Kruis met haken

n.a.v. Doris L. Bergen, Kruis met haken. Duitse Christenen in het Derde Rijk, Baarn 1997

Één rijk, één volk, één kerk!
Bonhoeffer tegen de rest
‘Zij die beweren dat ze de kerk opbouwen, zijn zonder twijfel reeds bezig met haar vernietiging. Onbedoeld en zonder het te weten zullen ze een tempel voor afgoden maken’ (Dietrich Bonhoeffer). Weinig christenen in Duitsland stemden in met Bonhoeffers overtuiging over de fundamentele tegenstelling tussen de twee levensbeschouwingen christendom en nationaal-socialisme. Maar nazi-kopstukken deelden zijn mening. In deze artikelen gaat het over een groep mensen die het oneens waren met zowel Bonhoeffer als Hitler: de aanhangers van de Glaubensbewegung ‘Deutche Christen’, van wie de meeste protestanten lid waren.

Elkaar aanvullen
Nationaal-socialisme en christendom, betoogden ze, waren niet alleen verenigbaar, maar vulden elkaar aan. Ze waren een factor van betekenis tussen 1933 en 1945. Aanhangers bekleedden belangrijke functies op alle niveaus van protestantse kerkelijke overheden, en bezetten invloedrijke posten in theologische faculteiten en godsdienstige opleidingsinstituten. Ze zongen hymnen voor Jezus, maar ook voor Hitler. Ze propageerden een anti-joods christendom. Na de ineenstorting van het Derde Rijk werden ze niet uit hun gemeenten gestoten of geweerd uit kerkelijke functies, maar vonden ze makkelijk een plaats in het kerkelijke leven terug.

Anti-joods, anti-doctrinair en anti-vrouwelijk
Nazi-leiders hekelden de beweging veelvuldig. Men zou de beweging kunnen interpreteren als een oprechte maar op een dwaalspoor geraakte missie om het christendom te redden van de nazi-dreiging. Nazi’s fulmineerden tegen het christendom vanwege zijn joodse wortels, zijn leerstellige starheid en zwakke, vrouwelijke karakter. De Duitse Christenen concentreerden zich op hun beurt op het verkondigen van een anti-joods, anti-doctrinair en mannelijk christendom. Ze beoogden een kerk op te bouwen die iedereen die als onzuiver werd gezien, zou uitsluiten, en alle ‘ware Duitsers’ zou opnemen in een spiritueel thuisland voor het Derde Rijk. Ze noemden zich ‘Volkskirche’, geen samenkomst van gedoopten maar een genootschap van ‘bloed’ en ‘ras’.

Naam om verwarring te stichten
Met ‘Duitse Christenen’ wordt in deze artikelen dus niet bedoeld de algemene uitdrukking van een christen, maar van de beweging in de jaren dertig en veertig. De organisatoren van de groep kozen die naam opzettelijk om verwarring te stichten, om ieder ander die zich zowel Duits als christelijk noemde, te dwingen die identiteit nader te omschrijven of het risico te lopen met hun doelstellingen vereenzelvigd te worden. Volgens sommigen wilde men zich eerst ‘protestantse nationaal-socialisten’ noemen, maar Hitler sprak hier een veto over uit en stelde de benaming ‘Duitse Christenen’ voor.

Overwinning in kerkelijke verkiezingen
In juli 1933 werden kerkelijke verkiezingen gehouden voor een scale aan functies van gemeente-afgevaardigden tot leiders van kerkenraad. Vertegenwoordigers van de beweging van Duitse Christenen verkregen tweederde van de uitgebrachte stemmen. De beweging leek niet meer te stuiten. In de komende twaalf jaar noemden ze zich ook wel de ‘stormtroepen van Christus’. Er bestond weinige organisatorische eenheid onder de Duitse Christenen in het Derde Rijk. Interne conflicten zorgden voor een duizelingwekkende reeks splintergroepen. Ze drukten de reorganisatie door waarbij het Duitse protestantisme onder bewind van een rijksbisschop kwam: het kerkelijk Führerprinzip.

Velen niet praktiserend
Het christendom doortrok heel de nazi-samenleving. Voor veel Duitsers versterkten godsdienstige, nationale en persoonlijke identiteit elkaar op een dodelijke manier. Slechts weinigen waren echt vroom, velen waren niet praktiserend, en sommigen werden neo-heiden. Duitse Christenen zagen het ideaal van de volkskerk als het grootste geschenk dat ze het Derde Rijk konden geven. Dit idee was niet nieuw. Sinds de Reformatie waren regionale protestantse kerken (Landeskirchen) in de Duitse gebieden opgezet als organisaties gebonden aan een geografische regio, de wereldlijke machthebber en de plaatselijke bevolking. Nederlaag en revolutie in 1918 stelden de Volkskirche op de proef.


Niet-universele kerk
Voor Duitse Christenen was ras het fundamentele principe van het menselijk leven, en men interpreteerde en uitte dat idee in religieuze termen. Voor de Duitse Christenen was de kerk op aarde een middel om uitdrukking te geven aan ras en het behoren tot een volk. Door de kerk op aarde te scheidden van de universele gemeenschap van gelovigen ontsloegen Duitse Christenen die kerk van iedere plicht om universeel te zijn. De afwijzing van het niet-Arische christendom was niet zomaar een onbeholpen compromis om het christendom verteerbaar te maken voor de nazi-machthebbers, maar was een fundamenteel onderdeel van hun visie op de kerk als de geestelijke uitdrukking van het raszuivere Volk. Volgens de Duitse Christenen moest de volkskerk gebonden zijn aan de staat. Ook moest de kerk anti-doctrinair zijn. Overwegingen van orthodoxie, dogma of confessie moesten in hun opvatting de spirituele gemeenschap van alle Duitsers niet in de weg staan. De ware volkskerk zou een ‘mannelijke kerk’ zijn waarin de SA-man en de soldaat zich thuis zouden voelen.

Kerkstrijd
De periode die nu zou volgen heet de ‘kerkstrijd’ (Kirchenkampf). De voornaamste rivaal van de Duitse Christenen in de kerkstrijd was de Belijdende Kerk (Bekennende Kirche), een netwerk van protestanten die losjes georganiseerd waren rondom de leuze ‘kerk moet kerk blijven’. Ze ageerde meer tegen de overheersing van Duitse Christenen in het geïnstitutionaliseerde protestantisme, dan tegen het nationaal-socialisme. Net als de beweging van Duitse Christenen heeft de Belijdende Kerk nooit helemaal gebroken met de officiële protestantse kerk. Toch had de Belijdende Kerk op een paar belangrijke punten onafhankelijkheid verworven ten opzichte van de officiële protestantse kerk. Zij hield haar eigen landelijke synodes in 1934, 1935 en 1936. Karl Barth en Martin Niemöller waren hun voormannen. De Duitse Christenen hadden ook te maken met oppositie van neo-heidense groepen.

Vijf fasen: opkomst en versnippering
We kunnen de periode 1933-1945 onderverdelen in vijf fases: opkomst, versnippering, hergroepering, ambivalent succes en naoorlogse herintegratie. (1) Opkomst (1932-1933): Duitse Christenen genoten openlijke steun van de NSDAP en staatsorganen. De 29 regionale protestantse kerken werden één in de protestantse Rijkskerk onder leiding van Rijksbisschop Ludwig Müller. (2) Versnippering (1933-1935): de euforie was van korte duur, de partijsteun werd teruggetrokken. Een gebeurtenis die deze fase inluidde was de bijeenkomst in het sportpaleis op 13 november 1933. Reinhold Krause hield een toespraak waarin hij schold op het Oude Testament, de apostel Paulus en het symbool van het kruis als zijnde bespottelijke, ondermijnende restanten van judaïsme die voor nationaal-socialisten onacceptabel waren. Later zouden de ideeën van Krause gemeengoed worden.

Hergroepering, ambivalent succes en naoorlogse herintegratie
(3) Hergroepering (1935-1939): toen Duitsland in september 1939 Polen binnenviel had bijna het hele spectrum van Duits-Christelijke splintergroeperingen de onderlinge banden hersteld. (4) Ambivalent succes (1939-1945): de literatuur was wel schaars, want het ministerie van Propaganda had godsdienstige publicaties bijna volledig stopgezet. De nationaal-socialistische autoriteiten stonden steeds openlijker vijandig tegenover het christendom. Terwijl Duitse Christenen toewijding aan het nazisme verkondigden, werden hun woordvoerders gemuilkorfd. (5) Naoorlogse herintegratie (na 1945): ze gebruikten verschillende strategieën om zich te rechtvaaardigen.

De anti-joodse kerk
Karl Barth
‘We moeten met alle stelligheid benadrukken, dat het christendom niet is voortgekomen uit het judaïsme, maar zich heeft ontwikkeld tot het judaïsme. Wanneer wij het hebben over het hedendaagse christendom en judaïsme, staan beiden in hun meest fundamentele essentie in scherp contrast tot elkaar. Er is geen band tussen hen, maar juist een absolute tegenstelling’ (Rijksbisschop Ludwig Müller). Karl Barth zei dat de Duitse Christenen ‘naast de Heilige Schrift als de enige openbaring van God het Duitse Volkstum, zijn verleden en politieke heden, als een tweede openbaring beschouwen. Daarmee zien we in hen gelovigen in een andere God’. Duitse Christenen maakten veelvuldig gebruik van woorden als Volk, Volkstum, völkisch, Rasse, Blut en Art.

Weg met joodse termen
Voordat de nazi’s aan de macht kwamen hadden de Duitse Christenen hun visies op ras en de plaats van ras in de kerk, reeds geconcretiseerd in woord en geschrift. In 1934 verklaarde men dat ras, samen met ‘het gezin, Volk en vaderland’ de eerste openbaring van God was. Voor Duitse Christenen was de vorming van een anti-joodse kerk een heilige opdracht. Ze citeerde vooral graag Maarten Luthers artikel ‘Tegen de joden en hun leugens’. Een boek voor godsdienstles uit 1940 citeerde Luthers opdracht om ‘hun synagogen en scholen in brand te steken, en op alles wat niet wil branden vuil te storten en het te overdekken zo dat geen mens er ooit meer steen of as van ziet’. Woorden als Jehova, Hallelujah en Hosanna werden uit het gezangboek verwijderd. Het gebruik van oudtestamentische teksten werd in hun erediensten verworpen, er kwamen ‘ontjudaïseerde’ versies van het evangelie.

Elk volk eigen evangelie
Het zendingsmotief om het Evangelie aan te passen aan ieder volk gaf de Duitse Christenen de motivering om ook het Evangelie aan hun volk aan te passen. Tegen het einde van 1934 waren de meeste zendingsorganisaties aan de kant van de Belijdende Kerk. De interne logica van de Duitse Christenen betekende een doodvonnis voor de overzeese zendingsactiviteiten. Immers, christenen van verschillende rassen hadden elkaar niets te zeggen. De Duitse Christenen gebruikten de kwalificatie ‘joods’ als synoniem met niet-kerkelijk, atheïstisch en marxistisch. De joden zouden de ziel van het Duitse Volk aanvallen. Duitse Christenen bespotten hun tegenstanders in de Belijdende Kerk door ze als joods te bestempelen. De nazi’s hoopten dat het conflict tussen de Duitse Christenen en de Belijdende Kerk twee verliezers zou opleveren en liet ze uitvechten.

Bonhoeffer
De Belijdende Kerk was niet erg uitgesproken in haar kritiek op de Duitse Christenen in hun visie op ras, en zij was alles behalve een voorvechter van het jodendom. Dietrich Bonhoeffer, die in een vroeg stadium inzag dat nazi-antisemitisme een fundamentele bedreiging vormde voor het christendom, uitte zijn frustratie over de onwil van de meeste mensen in de Belijdende Kerk om werkelijk stil te staan bij de kwesties die hiermee ter discussie gesteld werden. Weinig Duitse protestanten waren bereid met Bonhoeffer de band op te geven die sinds Luther had bestaan tussen de protestantse kerk en de wereldlijke overheid. Enkele van de meest harde aanvallen op de visie van de Duitse Christenen inzake ras kwamen van mensen buiten de kerk: de neo-heidenen. In hun reactie daarop liepen de Duitse Christenen tegen de gammele logica van hun eigen standpunten op. De neo-heiden wezen op de nauwe band die er is tussen jodendom en christendom.

Euthanasie
De Duitse Christenen wilden de gunst van de nationaal-socialistische autoriteiten winnen. De sterilisatiewet van 1933, ‘de wet ter voorkoming van nageslacht met erfelijke ziekten’, maakte de verplichte sterilisatie mogelijk van alle mensen die leden aan een scala van ziekten of handicaps, zoals doofheid, zwakzinnigheid, alcoholisme en schizofrenie. Bij de Duitse Christenen bleef het stil. Er kwam van hun kant ook niet veel reactie op het Euthanasie Programma in 1939 en de daaropvolgende jaren, waarbij zo’n zeventigduizend Duitsers werden vermoord wier levens werden beschouwd als ‘onwaardig geleefd te worden’. Een vooraanstaand lid van de Duitse Christenen zei: ‘God schip de mens naar Zijn eigen beeld! Al die treurige mensen en kreupelen in de instellingen passen niet. Dat is geen orde, maar wanorde’. Het lijkt erop dat de meeste Duitse Christenen de nazi-politiek inzake eugenetica en euthanasie niet omarmd hebben, maar zoveel mogelijk hebben genegeerd.

De anti-doctrinaire kerk
Hol bouwwerk
‘Voor ons is wat Jezus zei niet doorslaggevend’, aldus een predikant van de Duitse Christenen. De Duitse Christenen werden voorvechters van een anti-doctrinair christendom. Centraal in hun visie op de kerk stond niet de instemming met bepaalde leerstellingen maar de bewering dat het lidmaatschap in de spirituele gemeenschap niet afhing van het al dan niet aanhangen van bepaalde godsdienstige overtuigingen. De Duitse Christenen wilden geen belijdende gemeenten, geen geïsoleerde gemeenschap der heiligen. Hun vijandigheid tegenover leerstellingen maakte dat de kerk die zij propageerden een hol bouwwerk zou zijn dat ieder moment kan instorten.

Geen interesse voor dogma’s
Nooit hebben de Duitse Christenen zich systematisch beziggehouden met klassieke dogmatische vragen. Voor leerstellingen was geen plaats in de volkskerk, want dat bracht verdeeldheid. De minister van Kerkelijke Zaken verbood het woord ‘dwaalleer’ (Irrlehre) voor twee jaar. Vrij van loyaliteit jegens geloofsinhouden of het gezag van de Schrift zochten Duitse Christenen elders naar krachten die hun volkskerk tot een eenheid konden maken. Alternatieve bronnen van eenheid zagen ze in ritueel, etnische afkomst, de staat en oorlog. In plaats van heilige waarheden uit te drukken moesten erediensten uitsluitend dienen als bevestiging van de gemeenschap. De geformaliseerde structuur van de eredienst camoufleerde nog het leerstellige nihilisme van de beweging. Vertrouwde liederen gingen hand in hand met liederen over Duits bloed, bodem en vlag.

Kruis en hakenkruis mogen niet samen
Hitler was Gods gezondene, de nazi-revolutie was een goddelijke openbaring. De ‘knechtende ketenen’ van het Verdrag van Versailles werd vergeleken met de slavendienst van Israël in Egypte. De sacramenten kregen ook een nieuwe uitleg: ze werden omgevormd tot een viering van de eenheid van bloed. Met het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus had het avondmaal niets meer te maken. Er kwamen nieuwe ceremonies en rituelen. De Duitse Christenen gebruikten eerst nog vlaggen met het kruis en hakenkruis, maar deze combinatie werd al snel door de autoriteiten verboden. In 1935 werd het partijleden verboden zich in te laten met kerkelijke activiteiten en in 1936 verbood het partijuniformen bij kerkdiensten of kerkelijke bijeenkomsten.

Niet geloof, maar strijd verbindt
Voor de Duitse Christenen betekende oorlog het ultieme moment van anti-doctrinaire, spirituele eenheid. In het vuur van de strijd, verkondigden zij, waren alle Duitsers één. Oorlog was een sacrament en een viering van de volkskerk, het beslissende moment dat Pinksteren verving. De kerk was geen gemeenschap van geloof, maar een gemeenschap in de strijd. De nazi-autoriteiten toonden tijdens de oorlog in toenemende mate vijandigheid jegens het christendom. Activiteiten van legerpredikanten werden verboden. De hoop van Duitse Christenen op een spirituele doorbraak onder de strijdende mannen bleek ongegrond. De Duitse Christenen oogsten wat ze gezaaid hadden. Ze hadden het geloof vervangen door ritueel, etniciteit, ondersteuning van de staat en oorlog als het hart van hun spirituele gemeenschap. Daarmee bestendigden ze een kerk die autoriteit noch integriteit bezat.

De mannelijke kerk
Niet alleen voor oude vrouwen
‘We willen een vorm van christendom waarmee men iets kan doen in het leven, een christendom waarvan onze jeugd zal zeggen: dat leeft, daar zit heldhaftigheid in. Dat is niet “alleen maar” voor oude vrouwen, maar ook de levenslustige mannen van het Derde Rijk’, aldus een pamflet van de Duitse Christenen. De Duitse Christenen wilden alle Arische Duitsers in de volkskerk opnemen. Maar nazi- en neo-heidense critici beschuldigden het christendom ervan dat het zwakheid, nederigheid en defaitisme predikte, vrouwelijke trekken die lijnrecht tegenover de waarden van het nationaal-socialisme stonden. Waarachtig christendom, zo was de redenatie van de Duitse Christenen in hun verweer, was echter niet vrouwelijk en zwak maar mannelijk en hard.

De zwakken hadden Duitsland verraden
Men ging de bijvoeglijke naamwoorden männlich en mannhaft gebruiken om de woorden kerk, christendom en geloof nader te bepalen: mannelijke kracht, onverschrokkenheid en vastberadenheid. Weiblichkeit en Weichlichkeit (vrouwelijkheid en zachtheid) wilden de Duitse Christenen niet meer. Het was mannelijk om meedogenloos te vechten, hardheid en heldhaftigheid ten toont te spreiden, bevelen op te volgen met discipline en enthousiasme: dat waren de eigenschappen die bij de soldaat hoorden. Duitse Christenen vergeleken de kerkstrijd met de verheerlijkte ervaring van 1914-1918 (de zwakken hadden Duitsland verraden) en vereenzelvigden hun zaak met het front. De Duitse Christenen maakten gebruik van vaandels, uniformen en andere militaire versierselen om hun mannelijke imago uit de dragen middels optochten van geestelijken.

Agressief christendom
Duitse Christenen presenteerden de mannelijke kerk als een correctiemiddel op de vrouwelijke kerk die volgens hen in de Eerste Wereldoorlog had gefaald. Men wilde een ‘agressief christendom’. In de kerken was de fysieke afwezigheid van veel mannen opvallend. Vrouwen waren vaak ver in de meerderheid. Dat kwam doordat ‘zonder twijfel bij vrouwen het gevoel overheerst’. Duitse Christenen brachten diverse plannen naar voren om mannen naar de kerk te trekken. Ook al vonden Duitse Christenen het moeilijk grote aantallen mannen te trekken of de betrokkenheid van mannen te institutionaliseren, ze konden tenminste proberen een indruk van mannelijkheid te wekken.

Mannelijke revisie
Het streven naar mannelijkheid hield ook in dat er aan de christelijke leer gesleuteld moest worden. Het beeld van Jezus moest herzien worden. Ze benadrukten Zijn heldhaftigheid en beschouwden die kanten van zijn karakter die besloten liggen in de uitdrukking ‘Lam Gods’ als een gruwel. Helden uit de Duitse geschiedenis als Maarten Luther waren makkelijker te onderwerpen aan een mannelijke revisie. Duitse Christenen zochten nieuwe ‘aartsvaders’, zoals Rijksbisschop Müller. Hij was de belichaming van mannelijk christendom. Hij verscheen in het openbaar in militair uniform, sprak op een ruwe manier en verwees vaak naar zijn oorlogservaringen.

Nieuwe kerkmuziek
Duitse Christenen ondernamen liturgische vernieuwingen die bedoeld waren als weerspiegeling en bevordering van mannelijkheid. Voor Duitse Christenen was vooral kerkmuziek een vruchtbaar terrein voor de omschakeling van een verwijfde naar een mannelijke stijl. Er werden mannelijke hymnen geproduceerd. Die melodieën hadden een strak ritme, de teksten stonden bol van woorden en uitdrukkingen als kameraad, de strijd en Führer. Gebruikelijke thema’s als Jezus, verlossing, zonde, hemel, vergeving, genade, mededogen en de kerk werden onderbelicht.

Niet-Ariërs in de volkskerk
Weinig joden in Duitsland
‘Een goddeloze volksgenoot staat dichter bij ons dan een vreemdeling, zelfs wanneer deze vreemdeling hetzelfde lied zingt of hetzelfde gebed bidt’, zo dachten de Duitse Christenen. Men verwierp ook het idee dat de doop de status van een voormalige jood kon veranderen. De joodse gemeenschap in Duitsland was klein: in 1934 zo’n 582.000 mensen. Het aantal niet-Arische christenen in Duitsland was eveneens gering, ook al deed het beeld dat de Duitse Christenen hiervan schiepen door hun aandringen op raciale uitsluiting, iets anders vermoeden. Ook statistieken over het aantal joden dat zich tot het christendom bekeerde, gaven de Duitse Christenen in feite geen aanleiding, te vrezen voor een ont-Ariërsering van het protestantisme.

Ariër-paragraaf in de kerk
Alles bij elkaar genomen hadden zich vanaf 1900 slechts minder dan 15.000 Duitse joden tot het protestantisme bekeerd. Zodoende kwam het onderwerp meestal in een abstracte en niet in een concrete context ter sprake. Voor Duitse Christenen hing het Ariër-zijn af van de doop. De doop kon van de jood geen Duitser maken, en ook geen christen. ‘De gedoopte jood hoort in deze kerk niet thuis’. Niet-Ariërs waren op z’n hoogst inferieure leden van de volkskerk. De Ariër-paragraaf van 1933 hield het ontslag in van alle joodse geestelijken en kerkelijke functionarissen. De Duitse Christenen wilden hiermee het voorbeeld van de staat volgen. De invoering van de Ariër-paragraaf in de kerk ging niet zomaar; vlak voor de oorlog pas hadden de Duitse Christenen in grote delen van het land de doorvoering bereikt. Het is echter nooit tot een volledige, consequente naleving van de Ariër-paragraaf gekomen. De zelfverzekerdheid van de beweging in rassenkwesties kon in onzekerheid omslaan, wanneer ze hun houding tegenover één bepaald individu moesten bepalen.

Katholieken, protestanten en dromen over confessionele eenheid
Boven-confessionele kerk
De realiteit van confessionele verdeeldheid was in tegenspraak met het ideaal van een volkskerk waarin alle Arische Duitsers opgenomen zouden zijn. De meer dan twintig miljoen katholieken vormden in de jaren dertig ongeveer een derde van de Duitse bevolking. De logica van de volkskerk dwong de Duitse Christenen ertoe verder te kijken dan de protestantse kringen. Hun doel was een nationale kerk te vormen, een boven-confessionele kerk die niet alleen de grens tussen katholieken en protestanten, maar ook de verschillende afsplitsingen binnen het protestantisme zou overstijgen. Hun plannen voor een boven-confessionele kerk stuitten echter op fel verzet, zowel van katholieke als van protestantse zijde.

Één geloof
De Duitse Christenen kon geen grenzen accepteren. Die belemmerden namelijk de zuivere kameraadschap. De Duitse Christenen wilden aan de nazi-eis ‘Één volk, één rijk, één Führer’, ‘één geloof’ toevoegen. De Duitse Christenen deden niet veel om de gunst van de katholieken te winnen. Bij Duitse protestanten was bovendien een diepgeworteld anti-katholicisme. Prominente katholieken spraken zich uit tegen het idee van een nationale kerk. ‘Het idee van een nationale kerk staat in een absoluut flagrante contradictie tot het wezen van het katholicisme’. Voor de Duitse Christenen vormde de boven-confessionele kerk een poging om een spiritueel thuis te scheppen voor de Duitse natie. Dat project mislukte in ieder opzicht. Het trok weinig katholieken aan, bracht verdeeldheid onder de Duitse Christenen, stootte andere protestanten af en stuitte op onverschilligheid en vijandigheid van de nazi-autoriteiten.

De kerkelijke Endlösung
Joodse wortels uitrukken
‘Omdat in de loop van de historische ontwikkelingen ook in het christendom een verderfelijke joodse invloed actief is geweest, is de ontjoodsing van kerk en christendom de onontkoombare en beslissende taak geworden van de kerk in deze tijd; het is de eerste vereiste voor de toekomst van het christendom’. De Duitse Christenen waren bezig met een zelfvernietigende ecclesiologie. Met hun pogingen hun godsdienstige traditie van haar joodse wortels los te rukken, namen de Duitse Christenen een onafzienbare taak op zich die er alleen toe zou leiden dat het christendom zichzelf op zou blazen. De wijdverbreide theologische onwetendheid onder kerkmensen vergemakkelijkte dit.

Oude Testament afgeschaft
Jezus was de aarts-antisemiet en het kruis het symbool van de oorlog tegen joden. Duitse Christenen lieten het Oude Testament vallen en staken het Nieuwe Testament in een ander jasje, waarbij ze centrale leerstellingen over zonde en genade overboord gooiden. Men begon met het ontkennen van de canoniciteit van het Oude Testament, zoals Marcion in de tweede eeuw al had gedaan en de Katharen in de twaalfde eeuw. ‘Jakob was een bedrieger, Abraham een leugenaar, David een overspelige’. Het onwetenschappelijke Oude Testament was vervangen door het Nieuwe Testament. Ons volk heeft een nieuwe ontmoeting met Christus nodig, zonder een wegomlegging langs het jodendom’.

Profeten anti-semitisch
Het offer van Izak was het eerste verhaal dat als ‘on-Duits’ aan de straat werd gezet. Maar men wilde nog wel wat ‘parels’ uit het Oude Testament behouden, zoals de profeten, die zo uitgesproken anti-semitisch ingesteld waren. Trouw aan hun anti-doctrinaire stellingname noemden Duitse Christenen nooit de Tien Geboden als een deel van het Oude Testament dat bewaard moest worden. De botte manier waarop Reinhold Krause in 1933 het Oude Testament belachelijk maakte, ‘met alle verhalen over veehandelaren en pooiers’ en zijn afwijzing van het kruis en de ‘rabbi Paulus’, schokten veel Duitse protestanten, maar liep vooruit op de richting die de Duitse Christenen zouden inslaan eind jaren dertig.

Toch nog verdacht bij de nazi-autoriteiten
‘Hoor, Israël’, werd veranderd in ‘Hoor, gij volk van God’. Met de openlijke veroordeling van het Oude Testament spreidden de Duitse Christenen een vurig antisemitisme ten toon. De aanvallen van de Duitse Christenen op het Oude Testament werden steeds verbetener, in de hoop daarmee het christendom van blaam te zuiveren. De Duitse Christenen verklaarden zich loyaal aan de Kristalnacht van 9 november 1938. ‘Het christelijk geloof is het absolute godsdienstige tegendeel van het jodendom’. De Duitse Christenen onderschreven in publicaties en activiteiten de pogingen van de nazi’s de joden te vernietigen. Aanvallen op het Oude Testament bereikten een hoogtepunt tijdens de oorlog. Bang dat Duitse Christenen de oorlog zouden uitbuiten voor hun eigen doelen, vonden nazi-autoriteiten soms zelfs anti-joodse manipulatie van het Oude Testament verdacht.

De Arische Jezus
Joodse invloeden in het Nieuwe Testament waren voor de Duitse Christenen niet zo direct duidelijk als in het Oude Testament. Jezus was geen jood en de essentie van de boodschap van het evangelie was haat jegens de joden. De Duitse Christenen begonnen uit het Nieuwe Testament elementen te selecteren die bij hun raciale visie van pas kwamen. De Duitse Christenen zagen in dat, als ze vertegenwoordigers van het ware christendom waren, er op zijn minst gedeelten van de Heilige Schrift bewaard moesten blijven. Men concentreerde zich op die elementen die hun culturele identiteit schraagden: Jezus, de kribbe en het kruis. Soms bouwden ze uitgebreide verklaringen op waarin Arische stammen in Galilea een rol speelden: de Arische Jezus. Galilea was de woonplaats geweest van een ‘indo-germaanse bevolking’. Jezus kon geen jood zijn, omdat hij tegen de joden was.

Absurditeit
Duitse Christenen beschouwden alle bijbelse gegevens die hun positie weerspraken als vervalsingen. Aangezien ze zich niet meer gehouden voelden aan de canon, konden ze bewerken en selecteren om een Arische, anti-joodse Jezus te scheppen, die ze vervolgens gebruikten als rechtvaardiging voor het terzijde schuiven van iedere Bijbelpassage die de bewering van zijn anti-joodsheid tegensprak. Neo-heidenen wezen maar al te graag op de absurditeit van de Duitse Christenen. Sommige Duitse Christenen wezen de theologie van rabbi Paulus met zijn zondebokken en minderwaardigheidscomplex af, anderen zetten vraagtekens bij Paulus’ joodsheid. Meestal zeiden de Duitse Christenen weinig over Paulus. Ze verspilden veel inkt om Jezus te behouden voor anti-joods christendom, maar ze waren er een stuk minder op gebrand Paulus in veiligheid te brengen.

Nietzsche in plaats van Paulus
‘In onze tijd kan iedere Duisters de vrijheid van de wet leren van bijvoorbeeld Nietzsche; daar heeft hij Paulus niet voor nodig, en hij vermijdt daarbij het gevaar geïnfecteerd te worden met gevreesde joods-rabbijnse leerstellingen’. Naar de stellige overtuiging van de Duitse Christenen was het hart van de nieuwtestamentische boodschap niet het drama van de verlossing, maar een rassenstrijd. De Duitse Christenen vielen het idee van de zondige mens aan als een aanslibsel bij het ware evangelie. ‘De overdreven nadruk op de gekruisigde Christus’ moest stoppen. Wat de volkskerk nodig had, was een ‘postitieve’ interpretatie van het Nieuwe Testament. De hele leer over zonde en genade was ‘een joodse benadering die alleen maar ingelast was in het Nieuwe Testament’. Het was volgens de Duitse Christenen joods zich te bekommeren om zonde, en het christendom moest van dit element gezuiverd worden.

Jezus de uitgesproken antisemiet
‘Wie was Jezus Christus? En tegen wie vocht Hij?’ Belijdeniscatechisanten antwoordden daarop: ‘Een held en strijder die vocht tegen joden en Farizeeërs’. Ieder woord van Jezus was tegen de joden gericht en raakte hen als een zweepslag. ‘Niemand zag de aard van het jodendom helderder of bestreed het met meer vastberadenheid dan juist Jezus de Heiland.’ Het Nieuwe Testament bevatte ‘regelrechte vervalsingen, vooral van de hand van joodse christenen die de gemeenten infiltreerden om de joodse geest ook daar aan de macht te brengen’. ‘Jezus van Nazareth, de uitgesproken antisemiet’. De boodschap die de Duitse Christenen predikten was er niet één van liefde, maar van haat.

Herschreven evangelie
Na hun anti-joodse lezing was de volgende stap voor de Duitse Christenen een herschrijven van het evangelie, een ‘germanisering van het Nieuwe Testament’. ‘Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt’ werd veranderd in ‘Zie de uitverkorene van God, die door zijn offer de wereld tot zegen is’. Het Nieuwe Testament was niet meer een verhaal van verlossing, maar een manifest van haat jegens joden. Het herschreven evangelie bevatte geen verhalen meer over Herodes, de vlucht naar Egypte, of Jozefs wortels ‘in het huis en geslacht van David’. Het boek ging ook niet op de opstanding in. Verwijzingen naar het Oude Testament werden geschrapt. De bergrede was een oorlogsverklaring aan het jodendom. Geen enkele hooggeplaatste nazi vroeg de Duitse Christenen erom de Arische Jezus te propageren; niemand bedankte hen ervoor dat ze die taak op zich genomen hadden.

De tale Kanaäns
Alleen op het terrein van de muziek, ver weg van het theologische hart van het christendom, toonden de Duitse Christenen enige aarzeling hun project van ontjoodsing tot het logische eind af te maken. Gemopper over joodse invloed in kerkmuziek wekte de indruk dat er een ontjoodsende aanval in de lucht zat. ‘Wij willen liederen zingen die vrij zijn van alle Israëlische elementen. Wij willen ons bevrijden van de tale Kanaäns en ons op onze Duitse moedertaal richten. Alleen in de Duitse moedertaal kan de mensheid haar gebeden, lofprijzing en dankzegging ten diepste uitdrukken. In plaats van het joodse hallelujah werd het Duitse ‘Heil aan onze God’ gezongen.

Hallelujah
Alleen in de kerk, zo klaagden de Duitse Christenen, zongen Duitsers ‘geloofs zij Abrahams zaad, hallelujah en hosanna van Sion tot het hemelse Jeruzalem’. Duitse protestanten bleven de vertrouwde gezangen zingen, compleet met verwijzingen naar het Oude Testament. pas eind 1935 begonnen de Duitse Christenen aan iets wat op een systematische zuivering van christelijke lederen leek. Maar anders dan bij het Oude Testament uitten de Duitse Christenen een gevoel van verlies bij het onderwerpen van traditionele gezangen aan overwegingen van raszuiverheid.

De sparren van het Duitse woud
‘Heer Sabaoth’ moest vervangen worden door ‘Heer der heerscharen’, ‘het volk van Israël’ door ‘volk van God’, ‘de ceders van Libanon’ door ‘de sparren van het Duitse woud’ en ‘Jeruzalem’ door ‘de hemelse woonplaats’. De enige uitzondering was het tweede couplet van ‘Stille Nacht’, waarin vastgehouden werd aan ‘hallelujah’. Waarschijnlijk was dit bekende kerstlied het enige godsdienstige leid waarbij het de gemiddelde soldaat zou zijn opgevallen dat in een ander dan het eerste couplet iets was veranderd of weggelaten.

Nieuwe zangbundel
Maar het was een verloren strijd voor de Duitse Christenen. Ze konden wel sleutelen aan Bijbelteksten, maar joodse teksten van oude, vertrouwde melodieën bleven in de geest van de kerkmensen zitten. Hoe zag de nieuwe zangbundel van de Duitse Christenen eruit? Uitgezonderd van een handjevol paas- en kerstliederen, gingen de teksten allemaal over de natuur, het dagelijkse leven, kameraadschap, strijd en het vaderland.

De kerk zonder regels
De drie anti’s
In 1938 hield een leider van de Duitse Christenen een toespraak voor tienduizend mensen. Op een bepaald moment gaf het publiek een enthousiast applaus. Toen hij vervolgens de uitspraken aanviel die hij net had gedaan, begrepen sommige aanwezigen dat ze zich vergist hadden. Hij had een neo-heiden geciteerd met de bedoeling diens stellingsname te weerspreken! Hoewel de Duitse Christenen wisten waar ze op tegen waren, hadden ze geen duidelijkheid omtrent de positieve kanten van hun agenda. De aanval van de beweging op kerkelijke doctrine betekende een offensief tegen precies dezelfde instituties waar Duitse Christenen hun legitimatie en identiteit vandaan haalden. Hun drie anti’s, anti-intellectualisme, antiklerikalisme en antilegalisme waren een boemerang die de beweging zelf in de toekomst zou overbodig maken. Ze bekritiseerden academische theologie als niet alleen nutteloos, maar ook schadelijk en tweedracht zaaiend.

De taal van de straat
Een leider van de Duitse Christenen beweerde dat de beweging ‘niets te maken had met theologie’. In plaats daarvan ‘ontsproot het aan het leven’. Theologen sinds Luther hadden het ‘krachtige, frisse Duits’ van de hervormer vervormd tot een ‘theologische geheimtaal’ die niet te begrijpen was voor de ‘man in de straat’. Met hun aanval op de taal van het intellectuele godsdienstige vertoog hoopten Duitse Christenen ruimte te scheppen voor hun eigen boodschap. Het idee van genade is niet Duits. In plaats daarvan moesten de grotere concepten ‘goedheid’ en ‘liefde’ gebruikt worden. Ludwig Müller verklaarde in 1941 trots dat predikanten van de Duitse Christenen geen ‘zogenaamde academici waren; zij spraken de taal van het volk, ‘vaak grof en ruw’.

Karl Barth
Hun kritiek op theologie leidde daartoe dat de theologie van één van hun meest geduchte vijanden van de hand werd gewezen: die van Karl Barth. Daar komt nog bij dat Barth geen lutheraan, maar een calvinist was, geen Duitser, maar een Zwitser. Hij weigerde in 1935 de eed van trouw aan Hitler af te leggen toen hij professor systematische theologie in Bonn was. Barth wees de theologie van de Duitse Christenen van de hand als ‘een kleine verzameling pronkstukken uit de overvloedige theologische vuilnisbakken van de achttiende en negentiende eeuw’.

Antiklerikalisme
Ook al zwaaide de beweging van de Duitse Christenen met haar anti-intellectuele vlag, ze behield een flink aantal volgelingen onder professionele theologen. Vanaf het eind van de jaren dertig hadden de Duitse Christenen een stevige greep op de universiteiten. Het antiklerikalisme bracht zelfvernietigende mechanismen op gang. Pastores in Duitsland schiepen en bevorderden zelf in belangrijke mate een vijandige stemming tegenover de geestelijkheid. De Duitse Christenen beschouwden antiklerikalisme als wapen tegen de Belijdende Kerk. Duitse Christenen probeerden de macht van geestelijken weer te doen gelden en het aanzien van het pastorale ambt te vergroten door een agressieve, militante stijl naar buiten te brengen.

De nazi’s naar de mond praten
Duitse Christenen gebruikten antiklerikalisme om de vijandschap van de nazi’s jegens de kerk in het algemeen en pastores in het bijzonder om te buigen, en hen naar de mond te praten. Deze vijandigheid had vele vormen. In 1937 werden veel geestelijken, onder wie Duitse Christenen, uit de NSDAP gezet. In 1939 vaardigde Bormann een bevel uit dat sprekers zich moesten onthouden van gebruik van de uitdrukking ‘dienaren Gods’ voor geestelijken. In plaats daarvan moesten ze hen ‘dienaren van de kerk’ noemen. Ondanks ambivalentie in eigen kring en een vijandige houding van de nazi-leiders, maakten de Duitse Christenen zich tijdens de oorlog weer sterk voor een grote rol voor de geestelijkheid.

Uitholling pastorale werk
In een tijd van bombardementen, nederlagen, het verlies van dierbaren, evacuatie en dood, verkregen pastores aanzien doordat mensen zich tot hen wendden op zoek naar wat betekenis en troost in hun lijden. Duitse Christenen zagen hierin een kans om niet alleen de kerk maar ook de status van hun ambt te restaureren. Er kwam een nieuw type pastor: de vechtende, biddende, spirituele leider die een voorbeeld was van loyaliteit en gehoorzaamheid tot in de dood. Het pastorale ambt was uitgehold tot ze nog maar één betekenisvolle functie voor een kerkelijke ambtsdrager konden zien: zijn gemeente aansporen hem te volgen in opoffering voor het vaderland.

Overtreden kerkelijke regels
De Duitse Christenen uitten hun weerstand tegen kerkelijke doctrine ook in het overtreden van kerkelijke regels. De volkskerk was ervoor om haar klantenkring te dienen, de pastor ‘diende er te zijn voor zijn gemeente, en zich aan te passen aan haar wensen’. Een pastor van de Duitse Christenen zei: ‘Alle leden van het Volk zijn Gods kinderen, God zal ons allen aanvaarden in Zijn eeuwige armen’. De Duitse Christenen boekten een aantal successen met hun antilegalisme. Met betrekking tot belijdenis-doen moest het bij het kerkelijk examen niet meer om kennis gaan, want kennis heeft niets te maken met geloof.

Je bent veel te vroom
De Duitse Christenen leken onevenredig veel uitschot aan te trokken. Ze cultiveerden een ruig imago. ‘Jij bent veel te vroom; je zou wat vaker dronken moeten worden; dan zou je je ideeën wel veranderen’. De naam van de kerk als instituut werd som totaal te grabbel gegooid. In een bepaalde stad werd gezegd: ‘We wonen in een geweldige stad, want ze heeft geen kerk meer! Daar zijn we allemaal blij om, maar vooral de pastor!’ Duitse Christenen cultiveerden een gewelddadige stijl die werd weerspiegeld in de lievelingskleding van sommige geestelijken: zwart jasje, rijbroek en knielaarzen. Er werd geduwd en gedrongen, gefloten en gejoeld in de kerk. De antidoctrinaire, anarchistische opstelling van de beweging trok mensen aan die vast wilden houden aan christelijke rituelen maar algemeen aanvaarde codes van gedrag passend bij de kerk als te beperkend beschouwden.

Vechten
Conflicten over middelen en gebouwen maakten een belangrijk deel uit van de kerkstrijd. Duitse Christenen waren er niet vies van fysiek geweld en intimidatie te gebruiken tegen hun tegenstanders in de Belijdende Kerk. Een predikant betreurde in 1936 zijn overplaatsing naar een andere gemeente, omdat hij gehecht was geraakt aan de plek, ‘vooral aan het vechten’. In Saksen was een bisschop die men ‘revolverbisschop’ noemde omdat hij zijn geweer had getrokken toen hij het hoofdkwartier van de regionale kerk overnam, ‘om het proces een beetje meer vaart te geven’.

De bruid van Christus in oorlog
Drie-eenheid staat-kerk-Volk
De anti-joodse kerk was ten diepste niet-christelijk; een kerk zonder regels was helemaal geen kerk. Maar een Duitse Christen deed ook een uitspraak: ‘Zonder de verenigde moederschoot van de kerk doolt de eeuwige Duitser zonder een thuisland in vreemde oorden, en uiteindelijk zal zijn ziel erbarmelijk wegkwijnen’. In de oorlog kon de kerk zowel mannelijk als vrouwelijk zijn, strijdlustig en koesterend, bruut tegenover de vijand maar teder voor haar eigen zonen, ook al stuurde ze die hun dood tegemoet. De bruidegom was niet Christus, maar de nationaal-socialistische staat. De staat-kerk-Volk drie-eenheid was analoog voor vader-moeder-kind.

Moederliefde in oorlogstijd
Van de beschikbare vrouwelijke beelden werden die van echtgenote en moeder het vaakst door Duitse Christenen verbonden met de kerk. Het contrast met de ruwe mannen wereld buiten zorgde voor een veilige plek voor anders verboden gevoelens. Voor Duitse Christenen was de belangrijkste rol die aan zowel biologische moeders als aan de moederkerk werd toegeschreven het behouden van raszuiverheid. In oorlogstijd vond moederliefde volgens de Duitse Christenen haar hoogste uiting in opoffering. Ook in het christendom draait het om een offer, en het vocabulaire van de kruisiging werd de taal waarmee het offer van moeders werd beschreven, gelegitimeerd, en verheerlijkt. Alleen in de verwoestende, mensonterende ervaring van een oorlog kon de ecclesiologie van de Duitse Christenen tot volledige verwerkelijking komen.

Het offerbegrip
Als de Duitse Christenen een volkskerk wilden opbouwen, konden ze het zich niet permitteren vrouwen tegen zich in het harnas te jagen. De vrouw is ‘van nature meer tot geloof geneigd dan de man’. Het feit dat vrouwen in de meerderheid waren in het godsdienstige leven, betekende dat de medewerking van vrouwen van doorslaggevend belang was wilde men hun doelen bereiken. Zelfs de droom van een mannelijke kerk mocht dat niet in gevaar brengen. De oorlog luidde niet het einde van de mannelijke kerk in: het maakte het idee juist uitvoerbaar. Juist in oorlogstijd konden beide geslachten tot zijn recht komen. De twee beelden – de wenende vrouw-moeder en de vechtende strijder-man – konden met elkaar verzoend worden in het offerbegrip.

Naoorlogse weerklank
Denazificatie valt mee
Met de nederlaag en ineenstorting van het nazi-bewind in 1945 kwam er een eind aan de beweging van de Duitse Christenen. Na de oorlog haastten de Duitse Christenen zich te ontkennen dat ze ooit een ontjoodst christendom hadden gepredikt. De taak van wederopbouw van de lutherse kerk na de oorlog viel toe aan de voormalige tegenstanders van de Duitse Christenen: neutrale en Belijdende Kerk-geestelijken. Het Amerikaanse militaire gezag erkende de Belijdende Kerk als een verzetsorganisatie. Met name de Amerikaanse bezettingsmacht spoorde de kerk aan haar leiding te zuiveren of anders een opgelegde denazificatie te riskeren. Voor de Duitse lutherse kerk betekende de Schuldverklaring van Stuttgart (oktober 1945) een belangrijke naar het herwinnen van geloofwaardigheid ten opzichte van de internationale gemeenschap. Maar het stootte een deel van de achterban in eigen land af.

Kerkelijke onderzoekscommissie
Vluchtige denazificatie die zich richtte op een paar geestelijken van de Duitse Christenen was voor de lutherse kerk een makkelijke manier om er onderuit te komen. Men verdedigde zich soms door te zeggen: ‘Eskimo’s begrepen de term “Lam Gods” niet. Zendelingen vervingen dit door “zeehond van God”, een etnische toepassing die neerkwam op Groenlands christendom’. En zo hadden zij ook gedaan. Dankzij de antidoctrinaire stellingname hoefde iedere voormalige Duitse Christen die voor een kerkelijke onderzoekscommissie kwam alleen maar zijn eigen gedrag te rechtvaardigen. Vaak was het genoeg, wanneer men blijk kon geven van geïsoleerde uitingen van orthodoxie.

Stilte
Veel vroegere Duitse Christenen verlieten vlug de oude partijlijn, en ‘smeekten en jankten’ om hernieuwde toelating tot kerkelijke betrekkingen. De lutherse kerk heeft de beweging van de Duitse Christenen in feite gebruikt om grondige denazificatie te voorkomen; Duitse Christenen daarentegen hebben gebruik gemaakt van het beeld van de volkskerk om beschuldigingen van ketterij of medeplichtigheid aan nazi-misdaden om te buigen. De bezeten activiteiten van de beweging tot aan het instorten van het Derde Rijk staan in schril contrast met het zwijgen van de leden na de oorlog. De ontkenning nam schaamteloze vormen aan. De meesten kozen voor stilte of één of andere vorm van berouw, en niet voor openlijke eigenzinnigheid.

Nieuwe tegenstelling: blank/niet blank
Terwijl ze probeerden kerkelijke functies te behouden of terug te krijgen, groeven Duitse Christenen in hun geheugen op zoek naar bewijzen van mededogen jegens joden. Na 1945 konden Duitse Christenen niet langer openlijk tekeer gaan tegen joden. Toch bood zelfs op dit gebied de nieuwe situatie eigen mogelijkheden voor continuïteit. Afgesneden van de nazi-context konden Duitse Christenen hun anti-joodse gedachten voorstellen als onschuldige theologische of pedagogische overwegingen. Sommige Duitse Christenen veranderden de oude nazi-tegenstelling tussen Arisch en niet-Arisch in de polarisatie van het naoorlogse blank/niet blank. ‘Wij willen geen rassenvermenging. Net als de vijf vingers aan een hand, zullen de verschillende rassen in Gods plan naast elkaar blijven staan’.

Een beetje sleutelen
Na 1945 integreerden voormalige Duitse Christenen zonder al te veel problemen in de kerk, en zelfs een aantal van de meest vooraanstaande woordvoerders ontdekten dat ze konden terugkeren in dienst van de kerk zonder hun opvattingen noemenswaardig te hoeven veranderen. De oorlog en de ondergang van het Derde Rijk bracht een aantal ideeën van de Duitse Christenen in diskrediet, in het bijzonder hun felle anti-joodsheid. Maar andere aspecten van hun programma, met name hun geromantiseerde opvatting van kerkelijke leer en hun met sekse-symboliek beladen visie op de kerk, vloeiden moeiteloos terug in de hoofdstroom van de samenleving om hen heen. Zelfs aan hun ideeën over ras hoefde maar een klein beetje gesleuteld te worden om ze weer tamelijk respectabel te laten lijken.

Treurige mislukking
De hardnekkigheid van de beweging van de Duitse Christenen is wellicht ook een teken van een meer algemene crisis van het christendom in het moderne Duitsland. Duitse Christenen gooiden alles wat theologische en moreel was aan het christendom overboord en reduceerden het tot een handjevol culturele symbolen en gebruiken uit hun jeugd. De beweging was tenslotte in veel opzichten een treurige mislukking. Ondanks vroege triomfen en een grote bekendheid bereikte het nooit een ledental van meer dan zeshonderddzuiend, nog geen twee procent van de Duitse bevolking. Met hun antisemitische aanvallen op bijbelse teksten brachten de Duitse Christenen slechts minachting teweeg bij hun nazi-helden en wanhoop bij echte christenen.

Onherkenbaar voor echte gelovigen
Duitse Christenen, gevangen tussen enthousiasme voor een alles-of-niets ideologie en piëtiet tegenover hun godsdienstige erfgoed, klampten zich wanhopig vast aan beiden, en worstelden om de twee onverenigbare geloofssystemen met elkaar te verzoenen. Voor echte nazisten waren ze nooit voldoende nazi. Voor echte christenen waren ze zo goed als onherkenbaar als aanhangers van hetzelfde geloof.

Gepubliceerd in juli 2008

Advertenties