Kerstening en ontkerstening van Europa

n.a.v. Anton Wessels, Kerstening en ontkerstening van Europa. Wisselwerking tussen evangelie en cultuur, Baarn 1994

Inleiding
Christus en cultuur
Zouden er in deze tijd, waarin sprake is van toenemende ontkerstening van Europa, ook lessen getrokken kunnen worden uit de geschiedenis van de vroege kerstening? De vraag komt hier naar boven hoe christelijk Europa eigenlijk wel was en in welke mate het nu ontkerstend is geraakt. H.R. Niebuhr sprak in zijn Christ and Culture (1951) over Christus tegen de cultuur of Christus als transformeerder van de cultuur. Contextualisatie: de christelijke boodschap aanpassen aan het cultuur-eigene. De vraag is hoe ver je hierin mag gaan.

Wat is kerstening?
Als men onder kerstening doop en ritueel verstaat, dan was rond 750 Engeland, Frankrijk, België en Duitsland ongeveer helemaal gekerstend. De strijd van de kerk tegen het heidense bijgeloof ging eeuwen daarna nog door. Wel waren de voorwaarden voor een verdere doordringing van het christendom geschapen. Een gevaarlijke situatie was het, toen de Islam zich begon uit te breiden, terwijl een groot deel van Europa nog niet gekerstend was! Ongeveer met het ontstaan van de Islam begon de kerstening in Engeland pas. Kortom, de pausen zagen het belang van verdere bekering van Europa in, tegen de achtergrond van de Islam. Zo werd ook Nederland gekerstend. Denemarken, Noorwegen en Zweden hielden langer vast aan het heidendom. In de 9e en 10e eeuw ondernamen de vikingen plundertochten en stichtten staten in Europa. In die tijd bloeide de oude heidense godsdienst nog.

Was Europa wel zo christelijk?
Volgens sommige historici was het middeleeuwse christendom maar een dun laagje. Pas in de tijd van de Reformatie in de 16e eeuw werd in die visie het noordelijke deel van Europa pas echt gekerstend. Aan de vooravond van de Reformatie was het middeleeuwse Westen hooguit oppervlakkig was gekerstend. Men spreekt wel van ‘vier-wielen-christendom’, om aan te geven dat er christenen waren die alleen naar de kerk kwamen als zij er op vier wielen naartoe werden gebracht: om er gedoopt te worden, te trouwen of begraven te worden.

Symboliek heidendom overgenomen
Zou de toegankelijkheid van het christelijk geloof bij de kerstening van Europa niet voor een groot deel te danken zijn aan zijn symboliek; hebben de universele beelden die het op zijn beurt overnam niet in grote mate de verspreiding van zijn boodschap vergemakkelijkt? Doordat zij gekerstend werden, hebben de goden en cultusplaatsen van geheel Europa niet alleen gemeenschappelijke namen gekregen, maar in zekere zin ook hun eigen archetypen en daarmee hun universele waarden teruggevonden: een Gallische fontein, die sinds de prehistorie als heilig werd beschouwd, kreeg nu voor de gehele christenheid een heilig karakter na te zijn toegewijd aan de maagd Maria… Het was dus succesvol van de kerk om aan te sluiten bij de beelden en mythen van het heidendom en die te ‘verheffen’ of ‘opheffen’. Dit in twee betekenissen: afschaffen en tot een hoger en beter plan brengen! Het entmythologiseren van de bijbelse boodschap in de 20e eeuw (Rudolf Bultmann) heeft averechts gewerkt met betrekking tot de communicatie van het evangelie!

Vernietigen of heiligen?
De wijze waarop het evangelie ingang gevonden heeft in de Grieks/Romeinse wereld is een andere geweest dan die in de Keltische, Germaanse of Slavische delen van Europa. Het aanvaarden van het christendom hield tevens de overname in van elementen uit de sociale en politieke structuur van de samenleving. Twee zienswijzen:
Bonifatius wilde de godsdienst die hij aantrof ‘afschaffen’. Hij verwoestte heidense tempels. Hij velde in 724 de oude, aan Donar gewijde eik in Geismar (Hessen). Een latere Duitse legende verhaalt dat een kleine denneboom onder de wortels van deze eik opkwam. Dit zou de eerste kerstboom geweest zijn. Stukken van de eik werden gebruikt om een bedehuis te bouwen. De heidenen waren verbaasd van het uitblijven van een reactie van de goden op het breken van dergelijke taboes.
– Paus Gregorius de Grote gaf de instructie datgene van de andere religie te behouden wat niet direct met het evangelie in strijd was. De afgoden moesten vernietigd worden, maar de tempels moesten met heilig water besprenkeld worden, altaren opgezet en relieken erin gelegd. Op deze manier hoopte men dat de mensen, als zij zien dat hun tempels niet verwoest zijn, misschien de afgodendienst opgeven en de ware God aanbidden. Kerken werden gebouwd op vroegere offerplaatsen.

De Grieks-Romeinse context
De Septuaginta
Het christendom ontstond in Palestina. Rond het jaar 400 werd de Romeinse staat vrijwel helemaal geïdentificeerd met de christelijke kerk. De tekst van het Nieuwe Testament is reeds een voorbeeld van aanpassing: terwijl men Aramees sprak, is de tekst in het Grieks opgeschreven. De Septuaginta (LXX) is ook van belang: men paste zich in zekere zin aan de hellenistische context aan. De vertaling kwam niet voort uit missionaire overwegingen, maar om de Joodse eredienst in stand te houden. Bij de vertaling van het Oude Testament in het Grieks (=Septuaginta) zijn bepaalde associaties van het Hebreeuws verloren gegaan. Zo werden mensvormige uitdrukkingen wegvertaald: ‘hand’ des Heeren werd ‘kracht’ des Heeren. Ook werd de tekst voor het hellenisme verstaanbaar gemaakt: ‘luiaard’ werd ‘niet-religieus mens’. Uit de grote aantallen proselieten en ‘godvrezenden’ valt op de maken dat de werking van de Septuaginta in dit opzicht succes heeft gehad. Het functioneerde ook als een praeparatio evangelica.

Heidense kritiek op het christendom
In de eerste eeuwen stonden de heidense intellectuelen in het Romeinse rijk vijandig ten opzichte van het christendom:
Tacitus beweerde dat christenen mensen waren die het mensdom haatten. Ze waren ‘een in schuilhoeken huizend lichtschuw volkje, dat zich niet in het openbaar liet horen, maar alleen in verborgen uithoeken de mond durfde te roeren.’
Celsus vond dat het christendom niet op redelijke gronden is gefundeerd en zijns inziens blind geloof vraagt. Hij beschuldigt christenen van onwetendheid, willekeur, onverschilligheid jegens de staat, sektemakerij en een van de Joden geërfde afkeer van beelden, tempels en altaren. Hij verwijt hun gebrek aan eerbied. Wat er positief aan is schrijft hij aan plagiaat van Griekse wijsheid toe. Het christendom verzwakt zijns inziens de antieke wereld tegen de stormloop van de barbaren.

Afwijzend en gebruikmakend van het heidendom
Apologeten vond het christendom in de volgende personen: Tatianus deed een felle aanval op de Griekse cultuur. Tertullianus wees het bijwonen van christenen aan schouwspelen af: ‘Wat heeft Athene met Jeruzalem te maken?’ Hieronymus vond dat men niet tegelijk de beker van Christus (=de christelijke literatuur) en de beker van de demonen (=de heidense literatuur) ledigen. Tegen deze afwijzende benaderingen staat de benadering dat christenen gebruik mogen maken van ‘de buit der heidenen’ (een verwijzing naar de schatten die de Joden uit Egypte meenamen). Origines maakte van de profane filosofie gebruik. Basilius de Grote gebruikte het beeld van de bijen, die wel honing uit de fraaiste bloemen puren, maar andere, die minder te bieden hebben, voorbijvliegen. Volgens Augustinus spraken de heidense dichters soms onbewust de waarheid en kon men zelfs een beroep op hen doen. Clemens Alexandrinus beweerde dat Homerus geïnspireerde woorden sprak zonder het zelf te willen. Prudentius wilde het christendom en de antieke cultuur verzoenen. Ignatius las ‘onsterfelijkheid’ bij wat het Nieuwe Testament met ‘onbederfelijkheid’ bedoelt. Gregorius van Nazianzus vermaande dat men het geloof ‘niet aristotelisch, maar als vissers moest verkondigen’. Echter, onder invloed van de Griekse filosofie bleek er een steeds groeiende tendens om het geloof te definiëren en te systematiseren.

Paulus
Het denken van Paulus is door verschillende filosofische scholen beïnvloed. ‘De onbekende God’, de gedachte dat God niet in tempels woont die door mensenhanden is gemaakt, het protest tegen beelden van goud, zilver en steen: dit alles komt ook bij de Stoa voor. ‘Want wij zijn ook zijn geslacht’ is een citaat van Aratus (3e eeuw voor Christus).

Tot de Griekse filosofie aangetrokken
Justinus Martyr (2e eeuw) voelde zich tot de Griekse filosofie aangetrokken. Het christendom gold voor hem als ‘absolute filosofie’. Clemens van Alexandrië en diens leerling Origines waren bezig om de heidense filosofie met hun eigen christelijke leer te verzoenen. Socrates (5e eeuw voor Christus) had volgens Martyr al enig besef van de waarheid. Behalve de Joodse profeten waren er ook de Griekse filosofen. Clemens schreef het apologetisch werk Aansporing, namelijk om tot het christelijk geloof toe te treden. Zoals de Joden de wet hadden ontvangen, zo had God in Zijn voorzienigheid de Grieken hun wijsbegeerte geschonken. Dezelfde God heeft de Bijbel en de Griekse filosofie gegeven.

Heidenen ook al kritisch over hun goden
Er bestond een heel arsenaal van argumenten tegen de mythologie, namelijk dat de goden sterfelijk, kwetsbaar en onderhevig aan hartstocht waren, hier werd dankbaar gebruik van gemaakt. Xenophanes van Colophon (6e eeuw voor Christus) hekelde de godenwereld van Homerus vanwege hun al te menselijke gedrag en omdat zij niet de waardigheid bezaten die bij hun goddelijke natuur paste. Euripides maakte bezwaar tegen de gedachte dat goden een menselijke gedaante hebben. Cicero gaf toe dat alle goden mensen zijn geweest. Door de kerkvaders werden de Grieks-Romeinse goden en hun mythen onder tweeërlei gezichtshoek bekeken: als optiek van de demonisering van deze goden (Lactantius beweerde dat de heidense goden eigenlijk demonen zijn) en die van de rationalisering (het polytheïsme werd van binnenuit uitgehold en voor de vervanging door het monotheïsme murw gemaakt).

Mythologieën en Christus
Hoe paradoxaal ook, christenen hebben in hoge mate bijgedragen aan het behoud van de Griekse-Romeinse mythologie. De klassieke literatuur werd in de eerste eeuwen door de kerk overgenomen en de kerkvaders waren met deze opvoeding doordrenkt. De reizende Odysseus werd met de levensreis van de christen vergeleken. Homerus had al weet van het voortbestaan van de ziel. Orpheus was een mythische zanger en dichter. Hij werd met Christus vergeleken. Asclepius, de god van de geneeskunde, werd Sooter, heiland of redder genoemd, de god die in alle nood helpt, een mensenvriend. Als zodanig werd hij als concurrent van Christus (als genezer) gezien. Maar…Christus overtrof Asclepius! Het heeft lang geduurd voordat de Ascepius-cultus door de christelijke kerk werd overwonnen. Theseus was een Atheense held. Hij versloeg het monster door een uitweg te vinden door de doolgangen van het labyrint. Zo ging Christus door het labyrint van de hel om de Zijnen te verlossen van de macht van de duivel. Vergilius was een Latijnse dichter die het ‘herdersgedicht’ maakte: daarin kondigde hij het einde van het ijzeren tijdperk en het aanbreken van het gouden tijdperk aan. De geboorte van een goddelijk kind Saloninus, de Zoon van Pollio, luidt dat nieuwe tijdperk in. Door menig christen werd Vergilius als iemand gezien die niet ver van de christelijke waarheid afstond. Het was niets minder dan een profetie van Christus’ geboorte!

Kerstfeest en mysteriegodsdiensten
Mithras was de naar de aarde gezonden ‘lichtdrager’, die vruchtbaarheid moest brengen. De Romeinen namen deze god over van de Perzen, dus van degenen met wie men voortdurend op voet van oorlog stonden. Hij was namelijk ook de oorlogsgod. In de hellenistische tijd werd het Mithrasfeest op 25 december geplaatst. De oorsprong van ons kerstfeest moet dus hier gezocht worden. Hier is sprake van assimilatie van Christus met de zon, in het bijzonder met de opkomende zon. Steeds vaker werd gezegd dat Chistus de eigenlijke Helios, de zonnegod was. Op den duur hebben de christenen ook niet de sabbat, maar de zondag, dies Solis, gevierd, waarop zij de opstanding herdachten! Mithras is ook een voorwerp van een geheimdienst, die in onderaardse kapellen werd voltrokken. In de Oudheid was de viering van sacramentele maaltijden wijdverbreid. We zien hier een invloed van de mysteriegodsdiensten op het christendom. Niet alleen op het punt van de eucharistie, maar ook op het punt van de dooprite en ‘de zuivere aanbidding van God, het leiden van een zuiver leven en het koesteren van een geest van broederschap.’ Het wachtwoord voor de toegang tot het mysterie ging symbool heten. Dit werd voor het christendom de technische term voor geloofsbelijdenis. Het christendom vernietigde niet de neiging tot een uitvoerig ceremonieel.

Verbod heidense godsdienst
In de vierde eeuw was er nog volop strijd tegen het heidendom. Onder keizer Theodosius I vond zelfs een herleving van het heidendom plaats. Hij was de eerste keizer die een algemeen verbod op de oude gevestigde heidense godsdienst uitvaardigde (392). De heidense eigendommen werden geconfisceerd en heidenen mochten niet meer onderwijs geven.

Overige
Ulrich Zwingli: ‘Zou u in de voetstappen van David treden, dan zou u eens Gods zelf zien en nabij Hem mag u hopen te zien Adam, Abel, Henoch, Paulus, Hercules, Theseus, Socrates, de Cato’s, de Scipio’s…
Clemens van Alexandrië beschouwde Homerus als een ‘Griekse profeet’.
– Apologeten en kerkvaders keken over het algemeen neer op de heidense religies, maar waardeerden hun filosofie. Het christelijke geloof moest zo geformuleerd worden, dat de heiden het kon begrijpen.
– Het christendom heeft geen nieuwe cultuur gebracht, maar de oude Grieks-Romeinse cultuur vernieuwd, verjongd en gereinigd.
– De laatste grote strijd tussen het christendom en het Romeinse heidendom ontbrandde om het altaar van de godin Victoria. Moest haar altaar verwijderd worden uit de senaatszaal op het forum? De kerk triomfeerde. Het symbool van het heidendom werd verwijderd.
– In de leer over engelen en demonen komt een zekere verwantschap van het christendom met de polytheïstische religiesnaar voren.
– Via een vreemde assimilatie werden soms heiligen tot de opvolgers van de goden gemaakt.

De Keltische contextualisatie
Kerstening Noord-Europa
De Naam Kelt komt van het Griekse Keltoi of het Latijnse Celtae. Voor de jaartellen werden ze ook wel Galataio Galli genoemd. De Kelten vestigden zich in een uitgestrekt gebied: Frankrijk (Gallië), Spanje, Midden-Europa (Donau-afwaarts tot in het Oosten) en de Britse eilanden. In tegenstelling tot Ierland werden de Kelten in Frankrijk en Brittannië door de Romeinen overweldigd en werden de mysterie-plaatsen aldaar systematisch vernietigd. In tegenstelling tot Gallië, waar de Kelten geromaniseerd werden, bleven de Kelten en hun cultuur in Ierland, in bepaalde delen van Groot-Brittannië, zoals Schotland, Cornwall en Wales, langer voortbestaan. In Ierland trad het christendom, wat het Noorden van Europa betreft, voor het eerst buiten de grenzen van het Romeinse rijk. De invasie van de Vikingen luidde het begin van het einde van de grote eeuw van Keltische christelijke cultuur in.

Pelgrimage
In Ierland was het verschijnsel peregrinatio populair: zending bedrijven door naar verre streken te gaan. Bekende namen zijn Patrick, Pelagius, Brandaan, Columba en Columbanus. De Ierse monniken verlieten hun geboorteland om in het buitenland ‘een volmaakt leven te leiden’, zonder de bedoeling ooit terug te keren: peregrinari pro Christo. Ascese was het voornaamste motief, daarna pas kwam de zending. In de wildernis stichtten ze een klooster.

Patrick
Patrick (390-460), ‘de apostel der Ieren’, was verantwoordelijk voor de kerstening van Ierland. Hij organiseerde een reeds bestaande kerk. Zijn sterfdag is een nationale feestdag geworden. Hij beschouwde dromen als boodschappen van God. Patrick predikte het geloof in Roomse vorm. Hij worstelde dertig jaar tegen het heidendom. Hij had niet veel respect voor de vóór-christelijke godsdienst van de Ieren. Hij noemde het ‘bedrieglijke afgoden’. Hij daagde de Druïden uit met betrekking tot hun toverkunst, zoals eens Elia op de Karmel tegenover de Baälpriesters. Toch sloot zijn prediking aan bij de Keltisch-Ierse opvatting over God. Aan de heidense bossen, bronnen en bomen werd een christelijke betekenis gegeven. Toen het grootste deel van Europa in Germaanse handen kwam (eind 4e eeuw), werd Ierland niet binnengevallen en bleef het een kolonie die van Rome afgesneden was.

Pelagius
Twee tijdgenoten van Patrick waren de Ieren Pelagius (360-430) en diens voornaamste discipel Caelestius. Pelagius had een geromaniseerde Keltische achtergrond. Hij was de eerste Ierse schrijver en theoloog. Bovenal werd hij bekend als tegenstander van Augustinus van Hippo (354-430). Pelagius was onder de indruk van het radicalisme van de Bergrede en de ernst van het laatste oordeel. Hij vatte het evangelie op als een toespitsing van de wet: niet vergelden, liegen en zweren. Pelagius’ leer is aan het Druïdische denksysteem ontleend. De Druïden legden veel nadruk op rechtvaardigheid en moraliteit. ‘Voor de Druïden was alles in de natuur goed, maar het was afhankelijk van de wil van een mens of het goed bleef. Het drievoudige maxime van de Druïden was: Eer de goden, doe geen kwaad en wees braaf’. Zes leerstellingen van hem werden als ketters veroordeeld: dat Adam ook gestorven zou zijn, als hij niet gezondigd had, dat de zonde alleen Adam schade deed en niet de mensheid, dat kinderen, ook al zijn ze ongedoopt, eeuwig leven hebben, dat de mensheid niet sterft vanwege Adams dood of zonden en niet zal opstaan vanwege Christus’ opstanding, dat zowel de oudtestamentische wet als het nieuwtestamentische evangelie toegang geven tot de hemel en dat vóór de komst van Christus er mensen waren die zonder zonde waren.

Brandaan, Columba en Columbanus
Brandaan (484-580) was de meest bereisde Ierse zendeling. Het gebied rond Berlijn-Brandenburg is naar hem genoemd. Ook de vuurtoren op Terschelling, de Brandaris, herinnert aan hem. Columba (521-597) wordt als de grootste heilige van de Keltische kerk vereerd. Hij zocht de ballingschap en stilte van de hermitage, de ‘woestijn’. Hij koesterde grote liefde voor grote en kleine schepselen, de moede stormvogel, de leemten van de aarde, alsook de zeeën en de lucht. Bij de verering rondom zijn persoon blijkt dat de helden uit het heidense verleden vereerd bleven worden, de eigenschappen van de heidense goden werden aan christelijke heiligen overgedragen. Columbanus (543-615) was een rondtrekkende prediker wiens favoriete thema was de metafoor van het christelijk leven als een ‘weg’ en een ‘reis’. Hij was actief in Oost-Frankrijk, Zwitserland en Noord-Italië. Hij gaf een nieuwe impuls aal het monastieke leven. Behalve het ascetische motief waren de peregrini evenzeer op de natuur en de schoonheid gericht.

Goden, heiligen en Druïden
Er zijn wel vierhonderd Keltische godennamen bekend. Daghda bezat een magische knots en een magische ketel. Brighid was een godin. Opvallend is dat in Ierland een heilige werd vereerd met dezelfde naam. De invloed van de godin Brighid is zo overheersend geweest, dat wel aan de historiciteit van de persoon van de heilige Brighid wordt getwijfeld en het niet gemakkelijk is duidelijk tussen de godin en de heilige te onderscheiden. Het woord ‘druïde’ is Iers voor ‘hoogwijze’. Druïden moesten een opleiding van twintig jaar volgen voordat ze genoeg kennis hadden. Ze geloofden in het voortleven van de ziel na de dood en de zielsverhuizing. Druïden konden adviezen geven betreffende het verbod om bepaalde dingen te doen dan wel te laten. Een ramp werd niet veroorzaakt door de wil van goden, maar door de menselijke misdragingen. Mensenoffers kwamen ook voor bij de Druïden. De Druïden hadden ook een goddelijke openbaring die luidde: ‘Een maagd zal een kind baren, dat aan de mensheid het heil zal brengen.’ De Druïden werden als onverzoenlijke tegenstanders van de kerk beschouwd. De strijd tegen hen liep uit op een vrijwel volledige vernietiging van de Druïdische organisatie. Aan de andere kant kan men zeggen dat het Druïdenschap in het christendom is uitgemond. De Druïden onderscheidden zich door hun witte kleding en tonsuur, iets wat de geestelijkheid van het Keltische christendom overnam!

Keltische heidendom en christendom
In het Keltische christendom was, wanneer er iemand overleed, de zegswijze gebruikelijk: ‘Hij is gisteren afgezeild, of hij heeft een goede overtocht gehad.’ De overtocht had betrekking op het Westen, waar de zon ondergaat, dat naar het kosmische rijk van de nacht, het dodenrijk, leidt. Water mocht alleen gedronken worden als dat door de zon beschenen was. Water moest overdag geput worden. ’s Nachts water putten was taboe. Het continue zingen van psalmen was een uitdrukking van een Keltische benadering van de almachtige God. Voor de Keltische kalender waren de volgende data heel belangrijk: 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1 november. In Wales werd januari wel ‘de zwarte maand’ genoemd. Bij alle vier data bleef in de christelijke overname de oorspronkelijke Keltische betekenis op een bepaalde manier behouden en kreeg voorts een eigen christelijke duiding. Het lentefeest was heel belangrijk, omdat het een vruchtbaarheidsritueel was (1 mei). Het is niet toevallig dat juist mei de Maria-maand geworden is. De toewijding aan Maria in de maand mei wordt als een poging gezien om de folkloristische manifestaties uit deze periode van het jaar te kerstenen. Op 1 augustus vond het oogstfeest plaats; dit was het hoofdfeest van de Kelten. Het wordt vandaag nog gevierd. Een bijzondere trek van het Keltisch-Ierse christendom is de relatie tot de natuur.

Patrick’s gebed om bescherming
De aandacht voor de natuur zien we ook in de prachtige oude hymne Lorica Sancti Patritii van Patrick. Het is een gebed om bescherming:

For my shield this day I call:
Heaven’s might,
Sun’s brightness,
Moon’s whiteness,
Fire’s glory,
Lightning’s swiftness,
Wind’s wildness,
Ocean’s depth,
Earth’s solidity,
Rock’s immobility.

This day I call to me:
God’s strength to direct me,
God’s power to sustain me,
God’s wisdom to guide me,
God’s visions to light me,
God’s ear to my hearing,
God’s word to my speaking,
God’s hand to uphold me,
God’s pathway before me,
God’s shield to protect me,
God’s legions to save me:
from snares of the demons,
from evil enticements,
from failings of nature,
from one man or many
that seek to destroy me,
anear or afar.

Be Christ this day my strong protector;
against poison and burning,
against drowning and wounding,
against poison, against burning,
through reward wide and plenty.

Christ beside me, Christ before me,
Christ beneath me, Christ above me,
Christ to right of me, Christ to left of me,
Christ in my lying, my sitting, my rising,
Christ on tongue of all who meet me,
Christ in eye of all who see me,
Christ in ear of all who hear me.

Jozef van Arimathea, de heilige graal en koning Arthur
Jozef van Arimathea zou volgens de legende degene zijn die verantwoordelijk was voor de bekering van het Keltische Brittannië tot het christendom. De legende wil dat het christendom gelijk met de ‘heilige graal’, waarin het bloed van Christus was opgevangen, toen hij van het kruis werd genomen, door Jozef van Arimathea naar Groot-Brittannië overgebracht zou zijn. Hij werd daarenboven ook gezien als de voorouder van de nationale held koning Arthur. Die regeerde rond 500 zijn volk tegen de binnendringende Saksen. Hij werd een mysterieuze held van het Britse verzet tegen de invallers. De historische figuur Arthur groeide uit tot koning Arthur.

Concluderend
Aan de ene kant heeft het christendom ook in Ierland een harde strijd tegen de invloed van de heidense religie gevoerd. In de heiligenlevens wordt verteld hoe ‘de mond van de grimmigen’ (=de Druïden) werd gesnoerd. Patrick probeerde de invloed van de Druïden te breken. Toch moet het Ierse monnikdom niet als ‘cultuurvijandig gezien worden. Het vroege Ierse monnikdom, de ongehoord streng ascese, deze wereldvlucht, waren toch niet als een wereldontkenning bedoeld, maar getuigden van een ‘Bejahung’ van de schepping en al haar goederen. De vroege christelijke leiders waren bereid oude elementen van oud heidendom in hun eigen religieuze praktijk op te nemen en te assimileren, liever dan het te laten aankomen op een conflict met loyaliteiten bij de nieuwe bekeerlingen. De verering van Keltische heilige plaatsen, bronnen en stenen werd niet zozeer afgeschaft als wel gemoduleerd door er christelijke plaatse, bronnen en stenen van te maken. In plaats van met de Keltische goden werden die plaatsen met christelijke heiligen verbonden. De heidense feesten werden in het kerkelijk jaar ingepast. Er werd wordt wel gesuggereerd dat in Ierland de inculturatie van het christendom beter geslaagd is dan elders in Europa. Het was een opmerkelijk vreedzame overgang van heidendom naar christendom.

Het Evangelie in de Germaanse wereld
Clovis en Karel de Grote
Met ‘Germanen’ wordt niet een ras, maar een taalkundige en culturele groepering aangeduid. Er wordt onderscheiden tussen Noord-Germanen (Zweden, Denen, Noren en IJslanders), Oost-Germanen (Vandalen, Goten, Bourgondiërs en Longobarden) en de West-Germanen (Franken, Alemannen en Saksen). Tussen ongeveer 300 en 1000 hadden alle Germaanse stammen het christendom aanvaard, een niet onaanzienlijk deel in Ariaanse vorm. Rond 500 gingen de Franken als eersten tot het katholicisme over, onder koning Clovis. Karel de Grote was verantwoordelijk voor de kerstening van onder andere de Saksen. Vaak begon de bekeringsarbeid van bovenaf bij de koningen. Vaak is erop gewezen dat Karel de Grote de Saksen met geweld gedwongen heeft christen te worden, maar dit mag wel genuanceerd worden. Er wordt wel beweerd dat de strafexpedities van Karel de Grote tegen de Saksen meer met politiek dan met zending van doen hadden. Karel de Grote, die in 800 tot keizer gekroond werd, stelde zijn rijk en het imperium christianum, de stad Gods, met elkaar gelijk. Zo kwamen trouw en loyaliteit aan God én de koning in elkaars verlengde te liggen! Als Saksen, eenmaal christen geworden, tot hun traditionele geloof wilden terugkeren, stond daar de doodstraf op. De kinderen werden allen gedoopt. Men werd gedwongen zondags naar de kerk te gaan. De vrije boeren moesten ten behoeve van de bouw van kerken land afstaan en van de inkomsten moesten tienden worden betaald.

Wilfrid, Willibrord en Bonifatius
De eerste Angelsaksische prediker was echter Wilfrid (634-709). Als één van de beweegredenen voor bekering van de Friezen werd de goede visvangst en de buitengewone rijke oogst van dat jaar genoemd, welke zij toeschreven aan de God die Wilfrid predikte! Willibrord (658-739), de ‘apostel der Friezen’, arbeidde in de tijd van koning Radbouds opstand en het bewind van Karel Martel, alsmede toen het gebied onder Frankisch gebied kwam te liggen. De uitbreiding van de Frankische macht en de uitbreiding van het christendom hingen zo nauw samen. Bij Willibrords wonderen speelt water een opvallende rol. Willibrords waterwonderen passen goed in de waterige streken van Friesland. Bonifatius (Winfrith) zou een diepere invloed op de geschiedenis van Europa hebben dan enige Engelsman na hem. Hij genoot de bescherming van de wereldlijke overheid. Deze protectie was van wezenlijk belang voor zijn krachtdadig optreden, zoals die uitkwam in het kappen van bomen of het vernietigen van afgoden en heidense tempels. Het maakte grote indruk op de heidenen dat de afgoden hem daarvoor niet straften. Het jaar 750 wordt wel genoemd als het moment waarop de eerste kerstening van het grootste deel van West-Europa en de Britse eilanden voltooid is en de voorwaarden voor verdieping daarvan schepte. Hij werd op 5 juni 754 bij Dokkum vermoord.

Scandinavië
Scandinavië is heel laat gekerstend. Bij het begin van de vikingtijd was heel Scandinavië nog een door en door heidens gebied. Van de Zweden wordt gezegd dat zij het hardnekkigst vasthielden aan de heidense religie. In 960 liet de Deense koning Harald Blauwtand zich dopen. Hij kwam tot dat besluit doordat hij de grotere macht van Christus zag. Met de namen Azen en Wanen worden in het Oud-Noors goden aangeduid. Dit zie je terug in persoonnamen als Astrid, Ansgar, Anselm en Oswald. In de Scandinavische mythologie is ‘Hel’ de godin van het dodenrijk. In de oude Noorse mythologie slaat de term ‘hel’ zowel op de plaats als op degene die heerst over die plaats. Door de Germanen werd de plaats gezien als het verblijf voor degenen die niet op het slagveld waren gevallen, maar van ouderdom of ziekte gestorven waren. Dit weerzinwekkende dodenrijk was de verblijfplaats van misdadigers, vogelvrijen en lafaards. Het geloof in de onderwereld komt in de hele Germaanse wereld voor. Wie eenmaal dit rijk betreden heeft, komt er niet meer uit. Het was dan wel een onverkwikkelijk schimmenrijk, maar niet het oord waar je gestraft werd. Het woord ‘hel’ kreeg in het christelijke gebruik een nieuwe betekenis. De hel werd een oord van bestraffing voor zonden.

De dagen van de week
De namen van enkele van de belangrijkste godengestalten uit het Germaanse heidendom zijn blijven voortbestaan in plaatsnamen die beginnen met de naam van god en eindigen met lund (bos), vin (weide) of akr (veld). De zondag en de maandag herinneren ons aan de oude erediensten voor de zon en de maan. Verder zijn Tyr in dinsdag, Wodan in woensdag, Donar en donderdag en Freya in vrijdag (deze godheid vind je ook terug in Franeker: ‘akker gewijd aan de godin Freyr/Fro’) blijven voortbestaan.

Wodan/Odin
Wodan/Odin is de hoofdgod der Germanen. Zijn speer mist zijn doel nooit. Één van zijn hoofdattributen is de bliksem. Hij is de krijgsgod, de god van oorlog en dood. Hij staat aan het hoofd van het Walhalla, de ‘hal van de dood’. Diegenen die op het slagveld vallen, worden door de dochters van Wordan naar het Walhalle gebracht, waar zij tot een nieuw leven opstaan. Ze oefenen zich daar dagelijks in het hanteren van wapens om zich voor te bereiden op het laatste treffen met de machten, de dag der Götterdämmerung (godenschemering). Ook is Wodan de god van de wijsheid en poëzie. Er is ook een verhaal van het hangen van Wodan aan een boom, ‘de gehangen god’. Hier zien we een gelijkenis met Christus.

Sinterklaas
Sint Nicolaas was een bisschop uit de vierde eeuw, uit Myra, Zuid-Turkije. Er zijn weinig volksfeesten waarin zoveel oud-Germaanse gebruiken bewaard zijn bebleven als het Sinterklaasfeest. Men kan in het Sint Nicolaasfeest vele oude trekken van de oude Wodandienst terugvinden. Op de 6e december begon de heilige maand. Dan vierden de mensen feest vanwege Wodans komst. In die maand trok Wodan voorbij en maakte een rondgang op aarde om de ongehoorzamen te straffen. In dit opzicht heeft Sint Nicolaas Wodan vervangen. Aan Sint Nicolaas werd Wodans grijze baard gegeven. Men liet Sinterklaas door de lucht en over de daken rijden, zoals vroeger Wodan gedaan had. De achtvoetige Sleipnier, waar Wodan op reed, werd de schimmel van Sint Nicolaas. ‘Zwarte Piet’ was een volksbenaming voor de duivel. ‘Plaaggeesten’ werden als zwart voorgesteld. Rondom de vroegere Zuiderzee ligt een krans van Sint Nicolaaskerken: Amsterdam, Stavoren, Kuinre, Oldemarkt, Blankenham, Vollenhoven, Genemuiden, Kampen, Kamperveen, Oosterwolde, Elburg, Doornspijk, Harderwijk, Baarn, Weesp, Muiden, Monnikendam en Edam.

Sint Maarten
Maarten (gestorven in 397) was aanvankelijk een Romeins soldaat. Hij werd in 372 bisschop van Tours. Zijn sterfdag is de 11e november, de dag waarop zijn naamdag nog steeds wordt gevierd. Dit kwam in plaats van de oud-Saksische ‘nodfiur’. De herfst- en oogstfeest werd toen gehouden. Lofliederen werden gezongen ter ere van de schenker van deze zegeningen. De Germanen ontstaken bij hun oogstfeesten op een berg vreugdevuren. In de meeste plaatsen droegen kinderen bij deze gelegenheid bij hun rondgangen fakkels, papieren lantaarns of uitgeholde koolrapen met een kaarsje erin mee.

Thor/Donar
Thor of Wodan wordt door de Romeinen ook wel met de onweersgod Jupiter gelijkgesteld. Thor is de god van regen, donder en oorlog. Uppsala gold als bolwerk van Odin, Donar en Freyr. Thor werd geacht de voornaamste tegenstander van Christus te zijn. Het maken van het kruisteken leek sterk op het teken dat door de aanbidders van Thor met de hamer gemaakt werd. De hamer van Thor komt samen met een christelijk kruis voor. Er wordt wel beweerd dat het christendom in de tijd van de Vikingen nauwelijks meer was dan het oude heidendom in nieuwe vorm met alleen de naamswisseling tussen Christus en Thor. Het nieuwe was dat men geen mensen mocht offeren. De verering van heiligen heeft als het ware het polytheïsme vervangen. Zo werd de heilige Olaf met Thor gelijkgesteld.

Heliand voor de Saksen
‘Heliand’ was het grootste christelijke geschrift uit de 9e eeuw. Dit werk kan inzicht geven in de wijze waarop het evangelie toen met de Germaanse context in verband gebracht werd. Het was een soort vijfde evangelie voor de Germanen. Van het schip op het meer van Galilea wordt als over een vikingschip gesproken, de bruiloft van Kana was een vrolijk drinkgelag. Van de twaalfjarige Jezus in de tempel staat er: ‘…nog wilde hij in zijn jeugd niet zijn grote kracht aan de mensen laten merken, welke macht hij over deze wereld bezat.’ In de Heliand staat de strijd op de voorgrond. De discipelen worden getekend als degenen die voor hun leider ‘heldendaden’ verrichten. De discipelen kennen een trouw die eenvoudig, beslist en zonder aarzeling en twijfel is. Christus wordt in de Heliand voorgesteld als een Germaans vorst, die met zijn ridders het land doortrekt. Doordat hij de dood ondergaat, wordt hij werkelijk de ‘Heliand/Heiland’, de grote helper tegen Gods toorn en het geweld van de duivel. Vele malen wordt in de Heliand op de macht van Christus gewezen. Zelfs de machtigste koningen (drie koningen, hier komt het getal drie vandaan met betrekking tot de wijzen uit het Oosten!) bewijzen het kleine kind eer. De dichter van Heliand kent geen Koninkrijk van God dat zich hier op aarde ontwikkelt. Het Koninkrijk van God is een hemels rijk. De dichter van Heliand wil de pasbekeerde Saksen het evangelie verkondigen. Het was de intentie van de auteur de kerkelijk aanvaarde geloofsleer zo juist mogelijk in de heidense taal over te zetten. Bij het schrijven van Heliand stond de auteur daarom een pastoraal oogmerk voor ogen.

Bidden met gevouwen handen
Terwijl in de Vroege Kerk met opgeheven handen werd gebeden en ook de heidense Germanen dit baden, baden de Germanen die christen waren geworden, anders: men benadert God met gevouwen handen. Het benaderen met gevouwen handen betekent: ‘Een weerloos en ongewapend benaderen door een man van een gewapende, toekomstige leider om hem om opname te vragen’. Hij benadert hem in de ‘houding van grenzeloos vertrouwen en dienstbaarheid’. Er ligt dus onmiskenbaar onderdanigheid en horigheid in uitgedrukt.

Liber evangeliorum voor de Franken
Wat de schrijver van de Heliand in het Saksisch had volbracht, wilde Otfrid von Weiszenburg (9e eeuw) in het Frankisch doen. Het werd Liber evangeliorum. Naast zonde- en genadebewustzijn kwam ook nationale trots tot uitdrukking. Otfrid probeerde de vreemde wereld van het evangelie door de eigen bekende aanschouwelijk te maken. Otfrid was geen volksprediker, maar iemand die zich op de bovenlaag richtte. Er was sprake van een strijders-ethos, loyaliteit en gehoorzaamheid en de heer-man relatie. De godheid en almacht van Christus treden sterk op de voorgrond. De tekst ‘Allen die het zwaard opnemen zullen door het zwaard vergaan’ wordt door Otfrid overgeslagen!

Muspilli en Wessobrunnergebed
Muspilli is een fragmentarisch overgeleverd gedicht dat handelt over de laatste dingen, het wereldeinde, de wereldondergang. Het gaat erom wat het lot van de mensen in de dood en het jongste gericht is. In feite leefde in de muspilli een oud-heidense voorstelling over de wereldondergang in een christelijk gedicht voort. Wessobrunnergebed: hier gaat het om het begin van de wereld, de schepping. Hier is sprake van strijd tussen Christus en de duivel. De kruisdood staat in dienst van die strijd. Men legt deze uit vanuit het koningsoffer. Doordat de koning zich opofferde, bracht hij de zaak waarom het ging tot een zekere overwinning. De zaak waar het om gaat is de overwinning op de duivel.

Kerstfeest en Joelfeest: eten, lawaai maken, geschenken
Op welke wijze verhoudt het Kerstfeest zich tot het Joelfeest, het midwinterfeest of het feest van de zonnewende? In de Noorse talen behield het Kerstfeest de voorchristelijke naam Jul. Het Joelfeest begon op 25 december, na de kortste dag van het jaar en duurde twaalf nachten, die in het teken van algehele vrede stonden. Het is de heiligste periode van het jaar. Wanneer de aarde tot nieuw leven ontwaakt, moet er aan de goden der vruchtbaarheid geofferd worden. Een vast onderdeel bij de maaltijd was het sacrale drinkgelag. Het feest heeft vermoedelijk te maken met de verering van vrouwelijke vruchtbaarheidsgodinnen. De Joeltijd is de tijd dat de Germanen de doden herdenken. Men geloofde dat de geesten van de voorouders dan terugkeerden om aan hun feesten deel te nemen. Daarom zette men ook spijzen voor hen neer. Eten en drinken waren bij het Joelfeest sacrale offerhandelingen. Het bereiden van de kerstkoek, kerstkransen, kerstbroden en de Weihnachtsstol is vrij zeker een herinnering aan oude heidense offerkoek (Joelbrood). Het is waarschijnlijk dat de ringvorm, zoals het in kerstkransen voorkomen, doelt op de ononderbroken voortgang van de vegetatie en symbolisch staat voor levensvernieuwing. Dood en vruchtbaarheid hingen dus nauw samen bij dit feest. Het lawaai maken is in ons land vrij algemeen van de kerstnacht op de nieuwjaarsnacht overgegaan. Het was een verdrijven van boze geesten. Daarom werden de kerkklokken ook geluid. Door het klokgelui wil men kwade geesten verjagen en goede geesten lokken tegen de onvruchtbaarheid. Het geven van geschenken op Kerstfeest, dat voorheen in ons land bekend was, en opnieuw onder invloed van de commercie ingang vindt, gaat op een oud-Germaans gebruikt terug. In de 17e eeuw werd het nog in Kampen verboden op kerstavond geld of geschenken te zenden. Zonder twijfel is het Kersteest in het Noorden van Europa het meest populaire van de christelijke feesten geworden, ondanks dat theologisch verdedigd kan worden dat het Paasfeest het belangrijkste christelijke feest is en ook in de Oosterse kerken centraal staat.

Levensboom, eik en kerstboom
De boom neemt over het algemeen een belangrijke plaats in de meeste godsdiensten in: de boom wordt gezien als de plaats waar geesten wonen en wordt in verband gebracht met de goddelijke machten. Enerzijds wortelt de boom in het onderaardse en anderzijds reikt deze tot in de hemel. De drie kosmische gebieden hemel, aarde en hel zijn daarin verbonden. De levensboom staat in het centrum van de wereld en is het symbool van het zich steeds vernieuwende leven, de kosmische regeneratie. De eik was heilig voor Kelten en Galliërs. De oorsprong van de kerstboom wordt wel in de Germaanse of zelfs Indogermaanse boomcultus, een bijzondere vorm van vegetatieverering, gezocht. De versiering van de kerstboom heeft vermoedelijk met een oude traditie te maken. In Engeland ging de voorkeur uit naar klimop, laurier of hulst, terwijl op het continent van Europa vooral dennen- en sparrengroen werd gebruikt. De kerstboom is in ieder geval een altijd groen boom.

Paasfeest: opstanding van de natuur en eieren
Het is opvallend dat in het Engels, en trouwens ook in het Duits, de naam voor Paasfeest niet zoals in het Nederlands een directe, in zekere zin onvertaalde overname van het Hebreeuwse woord pascha is: het luidt respectievelijk Eastern en Ostern. Deze benaming is zeer vermoedelijk ontleend aan de naam van de Saksische lente en eiergodin Eastre of Ostara. Zij was de godin van de opstanding van de natuur na de lange dood van de winter. In verband met haar feest werden eieren gegeten. Ook werden eieren begraven in de akker ter wille van de vruchtbaarheid.

Concluderend
De factor ‘macht’ heeft een belangrijke rol gespeeld in de Germaanse kerstening, zo hebben we gezien. In de evangelisatie ging het er veelal om, om via machtsbewijzen de onmacht van de afgoden en de almacht van de christelijke God aan te tonen. Zo heeft Lebuïnus (8e eeuw) op de exclusiviteit van het christendom en de nietigheid van de afgoden gewezen. Bonifatius toonde door het vellen van de Donar-eik dat Christus machtiger was dan Donar. Dat het christelijk geloof sterker was, speelde een beslissende rol bij de overgang niet alleen van Clovis, maar ook van koning Olaf van Noorwegen: het motief van de sterkere god. Het idee van Christus als een dappere jonge strijder aan het hoofd van een groep trouwe mannen van rang. De kerk heeft op allerlei wijzen geprobeerd iets in de plaats te stellen van de heidense zeden. ‘met een fijn psychologisch inzicht deed zij concessies aan de volksaard, die meer op het aanschouwelijke dan speculatieve was ingesteld’. Er werd een nieuwe christelijke inhoud gegeven aan oude, ten dele religieuze gebruiken, waaraan het volk hardnekkig bleef vasthouden. Processies door de velden vin Rome, Gallië en Germanië, die gewoonlijk met afgodsbeelden werden gehouden voor goed weer, werden door bidprocessies vervangen. Op het terrein van de zede was het verzet tegen het christendom het sterkst. In alle gevallen werden de goden(verhalen) christelijk uitgelegd en vervangen door een heilige en in die zin ‘opgeheven’.

Overige
– Bij de overgang tot het christendom werden de oude mythen niet ineens onderdrukt noch geraakten zij zomaar in de vergetelheid. Wel ondergingen zij een christelijke herduiding. De mythen werden in ieder geval niet onverenigbaar met de boodschap van het kruis geacht.
– Edda was een werk dat ontstond in de overgangstijd van het heidendom naar het christendom. Het is een oude liederenverzameling met goden- en heldensagen.
– Er wordt beweerd dat iedere bijzonderheid van de opvatting van Anselmus mede door de Germaanse opvatting van eer (trouw aan je heer, gehoorzaamheids- en bevelstructuur) is bepaald.

Wisselwerking tussen Evangelie en de hedendaagse Europese cultuur
Vragen voor vandaag
De vragen van het vanwaar en waarheen of waartoe en die van de zin van het leven van de mens in de wereld, werden bij het begin van de kerstening van Europa gesteld en kunnen ook vandaag opnieuw gesteld worden. ‘Als de nieuwe leer ons enige zekerheid brengt, is zij waard dat wij haar volgen.’ Vijf punten komen hierbij aan de orde:
– Het gevaar van een al te positief ingaan op de Europese cultuur.
– Kunnen we leren van de Keltische omgang met de natuur?
– Kunnen we opnieuw oog krijgen voor de waarheid van de mythe?
– Wat is de betekenis van de moderne beeldcultuur voor de vertolking van het evangelie?
– Kan het christelijk geloof in woord, beeld en daad echt worden vertolkt?

CHRISTUS TEGEN DE EUROPESE CULTUUR (MISKOTTE)
Het positieve aansluiten bij de Europese cultuur is geprobeerd in de jaren 30 van de 20e eeuw, toen het nationaal-socialisme in Duitsland de Germaanse cultuur herontdekte. K.H. Miskotte kwam als eerste tegen dit ‘herlevende heidendom’ in verzet, door middel van zijn proefschrift: Edda en Thora. Een vergelijking van Germaanse en Israëlitische religie. Voor hem was deze daad een gehoorzamen aan ‘het gebod van dit uur’. De Leidse hoogleraar J. de Vries was positief over de Duitse ontwikkelingen. Hem leek de ‘gesloten, dus gezonde samenleving’ wel een goed idee. De geschiedenis rondom het Derde Rijk is dus een waarschuwing tegen een verkeerde aansluiting bij een cultuur. Miskotte zegt: ‘Wij voor ons erkennen gaarne (of liever óngaarne, maar eerlijkheidshalve en in zoverre gaarne), dat wij inderdaad in de gang en de toonaard der mythe, voorzover wij die verstaan, ons ten diepste voelen aangesproken en aangegrepen; wat wij daar horen, is geest van onze geest, bloed van ons bloed.’ De vraag blijft: moet de kerk van vandaag zich wel zoveel gelegen laten liggen aan de Europese cultuur? Had Tertullianus niet gelijk toen hij zei: ‘Wat heeft Athene met Jeruzalem te doen?’ Het is van belang in dit verband te vermelden dat veel van die vóór-christelijke godsdienst en cultuur niet bekend zou zijn zonder het christendom. Er kan inderdaad van een positieve opheffing van de Romeinse, Keltische en Germaanse cultuur gesproken worden. Maar deze contextualisatie mag nimmer leiden tot een opgeven of verwateren van de eigen christelijke identiteit.

DE OMGANG MET DE NATUUR: HET BEHOUD VAN DE SCHEPPING
De omgang van de Kelten met de natuur is leerzaam. De vraag komt naar boven: is in het verleden de speciale omgang van de primitieve godsdiensten met de natuur niet te snel afgedaan als ‘natuurgodsdienst’? De natuur werd gezien als het gelaat van de goden. Matthew Fox is van mening dat de Westerse theologie teveel vanuit een exclusief zondeval/verlossingsmodel van spiritualiteit heeft geleefd en gedacht. Het doen van gerechtigheid en sociale transformatie en plezier is volgens hem op de achtergrond geraakt. Hij zegt: ‘Vrede op aarde kan niet zonder vrede met de aarde.’ Hij is er dus teleurgesteld over dat de Keltische op de schepping georiënteerde spiritualiteit al vroeg in de Westerse kerk weggevaagd of althans onderdrukt is. Fox wil van Christus spreken als ‘Moeder Aarde’.

VAN ‘ONTMYTHOLOGISERING’ NAAR ‘DE WAARHEID VAN DE MYTHE’
Tegenwoordig is er een sterke stroom die de mythen negatief wil afdoen. Het woord ‘mythe’ roept direct bepaalde negatieve associaties op. Het heeft de bijbetekenis gekregen van ‘fabel’ of ‘praatje zonder grond’. We moeten bedenken dat de Bijbel ook niet mythevijandig is. Bultmann heeft veel invloed gehad met zijn mening dat de boodschap van de mythe gescheiden moet worden en het ‘kerugma’ (boodschap) tegenover de mythe staat. Daartegenover staat de mening: ‘Elke poging tot ontmythologiseren van de Bijbel leidt tot vernietiging ervan. De Bijbel zelf is een reusachtige mythe.’ Joseph Cambell spreekt over vier belangrijke functies, wil een mythologie goed functioneren: (a) Het moet betrekking hebben op het mysterie van het universum en van het eigen bestaan van de mens daarin (b) Het moet een begrijpelijk beeld geven van de wereld om ons heen (c) Riten en rituelen moeten indruk maken op de jongeren en moeten hen vormen (d) De belangrijkste functie: het moet ons stap voor stap door de onvermijdelijke psychologische crises van een gewoon leven leiden. Mythen behoren tot de subtielste en meest directe talen van de ervaring. Mythologie is geen leugen, maar is dichtkunst, het is metaforisch. Plato suggereerde dat ‘de toekomstige burgers van zijn ideale republiek hun literaire opvoeding zouden beginnen met het vertellen van mythen, liever dan met louter feiten of zogenaamde rationele leerstellingen’. Aristoteles zei: ‘De vriend van de wijsheid is ook de vriend van de mythe’. Dat elektriciteit gebruiken en in wonderen geloven, zoals Bultmann zei, niet zouden kunnen samengaan wordt na als een vergissing beschouwd. Één van de kenmerken van het geseculariseerde bewustzijn was het uitbannen van vrijwel alle transcendente elementen uit het christelijke referentiekader. De centrale leerstellingen van de christelijke traditie kunnen alleen maar in de vorm van metaforen uitgedrukt worden. ‘De waarheid is niet naakt in de wereld gekomen, maar in symbolen en beelden.’

VAN WOORDCULTUUR NAAR BEELDCULTUUR
Voor de moderne mens is de wereld gedesacraliseerd. Er is sprake van een aantrekkingskracht van de exacte wetenschap. Velen vestigden hun hoop op een desacraal messianisme, zoals het marxisme. Op het niveau van het onbewuste wordt de godsdienstige betekenis wel degelijk gevoeld. Mircea Eliade noemt de film, de literatuur en de dromen als uitdrukkingsvormen daarvan. Wat literatuur betreft is een aardig voorbeeld De reis naar het middelpunt der aarde van Jules Verne. Alle klassieke beproevingen zijn erin te vinden: de nacht, het water, de monsters. Het moge zo zijn dat secularisatie zeer succesvol is op het niveau van het bewuste leven: oude theologische ideeën, dogma’s, geloofsstellingen, instituties, die in toenemende mate van hun betekenis zijn ontdaan. Maar ‘geen levend, normaal mens kan herleid worden tot zijn bewuste rationele activiteit. Want de moderne mens droomt nog, wordt verliefd, luistert naar muziek, gaat naar het theater, kijkt naar films, leest boeken. De moderne mens leeft niet alleen in een historische en natuurlijke wereld, maar ook in een existentiële en in die van de verbeelding.’ Van film en televisie gaat tegenwoordig grote aantrekkingskracht uit. In deze tijd beleven wij hoe de woordcultuur wordt verdrongen door de beeldcultuur. De audiovisuele media, met name de film, worden wel één van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste, vertolkers van de hedendaagse mythen genoemd. Pierre Babin noemt drie karaktertrekken van het moderne leven die men in gedachten moet houden, wil men jongere generaties benaderen: (1) Het weer opkomen van fantasie (2) Het belang van affectieve relaties en waarden (3) De doorbreking van nationale en culturele grenzen. In de audiovisuele benaderingswijze valt een terugkeer naar orale tradities te constateren: ‘Haar taal en vorm hebben een sterk emotioneel-affectief, associatief, dramatisch, mythisch en verhalend karakter.’ Niet de leer en de waarheid krijgen het accent meer, maar ‘vieren, genezen, helen, leven’. ‘Voelen, dramatiseren, vertellen zijn wezenlijke uitingsvormen van de audiovisuele cultuur.’ Ieder tijdperk staat voor de opgave zijn eigen ‘vijfde evangelie’ te schrijven. Dat kan slechts met en in het materiaal van de eigen tijd. William F. Fore zegt dat het medium televisie ons een visie op de wereld oplevert die niet alleen bepaald wat wij denken, maar ook hoe wij denken en wie wij zijn. ‘Televisie maakt gebruik van instrumenten van mythe, symbool, beeld en fantasie.’

DE ROL VAN DE VERHALEN IN WOORD EN BEELD
Christus sprak al in gelijkenissen. ‘Christenen kunnen niet zonder woorden, beelden, symboliek, gelijkenissen. Maar het blijft zo dat mythen dan veroordeeld en bestreden moeten worden indien zij ‘molochs’ worden die mensenlevens eisen.’ J.H. Bavinck ried zijn studenten al aan of de moderne literatuur te lezen, om zodoende te weten te komen wat er leeft in de cultuur. Mythologische thema’s kunnen toegepast worden om de problemen, kwesties, verwerkelijkingen en zorgen van jonge mensen die in de moderne wereld opgroeien, uit te leggen. Zoals de kerk in de Grieks-Romeinse wereld vooral de verhalen van Homerus en met name de Odyssee heeft gebruikt om haar boodschap te vertolken. We moeten de mens van onze eeuw bezig houden met de vraag van het ‘waarheen’. Er is op gewezen dat vooral in tijden van oorlog een verhoogde interesse is in klassieke werken als die van Homerus, Shakespeare en Tolstoi. ‘Wanneer een stad wordt verwoest, wordt de mens gedwongen over de aarde te zwerven of buiten te wonen als een gedeeltelijke terugkeer naar het bestaan van een beest. Dat is het centrale besef van de Illias.’ De Odyssee spreekt over de nasleep van die gebeurtenis. De Joodse denker Martin Buber (1878-1965) heeft veel invloed gehad op het christelijke denken in de 20e eeuw. Hij bewerkte de chassidische verhalen en ontdeed ze van allerlei miraculeuze elementen, die de moderne Europese lezer mogelijk minder zouden hebben aangesproken. De Grieken kenden al een hemelvaart van hun held Heracles, die in onweer en donder van de brandstapel ten hemel steeg. Hij wordt wel afgebeeld op een wagen naast de godin Athene. In de gebruiken rondom het paasvuur leeft het symbool van de hemelvaart van een godheid voort.

Tenslotte
Van de Vroege Kerk wordt gezegd dat vooral het gedrag van de christenen hun propaganda was. Deugden als christelijke naastenliefde, eenvoud en nederigheid sierden hen. Keizer Julianus schreef het succes van het christendom toe aan ‘hun filantropie jegens vreemdelingen (…) Deze goddeloze Galileeërs voeden niet alleen hun eigen armen, maar ook anderen, terwijl wij onze eigen verwaarlozen.’ Van het ‘Zalig zijn de armen…’ had de Grieks-Romeinse wereld nooit gehoord. De plicht tot armenzorg kende men niet. Martinus van Tours gaf eens een bedelaar de helft van zijn mantel. Hem werd in een visioen onthuld dat hij daarmee een mantel aan Christus Zelf had gegeven. ‘De halfheid van de bisschop die er niet toe kwam zijn ganse mantel weg te schenken, bewust als hij zich was van de onvoltooidheid van al onze daden en woorden.’

Gepubliceerd in februari 2007

Advertenties