hij onder andere: ‘Ik kwam bij Schilder en werd allervriendelijkst ontvangen op z’n studeerkamer. Kamer? Neen, dat is te zwak, studeer-zaal, een boekenpaleis. Ik stond een oogenblik “paf”, toen ik binnentrad. (…) Stapels lagen er nog op den grond. (…) “De helft is mij niet aangezegd”’.

De bekende Buskes-Schilder-anekdotes
Buskes: ‘Hij had tegen mij in De Reformatie een heel fel stukje geschreven. Ik reageerde daarop met een waarschijnlijk niet minder fel stukje. Er volgde een kolom van Schilder, waarop ik weer reageerde met een kolom. We schreven volkomen langs elkaar heen. (…) Ik ging naar hem toe en werd op de meest hartelijke wijze door hem ontvangen. Het gesprek dat volgde was even hartelijk als menselijk. Na een kwartier zei ik: “Als u het goed vind vertrek ik, want ik ben op het verkeerde adres terechtgekomen: het was mij om de dominee Schilder van De Reformatie te doen.” Waarop dominee Schilder weer even hartelijk en menselijk tegen mij zei: “Ik zal het u uitleggen: hier ontmoeten we elkaar persoonlijk, als mensen en als christenen; maar wanneer ik in De Reformatie schrijf heb ik met u persoonlijk niet te maken, dan bestrijd ik uw beginselen!’ Schilder zegt ergens anders: ‘Ik ben scherp, ik hoop het te blijven ook. (…) Voor mij is de grote kwestie: waarheid of leugen, openbaring of eigen mening’.

Overige
– Schilders studeerkamer was altijd in dichte rookwolken gehuld, want om te werken moest hij roken.
– Schilders vierdelige en onvoltooid gebleven Heidelbergse Catechismus, een breed opgezet werk, had zijn levenswerk moeten worden en tevens zijn antwoord zijn op de Kirchliche Dogmatik van Barth.
– P. Jasperse uit Leiden was in zijn Oegstgeestse tijd al een bewondering van Schilder. Later zou Schilder bij hem onderduiken.
– J.H. Gunning vroeg zich in Pniël af met betrekking tot Schilders arbeid: ‘Heeft zijn dag soms 24 werkuren?’
– J.J. Buskes schreef: ‘Laat ik U nog dit mogen zeggen. In den loop der jaren ben ik tot de ontdekking gekomen, dat ik in mijn kritiek op Uw en anderer Barth-beoordeeling inderdaad onbillijk ben geweest. ‘k Geloof nog altijd, dat mijn kritiek een element van groote waarheid bevat.’
– Haitjema noemde de leer van de gemene gratie als de schuld van de acute verwereldlijking van het christendom.
– Door Haitjema werd Schilder de meest uitgesproken vertegenwoordiger genoemd van het ‘Assensche Nieuw-Calvinisme’, dat volgens hem een sterk rationalistische inslag vertoonde.
– De auteur van het boek waarvan deze artikelen een samenvatting van zijn, beloofde om ook nog een tweede (1934-1942) en een derde deel (1942-1952) te laten verschijnen, maar dat is (ik weet niet waarom) helaas nooit gebeurd.

Gepubliceerd in december 2007