Kleine geschiedenis van de gereformeerde gezindte

n.a.v. M. Golverdingen, Kleine geschiedenis van de gereformeerde gezindte. Een ontwikkeling in hoofdlijnen (serie Studium Generale), Heerenveen 2006

De Afscheiding van 1834
Hendrik de Cock
Hendrik de Cock (1801-1842) diende Ulrum als zijn derde gemeente. Hij volgde Petrus Hofstede de Groot op en was zelf ook een verlichte theoloog. Hij kwam in Ulrum in contact met Klaas Pieters Kuipenga die zei ‘Als ik ook maar een zucht tot mijn zaligheid moest toedoen, was het voor eeuwig verloren’. Dit was hem totaal vreemd. Nu ging hij de Institutie van Calvijn lezen en hij veranderde helemaal. In heel de noordwesthoek van Groningen sprak men erover.

Situatie
Hoe was de situatie in de Ned.Herv.Kerk? De Verlichting had toegeslagen. Het rationalisme vierde hoogtij. De waarheid was schaars. De Dordtse Leerregels lag letterlijk onder het stof. ‘Wat niet redelijk is, is niet waar,’ zo beweerde men vrij algemeen. Het supranaturalisme was de overheersende theologie. Veel plaatselijke gezelschappen of conventikels vormden zich als tegenwicht voor de tijdgeest; deze samenkomsten strekten zich als een dicht netwerk uit over stad en platteland.

Groninger richting
De Groninger richting kwam op: voorman hierbij was Petrus Hofstede de Groot. Men legde nadruk op opvoeding; Jezus was de volmaakte opvoeder van het volk. Door deze opvoeding zouden de volkszonden steeds meer verdwijnen. De klassieke gereformeerde leerstukken verdwenen. Ook de kerkelijke dogma’s als de drie-eenheid, de godheid van Christus en de leer van de verzoening werden verworpen. Deze Groninger richting kreeg veel invloed. Men hield eenvoudige preken, legde een warm getuigenis af van de Vaderliefde van God en spoorde de gemeente tot heiligmaking aan. Waar het supernaturalisme een voorloper van de Groninger richting was, zou de Groninger richting weer de weg banen voor de radicale moderne theologie zoals J.H. Scholten die voorstond (niet te verwarren met H.P. Scholte!). Abraham Kuyper kreeg nog les van de Leidse hoogleraar.

Drie stenen des aanstoots
Drie ‘dijkdoorbraken’ zijn er te signaleren: (1) De invoering van de Evangelische Gezangen in 1807, en de verplichting tot het zingen daarvan. (2) De invoering van het Algemeen Reglement in 1816. De Ned.Herv.Kerk werd een echte bestuursorganisatie. Willem I, een verlicht despoot, liet Jacobus Diedericus Janssen, zijn secretaris van het departement van Eredienst, dit maken. (3) De invoering van het Reglement op het Examen. Ds. Donker Curtius van Arnhem zat hierachter. Kandidaten moesten ondertekenen dat ze de leer ‘welke overeenkomstig Gods Woord is’ zouden voorstaan. Op twee manieren kon dit opgevat worden: als quia (omdat) en quatenus (voorzover). Het laatste was duidelijk een teken van leervrijheid.

Invloed Reveil op Afscheiding
Twee reacties kwamen er op de Verlichting: Reveil en Afscheiding. In Genève was het Reveil onder ds. J.H. Merle d’Aubigné begonnen. In Nederland zou het Reveil een aristocratisch karakter dragen. Het Reveil was van grote invloed op de Afscheiding omdat er enkele invloedrijke publicaties uit voortkwamen die de gewone man bereikten en wakker schudden. Ds. D. Molenaar schreef Adres aan alle mijn Hervormde Geloofsgenoten (1825) en C. baron van Zuylen van Nuyevelt schreef De Hervormde Leer (1832).

Het dopen van kinderen uit andere gemeenten
In Ulrum kwam het tot een uitbarsting. De Cock was namelijk overgegaan tot het dopen van kinderen uit andere gemeenten. Dit was kerkrechtelijk onjuist, want ieder kind dat gedoopt wordt in de Naam van de drie-enige God is echt gedoopt, ook al doet een vrijzinnig predikant dat. Het gaat er immers niet om wie de doop bediend, maar in wiens Naam het gedaan wordt. Toch ging De Cock hiermee door. Het was beslist onordelijk wat hij deed, want de andere gemeenten waar die mensen uit afkomstig waren kregen hiervan geen bericht.

Schorsing
Daar kwam nog bij een geschriftje van De Cock tegen twee van zijn collega’s, getiteld Verdediging van de ware Gereformeerde leer en van de ware Gereformeerden, bestreden en tentoongesteld door twee zoogenaamde Gereformeerde Leraars, of de schaapskooi van Christus aangetast door twee wolven en verdedigd door H. de Cock, gereformeerd leraar te Ulrum. Die twee wolven waren Brouwer en Reddinghius. Opvallend scherp was De Cock. Woorden als ‘moordenaars’ en ‘lasteraars’ vielen. Nu gingen ook de hogere kerkelijke organen zich ermee bemoeien. Men wilde er geen leergeding van maken, maar puur een ordekwestie. Men kon het eenvoudigweg niet verkroppen dat deze eenvoudige dorpsdominee zich verzette tegen de leervrijheid van de Ned.Herv.Kerk. Zo werd De Cock voor onbepaalde tijd geschorst mét behoud van traktement. De reden: strafbare belediging en liefdeloze veroordeling. De Cock onderwierp zich aan de schorsing. Hij is de kerkelijke weg tot het einde toe gegaan.

Afzetting
De Cock ging in beroep maar het gevolg was: schorsing van twee jaar met verlies van traktement. Haitjema, een hervormd historicus uit de 20e eeuw, zou spreken over een ‘tergend onbarmhartige uitspraak en onmenselijk vonnis’. De Cock beriep zich met een zekere naïviteit op de koning. Inmiddels kwam er een nieuwe aanklacht. Hij had een Woord vooraf geschreven in het boekje van Jacobus Klok De Evangelische Gezangen, getoetst en te ligt bevonden. De Cock werd meteen afgezet, maar de Algemene Synode vond dit een procuderele fout en gaf hem een half jaar tijd voor berouw en leedwezen.

En toen kwam H.P. Scholte…
De Cock heeft niet in een opwelling de Ned.Herv.Kerk verlaten. Hij forceerde geen breuk. Dat werd anders toen ds. H.P. Scholte (niet te verwarren met J.H. Scholten!) op bezoek kwam. In oktober 1834 kwam deze jonge predikant van Doeveren om zijn medeleven te tonen. Hij preekte vrijdagavond 10 oktober en doopte veel kinderen. Op zondagmiddag hield hij een hagepreek op een stuk land achter de pastorie. Maandagavond 13 oktober tekende de gehele kerkenraad de Acte van Afscheiding of Wederkeering, gesteund door 247 gemeenteleden. De volgende zondag preekte De Cock in het kerkgebouw en kreeg daarom gevangenisstraf en een geldboete. Ook kwam er een inkwartiering van 150 soldaten in Ulrum, waarvan 12 in de pastorie van De Cock. De Acte kenmerkte zich door een grote eenvoud en een opvallend beroep op de Schrift. De Ned.Herv.Kerk wordt een valse kerk genoemd. Tegelijk is er een oecumenische roeping in het stuk: men wil gemeenschap hebben met allen die de gereformeerde belijdenis liefhebben. De terugkeer tot de leer, tucht en kerkorde van het voorgeslacht kreeg het zwaarste accent.

Jonge dorpsdominees
H.P. Scholte werd ook geschorst. In 1835 kwamen er zes adressen over de uitleg van de proponentsformule: is het quia of quatenus? Drie jonge predikanten: Gezelle Meerburg, Van Velzen en Brummelkamp, waren onder deze indieners. Door een geforceerd optreden van de kerkelijke besturen kwamen deze jonge predikanten aan de kant van de Afscheiding terecht. Begin 1836 gaven zes jonge dorpsdominees leiding aan de afgescheidenen. Later voegden zich er twee anderen bij:

De vaderen van de Afscheiding
Hendrik de Cock, 34 jaar oud. Hendrik Pieter Scholte (rechtsonder), 30 jaar oud. Hij zag de vrije kerken in Zwitserland als ideaal. Albertus Christiaan van Raalte, 24 jaar oud, kandidaat te Leiden. Hij werd afgewezen nadat hij aan het einde van een goed kandidaatsexamen spontaan had aangegeven dat hij niet wist wat er in de Reglementenbundel stond. Hij vertrouwde erop dat ze niet indruisten tegen het Woord van God. Van Raalte zakte vanwege het gebrek aan kennis van de reglementen. Anthony Brummelkamp, 24 jaar oud, uit Hattem. George Frans Gezelle Meerburg, 29 jaar oud, uit Almkerk. Simon van Velzen, 25 jaar oud, uit Drogeham. Huibert Jacobus Buddingh, 26 jaar oud, uit Biggekerke. Lambertus Gerardus Cornelis Ledeboer, 32 jaar oud, uit Benthuizen (pas in 1841 afgezet). Hij had geen vrijmoedigheid om zelf tot afscheiding over te gaan. Voerde de psalmen van Datheen weer in.

Explosie
De autoriteiten verwachtten dat het verzet spoedig zou ineenschrompelen. Het tegendeel gebeurde echter. De Afscheiding werd een ‘explosie’ (Algra), met name in het noorden van het land. Eind 1835 waren er 80 gemeenten; in 1836 waren dat er al 137. Gezelschappen kropen uit alle schuilhoeken van het land. Dit had de kerkgang vaak vervangen. Door de Afscheiding ontwaakte weer een kerkelijk denken. In streken met veel gezelschappen zoals de Veluwe en de Zuid-Hollandse eilanden, ontstonden weinig afgescheiden gemeenten; de oorzaak was dat die gezelschappen al heel lang bestonden, wortelend in de Nadere Reformatie, en omdat de plaatselijke predikanten er niet zelden positief tegenover stonden (hier verving een gezelschap de kerkdienst niet maar vulde het aan). Plaatselijke factoren speelden ook mee, zoals in Drenthe. Daar waren hoofd- en bijdorpen (buitendorpen). Mensen uit kerkloze buitendorpen moesten zo ver lopen naar het hoofddorp dat ze vaak niet meer naar de kerk gingen, waar toch een verlichte prediking was. In buitendorpen kwamen catechiseermeesters en rondreizende oefenaars die de gereformeerde leer brachten. In veel kerkloze buurtschappen ontstonden afgescheiden gemeenten.

Het Nederlandse Reveil
Het Nederlandse Reveil karakteriseert zich door individualistische inslag en beleving van het geloof boven een goede dogmatische verwoording daarvan. Het was de zwakheid van het Reveil dat het in de kerk de zaken liet zoals ze waren. Alleen Groen van Prinsterer en een aantal van zijn vrienden toonden zich minder passief. Het Friese Reveil bestond uit vooraanstaande veehouders en landbouwers. Het was een echte volksbeweging. Willem Bilderdijk was de ijsbreker van het Nederlandse Reveil. Zijn leerling Isaäc da Costa schreef Bezwaren tegen den geest der eeuw. De justitie en politie verdacht de schrijver van revolutionaire samenzwering tegen de koning, zo hard sloeg de bom in. Bilderdijk dichtte heel treffend:

Verheerlijk God, maar niet den God,
Dien ge in uw binnenst schept;
Den God, Wien ge in uw brein gekneed,
In ’t hart gebeiteld hebt…

Reveil over Afscheiding
Hoe dacht het Reveil over de Afscheiding van 1834? Men was ontsticht. Men ergerde zich aan het optreden van de afgescheiden predikanten, waarin men een gebrek aan beschaving constateerde. Er vielen woorden als ‘plomp’, ‘plat’ en ‘onbehoorlijk’. Met name in het blad Nederlandsche Stemmen werd de Afscheiding scherp veroordeeld. Ondertussen werden de afgescheidenen steeds meer vervolgd. Via boetes, inkwartiering en uiteenjaging. In totaal hebben de afgescheidenen circa 100.000 gulden aan boetes betaald. Openbare verkopingen van de inboedel werden soms bewust op zondag gehouden, zodat geloofsgenoten de goederen niet konden terugkopen. In Reveilkringen trad door de vervolging een kentering op in de negatieve waardering van de afgescheidenen. Willem de Clercq bijvoorbeeld voelde zich in zijn geweten bezwaard om de strijd tegen de Afscheiding voort te zetten.

Groen van Prinsterer neemt het op voor de afgescheidenen
Groen van Prinsterer nam de verdediging op zich van de belangen van de afgescheidenen voor de rechtbanken. Daar smeedde hij ten behoeve van zijn pleidooien het begrip ‘gereformeerde gezindte’. Hij zag de afgescheidenen als hervormde geloofsgenoten, ook al hadden ze zich gedistantieerd van het Algemeen Reglement van 1816 (‘Afvalligen wellicht van het Kerkgenootschap, maar voorzeker getrouwe leden van de gezindheid van de kerk’), toch behoorden ook de afgescheidenen volgens hem nog tot de ‘hervormde gezindheid’ of ‘gereformeerde gezindte’. Groen schreef het boek De maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst. In 1846 kwam er een einde aan de vervolgingen van de afgescheidenen. Van Groen van Prinsterer wordt gezegd: ‘Groen is gekomen, waar hij is gekomen, aan een vrouwelijke hand.’ Zijn vrouw was hem tot steun en toeverlaat. Het was een gelukkig huwelijk.

De vrijheidsaanvraag van 1839
In 1836 reeds kon men een verzoekschrift indienen om godsdienstvrijheid te krijgen. De afgescheidenen hadden echter een principieel bezwaar tegen een dergelijke aanvraag. Dan gaf men immers aan dat men zich niet zag als een voortzetting van de oude Ned.Herv.Kerk. In 1839 kwam daar echter geheel onverwachts het verzoek van H.P. Scholte en zijn gemeente te Utrecht om vrijheid te ontvangen onder de naam Christelijk Afgescheiden Gemeente. Ruim twintig gemeenten volgden. Dit bracht grote verdeeldheid. Ds. L.G.C. Ledeboer bezocht geheel onverwachts de afgescheiden synode van 1840 te Amsterdam zonder afgevaardigd te zijn. Het was ‘een verrassende blijdschap’. Hij verklaarde zich te voegen bij het kerkverband. Maar nauwelijks een jaar lang is hij lid geweest. Hij ging een eigen weg. In Zeeland keerde H.J. Buddingh zich ook van de afgescheidenen af (1839). Het grootste deel ging akkoord met het aanvragen van vrijheid en vormde de Christelijk Afgescheiden Kerk in Nederland. Daarnaast ontstond een klein kerkverband, de Gereformeerde Kerk in Nederland (onder het kruis) .

Crisis der jeugd
De Utrechtse kerkorde van 1838, ontworpen door H.P. Scholte, gaf in de inleidende artikelen een verbondsvisie die niet door iedereen werd gedeeld. In 1840 werd deze kerkorde daarom weer ingetrokken. De Dordtse Kerkorde werd weer bindend. De eerste 18 jaar van de Afscheiding (1836-1854) typeerde H. Bouwman als de ‘crisis der jeugd’. Er was sprake van vijf breuken en zes afzonderlijke kerkgroepen. Daar was bijvoorbeeld de Drentse en Gelderse richting, de Brummelkampianen en het debat rondom het ambtsgewaad. In de jaren 50 kwam er een gelukkige kentering: de heilzame invloed van de Theologische School te Kampen vlakte de liggingsverschillen af.

De stem van Adolphe Monod
De Franse predikant Adolphe Monod schreef in 1849 zijn boek Waarom ik in de gevestigde kerk blijf. Zijn broer Frederic had de Eglise Réformé verlaten, hij niet. ‘We moeten in de kerk blijven, maar om er te strijden’. Hij was hierin Groen van Prinsterer tot steun, die op hetzelfde standpunt stond. Zelfs vond Groen de afschaffing van de belijdenisgeschriften geen reden om uit de kerk te gaan. De leer van het Evangelie is immers haar historische, wettige en eigenlijke grondslag. Opvallend was dat Monod zijn broer niet veroordeelde om zijn afscheiding. Hij gaf aan dat naar zijn oordeel ‘deze broeders hun beslissing hebben kunnen nemen met een hart dat even recht voor God is als dat ik de tegenovergestelde beslissing genomen heb.’ Monod beklemtoonde dat wij maar ten dele kennen in dit leven.

Zij die bleven
Ds. B. Moorrees te Wijk (Land van Heusden) noemde drie argumenten om te blijven: (1) Er is nog ruimte. (2) Ze moeten ons er maar uitwerpen. (3) De hoop op herstel mag niet worden prijsgegeven. Toen De Cock naar Den Haag ging om op audiëntie te gaan bij de koning, logeerde hij in Nijkerk bij ds. C.C. Callenbach. Hij vroeg hem mee te gaan met de Afscheiding. Callenbach antwoordde: ‘Ja, De Cock, wij zijn ééns Geestes, maar als je moeder hoereert, blijft zij toch je moeder. Daarom kan ik haar niet verlaten en mij afscheiden.’ Het Adres van de zeven Haagse heren uit 1842 werd zonder meer van de hand gewezen. Hier was Groen van Prinsterer er één van. Da Costa kon zich hier niet in vinden. Hij verwachtte niets van de belijdenisgeschriften, omdat ze niets anders waren dan woorden op papier en omdat ze zwegen over de hoop voor Israël. Dit bracht Da Costa in een ethische richting, die wegens haar halfslachtige karakter altijd zou terugdeinzen voor doortastende maatregelen.

Confessionele Vereniging
In 1864 werd de Confessionele Vereniging opgericht. In het eerst jaar traden 855 leden toe, drie jaar later waren het er 3000. Deze vereniging ging de juridische weg: het gaat hun om reorganisatie van de kerk op een zodanige manier dat de belijdenis onverzwakt zou worden gehandhaafd. Het was de eerste strijdbare richtingsorganisatie. In 1867 kwam een nieuw verkiezingssysteem in de Ned.Herv.Kerk en dat was ook het begin van de kerkelijke verkiezingsstrijd, die door de Confessionelen in plaatsen met een moderne kerkenraad vaak met succes werd gevoerd. Nicolaas Beets zag niets in de juridische weg. Hij pleitte voor een medische weg: We zijn samen zieke geworden, we moeten ook samen genezen. In de Ned.Herv.Kerk nam de machtspositie van de modernen omstreeks 1867 af. Bij kerkelijke verkiezingen werd in Groningen de Groninger richting in de kerkenraad aan de kant gezet! In Leiden werden de modernen met een verpletterende meerderheid verslagen.

Kohlbrugge als criticus
H.F. Kohlbrugge nam een geheel eigen plaats in. Hij ontwikkelde zich als dé criticus van de Afscheiding. Hij stond sympathiek tegenover De Cock, maar zijn advies was: doorgaan met preken en verder passief blijven. In 1835 noemde Kohlbrugge de Afscheiding een ‘strik des duivels’ en ‘een weg van openbaarmaking van alles wat naar den vleesche is’. Kohlbrugge stichtte zelf trouwens in 1846 een vrije gemeente: de Niederländisch-Reformierte Gemeinde, waarbij zijn eigen ouderlingen hem in het ambt bevestigen omdat er geen predikant van de landskerk bereid was dat te doen. Buitengewoon scherp was Kohlbrugge’s brief aan Brummelkamp:

‘Zegt aan die mannen, Brummelkamp! zegt aan die mannen des Heeren woord: 1e. De akker waarop en de zaaier door wien de afscheiding het eerste gezaaid werd, en gelijk zij gezaaid werd, zijn vervloekt van den Heere Zebaoth. 2e. De leer uwer gemeente is niet de leere Christi, is niet een wandelen naar de Geest, maar naar vleesch, en de geest die nog onder u is uitgegaan is een logengeest in den mond aller uwer Profeten.’

Hereniging 1869
Hoe zag de situatie er in 1869 uit? Er was een toenaderingsproces aan de gang. Het kwam in dit jaar tot de vereniging van de Christelijk Afgescheiden Gereformeerde Kerk in Nederland en de Gereformeerde Kerk in Nederland (onder het kruis). Vooral eerstgenoemde kerk nam een soepele houding aan en kwamen aan alle eisen van de kruisgemeenten tegemoet. De nieuwe naam werd Christelijke Gereformeerde Kerk met 252 + 76 gemeenten. Er was grote vreugde hierom. Een tijd van voorspoed en uitbouw van het kerkelijk leven volgde. Enkele Kruisgemeenten bleven zelfstandig. Onder leiding van de Kamper predikant ds. E. Fransen vormden ze een weinig samenhangend kerkverband. In korte tijd namen ze verschillende namen aan. Het werd uiteindelijk Gereformeerde Gemeenten onder het kruis. Met name in Zuid-Holland en Zeeland bestonden een twintig tal Ledeboeriaanse gemeenten. Deze verkeerden in volstrekt isolement. In 1907 zouden bovenstaande kerkverbanden samen de Gereformeerde Gemeenten gaan vormen.

Tenslotte
– Er was geen afscheidingsstrategie; de Afscheiding was een spontane geloofshandeling toen men geen weg meer open zag; het was de eis van het Woord.
– Dat men de Ned.Herv.Kerk als ‘vals’ betitelde, was fout; men kan een kerk niet vals noemen op grond van de wandaden van het kerkbestuur. Ds. G.H. Kersten vond deze kwalificatie ook te ver gaand.
– K.H. Miskotte stond heel sympathiek tegenover de Afscheiding; hij spreekt over de Afscheiding als een kerkelijke tegenrevolutie; volgens Miskotte openbaarde de moderne democratie zich het eerst in de Afscheiding.
– De crisis der jeugd werd veroorzaakt door het feit dat men kerkelijke zaken sterk gevoelsmatig benaderde; ook verabsoluteerde men de eigen geestelijke ligging. Er was veel afscheidingslust zonder afscheidingsnoodzaak. Het zicht op de kerk was kwijtgeraakt.
– Er zijn talloze sporen van een geestelijke opleving en een rijk geestelijk leven in de afgescheiden gemeenten.
– De Afscheiding heeft een positieve invloed uitgeoefend op (orthodoxe belijders in) de Ned.Herv.Kerk.

De Doleantie van 1886
Een moedige ouderling in Lollum
Het begon misschien wel allemaal op 8 juni 1884 in het Friese Lollum. De gemeente is vacant en een vrijzinnig predikant gaat voor. Hij spreekt over de Bijbel als een papieren paus. Bij het afkomen van de kansel doet de dienstdoende ouderling een moedige daad: hij veroordeelt hetgeen de predikant gesproken heeft in het openbaar. De Doleantie: een spontane en daarna grondig georganiseerd verzet van plaatselijke gemeenten tegen het optreden van kerkbesturen die aan het modernisme ruimte gaven.

De modernen overheersen kerk en staat, maar niet meer voor lang
Het modernisme was het eindstadium van de verlichte theologie van de 19e eeuw. De Leidse Hoogleraar Jan Hendrik Scholten (niet te verwarren met Hendrik Pieter Scholte!) was een leidinggevend figuur hierin. De godheid van Christus werd nadrukkelijker dan dat de Groninger richting dat deed verworpen. Ook kwam er schriftkritiek op. De regering benoemde aan de drie rijksuniversiteiten bijna uitsluitend verlichte hoogleraren. De staatsscholen moesten elke kennis van Schrift en belijdenis weren. Gemeenteleden hadden geen invloed op de verkiezing van ouderlingen en diakenen en het beroepen van een predikant. Tot het jaar 1867 aanbrak: er kwam een wijziging van het Algemeen Reglement: de kiescolleges werden ingevoerd. In enkele grote plaatsen werden de modernen min of meer aan de kant gezet!

Opkomst van een groot man: Abraham Kuyper
Abraham Kuyper (1848-1920) was zoon van een predikant uit Maassluis. Hij studeerde onder J.H. Scholten in Leiden. Hij promoveerde al op zijn 25e op een proefschrift over het kerkelijke vraagstuk bij Calvijn en A Lasco. Maar in zijn eerste gemeente Beesd (1863) ontmoette hij een eenvoudige vrouw die zijn leven voorgoed veranderde: Pietje Baltus. Kuyper hoorde voor het eerst dat een mens persoonlijk deel moet hebben aan het heil, hetgeen alleen mogelijk is door vrije genade. Kuyper kwam in een geestelijke crisis terecht. Hij gaat Calvijn lezen en daarin vindt hij wat die eenvoudige lieden tegen hem hadden gezegd.

Verbouwen of verhuizen!
Na Beesd volgde Utrecht. In Utrecht tekende Kuyper een algemeen program voor kerkherstel. Wilde hij echter wat bereiken, dan moest de strijd gevoerd worden in de grootste hervormde gemeente van Nederland: Amsterdam. Kuyper was hier de eerste predikant die door de gemeente zelf werd beroepen op grond van de herziening van het Reglement in 1867. In zijn intredepreek in 1870 zei hij: ‘We moeten verbouwen of verhuizen’. Kuyper eiste drie vormen van vrijheid voor de kerk: vrij van de staat, vrij van geld en vrij van de ongereformeerde ambtsstructuur. Niet alleen in Lollum, ook in 1869 gebeurde zoiets dergelijks in Amsterdam. Toen een vrijzinnig predikant gepreekt had, stond een ouderling op en sprak: ‘Als ouderling der hervormde gemeente verklaar ik aan de vergadering dat de leer welke die man zoo even verkondigd heeft, is eene leugenleer, niet uit God, maar uit de duivel.’ Amsterdam was dus een rechtzinnig bolwerk.

Ongekende activiteit
Kuyper ontpopte zich als bekwaam journalist. Hij werd hoofdredacteur van dagblad De Standaard en weekblad De Heraut. Hij wordt wel genoemd ‘de klokkenist der kleine luyden’. Kuyper zag deze kleine luyden als de bron van nationale kracht. Kuyper ontwikkelde een neocalvinisme (veronderstelde wedergeboorte, algemene genade en verkorting artikel 36 Nederlandse Geloofsbelijdenis). In 1880 stichtte hij de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Een tot in detail uitgewerkt aanvalsplan
In 1872 richtte Kuyper ‘Het Beraad’ op: een vereniging van gelijkgezinde kerkenraadsleden. Doel was om de kerkelijke goederen veilig te stellen. Kuyper zou de strateeg van de Doleantie worden, die het aanvalsplan ontwierp. In 1883 komt voor het eerst het begrip ‘doleren’ ter sprake. Het kwam voor in Kuypers geschrift Tractaat van de Reformatie der kerken. Het biedt een tot in detail uitgewerkt plan: rechtzinnige gemeenten als Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en ongeveer 600 andere gemeenten moeten de band met valse leraars verbreken. De gemeenten die geen zuivere bediening hebben moeten een dolerende kerk oprichten. De zogenaamde ‘dode’ kerken, waar zelfs geen rechtzinnige ambtsdragers of gemeenteleden zijn: hier moet behulp van kerkenraden uit de rechtzinnige gemeenten een kerk opgericht worden of aansluiting worden gezocht bij de afgescheidenen.

Om het Koningschap van Christus
In 1880 besloot de hervormde synode om de bevestigingsvragen te versoepelen. Belijdeniscatechisanten hoefden nu alleen nog de belijdenis ‘wat betreft den geest en de hoofdzaak’ te onderschrijven. In 1883 nam de kerkenraad van Amsterdam het initiatief tot een bijeenkomst van verwante kerkenraden. Er waren 250 deelnemers uit heel het land. Drie dingen kwam men overeen: (a) Niemand werd meer toegelaten tot de kansel die niet instemt met de belijdenis. (b) Het kerkverband van 1816 zou worden verbroken als het een belemmering zou vormen voor het Koningschap van Christus. (c) Men zal een kerkenraad die tegen het Koningschap van Christus ingaat breken en een dolerende kerk oprichten. Het was nu wachten op een kerkenraad die zich het eerst zou losmaken. De kwestie van het aannemen van nieuwe leden werd in 1884 opnieuw actueel. Kuyper (inmiddels ouderling), F.L. Rutgers en andere ouderlingen lieten zich bij een nieuwe wijkindeling bewust indelen bij de drie overgebleven vrijzinnige predikanten in Amsterdam. Wat gebeurde er vervolgens? De kerkenraad weigerde de catechisanten van deze predikanten te aanvaarden omdat ze alleen met de gereformeerde leer instemden in geest en hoofdzaak.

Het begon allemaal in Amsterdam
In 1885 deed F.L. Rutgers een voorstel om het reglement van de beheerscommissie te wijzigen (om de goederen veilig te stellen voor de dolerenden). 80 van de 110 kerkenraadsleden ondersteunden dit. Deze voorstemmers werden door de scriba van de classis genoteerd (hij was een overtuigd rechtzinnig man; dat gold ook voor de classis, op één na; het was dus een botsing tussen broeders van hetzelfde huis!). De classis besloot tot schorsing en trad onmiddellijk zelf als kerkenraad op. Stoomboten vol catechisanten gingen naar Koog aan de Zaan om daar door de moderne predikant te worden aangenomen. Door dit snelle handelen van de classis was de breuk van Amsterdam met het kerkverband voorkomen. Over het bezit van archief en kerkelijke goederen spanden de dolerende een geding aan bij de rechtbank. Alle processen om het behoud ervan werden verloren. Alle goederen moesten teruggegeven worden ook al telde het Hervormd Kerkgenootschap plaatselijk maar een enkel gezin. Alleen enkelingen bleken te kunnen uittreden uit het kerkverband; plaatselijke kerken hadden niet het recht zich als collectief af te scheiden. De dolerenden (en ook de afgescheidenen) zouden later nadruk gaan leggen op de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken. Psalmen die in de tijd van de Doleantie veel gezongen werden, waren 79 en 80:

Getrouwe God, de heid’nen zijn gekomen.
Zij hebben stout Uw erfland ingenomen:
Jeruzalem, de tempel, Uw altaren,
’t Ligt al verwoest door die geweldenaren!

Keer weer, o God der legermachten,
Tot ons, die op Uw bijstand wachten!
Zie uit de hoge hemel neer,
Herstel Uw wijnstok als weleer,
De stam der liefd’ Uws Zoons geplant,
Dien Gij gesterkt hebt door Uw hand.

Na de lokalen verrezen de doleantiekerken
Uiteindelijk vormden 75 kerkenraadsleden een dolerende gemeente; men kwam bijeen in de zogenoemde ‘lokalen’ (schoollokalen, zalen van restaurants, enz.) om ‘bijbellezingen’ te houden, die in werkelijkheid gewone kerkdiensten waren. In Amsterdam waren 25.000 leden met Kuyper meegegaan. De naam van de nieuw gevormde kerk werd: Nederduitsche Gereformeerde Kerk (dolerende). De proceskosten bedroegen in totaal 50.000 gulden. Nu werden er overal ‘doleantie-kerken’ gebouwd: echte preekkerken, gericht op het herbergen van honderden mensen. De offervaardigheid was groot, ja buitengewoon, tot verbazing van vele hervormden. Door de schok van de Doleantie kwam er een nieuw kerkelijk besef bij de hervormden.

Volgens het boekje…
Er kwam in 1887 een Gereformeerd Kerkelijk Congres in Amsterdam om te komen tot een landelijk kerkverband. Drie organisatorische speerpunten waren er: (1) De sectievergaderingen: adviezen voor manier van afwerping en houding tegenover afgescheidenen. (2) Het modellenboekje: ontwerpen voor besluiten en brieven die bij afwerping nodig waren. (3) Moderatoren en agenten: elke classis moest die aanwijzen, hun taak was het kerkenraden te brengen tot afwerping van het synodale juk; in elk dorp moesten er agenten komen die mensen verzamelden om te komen tot een dolerende gemeente.

Eigenlijke begin Doleantie in Voorthuizen
In Amsterdam was het plan om als gemeente als geheel uit te treden mislukt. Dat lukte wel in enkele dorpen op het platteland van Gelderland en Friesland. De Doleantie begon niet in Amsterdam, maar op de Veluwe! In Kootwijk werd op 7 februari de eerste kandidaat van de VU, J.H. Houtzagers, bevestigd. De gemeente van Voorthuizen sloot zich bij Kootwijk aan en nam de reformatie ter hand. In Friesland was het ds. J.J.A. Ploos van Amstel die in het kleine terpdorp Reitsum op 9 februari het synodale juk afwierp. Zes Friese gemeenten volgden dit voorbeeld. Overal elders ging het zoals in Amsterdam: de hervormde gemeenten splitsten zich. In Zuid-Holland en Friesland greep de Doleantie het sterkst om zich heen. Ruim 200 kerkenraden gingen mee. In totaal verloor de Ned.Herv.Kerk 76 predikanten en ruim 9 procent van de leden. In 1892 telde de dolerende kerk 181.000 leden. Een positief gevolg van de Doleantie was, dat de hervormde synode de proponentsformule wat aanscherpte.

Tenslotte
– De Doleantie heeft een ander, sterk georganiseerd en daardoor minder sympathiek karakter.
– Drie brandende kwesties waren er: (a) Kan een rechtzinnig kerkenraad vrijzinnige jongeren belijdenis laten doen? (b) Kan een rechtzinnig predikant avondmaal bedienen in vrijzinnige gemeente die vacant is? (c) Kan een rechtzinnige kerkenraad een vrijzinnig ringpredikant voor laten gaan?
– Er was nadruk op actie, er was sprake van een welbewuste strategie en de plannen werden in het algemeen in alle openheid uiteengezet.
– De Doleantie van 1886 is meer gemaakt dan geboren.
– Kohlbrugge zei tegen Kuyper: ‘Kuyper, jij moet niets doen, maar je moet God laten werken.’
– De Doleantie is niet geslaagd; een zeer aanzienlijk deel bleef in de Ned.Herv.Kerk.
– Een betrekkelijk kleine groep dolerende predikanten had een bevindelijk element in de prediking. Het bevindelijk element in de dolerende prekenserie Uit de diepte nam snel af. Er ontstond een intellectualistisch-activistische richting, cultuuroptimisme was er en na de Eerste Wereldoorlog zien we een sterk verstandelijke, voorwerpelijke prediking. Bij een deel van de Gereformeerde Kerken dat uit de Afscheiding afkomstig was, bleef nog lange tijd een bevindelijk element aanwezig, bijvoorbeeld de noodzaak van de zelfbeproeving.

De Vereniging van 1892
Kuyper als motor én struikelblok
De afgescheiden kerk (Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland) was uitgegroeid tot een kerkverband met ruim 320 gemeenten en bijna 200.000 leden. Na de Doleantie kwamen snel besprekingen op gang om tot eenheid te komen. Kuyper was de motor achter deze gesprekken. Maar Kuyper was óók de man die zorgde voor een groot probleem. Sommige afgescheidenen moesten niet veel van hem hebben. De afgescheidenen vroegen nadrukkelijk om erkenning van de Afscheiding als een werk van God. Maar ondanks de verschillen in visie was het duidelijk dat men elkaar wilde vinden. Er was bereidheid om compromissen te sluiten. De jonge Kamper hoogleraar H. Bavinck bracht de meningsverschillen tot hun werkelijke proporties. Het ging uiteindelijk om vier verschillen: (1) Theologische opleiding: Kampen en Amsterdam moeten gelijkwaardig zijn. (2) Dordtse Kerkorde? (3) Weerstand tegen vereniging: verschil van geestelijke ligging, in kerkelijke traditie; oplossing: plaatselijk beide gemeenten voort laten bestaan, in Gereformeerde Kerk A en Gereformeerde Kerk B. (4) De naam (werd Gereformeerde Kerken in Nederland).

De psalm van Simon van Velzen
In een tijdsbestek van 4 jaar hadden twee kerken elkaar gevonden! 700 gemeenten maakten deel uit van de nieuwe kerk. 181.000 uit de Doleantie, 189.000 uit de Afscheiding. In 1899 waren er al 416.000 leden, 8,1 procent van de totale bevolking van Nederland. Kuyper zei, toen de Vereniging een feit was: ‘Knechten Gods, geeft Gode dan den ere en doen wij dit door met elkander te zingen Psalm 134’. Daarna werd het lievelingslied van de oude Simon van Velzen gezongen (Ps. 40:2). Hij was de enige afgescheiden ‘vader’ die dit heugelijke feit mocht meemaken. Brummelkamp was nog niet zo lang geleden overleden. Verder werden ook nog Ps. 25:2 en Ps. 106:25 gezongen.

Ontstaan Christelijke Gereformeerde Kerken
Bezwaren tegen Vereniging
Niet alle afgescheidenen verenigden zich met de dolerenden. Ds. F.P.L.C. van Lingen te Zetten en ds. J. Wisse Czn te Den Haag waren de hoofdpersonen. Eerstgenoemde was medeoprichter van de Confessionele Vereniging. Hij leefde uit het piëtistische ideaal, dat wetenschap en vroomheid wilde verbinden. Hij was aanvankelijk een groot medestander van Kuyper. Geleidelijk echter trad er een verandering op in zijn denken. Tegenover het intellectualisme van Kuyper zette hij de roeping van het ambt: de noodzaak van wedergeboorte en bekering voor de evangeliedienaar. Ook hekelde hij het feit dat er zoveel singuliere predikers kwamen: ‘God is een God van orde (…) En nu worden zelfs menigten van oefenaars opgeleid.’ Ook had Van Lingen een afkeer van de wijsgerige manier van denken bij Kuyper, die het eenvoudige geloof onder druk zette. Kuyper wilde een gereformeerde scholastiek tegenover het moderne denken. Van Lingen ging nog wel mee met de Doleantie, maar ging in 1891 over tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Wisse was afkomstig uit de Kruisgemeenten. Hij hekelde het feit dat de dolerenden de Afscheiding als een soort inferieure zijweg zagen. Hij schreef in Het Stichtse Wekkertje om te alarmeren, wakker te schudden en tot waakzaamheid op te roepen. Dit was de voorloper van De Wekker, het officiële orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk(en).

Achterblijvers na de Vereniging
Van Lingen en Wisse dienden een bezwaarschrift tegen de Vereniging in, met twee kernbezwaren: (1) De kerkenraden hebben nooit een verzoek ontvangen om de leden bijeen te roepen om na te gaan of men kan instemmen met de opgestelde voorwaarden. (2) Geen instemming met dolerende visie op het verbond (doop en wedergeboorte). De synode wees het bezwaarschrift af. Er was een voortvarendheid die samenhing met de vaste wil om te verenigen. Het Stichtse Wekkertje werd gebruikt om kerkenraden op te roepen tot een samenkomst. De eerste gemeenten die besloten niet mee te gaan met de Vereniging waren Noordeloos, Twello en Zierikzee. Op de eerste synode in 1893 waren er 8 gemeenten. De Theologische School kwam in 1894 in Den Haag, vanaf 1919 in Apeldoorn. De crisis der jeugd werd spoedig overwonnen. In 1896 waren er al 29 gemeenten, in 1900 ruim 60. Soms ging het om bevindelijk ingestelde gemeenten, maar veel vaker om groepen gemeenteleden die het in de Gereformeerde Kerken in Nederland niet konden vinden (vanwege de kuyperiaanse opvatting van doop, gemeentebeschouwing en prediking). Vaak was ook het samenvoegen van de Gereformeerde Kerk A met de Gereformeerde Kerk B de aanleiding tot het niet meegaan met de hereniging.

Stuifmeelkerkje met twee vleugels
De Christelijke Gereformeerde Kerk werd wel genoemd ‘het stuifmeelkerkje met twee vleugels’. Her en der schoten er gemeenten uit de grond. De ene vleugel werd gevormd door spijtoptanten uit de Gereformeerde Kerken in Nederland, de andere vleugel ademde meer de spiritualiteit van de Kruisgemeenten. In 1947 vond een naamswijziging plaats: het zou voortaan Christelijke Gereformeerde Kerken zijn (meervoud dus).

De Vrijmaking van 1944
Separerende prediking?
In 1934 fulmineerde ds. Douwe van Dijk tegen separerende prediking; naar zijn oordeel zouden Gods kinderen daardoor hun zekerheid verliezen en gaan worstelen over de bange vraag ‘Ben ik nu een kind van God of niet’. Zo zou de mens worden teruggeworpen op zijn vroomheid en niet op God en Zijn beloften. Hij beklemtoonde de gelijkheid van elke dopeling. God zegt tot ieder kind: ‘Gij zijt Mijn kind’. Het gaat om de geloofsgehoorzaamheid van de mens. Een groot deel van de predikanten bleek het niet met hem eens te zijn. Van Dijk had de knuppel in het hoenderhok geworpen. De strijd over verbond en doop zou in de Gereformeerde Kerken niet meer ophouden.

De Reformatorische Beweging binnen de Geref. Kerken
Van Dijk maakte deel uit van een vernieuwingsbeweging in de Gereformeerde Kerken (de Reformatorische Beweging). Het blad De Reformatie was hun spreekbuis. Prof.dr. Klaas Schilder was hun voorman. Tot hen behoorden ook bestrijders van het ‘mysticisme’ zoals dat in de bevindelijk gereformeerde kring voorkwam. De Reformatorische Beweging was niet blij met de leeruitspraak van 1905 over doop en verbond. Het was een compromis geweest van opvattingen van Kuyper en L. Lindeboom (Kampen). De leeruitspraak wilde recht doen aan het belang van ‘zelfonderzoek’: ieder kerklid moest zich afvragen of hij of zij een kind van God was. De Reformatorische Beweging beschouwde de leer van de veronderstelde wedergeboorte als een speculatieve afwijking uit de tijd van de Doleantie; men beriep zich op de ‘eenvoudige’ en ‘bijbelse’ verbondsleer van theologen uit de traditie van de Afscheiding, zoals Anthony Brummelkamp. Met name Schilder beklemtoonde geloofsgehoorzaamheid: Gods beloften vragen een onvoorwaardelijk geloof. Tegenstander van Schilder was prof. G.M. den Hartogh, die een intellectualistische geest bij hen zag en juridisering van het verbond dat zou leiden tot een ‘doode orthodoxie’. De opvatting dat een gedoopte tegelijk erfgenaam van het eeuwige leven was zou leiden tot oppervlakkigheid en valse gerustheid.

Kerkrechtelijke onenigheden
Hier kwam nog een kerkrechtelijke kwestie bij. Assen 1926 had het oude spoor van Rutgers verlaten; men had Geelkerken afgezet. Men noemde dit een ‘nieuw kerkrecht’, dat aan de meerdere vergaderingen veel meer gezag toekende dan voorheen het geval was. Vooral de zoon van Abraham Kuyper, H.H. Kuyper onderbouwde deze vernieuwing. De meerdere vergaderingen hadden volgens hem wel degelijk het recht om zelfstandig en rechtstreeks in te grijpen bij wanbestuur. Deze gedachten werden door een kleine minderheid bestreden, zoals S. Greijdanus, hoogleraar in Kampen.

Scherpe polarisatie maar toch compromis
Nog andere diepgaande verschillen ontstonden er: over de visie op de kerk en de algemene genade. Tot in de bladen van de jongelingsbond en de meisjesbond werden de meningsverschillen besproken. Er hing in die jaren een klimaat van intellectualisme, verstarring en veruitwendiging van het geestelijk leven. Een ongekend felle polemiek werd gevoerd. De dogmaticus van de VU, Victor Hepp, schreef een brochurereeks: Dreigende deformatie. Dit was een aanklacht tegen de Reformatorische Beweging. Een deputaatschap van de Gereformeerde Kerken viel in twee kampen uiteen. Een grote minderheid wilde de meningsverschillen over de oorlog heen schuiven, maar de synode besloot in 1942 toch tot afhandeling. Het werd een nauwkeurig uitgebalanceerd compromis, te danken aan J. Ridderbos.

Het spitst zich toe op het kerkrecht
De algemene opluchting hierover was van korte duur. Het conflict spitste zich toe op het kerkrecht. De synode nam volgens velen min of meer de gestalte aan van een ‘opperkerkenraad’. Zo besloot de synode in 1942 zichzelf met een jaar te verlengen, met de belangrijke kwestie van de benoeming van een nieuwe hoogleraar op de agenda. Schilder riep van zijn onderduikadres in Sliedrecht op tot ontbinding van de gecontinueerde synode. De synode beschouwde dit optreden van Schilder als het verwekken van scheuring en muiterij. De uitleg van artikel 31 van de Dordtse Kerkorde was ook een twistpunt. Daarin staat dat synodale besluiten bindend zijn, tenzij het tegen Gods Woord is. De synode las ‘tenzij’ als ‘totdat’. Men moest zich zonder meer onderwerpen aan een bepaald besluit, totdat een volgende synode de bezwaren had beoordeeld.

Teerling geworpen
Toen de synode begin oktober 1942 een niet-officiële Toelichting van 32 bladzijden op de leeruitspraken liet verschijnen, waarin het verbond vooral vanuit de verkiezing werd belicht, en de helft van de brochure aan het zelfonderzoek was gewijd, waren de rapen gaar voor Schilder en de zijnen. De synode besloot bovendien dat elke classis van elke kandidaat instemming moest vragen met de leeruitspraken van 1942 (en dus ook de Toelichting). Er kwamen op de nieuwe synode in 1943 tien bezwaarschriften binnen. De revisiesynode van Utrecht (1943-1945), die geleid werd door G.C. Berkouwer, hakte een aantal knopen door: de zelfcontinuering van de vorige synode wordt goedgekeurd, het beroep op artikel 31 afgewezen en de kandidatenbinding gehandhaafd. Schilder pleitte vanuit zijn onderduikadres in Leiden voor een wapenstilstand. Het verschil van visie mocht geen reden te zijn om kerkelijk uiteen te gaan. Hij voegde daar de woorden bij: ‘Blijft de onderteekeningseisch gehandhaafd, dan is de teerling geworpen.’ De synode gaf niet toe.

Ambtelijk bloed vergoten
Het was nu buigen of barsten. Schilder zette de eerste stap. Hij zond op 14 januari 1944 een afschrift van zijn missive aan de synode en alle kerkenraden. De synode kwam in spoedzitting bijeen. Men concludeerde dat Schilder schorsingswaardig was wegens scheurmaking. Greijdanus werd geschorst wegens zijn verzet tegen de leeruitspraken en Schilder werd afgezet wegens het ontbreken van blijken van toenadering en boetvaardigheid. Ook besloot de synode de gehele kerkenraad van Kampen af te zetten. Vervolgens werden 36 predikanten, 225 ouderlingen en 65 diakenen geschorst. ‘De hiërarchie bezegelde haar heerschappij met het vergieten van ambtelijk bloed.’

De Vrijmaking
Op de grote Vrijmakingsvergadering in de Lutherse Kerk te Den Haag op 11 augustus 1944 werd de Vrijmaking uitgeroepen. Eerst konden de besluitelozen de kerk alsnog verlaten. Vervolgens las Schilder de Acte van Vrijmaking of Wederkeer voorgelezen. De Vrijmaking vond weerklank in het hele land, maar in het bijzonder in Groningen. Een jaar later waren er al 130 gemeenten en 77.000 leden. In de praktijk kwam de wat sektarisch klinkende naam ‘artikel eenendertigers’ in gebruik.

Ontstaan Nederlands Gereformeerde Kerken
Gereformeerde minizuil
De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) scheurden in 1967 opnieuw. Het ging over het punt van de toenadering tot de GKN. Deze geschiedenis ging als volgt. Omdat men niet meer samen aan de avondmaalstafel kon zitten, vond men het ook ongepast samen met synodaal gereformeerden in één organisatie te zitten. Daarom stichtten de vrijgemaakten allerlei eigen organisaties. In alle sectoren van het leven werd dit doorgevoerd. In 1948 werd het Gereformeerd Politiek Verbond opgericht, daarna de gereformeerde scholen en een woud van andere G-organisaties. Het werd een minizuil. De gedachte leefde vaak dat deze kerk de enige zuivere openbaring van de kerk van Christus in Nederland vormde.

Toenadering van en tot de GKN
Heel vergaand was het besluit van de synode van de Gereformeerde Kerken in 1969, waarbij alle leeruitspraken ter zijde werden gesteld. Het gevolg van deze ontwikkeling was dat een aantal vrijgemaakte predikanten en gemeenteleden de stap zetten tot hereniging. In 1964 verscheen een getuigenis, ondertekend door 650 leden onder wie veel predikanten, die aangaven dat zij de synodale kerken erkenden als een brokstuk van de ware kerk. Prof.dr. C. Trimp schreef hierop: ‘…Op de glijbaan van het relativisme…’ De Groningse predikant A. van der Ziel behoorde tot de toonaangevende woordvoerders. Anderen waren de hoogleraren H.J. Jager en C. Veenhof.

De Open Brief
En toen kwam de Open Brief van 31 oktober 1966, ondertekent door 19 vrijgemaakte predikanten. Er moest volgens hen een einde komen aan het conflict met de Gereformeerde Kerken. De ware oecumene was immers dat Jezus Heere is. Men keerde zich vooral tegen het ‘vrijmakingsgeloof’. Daarmee bedoelde men het plegen van afgoderij met de Vrijmaking. Echter, deze brief deed alsof er zich in de Gereformeerde Kerken geen ontwikkelingen voordeden in de richting van de moderne theologie!

Ontstaan Nederlands Gereformeerde Kerken
De Theologische School van Kampen werd lamgelegd door de tegenstellingen tussen de hoogleraren en lectoren onderling. De synode van Amersfoort-West 1967 oordeelde dat de Open Brief de gereformeerde confessie discutabel stelde. De scheuring was een feit. Veel plaatselijke gemeenten verworpen dit synodale besluit en scheidden zich af zonder via de kerkelijke weg bezwaren in te dienen. De synode van Hoogeveen 1969-1970 greep in. Zij nam het besluit om de geloofsbrieven te weigeren van de afgevaardigden uit de gescheurde particuliere synode van Noord-Holland, omdat deze allerlei wettige synodebesluiten saboteerden. Een uittocht van 30.000 leden was uiteindelijk het gevolg: de Nederlands Gereformeerde Kerken ontstonden. Zij volstonden voortaan zonder Dordtse Kerkorde, vanwege de slechte ervaringen die ze daar mee hadden. Het werd een tamelijk los verband.

Tenslotte
– Het ontstaan van nieuwe kerkverbanden rond 1900 kan niet losgezien worden van het optreden van Abraham Kuyper.
– De kerkgeschiedenis in deze periode laat ons zien dat een vereniging van kerken altijd gepaard gaat met het ontstaan van een ander kerkverband: 1869, 1892 en 1907.

Ontstaan (Oud) Gereformeerde Gemeenten
Ledeboerianen, kruisgemeenten
In 1907 verenigden twee reststroompjes van de Afscheiding zich tot de Gereformeerde Gemeenten. Het waren 22 ledeboeriaanse gemeenten en 14 Kruisgemeenten. De jonge predikant G.H. Kersten (toen 25!) kreeg dit voor elkaar. De ledeboeriaanse gemeenten werden door één en soms twee predikanten gediend. Aan de uitleg van de tekst besteedde men niet zoveel aandacht. Prediking was vooral beschouwing en uitleg van de gangen en wegen die God met Zijn volk houdt. Ledeboer betitelde de psalmberijming van 1773 als tin tegenover het goud van Datheen. Daarom zong men de ‘oude rijm’. Er kwamen afwijkende en soms wonderlijke opvattingen voor, zoals de opvatting dat predikanten niet behoren te studeren, maar als teken van zijn roeping tekst en preek op de kansel ontvangen. Men had een neiging tot independentisme en negeerde de Dordtse Kerkorde. Tegenover de kruisdominee Fransen, die sterk de verkiezing beklemtoonde en het aanbod van genade afwees, stond Kersten, die de onvoorwaardelijke aanbieding van het Evangelie duidelijk liet doorklinken. Er was vanaf het begin een opvallend tekort aan predikanten. Kwesties als het ambtsgewaad verloren hun betekenis. ‘Datheen’ bleef wel een struikelblok, maar Kersten loste dit op door toe te geven: de gemeenten bleven vrij, maar op meerdere vergaderingen zou ‘Datheen’ gezongen worden.

De school die toch kwam
De praktijk was weerbarstig. Bindende besluiten van een classis of synode typeerden sommigen als het werk van de duivel. De afkeer voor een ‘fabrieksdominee’ leefde bij velen. De behoefte aan een opleidingsinstituut voor mensen zonder singuliere gaven werd door de kerkelijke vergaderingen niet onderkend. Kersten zei echter: ‘Een kerk zonder opleiding is niet gereformeerd’. In 1927 werd de Theologisch School te Rotterdam geopend. In 1930 waren er al 77 gemeenten. De groei kan onder andere verklaard worden door aansluiting door verschillende vrije gemeenten. Er kwam bij de bevindelijk gereformeerden geleidelijk aan meer zicht op de eenheid van de kerk.

Leeruitspraak
De Christelijke Gereformeerde Kerk wilde samensprekingen met de Gereformeerde Gemeenten. In 1919 nam men het initiatief voor een eventueel samengaan. Echter het resultaat was negatief. Het werd een scherpe polemiek tussen ds. J. Jongeleen en prof. J.J. van der Schuit enerzijds en Kersten anderzijds (1928-1937). De Gereformeerde Gemeenten besloten tot een dogmatische verduidelijking van de verbondsleer (leeruitspraak 1931). De leeruitspraak (ongelukkige term) gaf aan dit kerkverband een eigen theologische gestalte. Voortaan weigerden ze verdere besprekingen met de christelijk gereformeerden.

Oud-Gereformeerde Gemeenten
In 1907 bleef ds. L. Boone buiten het nieuw gevormde kerkverband staan. Eerst zei hij wel ‘ja’, maar hij hield niet zijn woord. ‘Ik heb tegen geen een Leeraar iets. Maar ik wensch te blijven bij het oude van den godzaligen Ds. Ledeboer en bij den godzaligen Ds. Van Dijke en den godzaligen Ds. Bakker; bij al haar gewoonten. Zoo ik niet kan meegaan in de vereeniging.’ Het hoofdbezwaar van hem was dat niet alle predikanten een steek en kuitbroek aanhadden en de psalmen van Datheen zongen. Hij verbrandde de stukken die hij kreeg van de Gereformeerde Gemeenten! Acht gemeenten vormden voortaan de Oud-Gereformeerde Gemeeenten. Boone’s optreden berustte geheel op gemoedelijke gronden. Vanwege het ledeboeriaanse heimwee naar het herstel van de Ned.Herv.Kerk zijn ze in het kerkelijke leven veel minder georganiseerd.

Scheuring binnen de Gereformeerde Gemeenten in 1953
Ds. R. Kok kwalijk behandeld
Er was in 1950 bezwaar tegen de vereenzelviging van de aanbieding van de genade en de belofte van de zaligheid aan allen. Ds. R. Kok, een zeer gewaardeerd en ervaren prediker en pastor, die al vele tientallen jaren de Gereformeerde Gemeenten gediend had, een man met een onverzettelijk karakter, kreeg te maken met een bezwaar van ds. D.L. Aangeenbrug, nog maar 8 jaar geleden overgekomen uit de Christelijke Gereformeerde Kerken. De synode besloot Kok voor een half jaar te schorsen. Diezelfde avond maakte de kerkenraad van Veenendaal zich los van het kerkverband en gingen na verloop van tijd over naar de Chr. Geref. Kerken. De gevolgde procedure van de synode was gebrekkig en aanvechtbaar. De synode zelf was op een geforceerde wijze vervroegd. Dr. C. Steenblok (hij was nog niet zo lang geleden uit de Gereformeerde Kerken overgekomen) had tot vervroeging opgeroepen namens het curatorium, dat elke bevoegdheid daartoe miste. Zo verloor de Gereformeerde Gemeenten in de persoon van R. Kok een trouwe zoon, die 35 jaar predikant was geweest. En wel op zo’n manier, dat eerherstel vandaag gepast is.

Aanklacht tegen Steenblok
Er kwam nu ook een aanklacht tegen dr. C. Steenblok, door Kersten als docent aangesteld in Rotterdam. Ds. A. Vergunst uit Zeist hekelde zijn manier van doceren. Steenblok verweet bijvoorbeeld de Erskines en Boston remonstrantisme. Deze aanklacht sloeg in als een bom. Steenblok legde het hoofdredacteurschap van De Saambinder om zakelijke redenen neer en begon in de Kerkbode, het orgaan van de Gereformeerde Gemeente te Gouda, tot een alternatief landelijk kerkblad. Toen de synode hier bezwaar over aantekende, werd de brief simpelweg onbeantwoord gelaten! Ook kwam er een klacht van ds. A. Verhagen uit Kampen tegen Steenblok. Ook het docentschap van Steenblok leek bij de studenten op problemen te stuiten. Het lukte hem vaak niet om aansluiting te vinden bij het niveau van de studenten, die meestal weinig onderwijs ontvangen hadden. Hij functioneerde als docent dus zwak.

Scheuring
Op de synode van 1953 besloot men na een ‘brede en verwarde bespreking’ Steenblok te ontheffen uit zijn functie, hoewel dit punt als zodanig niet was geagendeerd. Een ernstige beleidsfout werd gemaakt: men verdaagde de vergadering niet voor een periode om de gemoederen tot rust te laten komen. Uiteindelijk werd in een besloten zitting een beslissing geforceerd. Vlak voor de stemming stonden de predikanten D.L. Aangeenbrug, M. van de Ketterij en F. Mallan, alsmede twee ouderlingen, op om onder luid protest de zaal te verlaten. Steenblok, die geen afgevaardigde was, moet als eerst zijn opgestaan. Men vormde voortaan de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (37 gemeenten, wat later nog uitgebreid werd), in tegenstelling tot de Gereformeerde Gemeenten (met als officiële toevoeging in Nederland en Noord-Amerika; het ironische van deze namen is dat eerstgenoemd kerkverband ook gemeenten in Noord-Amerika heeft!).

Het ontstaan van de Gereformeerde Bond
Heel de kerk en heel het volk
Philippus Jacobus Hoedemaker (1839-1910) was de grootste criticus van de Doleantie. Hij was predikant in Veenendaal, Rotterdam en Amsterdam. Lange tijd was hij medestander van Kuyper, maar dat veranderde met de Doleantie. Hij was de man van de volkskerkgedachte. Niet de belijdenis, maar het doopverbond staat centraal. Eerst reorganisatie, dan reformatie. Het ging hem om het behoud van de héle kerk. Hij hekelde een organisatie van geestverwanten; hij vond dat sektarisme. Heel de kerk en heel het volk (op twee manieren uit te leggen: helen in de zin van gezond maken en in de zin van dat je heel de kerk op het oog moet hebben). Hoedemaker vergeleek de kerk met een man die door een ongeluk getroffen was; een balk lag over hem; moeten we nu maar de ledematen er één voor één afzagen? Nee, die man kan nog wel even leven met die balk op hem. Om de man te sparen moeten we proberen die balk eraf zien te krijgen. Dat kan eventjes duren, maar dat houdt die man wel vol. Hoedemaker werd de stuwende figuur binnen de Confessionele Vereniging.

Oprichting Gereformeerde Bond
In 1903 publiceerde dr. L.A. Bähler, hervormd predikant te Oosterwolde (Friesland, niet te verwarren met de Bähler die in Oosterwolde, Gelderland heeft gestaan!) een brochure onder de titel Het christelijk barbarendom in Europa. Hierin prees hij het boeddhisme, die het christendom kon verbeteren; ook sprak hij minachtend over het christendom. Hierop werd hij geschorst, maar toch uiteindelijk gehandhaafd. Een storm van verontwaardiging brak los. Dit leidde tot de oprichting van de Gereformeerde Bond tot vrijmaking der Nederlandse Hervormde Kerken. Prof.dr.H. Visscher, ds. F.D. Gerwin en ds. M. van Grieken waren de initiatiefnemers. Visscher pleitte voor de autonomie van de plaatselijke kerk en verwierp de volkskerkgedachte. Maar men was bang dat Visscher’s streven tot een nieuwe breuk zou leiden; hij ging in 1908 teleurgesteld heen. Alle nadruk kwam nu te liggen op de verbreiding van de gereformeerde beginselen, zonder vrijmaking. Daarom kwam er in 1909 een nieuwe start.

Waarom niet Confessioneel?
Waarom de Gereformeerde Bond, als er ook een Confessionele Vereniging was? Men voelde zich er niet meer thuis; de ethische richting (samengaan van persoonlijke vroomheid en een schriftkritische benadering van de Bijbel) won aan invloed binnen de vereniging. Ook het zingen van gezangen was een breekpunt. Verder hadden ze een andere politieke voorkeur: de verkiezingsnederlaag van de ARP in 1905 was voor een belangrijk deel het gevolg van gebrek aan steun van de zijde van de confessionelen; zij zouden zich gaan organiseren in de Christelijk Historische Unie. De Gereformeerde Bond koos duidelijk voor de ARP, de partij van Hugo Visscher.

Delen of helen?
Het ging in de geschiedenis van de Gereformeerde Bond steeds om het verschil van inzicht tussen delen of helen. De delers wilden het gereformeerde deel binnen de kerk ‘lospellen’ en zelfs kerkrechtelijk isoleren: de modus vivendi-oplossing. Visscher stond voor dit standpunt. Het Gereformeerde Weekblad was hun spreekbuis. De helers waren hoogkerkelijk; men was samen ziek geworden, dus moest ook weer samen genezen. Zij kregen in de jaren 1930 de overhand binnen de Gereformeerde Bond. Men onderschreef de leus van Hoedemaker: ‘heel de kerk en heel het volk’. J.G. Woelderink, die in sterke mate het verbondsmatig preken en gemeentevisie benadrukte, heeft gefulmineerd tegen wat hij het subjectivisme noemde: de bevindelijke stroming binnen de Ned.Herv.Kerk. I. Kieviet, predikant te Baarn, was een vertegenwoordiger van deze bevindelijke stroming. De invloed van de Gereformeerde Bond was vóór de oorlog nog nauwelijks merkbaar. Slechts zelden zat er een vertegenwoordiger in de synode. Onder invloed van Hoedemaker sloop in het denken binnen de Gereformeerde Bond het romantische element in het denken binnen. In 1930 organiseerde zich een aantal hervormden (confessionelen, ethischen, kohlbruggianen, bonders en barthianen) in het Verbond tot Kerkherstel. De ethischen en de rechts-vrijzinnigen vonden elkaar in Kerkopbouw.

De nieuwe kerkorde van 1951
Als gevolg van de Duitse kerkstrijd vanaf 1933 vond in de Ned.Herv.Kerk een herwaardering voor het belijden plaats: belijden kon heel actueel zijn. De oude richtingenstrijd werd doorbroken. Men wilde op een nieuwe manier opkomen voor de oude waarheid in de nieuwe situatie. De synode begon geschriften te publiceren met een belijdend karakater, waarin werd uitgesproken dat er een onverzoenlijke tegenstelling is tussen het nationaal-socialisme en de christelijke kerk. In 1951 kwam er een nieuwe kerkorde. Artikel X was van groot belang. Daarin stond de passage: ‘…in gemeenschap met de belijdenis der vaderen…’ Een aantal min of meer vrijzinnige afgevaardigden vonden deze binding te strak. Anderen te vrijblijvend. De Gereformeerde Bond was ook tegen, vooral omdat de rechten van de plaatselijke gemeente werden aangetast; de plaatselijke gemeente werd immers gezien als ‘samenstellend deel van de algemene kerk’. Het was een overwinning van de midden-orthodoxie, die de meerderheid binnen de kerk vormde. Men noemde zich Christus-belijdende volkskerk. De synode werd weer gevormd door de afgevaardigden van de (54) classes. Daarmee droeg de kerkorde een presbyteriaal-synodaal karakter. De kerkorde ging uit van een dynamisch belijden. Het kerkelijk gesprek zou moeten worden gevoerd om de verschillende modaliteiten bij elkaar te brengen.

Gepubliceerd in april 2007

Advertenties