Kerkeheren/kerkeknechten

n.a.v. Henk de Jong, Kerkeheren/kerkeknechten, Wageningen z.j.

De ambachtsheer
Voor het beroepen van een predikant was men van de ambachtsheer afhankelijk (rijke kandidaten kochten een ambachtsheerlijkheid, zodat ze zichzelf konden gaan beroepen). Ook vroeg zo’n hooggeplaatste man wel eens voorbede voor zichzelf aan. Een keer moest een predikant vertrekken omdat hij ‘te kort en te koel’ voor hem gebeden had. Een andere predikant die werd aangetrokken had er geen bezwaar tegen om ‘lang en aandoenlijk’ voor hem te bidden. De bank van de ambachtsheer is in sommige kerken opzettelijk zo ver van de begane grond opdat de dominee op de kansel niet hoger zou staan dan hem! In de nieuwe kerk van Den Haag stond de koninklijke bank zo hoog en geïsoleerd, dat het koninklijke huis er weinig gebruik van maakte. In veel kerken op het platteland had de ambachtsheer een eigen toegang tot het bedehuis. Via deze ‘heerlijke’ deur bereikte de kerkgaande heer zijn eigen gestoelte. Vaak verscheen hij pas als de dominee op de kansel stond en na de dienst zou de voorganger nooit zijn preekstoel verlaten voordat de ambachtsheer vertrokken was.

Orgeltrappers
Voor de orgeltrapper werd spierkracht en uithoudingsvermogen gevraagd. Vooral bij lofpsalmen en lange verzen was het een heel karwei. Als een dominee vier verzen van Psalm 68 opgaf, moest het hele lichaam in touw komen om de trapperij tot een goed eind te brengen en hijgend haalde hij het naspel. Voor sommige orgels waren meerdere, soms wel drie, orgeltrappers nodig. Sommige orgeltrappers volgden een speciale teltechniek. Ze wisten precies hoeveel slagen je per psalm moest geven, met voor- en naspel inbegrepen. Maar toen een organist een langdradig naspel gaf, ging het orgelspel als een nachtkaars uit. Omstreeks 1900 was er in Rozenburg een orgeltrapper die tegen het zingen van gezangen was. Als er dan een gezang werd opgegeven snelde een daartoe aangewezen jongen naar boven om de orgeltrapper te vervangen. De orgeltrapper kon in ieder geval zeggen: ‘Uit mijn benen is nog nooit een gezang gekomen!’

Soliciterende en blunderende voorzangers
In 1754 soliciteerde Simon Jansz Verwey voor de betrekking van schoolmeester en voorzanger te Zaltbommel. Hij zegt daarin: ‘(…) Zonder roem, dog het is Gods gave: extra ordinair puik overheerlijk schoon zingen, als het God belieft. Zoo Ued. Achtb. begeerig bent aan te hooren, tot verwondering, ja zelfs verbaasdheid, dat zoo een teder ligchaam in lezen en zingen zoo een geluid kan geven…’ Bescheiden was hij in elk geval niet! Het verhaal gaat dat een voorzanger, die Ps. 68 zou aanheffen, bij het opzetten van zijn bril tot de ontdekking kwam dat de schooljongens de bril met een laagje vet bedekt hadden. Hij kon er niets door zien en daarom dacht hij hardop: ‘Ik weet niet wat mijn bril mankeert / ze hebben ‘em gans met vet gesmeerd!’ Deze woorden werden braaf door de gemeente meegezongen, want ze klopten op het ritme van Ps. 68.

Het zingen: Spurgeon schrok ervan
Er werd langzaam gezongen. Predikanten klaagden meer dan eens over het lijzig gezang, waardoor de eredienst nodeloos werd gerekt. Men stelde voor om de gemeente te oefenen in ‘schielijker zingen’. In lutherse gemeenten werd vanouds goed gezongen; dat was verklaarbaar, want elke lutherse gemeente bestond voor een deel uit Duitsers en die weten wel wat zingen is. Toen Charles Haddon Spurgeon in Nederland was en hij in vele kerken opwekkingssamenkomsten leidde, schrok hij van het zingen: ‘Ik dacht dat alle stieren van Bazan op mij afkwamen toen de mensen hun psalmverzen aanhieven.’ Bij de invoering van de nieuwe psalmberijming in 1773 werd in Axel besloten om het tempo op te voeren; het liep echter helemaal mis. Nadat het een aantal zondagen niet gelukt was, riep de kerkenraad het overheidsgezag te hulp. De volgende zondag zaten baljuw en schepenen midden tussen de kerkgangers om te horen of iemand met zijn gesleep de kerkzang torpedeerde. Wie dit deed zou beboet worden. Één kerkganger trok zich er niets van aan en zong even sloom als hij altijd had gedaan. In zijn eentje moest hij nog twee volle regels zingen toen de gemeente het vers al uit had. het kostte hem 20 gulden: een tientje per regel!

Voorlezers
Voor voorlezers was Pinksteren altijd iets om tegenop te zien: dan moest weer het hele rijtje opgelezen worden van alle vreemden die in Jeruzalem verkeerden (Handelingen 2): ‘Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië. En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libyë, hetwelk bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, beide Joden en Jodengenoten, Kretenzen en Arabieren.’ Toen een voorlezer ‘s middags tot zijn schrik vernam dat hij wederom dit gedeelte moest lezen, loste hij dat als volgt op: ‘Parthers en Meders en verder allemaal dezelfde heren als vanmorgen’. Er was ook ergens nog niet zo lang geleden een voorlezer die steevast ‘Partners’ in plaats van ‘Parthers’ las, elk jaar weer! Nog bonter maakte het een zeer listige voorlezer, die bij moeilijke namen altijd ging hoesten en zodoende de voor hem onuitspreekbare woorden omzeilde.

Hoogmoedige en boze voorlezers
In de 17e eeuw leidden sommige voorlezers precies als de dominees hun schriftlezing in met de woorden: ‘Hoort aan met schuldige eerbiedigheydt, en aandachtigheydt uwes herten, het Woord des Heeren’. Het lezen was echter een rabbelen, dreunen, galmen en stamelen: het was vaak jammerlijk gesteld met het voorlezen; men begreep er vaak niet veel van. Bij de gereformeerden van Amsterdam-Zuid wees de voorlezer, als hij de apostolische geloofsbelijdenis voorlas, bij het ‘nedergedaald ter helle’ met zijn hand naar de grond; bij het ‘opgevaren ten hemel’ hief hij de handen omhoog. Een andere voorlezer aldaar wilde dit overnemen maar raakte ‘van slag af’ en liet daardoor de nederdaling opwaarts geschieden. In Grijpskerke was rond 1830 een voorlezer met een hoge rug. De dominee liet hem daarom nog wel eens Ps. 38:6 aflezen: ‘Ik ben door uwe wet te schenden / krom van lenden’. Een voorlezer, die door zijn predikant onrechtvaardig behandeld was, boog na de beëindiging van de voorlezing in de richting van de dominee en zei tot de gemeente: ‘Hoort nu, wat de onrechtvaardige rentmeester zegt…’

De koster: dominee wakker maken, toezien op lengte preek, mild oordeel
De kosters lazen na de kerkdienst, soms tijdens de dienst, bekendmakingen betreffende markten, boelhuizen en dergelijke voor, de zogenaamde ‘kerkespraak’. In Groningen had de koster tot taak om de predikant die de vroege morgendienst moest leiden te wekken. Vergat hij dit, dan kreeg hij een boete van twaalf stuivers, later verhoogd tot een halve rijksdaalder. De koster zat tijdens de avonddienst altijd in spanning: preekte de dominee kort, dan waren de kaarsen nog lang genoeg om een volgende keer mee te kunnen. Nam de preek teveel tijd in beslag, dan bleven er niet veel eindjes over. De kinderschrijver Van de Hulst heeft ons vertrouwd gemaakt met ‘De boze koster’. Er was eens een koster die een mild oordeel had over de preken: bij een geslaagde preek liep hij over van blijdschap. Viel een preek wat zwak uit, dan troostte hij de kandidaat met de betuiging: ‘God heeft geholpen’. Indien de preek helemaal mislukte, luidde zijn commentaar: ‘Tjonge, dát was nog eens een moeilijke tekst!’

De organist
De gemeentezang was vaak zo belabberd, dat men sprak over ‘balken gelijk boerekalveren’. Maar soms waren organisten de boosdoeners; zo was er één die met zijn bijzonder haastige spel de gemeente terroriseerden en verwarring bracht in de zang. Meestal kan de organist via een enkele trap bij het orgel komen. Zo niet in Straatsburg: daar moet de organist eerst een trap van ruim honderd treden bestijgen; vervolgens moet hij via de dakgoot een eindje lopen naar een gewelf; als hij daar is vindt hij een trap van vierendertig treden naar omlaag. Deze brengt hem tot een heel klein deurtje; als hij zich daardoor gewrongen heeft, dan is hij bij de speeltafel. En dan maar hopen dat hij de sleutel niet beneden in zijn jaszak heeft laten zitten… Van de Duitse organist Martin Krug kon niet zoveel goeds gezegd worden; daarom stond er op zijn grafschrift:

Hier liegt Martin Krug,
der Kinder, Weib und Orgel schlug.

Blinde, enthousiaste en arminiaanse organisten
Vanouds hebben veel blinden als organist dienst gedaan. Zo ook de heer Kruithof van de gereformeerde Burgwalkerk te Kampen: de kerkgangers wisten altijd precies of de preek bij hem insloeg. Was dit niet het geval, dan scheen het hem aan inspiratie voor tussenzang en nazang te ontbreken. Maar ging de preek er bij hem in, dan kende het enthousiasme in zijn spel geen grenzen. Al spelend zong hij boven alles uit en het orgel kreeg het zwaar te verduren. De Kampenaren zeiden dan: ‘Kruuthof hèf zien slinger!’ In de remonstrantse kerk te Amsterdam zette een organist eens een koraal in tijdens het gebed van de dominee. Iedereen in opschudding. Wat bleek? Dit orgel had een vrije wil! Er waren organisten (ze werden aangesteld en betaald door de wereldlijke overheid) die tijdens de preek wegslopen en wat gingen drinken in het nabijliggende café, om vlak voor de tussenzang weer terug te zijn.

Vingeroefeningen onder de preek, onvoeglijke melodieën
De organist móést wel wat te doen hebben onder de preek: het was hem op zijn afgelegen plaats namelijk onmogelijk om de dominee te verstaan! Veel organisten waren gewend om tijdens de preek vingeroefeningen te doen. De organist had nog een taak: als iemand onwel werd, bracht hij diegene thuis. In 1645 vermaande de kerkenraad van Middelburg de organist ‘wegens het spelen van onvoeglijke wijzen’. Ook in ‘s Hertogenbosch was een organist die ‘aanstotelijke liederen’ speelde. Hem werd aangeraden zich strikt aan het orgelbriefje te houden. In de steden moesten de organisten doordeweeks ook hun kunst laten horen: ‘ter dienst en plaisier der burgeren’. Er was eens een organist die tegen zijn leerling zei dat hij het durfde om ‘Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan’ te spelen na de kerkdienst. Zijn leerling geloofde hem niet. Maar hij deed het! En wat bleek? Niemand had het door. Hij speelde het lied namelijk als een koraal op hele noten. Daardoor werd de melodie dermate toegetakeld dat zij voor de naar koffie hakende kerkgangers onherkenbaar geworden was. Van de organist Willem de Vries te Nijmegen was men vol lof. Zo dichtte iemand:

Onze goede Willem
In de hoogte til’em!

De ouderling
Een dominee die zijn hele leven op een dorp gestaan had, verzuchtte bij zijn afscheid: ‘God schiep in Zijn toorn een boer en in de hittigheid Zijns toorns een ouderling’. Toen Abraham Kuyper eens een lijstje met namen die op de lijst van de gemeenteraadsverkiezingen voorkwamen aan iemand gaf, plaatste hij bij een naam de toelichting: ‘een nul, één onzer ouderlingen’. Professor Buys Ballot, stichter van de KNMI te De Bilt, was dertig jaar ouderling in de Waalse gemeente in Utrecht.

Kerkenraadsvergaderingen
Dr. J.H. Gunning werd eens op een nacht wakker, badend in het zweet. ‘Man, wat heb je?’ vroeg zijn vrouw bezorgd. ‘Ik droomde dat ik een vergadering van honderd vrome mannen moest presideren!’ Dr. Bronsveld beweerde: ‘Ik geloof in de alomtegenwoordige werking des Geestes, behalve waar het kerkeraadsvergaderingen betreft’. Bejaarde kerkenraden waren vroeger niet schaars. Het nadeel van menig kerkenraadsvergadering was het ongeestelijk karakter van de samenkomst. Dat was in de Vroege Kerk ook al zo; Gregorius van Nazianze verzuchtte in de 4e eeuw al: ‘Ik ben altijd slechter van een kerkvergadering vandaan gekomen dan ik erheen ging’. Boeteprediker Jacobus Hondius uit Hoorn beschreef een kerkvergadering in de 17e eeuw zo: ‘Hevigh tegen malkanderen uytvaren, en komen tot schelden, lasteren en smaden; tot groote ergernisse der ouderlinghen die present zijn, ende die niet hadden konnen dencken, dat het er onder de predicanten soo toe gingh’.

Boetes bij verzuimen, vergadering als feest
In de 17e eeuw stonden er boetes op het verzuimen van een kerkenraadsvergadering. Ook kerkenraadsleden die afwezig waren bij de kerkdiensten konden rekenen op een boete. Een vrije evangelische ouderling daarentegen, zei: ‘Onze kerkeraadsvergaderingen worden meer en meer feestvergaderingen. We zijn blij elkander te mogen zien en kunnen de dingen, die afgedaan moeten worden, in de geest van Christus behandelen’. Op het afwerken van de agende stuurde men vaak niet aan:

Ze kwamen samen met koffie en sigaren;
Zo ging dat uren, dagen, maanden, jaren!
Ze behandelden probleem na probleem,
Maar ze kwamen er nooit doorheen.

Kuyper deed meerdere dingen tegelijk tijdens vergaderingen
Veel predikanten vonden de kerkenraadsvergaderingen niet echt boeiend. Zo ging de gereformeerde dr. B. Wielenga te Amsterdam een preekschets maken als de discussie hem niet boeide. De jonge dr. A. Kuyper werd door ouderlingen in zijn eerste gemeente Beesd ‘de schriever’ genoemd. Op kerkenraadsvergaderingen verscheen hij altijd met een tas vol brieven. Had hij de vergadering geopend, dan nam Kuyper de correspondentie voor zich en begon met het schrijven van brieven en briefkaarten. Toch presideerde hij de vergadering, liet de heren hun zegje zeggen, gaf antwoord, maakte er grapjes tussendoor, maar hield zijn pen voortdurend zijn pen op het papier. Was de vergadering gesloten, dan stopte Kuyper zijn correspondentie weer in de tas en zei: ‘Goedenavond broeders, we zijn nuttig en aangenaam bij elkaar geweest’.

De diaken
Diakenen waren niet zo populair. Wel hebben bekende Nederlanders dit ambt bekleed. Een voorbeeld om de onbelangrijkheid naar voren te laten komen: in een kerk ergens in den lande kocht men voor de ouderlingenbank Bijbels, voor de diakenenbank slechts Nieuwe Testamenten! Dé vraag bij de diaconie was: collecteren met open schalen of in zakjes? Iemand redeneerde als volgt: een schaal werkt de zonde der eerzucht in de hand, maar een zakje bevordert de zonde der gierigheid. Het is moeilijk te zeggen welke zonde het ergst is. Laten we dan maar kiezen voor de zonde die het meeste voordeel oplevert, de eerzucht. Dus de schaal! In de hal van een wees- en oudeliedenhuis te Makkum hing een zwart bord met opschrift ‘Lees eens wat hierachter staat’. Draaide de bezoeker het bord om, dan las hij als vervolg ‘Gedenk der armen eer gij gaat’. En een collectebus bij het bord verschafte de mogelijkheid om deze wenk op te volgen.

Strenge diaconie, pepermunten in de collectezak
Bij het collecteren in de kerk werden weeskinderen en ouden van dagen gepasseerd. Een nare zaak was de bedeling. Deze had in veel kerken plaats onmiddellijk na de dienst. Soms in gezelschap van een politieagent, voor het geval zich incidenten voordeden. Er werden altijd pogingen gedaan om van de diaconie geld los te krijgen, ook als men er niet het minste recht op had. De diaconie van Vlissingen verleende in de 18e eeuw veel hulp aan zeemansvrouwen, wier mannen lang wegbleven. Maar wanneer de zeeman was teruggekeerd, wachtte niet alleen zijn vrouw, maar ook de diaken hem op. Iemand verklaarde: ‘Wij doen vaak de afval uit onze portemonnaie in de collecte.’ Menig keer was de collectezak namelijk een vergaarbak van vreemde munten, knopen en snoepgoed. Er was een gemeente waar veel pepermunt in de collectezak zaten. Dit irriteerde de dominee zo, dat hij eens aan de lezing van de Tien Geboden een elfde toevoegde: ‘Gij zult geen pepermunten in de collectezak gooien’. Iemand anders gaf het advies: ‘Doe zoveel in de collectezak, dat u zich niet behoeft te schamen voor de mensen als het er naast valt en dat u zich niet behoeft te schamen voor God als het er in valt’.

Overige
Te Bennebroek hingen aan de collectezakken zilveren belletjes met daarop het adellijke wapen. De dominee aldaar had er zo’n last van (dat gerinkel maakte hem onverstaanbaar, want toen collecteerden ze nog onder de preek) dat hij deze belletjes er eigenhandig afsneed. In Renswoude staat de dorpskerk op het terrein van het kasteel. De strijd tussen voorzanger en orgel was groot. Sommigen typeerden het orgel als ‘duvelse fluutkaste’. Dominee Ledeboer vond het een teken van verval wanneer een kerkgebouw een orgel bezat. Een presbyteriaanse predikant uit New York zei: ‘Geeft aan uw leraars, o Amerikanen! meer eten en zij zullen meer vuur hebben’. Over lage domineestraktementen is altijd geklaagd. Kuyper zei: ‘Winne zoo al meer de overtuiging veld, dat de godsdienst van Christus met het sombere en onoogelijke niets gemeen heeft, maar juist het frissche en levende zoekt, wat schoon is en wél luidt.

Gepubliceerd in juni 2006