Kerkbank in kerkbank uit

n.a.v. Henk de Jong, Kerkbank in kerkbank uit, Wageningen 1962

De kerkgaande gemeente
Op weg naar de kerk gebruikte men een andere pas dan wanneer men voor alledaagse dingen op weg was. Het kerkgaan behoort vanouds tot de vaderlandse deugden. Mannen als Michiel de Ruyter, Boerhave, Groen van Prinsterer en Colijn verzuimden nooit een dienst. De dichter en Amerika-kenner J.W. Schulte Nordholt verklaarde dat voor hem het zingen het belangrijkste is in de kerk. Anderen worden geweldig aangegrepen door de votum of door de slotzegen. Vraag eens aan niet-kerkgaande mensen hoe zij over kerkgangers denken, dan krijg je regelmatig te horen wat die allemaal fout doen en dan tenslotte: ‘en zulk luitjes zitten ‘s zondags op de voorste bank in de kerk!’

De slapende gemeente
Voor sommige gemeenten gold het altijd dat de middagdienst beter bezocht werd dan de ochtenddienst. Desondanks gingen er ‘s middags veel ogen dicht: men was met volle maag kerkwaarts getogen. Men hield ook rekening met de opbouw van de preek: in de voorafspraak kwamen soms actuele dingen aan de orde. Bij het tweede gedeelte werd dieper gegraven: de dominees maakten van de tekstverklaring veel werk en verdisconteerden dit in hun verhandeling. Velen gingen nu slapen. De tussenzang, tot ‘verpozing en verkwikking opgegeven’, maakte een eind aan de sluimer. Vaak waren er zelfs twee tussenzangen. Het nagebed viel voor sommigen ook zwaar: de hele opsomming van ‘alle nood der christenheid’ nam veel tijd in beslag; deze noden werden breed uitgemeten. In veel gemeenten was het de gewoonte dat mannen gingen staan als ze tijdens de dienst last kregen van slaap. In Amerika was eens een predikant die van een bepaalde ouderling geen hand wilde na de dienst, omdat hij had zitten slapen; hij kon dus moeilijk instemming betuigen met de preek, want hij had er niets van gehoord.

Stokman en abonnee
Verschillende dominees onderbraken indertijd gerust hun preek om een slaper te doen ontwaken. Ook was er een dominee die van sentimentaliteit niets moest hebben; zelfs duldde hij geen tranen aan het graf. En ook slapen onder de preek was onder hem gevaarlijk: hij sprak zulke mensen onder de preek op dreigende toon aan. Te Wissekerke had men vroeger een ‘stokman’; deze man had tot taak om roerige jongelui op de vingers te tikken en slapers een por in de zijde te geven. Ook in de trein werd altijd veel geslapen. Zo was er iemand die halfslapend ‘abonnee’ mompelde als de conducteur langs kwam. Toen deze handelsreizigers eens in de kerk in slaap viel, en de diaken kwam langs, mompelde hij: ‘abonnee’.

Oorzaken van slapen, slapend onder eigen preek
J.H. Gunning verdedigde de slapers als volgt: warme en bedompte kerken bevorderen sluimerzucht. Men heeft de gehele week op het land of in de fabriek gewerkt. Men wordt in een kerk samengebracht, soms samengeperst, ‘welks in- en uitgeademde lucht met alle beschrijving spot; een kerklucht, bij warme zomer-zonnebrand tot broeikashitte opgevoerd; bij winterdag door uitdampende pilobroeken en -jassen en door hete stoven en toenemende lichaamswarmte, natgeregende vrouwenlaarzen en rokken bijkans in stiklucht veranderd.’ Men wandelt ‘s zondags, drinkt wijn en eet zich vol, en moet dan ‘weer in zulk een bedorven zuurstofapparaat’ een lange tijd doorbrengen. Ook ligt het vaak aan de dominee: die preekt niet boeiend genoeg. Men trof een keer slapende bij de bandrecorder een dominee aan, toen hij naar zijn eigen preek aan het luisteren was! Tot hilariteit van zijn vrouw werd hij pas wakker door de stilte toen de band was afgedraaid.

De lachende gemeente
Van Spurgeon is de uitspraak ‘Ik heb liever dat er in de kerk gelachen dan geslapen wordt’. Hiermee wordt natuurlijk niet het ‘proesten, schateren en brullen’ bedoeld, maar wel de glimlach. Zo was er eens een oude gereformeerd predikant die zijn preken actueel wilde houden; daarom nam hij eens de krant mee en las een artikel voor. Maar op de achterkant van die krant kon iedereen lezen met grote letters: ‘Het bier is weer best’. In Grand Rapids (Amerika) was eens een dominee die zoveel kerkgangers te verduren kreeg dat hij niet normaal naar zijn preekstoel kon lopen. Hij was genoodzaakt door een raam te kruipen en al kruipende bedacht hij een andere tekst om over te preken: ‘Die niet ingaat door de deur in de stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar’.

Belasting omhoog
De Amerikaanse opwekkingsprediker uit de jaren 1920 Billy Sunday ging wel heel ver door te stellen: ‘God Zelf houdt van humor; dat kan je wel hieruit zien, dat Hij de apen gemaakt heeft en…sommigen van jullie!’ De gereformeerde ds. Gispen te Amsterdam zei met Pinksteren: ‘Één der eerste wonderen van pinksteren was dat 120 Joden eendrachtig bijeen waren…’ Hierop kwam geen gelach, maar enkel een glimlachje op ieders gelaat. Ook kon hij de gemeente fijntjes bij de neus nemen. Zo zei hij in een nieuwjaarspreek: ‘Wat zal het worden?’ Daarbij werd de gemeente ernstig aangekeken en haalden sommigen al hun zakdoeken tevoorschijn en slikten een brok weg. Toen herhaalde Gispen de vraag: ‘Wat zal het dit jaar worden, gemeente? Gemeente, dit weten we: dat de belasting in het nieuwe jaar omhoog zal gaan!’

Zwarte kerk, lichte dominee
Een Amerikaanse man vertelt uit zijn jeugd bij een zwarte kerk: ‘Het duurde niet lang of de hele kerk deinde mee; mijn moeder was zo gelukkig en zo opgewonden dat ze mij door het schreeuwen en deinen van mijn bank afwerkte. Ze was nogal gezet en raakte zo in opwinding dat er zes van de potigste gemeenteleden aan te pas moesten komen om haar beet te pakken en wat te kalmeren. Ik was nog een peuter en snapte er niets van. Ik lachte me dood en toen moeder thuis kwam kreeg ik er van langs: ‘idioot dat je bent’, zei ze, ‘waarom moest jij lachen toen je zag dat ik bekeerd werd?’ Toen een dominee uit het ‘lichte’ Den Haag in de Nieuwe Kerk te Katwijk aan Zee moest preken, zakte hij door het plankier van de kansel. Toen de dominee van de schrik bekomen was, mompelde hij bij zichzelf: ‘Sjonge, wie had ooit kunnen denken dat ik nog zwaarder ben dan die zware dominees van Katwijk.’

De pronkende gemeente
Ds. J.T. Doornenbal van Oene (midden 20e eeuw) hield van de oude klederdracht die hij aantrof in de kerken van Huizen, Elburg, Oldebroek en Arnemuiden. Voor de eredienst was de kerk een uitnemende gelegenheid om mooie kleren en hoofdtooi te tonen. In Dordrecht werden in de 17e eeuw de mannen al vermaand vanwege het ‘lanck hayr’. Drie eeuwen later was dit het geval bij de vrouwen en dan omgekeerd: vanwege het korte haar. Dr. E. Laurillard schreef een gedicht over de gesprekken na kerktijd:

Jij waart ook in de kerk? – Ja – Heb je Lot gezien?
Welzeker, Henri ook – En zag je Carolien?
Ook, met haar groene veer – Ja juist, een dwaze hoed.
Hoe vond je Emma nu? – Dat rood stond haar wel goed.
En achter haar zat weer…och, dinges…van… – Jawel.
Maar denk er niets van, hoor! Die blijft een vrijgezel.
Zo? Zag je ook Van der A? – Welja, en Van der B.
Die erg naar Suze keek, ze groetten me alle twee.

‘k Denk: wat zagen zij nauwkeurig
Al die onderscheiden liên.
Hebben zij, behalve mensen,
Ook iets van God gezien?

De snoepende gemeente
In de 17e eeuw moest er een waarschuwing in een kerk staan om geen ‘appelen, peere of ander fruyt in de kerck te schillen, snyden of eenige andere vuylichheden in de kerck te brengen’. Hier stond een boete op. Tegenwoordig ligt er niet meer afval van fruit op de kerkvloer, maar snoeppapiertjes. Snoepen in de kerk is een typisch vaderlandse ondeugd. In andere landen hoor je er weinig van, behalve in gebieden, waar Nederlandse emigranten wonen.

Tussenzang tot verpozing
De tussenzang, die de preek in tweeën splitste, was nodig ‘tot verpozing’. De preken waren namelijk lang. Met recht mocht de predikant in zijn voorgebed vragen om een ongestoorde dienst, want erg rustig was het vroeger in de kerk niet. De zondag was in tot ver na de Reformatie geen rustdag. Het dagelijkse bedrijf ging tot diep in de 17e eeuw gewoon door. De deuren van de kerk waren tijdens de dienst geopend; men wandelde er gewoon doorheen! In 1612 werd in Utrecht van kracht dat men niet meer met karren door de kerk mocht rijden of vee daar doorheen drijven gedurende de preek!

Bidden om een ongestoorde dienst
Banken waren er alleen voor belangrijke mensen. De rest van de kerkgangers bracht zelf een stoeltje mee of huurde een kruk, die men dan in de buurt van de preekstoel neerzette. Er waren kerkgangers die een mandje bij zich hadden omdat zij voor het begin van de dient hun inkopen gedaan hadden. Een eeuw later was alles iets meer geciviliseerd; er waren banken in de kerk en de dienst droeg een geregelder karakter. Een veeljarige sabbatsstrijd had tot gevolg dat nering en ambacht op zondag de activiteit stopzetten. Maar wat werd voortgezet was het begraven op zondag. Dit werd dan soms onder de dienst gedaan, soms recht voor de preekstoel! De dominee moest dan maar zien hoe hij zich verstaanbaar maakte. In veel stadskerken werd de atmosfeer verontreinigd door de lijklucht die er hing. Er waren dan ook telkens mensen die flauwvielen tijdens de dienst. Men wapende zich tegen dit euvel met eau de cologne. Pas in de 19e eeuw werd het begraven in de kerk verboden.

Oudejaarspreek, traktatie
Een predikant vertelde eens dat hij als jongetje zo’n indringende oudejaarspreek had gehoord, dat hij dacht dat elk moment een engel naar beneden zou komen om te zeggen dat het met de wereld gedaan was. Toen echter een man naast hem een pepermuntje nam, stelde dat hem gerust dat de soep toch niet zo heet wordt opgediend als de dominee preekte. Een gereformeerd predikant te Andel ergerde zich mateloos aan het snoepen tijdens de preek. Toen eens een rol snoep van hand tot hand ging, zei hij: ‘Even wachten, er gaat een traktatie rond!’ En hij stopte met preken totdat alle handen en wangen weer in rust waren.

De pratende gemeente, schrik, lust
In Nijkerk in 1749 vond een opwekking plaats onder ds. Gerardus Kuypers. Elders vonden soortegelijke taferelen ook plaats: ‘Gekerm, geschreeuw, klamme sweet, benautheid, verkroppingen, onmagt, ledenbeven, swoegen, stuipen, vallende siekte, geraakte, worstelen, beswyken.’ In Hilversum overleed in 1719 een pastoor van schrik, omdat een parochiaan hem tijdens zijn preek publiek tegensprak. In Rotterdam citeerde een predikant rond 1840 ‘Wie heeft lust de Heer te vrezen’, waarop een klein kindje zei: ‘Ik, dominee, ik!’ In Utrecht was eens een predikant die vroeg: ‘Gemeente, ik vraag u, bent u werkelijk blij?’ Waarop aanstonds iemand achter uit de kerk antwoordde: ‘Jazeker, dominee, ik ben echt blij vandaag!’ De reactie van de predikant was zeer terzake: ‘Halleluja, broeder!’

Soep, koetjes en kalfjes
Dit laatste werd en wordt vaak geroepen in pinkstergemeenten en bij het Leger des Heils. Een heilssoldaat deed dit om de haverklap, en dat ging een vrouw die voor hem soep kookte irriteren. Ze zei: ‘Als jij straks in de kerk weer halleluja roept, krijg je vandaag geen soep.’ De heilssoldaat schrok hiervan en hield zijn lippen stijf op elkaar. Maar op een gegeven moment raakte de preek hem zo dat hij uitriep: ‘Soep of geen soep, halleluja!’ Sinds Abraham Kuyper in zijn weekblad De Heraut het onderling gesprek voor de dienst goedkeurde, is in de gereformeerde kerken het gekakel in de kerk niet meer van de lucht geweest. Dit leidde echter tot de koetjes-en-kalfjes-sfeer. Om dit enigszins te voorkomen werd de voorzang ingevoerd, maar dit vond Kuyper niks: ‘Dat zingen hoort in de dienst, en moet niet voor de dienst plaats hebben.’ Kuyper was zo modern dat hij vond dat een kerk een ontvangzaal moest hebben, waar men voorlopig samenkwam om straks als de dienst aanvangt, zich samen naar de vergaderzaal te begeven.

De graverende en onzichtbare gemeente, Agur
Al heel lang wordt er gekrast op de kerkbanken. In sommige gemeenten stond hier boete op. In oosters-orthodoxe kerken zijn vrijwel nooit banken; men vind staan een eerbiedigere houding dan zitten. Willem Teellinck klaagde er in 1613 over dat men ‘in d’achternoene in de vergaderinge der geloovige’ weinig verscheen, maar liever ging rijden of grote maaltijden aanrichtte en zijn troost zocht in de herberg bij het spel, in plaats van bij de verkondiging van het evangelie. Toen Allard Pierson intrede deed in 1854 (‘s morgens met de bevestiging zat de kerk nog vol met nieuwsgierigen en officiële genodigden) maakte hij de ontnuchtering van zijn leven mee: er waren 5 vrouwen, 3 soldaten en de (rooms-katholieke) koster. Er was in Alkmaar een vrome vrouw die niet naar de kerk ging, omdat de dominees volgens haar behoorden tot ‘een boos ras.’ In sommige steden werden de bedeelden verplicht naar de kerk te gaan, want anders hoefde men niet te rekenen op brood of ondersteuning. Een predikant bad eens op de wijze van Agur in Spreuken 30:

Twee dingen vraag ik van U, Heere,
onthoud ze mij niet, voordat ik sterf:
houd liefdeloze kritiek en gemene vleierij verre van mij.
Geef mij lege noch volle kerken,
geef mij een behoorlijke opkomst;
opdat ik, bij overladen kerken, U niet vergete en mene dat ik wat ben.
Noch ook, staande voor stoelen en banken,
moedeloos worde en mijn werk niet meer met vreugde doe.

De luisterende gemeente, Spurgeon
Volgens een dominee in 1730 behoorde een goed kerkganger te zijn: ‘Een hertelyk Bidder, een opmerkend Hoorder, een milddadig Aalmoezenier en een geestelyk Psalmzinger.’ Reijer van Zwaluwenburg, een jongeman afkomstig uit Oldebroek, emigreerde naar Amerika midden 19e eeuw; hij kon niets verstaan van de Engelstalige dienst, maar: ‘Ik kon er niets van verstaan dan enkele woorden, zoals Jezus en Jeruzalem en dat was mij toch zo aangenaam, dat ik mijn tranen niet kon weerhouden.’ De grote Spurgeon had zijn bekering ‘te danken aan’ een kerkdienst die hij in een methodistenkerkje bijwoonde en waarin nog geen vijftien mensen aanwezig waren.

Diakenen
Diakenen moesten in Amsterdam om de vier weken langs de deuren (met de letter L voor de hervormden) om te collecteren. Het gebeurde hier ook wel dat men onder de dienst in de consistoriekamer de opbrengst alvast ging tellen. Van de preek hoorden de diakenen niet veel, tenminste in de grotestadskerken. Als de ‘collectezang’ gezongen was, waren de diakenen nog maar nauwelijks op gang gekomen. Moesten zij ook andere collecten verzorgen, dan volgde nog een tweede en een derde hengeltocht van kerkbank tot kerkbank. Dit was onder de preek zeer storend. Het collecteren werd doorgaans alleen onderbroken als de dominee zijn tekst voorlas. Dan bleven de heren diakenen een ogenblik roerloos staan, soms met de hengelstok opwaarts naast zich geplant als een soldaat zijn geweer. Wie overigens tot diaken werd verkozen en bedankte moest een flinke boete betalen!

Hengelen afgelopen
Omstreeks 1925 ging men in veel gemeenten over tot de doorgeefzakjes in plaats van de hengelende diakenen. Dit bevorderde de snelheid en deed de hinderlijkheid van de hengels stoppen. Het verzet tegen deze vernieuwing kwam voornamelijk van de kant van de diakenen. Het was hun beroepseer te na om domweg naast de bank de goede voortgang van de doorgeefzakjes gade te slaan. Terwijl vroeger elke collectant ongeveer een uur nodig had om de hele kerk rond te komen, overschreed het collecteren nu het zingen nauwelijks. Nu was dit gedicht waarmee een predikant ooit eens de collectezang aankondigde niet meer geldig:

Zingen wij ter eer van God Almachtig
het eerste vers van psallum vierentachtig.
En gij, o nauwgezette en eerlijke Baas:
zamel de centen in zónder geraas!

De offerende gemeente, aan de duivel ontrukt geld
Collecteren ontbrak in geen dienst. Maar men deed vaak niet meer dan ‘een duit in ‘t zakje’, zodat in menig groot kerkgebouw de opbrengst niet hoger was dan twaalf à vijftien stuivers! In Lunteren hing men collectebussen op in herbergen en andere plekken waar mensen bijeen kwamen. Het resultaat: in 1740 werd er in de kerk 269 gulden opgebracht, buiten de kerk 816 gulden! Er was ooit een dominee die op zaterdagavond de kroegen binnenviel om te kijken of daar gemeenteleden aan het kaartenspelen waren. Als dat zo was nam die persoon vaak de benen, en de dominee kon dan het geld dat op tafel lag meenemen. Als hij het de volgende dag in de collectezak stopte, zei hij: ‘Dit is aan de duivel ontrukt.’

Overige
Al werd er vroeger op gewone zondagen niet daverend geofferd, bij feestelijke gelegenheden en dankdagen kwamen onze voorvaderen royaal te voorschijn. In 1650, toen Willem II stierf, vond men in de collectezak een grote gift met een papiertje: ‘De prins is dood / Mijn gaaf vergroot / Geen blijder maar / In tachtig jaar.’ Iemand vergeleek eens de gevangenis met de kerk:

De gevangenis is dag en nacht gesloten,
en toch steeds vol.
De tempels zijn altijd open,
en toch vindt men er niemand

Gepubliceerd in juni 2006

Advertenties