Luther. Belofte en ervaring

n.a.v. W. van’t Spijker, Luther. Belofte en ervaring, Goes 1983

Doorbraak van het Evangelie
Vertwijfeling
De vertwijfeling heeft van Luther een monnik gemaakt. De gerechtigheid die uit het geloof is heeft hem tenslotte weer uit het klooster gehaald en hem in de vrijheid van een christenmens gebracht. Er is nog steeds geen overeenstemming over het juiste tijdstip van de doorbraak van het evangelie bij Luther. Sommigen denken voorjaar 1513, anderen voorjaar 1518.

De gerechtigheid Gods
Luther had al vroeg een verlangen om Romeinen te verstaan. ‘Ik haatte namelijk dit woord, gerechtigheid Gods. (…) En toch klopte ik, ongeschikt weliswaar, bij deze tekst van Paulus aan, daar ik er hevig naar dorstte om te weten wat Paulus wilde.’ De gerechtigheid Gods is niet langer de gerechtigheid of de vroomheid, die God van ons eist. Het is veeleer de gerechtigheid die Hij ons schenkt. Het woord ‘gerechtigheid Gods’ viel als een donderslag in zijn ziel, omdat hij haar opvatte als de straffende grimmigheid van de toorn van God. Luther heeft de ontdekking die hij deed beschreven in termen die doen denken aan een voorbijtrekkend onweer. Was het ook niet een onweer dat hem in het klooster bracht? De vraag van Luther ‘Hoe krijg ik een genadig God?’ is een puur religieuze aangelegenheid, en is niet toegankelijk voor psychologisch, sociologisch of zelfs theologisch onderzoek.

Studie
Luther trotseerde de woede van zijn vader door het klooster in te gaan. Zijn vader had zich aan het harde werk van de mijnbouw weten te ontworstelen. Zijn zoon zou rechten studeren en dan als juridisch adviseur in de maatschappij een beter positie verwerven. Luther had inderdaad rechten gestudeerd. Luther (op 10 november 1483 in Eisleben geboren) kwam in 1496 bij de broeders des gemenen levens in Maagdenburg, een jaar later verhuisde hij naar Eisenach, en in 1501 schreef hij zich in aan de universiteit van Erfurt. Eerst moesten de vrije kunsten worden geleerd, het trivium: grammatica, dialectiek en retorica. Daarna het quadrivium: aritmetica, astronomie, geometrie en muziek. Hier vond de kennismaking met Aristoteles plaats. Na deze voorbereiding stond de weg open voor een hogere studie, maar Luther koos voor het klooster. Een weg van heil, een staat van volmaaktheid, zo werd Luther voorgehouden. ‘Mijn monnikskap moest God wel behagen en een weg naar de hemel zijn’. Het klooster gaf echter geen rust.

Aanvechtingen en zonden
Luther heeft eens gezegd dat hij als monnik niet veel last van vleselijke lusten heeft gehad. Wanneer de vrouwen kwamen om te biechten wilde hij hen zelfs niet aanzien. Luthers aanvechtingen, zijn tentationes, betroffen vooral zijn verhouding tot God. Hij laakte het later in vele kerkvaders dat zij over de geestelijke verzoeking niet wisten te schrijven. Een oudere kloosterbroeder waarschuwde Luther bij zijn aanvechtingen: ‘Wanneer iemand over de predestinatie wil nadenken en daarbij Christus niet in het oog houdt vanaf zijn kribbe, zoals Hij ons voor ogen gesteld is, dan moet hij wel spoedig in vertwijfeling vallen.’ Von Staupitz was voor Luther belangrijk. ‘Ik heb dikwijls bij Staupitz gebiecht, niet over vrouwen, maar over echte problemen.’ Von Staupitz op zijn beurt adviseerde Luther om eens met echte zonden, en niet met zulke ‘poppezonden’ voor de dag te komen.

De strijd tegen de aflaat
Luther als doctor in Wittenberg
Het is beschamend dat de Reformatie niet is begonnen met de 97 stellingen, maar met de 95. Pas met de tweede serie stellingen barstte de strijd los, omdat het Rome in haar financiële hart raakte. De theologische wereld begon pas warm te lopen toen de financiën in geding kwamen. Misschien maken de theologische kwesties niet zo heel veel uit in onze wereld, voor theologen een les om te onthouden. Luther heeft als Doctor van de Heilige Schriften in Wittenberg de universiteit opgebouwd op een vernieuwende wijze: rechtstreekse oriëntatie op de Schrift, augustiaanse, paulinische lijn en het centrale gegeven van de genade van God in Christus om niet geschonken. Bij dit alles was het wel duidelijk dat het tot een breuk moest komen met de scholastiek. Vooral Duns Scotus en Aristoteles moesten het ontgelden. ‘Ze is slechts in strijd met de genade. (…) Het is een dwaling om te zeggen dat men zonder Aristoteles geen theoloog kan worden. Veeleer kun je geen theoloog worden, tenzij je het wordt zonder Aristoteles.’ Melanchton daarentegen heeft gepleit voor een wat ‘logischere’ theologie dan die van Luther. Het is in dit verband een raadsel dat de verhoudingen tussen Luther en Melanchton zo goed bleven.

De aflaattheologie was als volgt:
Boetedoeningen zouden de echtheid van het berouw kunnen bewijzen. De aflaat zou in de plaats kunnen komen van andere klaarblijkelijke tekenen van berouw. De uitwerking van de aflaat werd groter, de vraag ernaar nog weer dringender, toen men ging verkondigen dat niet alleen tijdelijke straffen, maar ook de getermineerde straf in het vagevuur erdoor kon worden verminderd. De grote Pieterskerk te Rome moest uitgebreid en verfraaid worden. ‘Wanneer het geld in het kistje klinkt, het zieltje in de hemel springt’ (dit is geen anti-papistische uitspraak, maar een uitdrukking van de rooms-katholieken zelf). Hiertegen Luther: de genade van God is niet voor geld te koop; over de grens van de dood reikt de macht van de kerk niet meer. Luther dacht dat de aflaathandel een onkruid was dat blijkbaar gezaaid werd toen de bisschoppen sliepen. Misschien was Luther iets te optimistisch toen hij schreef dat de paus er niet van afwist. Boete is volgens Luther metanoia, bekering, die het hart raakt.

Theologisch dispuut wordt gespreksonderwerp van de dag
De 95 stellingen heeft Luther gepubliceerd om een theologisch dispuut uit te lokken. Dit is hem gelukt. Wel werden ze binnen zeer korte tijd verspreid en kwamen ze in handen van het gehele volk. Dat moet Luthers bedoeling niet geweest zijn. Hij was er niet onverdeeld gelukkig mee, omdat hij wel zag dat ze op sommige punten niet duidelijk genoeg waren. Daarom schreef hij een preek voor het volk over de aflaat, die waarschijnlijk al vrij spoedig de stellingen heeft verdrongen. In zijn toelichting spreekt Luther duidelijker dan in de eigenlijke stellingen. De vriend die Luther vergezelde bij het vastspijkeren van de stellingen was Agricola.

Het conflict
In Heidelberg
Zich bewust van de gevaren die dreigden, vertrok Luther naar Heidelberg onder de bescherming van de keurvorst Frederik de Wijze; hier vond de Heidelberser disputatie plaats. Hier verdedigde Luther de stellingen; zij bevatten eigenlijk een nieuwe theologie, ongehoord nieuw en verrassend voor velen. Luther schreef de filosofie als zelfstandige beoefening af; zoals alleen een gehuwde de boze lusten goed kan gebruiken, zo kan niemand de wijsbegeerte bedrijven, tenzij hij dwaas is geworden (=christen geworden). Luther heeft op een radicale manier afgerekend met de mogelijkheden van de mens. Het handelen van de mens wordt uitgeschakeld, hij is een slaaf van de zonde, aan de zonde onderworpen. We zouden geneigd zijn bij Luther een zekere wellust aan te nemen in het vernederen en het verootmoedigen van mensen! De mens moet aan zichzelf twijfelen om de genade te kunnen ontvangen. Maar Luther leerde geen preaparatio ad gratiam, een voorbereiding voor de genade. Het is bij hem niet zo: verootmoedig u eerst, en vraag dan eens om genade. Een christen leert in de weg van veel lijden (per passiones) God kennen. Een christen heeft nooit meer dan het achteraf nazien, waar God Zijn schreden heeft gezet. ‘Niet hij is rechtvaardig, die veel werkt, maar die zonder werk veel gelooft in Christus. De wet zegt: doe dit, en het gebeurt nooit. De genade zegt: geloof in Hem, en alles is reeds gebeurd.’

Monnikentwist?
De paus meende eerst dat hem om een monnikentwist ging, die vanzelf wel zou ophouden. Maar de Dominicanen (Luthers orde) rustten niet voordat Luther in een proces gewikkeld was, waarin hij werd verdacht van ketterij. Op 7 augustus 1518 werd Luther naar Rome uitgenodigd voor een verhoor. Luther kende de stad van een reis uit 1510. Men lachte daar de Duitse monniken uit, omdat ze zo vroom waren. Luther zei daarom: ‘Als er een hel is, dan staat Rome er op.’ Luther ging niet naar Rome. In de loop van de maand augustus werd een proces geopend tegen een heareticus declaratus, een verklaarde ketter. Één mogelijkheid was er voor Luther: herroepen. Hij behoefde niet meer verhoord te worden. Herroeping óf veroordeling.

Rijksdag van Augsburg
Op de rijksdag van Augsburg (augustus 1518) was de pauselijke legaat Cajetanus aanwezig. Hij ontving de opdracht om Luther met behulp van de wereldlijke arm in de macht en onder het oordeel van de pauselijke stoel te stellen. Mocht een en ander niet lukken, dan was hij bevoegd om Luther openlijk als ketter te excommuniceren. Hij wendde zich tot Frederik van Saksen om uitlevering van Luther. Maar de vorst stelde zich achter Luther. Intussen kwamen er allerlei politieke aspecten bij. De paus zou niet graag de steun van de keurvorst van Saksen missen. Bovendien was de grote meerderheid van het volk op de hand van Luther (hoewel er veel onkunde was, want toen aan Duitse vrouwen en meisjes gevraagd werd wat zij dachten van de Roomse stoel, antwoordden zij dat het hun niet bekend was welke stoelen er in Rome gebruikt werden!). Ook werd Tetzel, de aflaathandelaar, door Rome onder handen genomen. Hij was de oorzaak van veel ellende en het bleek dat op zijn zedelijke leven ook nogal wat viel aan te merken. Vanaf dat moment trad hij uit de openbaarheid.

Dispuut van Leipzig
Eind 1518 publiceerde Cajetanus een pauselijke bul. Luther werd een zoon van de satan, een van de duivel uitgegane zoon des verderfs genoemd. Vanaf nu gaat Luther denken over de paus in termen van de ‘antichrist’. Zijn vrienden schrokken van deze vergaande onvoorzichtigheid. Begeleid door studenten ging Luther naar het dispuut van Leipzig in augustus 1518. Hier discussieerde Luther met Johannes Eck. Hier verwierp Luther het gezag van de paus en van christelijke concilies. Eck vond dat Luther niet ontkwam aan hetzelfde oordeel als de Boheemse broeders, die een eigen kerk hadden gesticht.

Reformatie
Aan de christelijke adel van de Duitse natie
Opvallend is dat Luther juist als ‘monnik’ bekend werd. Zoals men vroeger de monniken verwenste, zo verwachtte men nu van deze ene iets groots, iets geheel nieuws. Toen het zeker was dat Karel V van Spanje keizer van het Duitse rijk zou worden, een jonge man die misschien nog niet zo bedorven was, schreef Luther zijn programma voor een alles omvattende reformatie: Aan de christelijke adel van de Duitse natie. Luther geeft hierin blijk van een grote en gedetailleerde kennis van de toestanden in Rome, in het rijk en in het gewone leven van alledag. De roomsen hebben volgens Luther drie muren met grote onbekwaamheid om zich opgetrokken: de geestelijke macht staat boven de wereldlijke, dat niemand de Schrift zou kunnen uitleggen dat de paus alleen en dat niemand een concilie kan bijeenroepen dat de paus. Luther wil deze ‘muren van Jericho’ omverwerpen: met behulp van het priesterschap aller gelovigen, met 1Kor. 14:30 en Joh. 6:45 en niet de paus, maar de wereldlijke overheid is bevoegd om een concilie bijeen te roepen. Luther geeft aan waar reformatie nodig is: in het kerkelijke, politieke, maatschappelijke, nationale en internationale leven, economisch problemen zoals rente en woeker, ijdele titels moeten afgeschaft worden, vooral in de theologie (later zouden in Wittenberg de titels weer ingevoerd worden, al was het alleen maar om de jonge mensen een beetje aan te zetten tot ijver). Luther zet het voordeel van het gezonde leven op de akker tegenover het leven in de grote stad. Hij protesteert tegen de opkomende weelde in kleding, kostbaarheden, goud en gesteente. Weg ermee!

De Babylonische gevangenschap van de kerk
Een tweede geschrift was: De Babylonische gevangenschap van de kerk. Dit werk verscheen in het Latijn. Misschien omdat hij allereerst theologen op het oog had? Of wilde hij de roomse kerk nog enigszins sparen? Het is niet meer de aflaat die bekritiseerd wordt. Het kwaad zit namelijk dieper. Luthers aanval betrof nu vooral de sacramentsleer. Hij wees niet alleen het zevental sacramenten van de hand, hij bestreed ook het feit dat de kelk aan de leken werd onthouden. Kwalijk is ook de leer van de wezensverandering, die als een geloofsuitspraak de christenen wordt opgedrongen. De kerk heeft meer dan 1200 jaren niets geweten van de transsubstantiatie; de kerkvaders wisten er niets van, totdat Aristoteles kwam, die met zijn zogenaamde filosofie de kerk verwoestte, door te spreken over wezen en bijkomstigheden. Het gevaarlijkste misverstand is echter de gedachte dat de mis een goed werk, een offerande is.

De vrijheid van een christenmens
Één van de mooiste boekjes van Luther was De vrijheid van een christenmens, het derde geschrift uit 1520. De hoofdsom van het christelijke leven is voor Luther ‘vrijheid’. ‘Een christenmens is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan; een christenmens is een dienstbare knecht van alle dingen en ieders onderdaan.’ Geloof je, dan heb je. Zoals een bruidegom zich verenigt met zijn bruid, zij hebben alles gemeen, zo heeft de ziel alles wat Christus heeft, en alles wat de ziel heeft wordt van Christus. Hier ontstaat de ‘vrolijke ruil en strijd’. Hier geldt de spreuk dat goede werken nooit een mens goed maken, maar omgekeerd. Op 10 december 1520 bevestigde Melanchton een officiële bekendmaking aan de kerk in Wittenberg. Een magister maakte een brandstapel waarop Luther de boeken van het pauselijke recht legde. De bul ging als eerste in de vlammen. Toen was de Reformatie echt een feit.

Worms, de Wartburg, Wittenberg
Politieke vraag
Met de verhandelingen op de rijksdag is Luthers zaak tot een politieke vraag geworden. Het is de vraag naar het recht van het geweten, de vraag naar het wezen van de vrijheid, zoals deze moet kunnen functioneren in het openbare leven. Sinds Worms 1521 is die vraag niet meer weg te denken uit de West-Europese politiek. Maar de vrijheid waar het bij Luther om ging, was niet de vrijheid zonder norm. Hier presenteert zich niet de autonome mens.

Edict van Worms
De jonge keizer Karel V kwam voor moeilijke vragen te staan. De paus was met zijn verkiezing niet blij en had alles gedaan om zijn rivaal, Frans I, op de troon te krijgen. Frederik de Wijze had het zover weten te krijgen dat Karel V Luther ging horen. Dit was april 1521. Onderweg bleek hoe populair Luther was. Twee vragen werden aan Luther gesteld: Zijn dit uw boeken? Wilt u de inhoud ervan herroepen of wilt u bij uw standpunt blijven? Reeds vanuit Worms was de slotvoogd van de Wartburg op de hoogte gesteld van wat er zou gebeuren. Keurvorst Frederik stemde in met het plan om Luther te laten ontvoeren, maar hij wilde zelf niets weten. Op 25 mei 1521 ondertekende de keizer het edict van Worms: de rijksban werd over Luther uitgesproken. Een ieder die hem onderdak zou verlenen of eten en drinken zou geven, zou gestraft worden.

Op de Wartburg
Luther is tot 1 maart 1522 op de Wartburg gebleven. Hij moest zijn baard laten staan en zich oefenen in de manieren van de ridders. ‘Jonker George’ werd zijn nieuwe naam. Hij had het er uitstekend wat eten en drinken betreft, maar dit zou hem bijna noodlottig worden… De verandering van spijs beviel hem niet, zijn lichaam kon er ook niet aan wennen. Luther miste zijn boeken. Alleen het Hebreeuwse Oude en het Griekse Nieuwe Testament had hij tot zijn beschikking. Hij troost zich in het begin met Psalm 89 en 37. In ruim 11 weken vertaalde hij het Nieuwe Testament in het Duits. Hij zuchtte onder de last, een betrouwbare vertaling te geven. Luther was beter met het Latijn dan met het Grieks vertrouwd. Zijn bijbelvertaling is een krachtig middel geweest, waardoor de eenheid van de Duitse taal ten zeerste bevorderd is.

Terugkeer naar het chaotische Wittenberg
Tijdens Luthers verblijf op de Wartburg namen de gebeurtenissen in Wittenberg een wending, die niemand verwacht had en die in Luthers ogen ook bijzonder gevaarlijk zou kunnen worden. Na zijn vertrek nam Karlstadt namelijk de leiding in de reformatorische beweging. Karlstadt was te radicaal. Waar Luther oog had voor de zwakken, daar dreef Karlstadt de dingen door. Al spoedig liep het uit de hand. Daarom bracht Luther in december 1521 in het geheim een bezoek aan de stad. De verhalen die hij hoorde brachten hem aan het schrikken. In plaats van de werkzaamheid van het Woord constateerde hij een eigenwillige werkzaamheid van de mensen. Luther waarschuwde de mensen ervoor zich ‘luthers’ te noemen. ‘Laat ons alle partijnamen uitdelgen en ons christen noemen.’ Luther miste in het Wittenberg van Karlstadt de christelijke liefde en de geest der zachtmoedigheid. Toen het oproer in plaats van Reformatie dreigde te worden, toen beelden werden gebroken en ruiten sneuvelden, keerde Luther definitief terug. Historici discussiëren over de vraag of niet het radicalisme van Karlstadt een directer resultaat zou hebben opgeleverd en of niet het oorspronkelijke vuur nu zijn gloed verloor. Na terugkomst preekt Luther een week lang. Al snel kon hij zeggen: ‘Toen ik sliep, of toen ik met mijn vrienden het Wittenberger bier dronk, heeft het Woord zijn werking gedaan.’ Verder zei Luther: ‘Men moet geen vernieuwing opleggen voordat het evangelie door en door gepredikt is en aangenomen.’ (Karlstadt nam de wijk naar Straatsburg en ging daar de opvatting verdedigen dat Christus in Zijn instellingswoorden ‘Dit is Mijn lichaam’ op dat moment naar Zijn lichaam verwees: een oplossing die iets de kort door de bocht is!)

Reformatie en revolutie
Boerenoorlog
De Boerenopstand is een van de meest kritieke beproevingen voor de reformatorische beweging geweest. De oorzaak daarvan was dat men ‘onder de naam van het evangelie en tegen het evangelie optreedt en handelt’. De aanleiding was als volgt: de druk op de boerenstand was vooral toegenomen van de kant van de lagere adel, die tengevolge van het opkomen van een vrij zelfstandige kapitaalmarkt in de moeilijkheden was geraakt. Belastingen rezen de pan uit. Door de boeren werd nu de tijd gunstig geacht voor een verbetering van hun sociale positie en voor het herstel van oude rechten. De boeren gaven 12 artikelen uit, waarin hun verlangens werden beschreven. Dit werd een zeer populair geschrift. Een heel belangrijk artikel was het derde, waarin de lijfeigenschap in strijd werd geacht met de christelijke vrijheid. De opstand sloeg als een storm over het hele land, onheilspellend en niet te stuiten. De gevaarlijkste fase was, toen het zich verbond met de revolutionaire apocalyptische gedachtewereld van Thomas Müntzer (op 27 mei 1525 werd deze met zijn medestrijders terechtgesteld).

Luthers mening over de boerenoorlog
Luther schreef Trouwe vermaning aan alle christenen om zich te hoeden voor oproer en opstand. Het is volgens Luther niet de taak van de overheid om zich met het evangelie bezig te houden. Er is een groot onderscheid tussen het wereldlijk en geestelijk regiment. Luther waarschuwt de vorsten dat het volk hen zal verachten als men doorgaat met de wantoestanden. Het was een appel op de vorsten om redelijk te zijn. Luther protesteerde tegen de uitspraak dat de boerenopstand een gevolg was van de lutherse leer. Wanneer de overheid slecht is, rechtvaardigt dit het optreden van de boeren niet. Niemand mag voor eigen rechter spelen. Het recht van een christen bestaat uit lijden, lijden, kruis en nog eens kruis. ‘Lieve vrienden, de christenen zijn niet zo talrijk dat ze zich in zo grote menigte kunnen verzamelen. Een christen is een zeer zeldzame vogel.’ De opsteller van de 12 artikelen is voor Luther geen rechtschapen eerlijk mens. De artikelen zijn namelijk gericht op het tijdelijke leven. Luther spoorde de vorsten aan hun roeping te verstaan en het boerengeweld te keren op de manier die bij hun roeping paste: met geweld.

Tafelgesprekken
Het was in deze onrustige tijden dat Luther in het huwelijk trad. ‘En kan ik het klaarkrijgen om zo de duivel te trotseren, dan zal ik mijn Käthe (Katharina van Bora) nog trouwen voordat ik sterf.’ Menigeen had op Luthers raad een huwelijk gesloten. Hij zelf nog niet. Samen met een monnik vertoefde Luther nog steeds in het grote klooster. Zijn huwelijk bracht een geweldige ommekeer. Zijn huis werd leefbaar gemaakt, in alle opzichten. Er kwamen studenten in huis. Zijn tafelgesprekken met hen zijn beroemd geworden!

De breuk met Erasmus
Wederzijds respect verandert in ruzie
De betekenis van Erasmus, ook voor Luther, is groot geweest. Ook al zei Luther: ‘Van Erasmus heb ik niets geleerd.’ De Rotterdams humanist heeft op vele manieren de Reformatie helpen voorbereiden en daarmee ook aan Luther een enorme dienst bewezen. Maar wanneer het om het wezen van zijn theologie gaat, om het diepste wezen ook van zijn religieuze ervaring, dan staan Luther en Erasmus geheel tegenover elkaar. ‘Ik lees onze Erasmus en bij de dag vermindert mijn animo jegens hem. (…) De menselijke dingen stonden bij hem hoger genoteerd, dan de goddelijke.’ De houding van Erasmus tegenover Luther was vanaf het begin sympathiek geweest. Luther had goede ideeën. Maar hij ging wat te ver in zijn kritiek. Hij moest zich matigen. Erasmus nam het op voor Luther in de kwestie van de aflaat. Luther miste in Erasmus iets van de eerbied voor de genade en daarom had de spot van Erasmus hem iets, dat net te ver ging: zo spot men niet met heilige dingen (maar was Luthers spot anders?).

Erasmus geschokt door Luthers stelligheid
Luther vond dat de vrije wil een ijdele titel was, eenvoudigweg niets voorstelde. Dit schokte Erasmus. Zij nam de verantwoordelijkheid van de mens geheel en al weg. Zij liet geen ruimte voor de ontplooiing van een rechtschapen zedelijk leven. Zij maakt God tot een oorzaak van de zonde. Luther daarentegen: ‘Wie verloochent meer de Christus, dan wie aan Zijn genade te weinig en aan de vrije wil te veel toeschrijft? (…) Ik zou wel willen dat het woordje “vrije wil” nooit was uitgevonden. Het staat ook niet in de Bijbel.’

Luthers afkeer van alle werkheiligheid
Melanchton stuurde Erasmus een bemoedigende brief: zijn boek De libero arbitrio Diatribe was in Wittenberg goed ontvangen. Echter, Luther dacht er heel anders over. Luther uitte zich in zeer stellige taal, en dat mocht volgens Luther, wil hij tenminste een christen zijn. ‘De mens heeft een vrije wil in de dingen die onder hem liggen en niet in dingen die boven hem staan.’ In deze zaken is de mens een gevangene, een gebondene, iemand die onderworpen is, aan de wil van God of aan die van de satan. Hier gebruikt Luther het bekende beeld van de rijdier: Hij is in het midden geplaatst, ‘alsof het een rijdier is. Als God er op zit wil hij en gaat hij, waarheen God wil.’ En andersom. Een belangrijk motief van Luther is de volstrekte afwijzing van elke vorm van werkheiligheid. Een graag door Luther gehanteerde paradox was: wanneer God ons levend maakt, doodt Hij ons; als Hij ons opwekt, brengt Hij ons eerst in het graf.

Luther en Zwingli
Zwingli een geestdrijver?
De grote strijd over de betekenis van het avondmaal heeft het protestantisme voorgoed verdeeld in een luthers en een zwingliaans (later calvinistisch/gereformeerd) kamp. Een gemeenschappelijk standpunt was er in de afwijzing van de transsubstantiatieleer. Zwingli had de oplossing van de Nederlander Cornelis Hoen aangegrepen om ‘Dit is Mijn lichaam’ op te vatten als ‘Dit betekent Mijn lichaam’. Zwingli werd door deze keuze door Luther ingedeeld bij de ’Schwärmer’, de geestdrijvers! Wat Zwingli probeerde te zeggen, vanuit het werk van de Geest, was voor Luther dweperij. Hijzelf dacht meer vanuit het werk van Christus.

Omstandigheden nopen tot een godsdienstgesprek
Luthers verweer was uiteindelijk fel te noemen. Hij vond Zwingli gevaarlijker dan alle andere dwepers. Filips van Hessen vond het nodig om de partijen te verzoenen. Daarom kwam er het gesprek te Marburg (1529). De rijkdag van dat jaar dwong de protestanten naar elkaar toe. Er zou een sterk verbond van evangelische vorsten tot stand gebracht moeten worden, want de Reformatie werd in haar bestaan bedreigd. Er zou een coalitie tot stand moeten komen van het Noorden uit dwars door Europa, waardoor de keizerlijke gebieden geïsoleerd zouden moeten worden. Maar het standpunt van Luther tegenover de overheid liet deze ‘dromerijen’ niet toe. Bovendien zou een religieus compromis voor hem onverdraaglijk zijn.

Tragisch gesprek
Het ‘vriendelijke gesprek’ begon op 1 oktober 1529. De sfeer was goed, er vielen geen harde woorden en niemand werd voor ketter uitgemaakt. Maar de standpunten stonden tegenover elkaar. Gaandeweg onderging men elkaars invloed en was er sprake van een lichte toenadering. Toen Luther tenslotte in 15 punten de belijdenis samenvatte, was men het op 14 punten eens! Alleen het ene punt van het avondmaal bleef de gemoederen verdeeld houden. Men moet Luther op zichzelf respecteren dat hij in zaken van het geloof niet marchandeerde. Maar hoe anders zou de geschiedenis verlopen zijn als ze elkaar hadden gevonden! Zwingli sprak met tranen in zijn ogen uit: ‘Er zijn geen mensen op aarde, met wie ik het liever eens wilde zijn, dan met de Wittenbergers.’ Maar Luther was niet van zijn visie af te brengen. Toen Bucer het woord ‘broeders’ in de mond nam, zei Luther: ‘Niets geen gebroeder’. En zo ging men uiteen. Tragisch: als vrienden, maar niet als broeders. En: voor de duidelijkheid verklaarde Luther dat men deze christelijke liefde moest opvatten als de liefde die men ook aan vijanden schuldig is… In 1531 sneuvelde Zwingli op het slagveld. ‘Hij kwam regelrecht onder Gods oordeel’, meende Luther! Bucer zei: ‘Luther is een groot man, en aan een groot man moest men wel eens wat vergeven.’ Bullinger zag zich geplaatst voor de weinig vruchtbare taak om de erfenis van Zwingli te beheren, van iemand die dus in het midden van zijn leven, maar ook in het midden van zijn ontwikkeling was weggerukt.

De Wittenbergse Concordia
Op 29 mei 1536 werd een stuk ondertekend (de Wittenbergse Concordia), waarin werd uitgesproken dat met brood en wijn in het sacrament waarachtig en wezenlijk het lichaam en het bloed van Christus aanwezig is, wordt aangeboden en ontvangen. Het lichaam is niet ruimtelijk in het brood ingesloten en het blijft niet zonder het gebruik van het sacrament ermee verbonden. Het is echter, wanneer het brood wordt aangereikt tegelijk aanwezig en het wordt waarachtig aangeboden. Ondertekend door Bucer en Luther. Het heeft in Zwitserland echter weinig geholpen. In Straatsburg heeft zij gewerkt ter voorbereiding van een volledige lutheranisering meteen na het vertrek van Bucer in 1549. In Zuid-Duitsland heeft ze alle gebieden, die voordien op Zwingli georiënteerd waren, verbonden aan Wittenberg en onder de kracht van de Augsburgse Confessie gebracht.

De opbouw van het kerkelijke leven
Vacuüm
Er ontstond kerkelijk gezien een vacuüm. Het heeft een tijd geduurd voor zich de behoefte aan een strak geordende kerkelijke samenleving deed gevoelen. En het is zelfs de vraag of er rechtstreeks vanuit de prediking van de rechtvaardiging van de zondaar om niet wel een lijn naar het kerkrecht zou kunnen worden getrokken. Immers, door het geloof komt iedere gelovige en een rechtstreekse relatie met God in Christus. Alles spreekt hier van onmiddellijkheid, spontaniteit, die zich door geen regels laat leiden. De geestelijke kerk leeft voornamelijk als verborgen kerk (ecclesia abscondita). Zij kon door uiterlijk recht niet worden benaderd. Uiterlijke zaken, ook die van de geestelijkheid, vielen onder het wereldlijk recht. Het hele probleem concentreert zich nu op de vraag hoe de verhouding is tussen de zichtbare en de onzichtbare kerk.

De mensen er niet voor
Luther wilde kerkelijke tucht, maar hij moest dit loslaten, want: ‘Ik heb de mensen er niet voor’. Luther had wel een ideaal, maar dat was niet realiseerbaar. Wat hij zag als een vrije aaneensluiting van vrije kerken is niet tot stand gekomen. In de plaats daarvan kwam het ‘Landesherrliche Kirchenregiment’, een vorm van kerkelijke regering waarbij de landsvorst de leiding nam. De drie hoofdoorzaken: Luther had er dus de mensen niet voor, namelijk voor een gemeente van hen die ‘met ernst christen wilden zijn’. De chaos die door de boerenopstand was ontstaan; boeren hadden eigen predikers verkozen. Het algemene streven dat zich in heel Duitsland voordeed, namelijk dat de verschillende territoria zichzelf probeerden te versterken, tegenover de steden, boeren en rijksoverheid. Wat in 1555 werd uitgesproken (cuius regio, eius religio), was reeds in de gedachten.

Melanchton heeft geen hoge dunk van de evangelische predikanten
Hertog Johan Friedrich van Saksen begon met het verrichten van visitaties. Tal van predikers bleken verkeerde opvattingen te verbreiden. Deze nood vereiste krachtige maatregelen. Luther stelde voor het land in een aantal gebieden te verdelen en er zou een instructie moeten komen. Melanchton kwam met een handleiding voor predikanten waarin hij kritisch was over het feit dat predikanten te spoedig met de blijde boodschap aankwamen, zonder dat er sprake was van verootmoediging en waar berouw. Melanchton wilde een stevige prediking van de wet vooraf. Echter, Luther vond niet dat men predikanten moest voorschrijven hoe te preken. Men moest geduld hebben.

Landesherrliche Kirchenregiment
Essentie was dat wat de bisschoppen hadden verzuimd, nu ter hand werd genomen door de wereldlijke vorst. Hoe fundeerde Luther dit? Hij vond dat het niet de taak van de overheid mag zijn om te leren en geestelijk te regeren, als wereldlijke overheid is zij wél verplicht om tweedracht, sekten en muiterijen tegen te gaan. Zo heeft Luther de weg vrijgemaakt voor een vorm van kerkelijke organisatie die tot in 1918 de heersende zou zijn in Duitsland: kerkelijk bestuur door de landvorst. Er kwam een regionale, bisschoppelijke kerk in dienst van de prediking van de rechtvaardiging door het geloof alleen; een kerk waarin de overheid een deel van de bisschopstaak overnam. Het staat vast dat Luthers oorspronkelijke ideaal niet in deze richting ging.

Onderwijs
Het onderricht van het volk was het belangrijkste. Christelijke scholen vond Luther noodzaak. Ook als reactie op Erasmus die beweerde dat de Reformatie het einde van de werkelijke beschaving zou betekenen. Luther vond dat, als de magistraten zoveel geld uitgaven voor kanonnen, wegen, stegen en dammen, ze ook wel geld moesten hebben voor de behoeftige, arme jeugd. Helemaal omdat het geld dat vroeger werd uitgegeven aan zaken als missen en aflaten vrij was gekomen. Luther pleitte ook voor een grote waardering van het Grieks en Hebreeuws: het zijn heilige talen. Hij heeft er lang over getwijfeld of hij de hele eredienst wil in het Duits zou inrichten. Thomas Müntzer was hem in 1523 in Allstedt voorgegaan, maar juist deze persoon maakte Luther huiverig. Er moet gepreekt worden. Luther zou het liever niet meer doen, omdat hij de ondankbaarheid van het volk meer dan moe is. ‘Maar er is een man, die heet Jezus Christus, en die zegt er neen tegen.’

Avondmaal, kerklied en catechismus
Ieder zondag werd er driemaal gepreekt. In Wittenberg waren er veel minder liturgische vernieuwingen als in Zürich en Straatsburg. Luther had er ook geen bezwaar tegen het woord ‘mis’ te blijven gebruiken. Hij beschouwde het avondmaal als hoogtepunt dat iedere zondag gevierd werd. Van grote betekenis was Luther voor het kerklied. Ook daarin was Müntzer hem voorgegaan. Luther beschikte over grote gaven op dit gebied. Hij kon goed dichten en vervaardigde uitstekende melodieën. De vrije weergave van Psalm 46 is wel het bekendst: Een vaste burcht is onze God. Luther zag ook de noodzaak in van een goede catechismus. Er kwam een grote catechismus voor predikanten, onderwijzers, huisvaders en voor wie zich maar in het geloof wilde verdiepen. De kleine catechismus was speciaal bedoeld voor de jeugd. Beide catechismi kwamen uit het jaar 1529.

Blijvende strijd
Rijksdag van Augsburg
De belangrijke rijksdag van Augsburg (1530) heeft Luther niet zelf kunnen bijwonen, want de rijksban gold nog steeds voor hem. Hij nam zijn intrek op de Coburg. Een bode had van Augsburg naar Coburg drie tot vijf dagen nodig. Toen Luther op 11 mei het ontwerp van de Augsburgse Confessie las, schreef hij aan Melanchton terug: ‘Ze bevalt me aardig, ik weet er niets aan te verbeteren, noch te veranderen.’ De artikelen waren zo geschreven dat de rooms-katholieke theologen ze ook hadden kunnen ondertekenen, wanneer ze voorbij hadden gezien, dat er expres niet over de transsubstantiatie werd gesproken. Het moest duidelijk maken dat de luthersen niets te maken hadden met de dopersen en zwinglianen. De grote tegenstelling met de rooms-katholieke kerk werd verdoezeld. Luther sprak later over deze confessie uit dat er meer dan genoeg in was toegegeven. In haar ireniciteit was de Augustana groot, in haar bedekken van de betwiste punten evenzeer.

Luther op de Coburg
Maar dit alles mocht niet baten. De rijksdag gaf geen vrijheid voor het evangelie. Landgraaf Filips beklaagde zich bij Luther over de toegeeflijkheid van Melanchton. Toen Luther hoorde van de uitkomst, schreef hij met grote letters op de muren van zijn kamer in de Coburg: ‘Ik zal niet sterven, maar leven, en de werken des Heeren verkondigen.’ Nu vind Luther verzet geoorloofd. Wanneer de keizer door de paus bedrogen wordt, strijden we niet tegen hem, maar tegen de paus. De evangelische vorsten verbonden zich samen, om op het geweld van de keizer te kunnen antwoorden. In 1531 werd de Schmalkaldische Bond opgericht, een machtsgroep, die de keizer tot voorzichtigheid maande. Onder de indruk van de gebeurtenissen in Augsburg voltrok zich een verandering, ook in het denken van Luther. Luther zag dat zijn conceptie van de twee-rijkenleer ontoereikend bleek. Lijdelijke gehoorzaamheid is niet genoeg. Noem het noodweer, zei Luther, maar als de keizer het evangelie verbiedt, mag men hem niet gehoorzamen.

Grof, brutaal, ruw en wild
In toenemende mate heeft Luther toegegeven aan een trek in zijn karakter die niet zo sympathiek is. Hij kon buitengewoon grof zijn, er op uit, zo lijkt het wel, om te beledigen en te vernederen. Hij kon zich in zijn schelden zo radicaal laten gaan en hij scheen zich daarin zo geheel en al te kunnen uitleven, dat het ons een raadsel lijkt, hoe dit te rijmen is met het evangelie zelf. Naarmate hij ouder werd, scheen het zelfs erger te worden, steeds erger. Zijn tafelgesprekken worden in de meeste gevallen slechts in een bloemlezing uitgegeven, en dit geschiedt niet alleen omdat de hoeveelheid materiaal zo overstelpend groot is, het gebeurt ook, omdat er soms een taal wordt gebezigd, waarover menigeen de wenkbrauwen optrekt. Iemand zegt: ‘…zo grof, brutaal, ruw en wild (…) Voor het doel van zijn polemiek heeft hij een dierentuin aangelegd, waarin hij zijn tegenstanders zonder genade opsluit (…) Zwijnen, ezels, wolven, beren, bokken, honden, apen, schapen, ossen, koeien (…) Zelfs op de kansel spreekt hij een taal, die ons vreemd is.’

Anti-semitisme?
Hoewel Luther vaak ziek was, heeft hij een onvoorstelbare productiviteit aan de dag gelegd. Luther had veel last van geprikkeldheid en slapeloosheid. Het is echter niet zo, dat we de geweldige ruwheid en hardheid in Luthers geschriften alleen moeten toeschrijven aan een geprikkeldheid. Daarvoor zijn de zaken te ernstig. Over de Joden en hun leugens (1543) is niet fraai, om het zacht uit te drukken. Luther liet zich zo vernietigend uit over de Joden, dat in de tijd van het derde Rijk zijn geschriften de Nazi’s inspireerden tot hun gruweldaden. Luther kan de lasteringen van de rabbi’s tegen Christus niet meer verdragen. Hun gruweldaden schreien ten hemel. Ze zeggen dat wij hen gevangen houden, maar het is veeleer omgekeerd. De Joden houden ons met hun luidheid en woeker gevangen en laten ons werken in het zweet van ons aanschijn. Concrete voorstellen doet Luther: de synagogen moeten verbrand worden, hun huizen vernield, hun religieuze boeken moeten ze inleveren, de rabbijnen mogen niet meer leren, hun handel moet verboden worden, de woeker moet hun ontzegd worden en ze moeten hun geld inleveren, terwijl jonge sterke Joden en Jodinnen aan het werk gezet moeten worden. Niets vergoelijkt wat Luther heeft geschreven. Het komt ons harder dan hard over. En toch moeten ze op een of andere manier in verband gebracht worden met het hart van zijn theologie, dat is met de diepste overtuiging van rechtvaardiging uit het geloof alleen.

Wir sind pettlers; hoc est verum
Aan het einde van zijn leven was Luther als een bedelaar. Van vertwijfeling was geen sprake. Hij stierf uiteindelijk op doorreis, net toen hij in zijn geboorteplaats Eisleben was (18 februari 1546). Zijn laatste preek was over het slot van Matth. 11: over de wereldse wijsheid en de wijsheid die aan de kinderen is geopenbaard. Spoedig na zijn sterven deden de vreemdste geruchten de ronde, die er alle op moesten wijzen dat Luther een verloren man moest zijn. Na Luthers sterven vond men op zijn schrijftafel een klein briefje met Latijnse aantekeningen:

Vijf jaren zijn genoeg om het boerenbedrijf te leren. Vijfentwintig jaren om thuis te raken in staatszaken. Maar honderd jaren moet de kerk geleid hebben, wie de bijbel waarlijk wil verstaan! Wij zijn bedelaars. Dat is waar.

Theologie der belofte
Geen systemen
Luther heeft geen theologisch systeem nagelaten. Hij was zeer negatief over de filosofie. Hij is een groot theoloog geweest. Hij kon de dingen haarfijn analyseren. In Luthers theologie gaat het om de kennis van God en van de mens. Hiermee schermt hij zich af van de filosofie. We moeten niet spreken van een absolutie God, maar van de God zoals Hij in Zijn Woord en beloften naar ons toekomt. Wij kennen God slechts in Christus. Luther plaatst de theologie van het kruis tegenover de theologie van de heerlijkheid (met haar uitgesponnen gedachtenconstructies over het wezen van God). Er is vanuit de mens geen weg naar God. Het is omgekeerd. Het geloof is een stellige zekerheid, een vast vertrouwen, een innige relatie met Christus. Het kruis is de weg waarin wij God leren kennen. Aan dit kruis gaat onze hoogmoed, ons optimisme te gronde. Al onze eigen kennis is hier onkunde. ‘Wanneer je meent heel wat geschreven te hebben, trek jezelf dan goed aan de oren. Je zult merken dat het ezelsoren zijn.’

Ontwikkeling in zijn denken
Luther koesterde grote bewondering voor een Duitse mysticus: Johannes Tauler, hoewel Luthers oordeel over mystiek toch overwegend negatief is. Het is vooral Von Staupitz geweest, die Luther heeft geholpen om de theologie te zien als troostende wetenschap van het kruis. Hij was een geestelijk vader voor hem. Luther groeide steeds meer toe naar een bewustere oriëntatie op het objectieve Woord als heilsmiddel, als belofte van God, die ons wordt toegesproken. Na 1517 komt er meer nadruk op Gods belofte te liggen. God heeft nooit anders met mensen gehandeld dan door middel van het Woord der belofte. En wij kunnen nooit anders met God handelen, dan door het geloof in dit beloftewoord: wij mogen God aan Zijn Woord houden. Theologie heeft maar één onderwerp: God en mens in hun onderlinge relatie. Luther stelt aan de theoloog bijzonder eisen: gebed, meditatie en aanvechting. Dat laatste is noodzakelijk om Gods Woord te verstaan. De duivel maakt ons zo tot een echte Doctor, een echte theoloog.

Verkiezing en belofte
Het vreemde werk van God
God openbaart Zichzelf. Maar Hij doet dit zo dat deze openbaring tegelijkertijd iets laat zien van Zijn ondoorgrondelijk wezen. Hij blijft ook in Zijn openbaring de Ondoorgrondelijke. Deze verborgenheid betreft de verborgenheid van Zijn handelen. Als God ons levend maakt, dan doodt Hij ons en als Hij ons wil troosten, laat Hij alle angsten en benauwdheden over ons komen. Dit is het vreemde werk van God. Niemand heeft er voordeel van God te zien in Zijn heerlijkheid zonder Hem te zien in Zijn nederigheid en schande, namelijk het kruis. In het kruis is de hoogste, de allerlaatste en meest volledige openbaring van God.

De predestinatie
Wij hebben alleen te maken met de gepredikte God, met God voorzover we Hem krachtens Zijn zelfopenbaring kennen. We hebben niets te doen met de in Zijn majesteit verborgen God. God wíl niet de dood van de zondaar. Dit geldt Zijn wil gelijk deze gepredikt wordt. Daarbij moeten we blijven! De oerzonde is om als God te willen zijn, om niet tevreden te zijn met de kennis waarmee God ons gezegend heeft. Luther wijst bijzonder stellig alle onderzoek van God buiten Zijn openbaring af als duivels. Luthers meest felle aanvechtingen betroffen de vraag of hij wel uitverkoren was. Maar God is niet uit de hemel gekomen om ons zeker te maken omtrent de predestinatie. Luther heeft nooit aan de predestinatie getwijfeld. Melanchton heeft, om de twijfel weg te nemen, de zaak min of meer losgelaten. Luther onderscheidt drie stadia in de tekenen van de verkiezing: men schikt in de wil van God in de hoop verkoren te zijn; men is bereid zich in die wil te schikken, ook wanneer God hem niet zou redden; men schikt zich werkelijk naar de wil van God voor een hellevaart (dit stadium is het hoogste).

Christus alleen en geen andere God
Het hart van de theologie
In het hervormingslied staat de zin: ‘Er heist Jhesu Christ, der Herr Zeboath, und ist kein ander Gott’. Alleen in Christus leren we God kennen. Wie God wil zoeken buiten Christus vergist zich. Luther geeft zo de christologie op een heel bijzondere manier een plaats in zijn theologie. Zij vormt er in zekere zin het hart van. Luther heeft niet getornd aan het oud-christelijk dogma. We kunnen slechts weten wie Christus is wanneer we weten wie Hij voor ons is. Het geloof van Christus (fides Christi) houdt in het vertrouwen op Hem. Op een bepaalde manier worden de zaken in elkaar geschoven: Christus en de Zijnen. Wat met Christus gebeurt, gebeurt met al de Zijnen. De grote vraag die in de avondmaalsstrijd naar voren zou komen is, of Luther de ware menselijkheid van Christus zou kunnen vasthouden. Melanchton zei dat Christus kennen, is Zijn weldaden kennen en niet Zijn naturen aanschouwen.

Mijn geweten is gevangen in het Woord van God
Tegen de geestdrijvers
‘Het geweten is iets, dat groter is dan hemel en aarde. Het wordt door de zonde gedood en opgewekt door het Woord van Christus.’ Voor Luther is het geweten de plaats waar eeuwige beslissingen vallen. Tegenover het objectieve en massieve beroep van Rome op het gezag van de kerk plaatst Luther het beroep op het Woord. Maar hij nam dezelfde dwaling bij de geestdrijvers waar. Hun beroep op de Geest deed op gelijke wijze afbreuk aan de Schrift. Luther heeft in zijn verzet tegen de geestdrijvers vooral hun wetticisme ontmaskerd. Hun beroep op passages uit het Oude Testament heeft hij afgewezen. ‘Men moet de geschiedenissen lezen, zoals in Hebr. 13:7 staat: Zie hun einde en volg hun geloof na. Er staat niet: doe als zij.’ Wat Luther verontrust is dat de geestdrijvers geen rekening houden met de onbetrouwbaarheid van het menselijke hart. ‘Wanneer Müntzer een droom had, dan was het van de Geest.’ Het Woord wordt bij Luther het heilsmiddel bij uitstek.

Schriftverklaring
De Schrift heeft haar gezag in zichzelf. Sacra Scriptura sui ipsius interpres. In de Middeleeuwen was er een vierderlei Schriftzin: de tropologische verklaring gebruikt Luther vooral in het begin veel (op het spoor komen wat de tekst inhoudt voor de mens in zijn relatie met Christus). De allegorische uitleg gebruikte Luther veelvuldig. Het begrippenpaar wet en evangelie legt Luther als schema op heel de Schrift. Wij dienen de Christus in het Oude Testament te zoeken. Met het gezegde ‘Was Christum treibet’ stond Luther kritisch tegenover sommige bijbelboeken. Bullinger zegt dat de prediking van Gods Woord het Woord van God zelf is: Praedicatio verbi Dei est verbum Dei. Voor Luther ligt het vooral andersom: het Woord van God is bij uitstek het gepredikte Woord.

Kerk en ambt
Kenmerken van de kerk
‘Een kind van zeven jaar weet, Gode zij dankt, wat de kerk is, namelijk de heilige gelovigen en “de schaapjes die de stem van hun herder horen” (…) De heiligheid van de kerk bestaat niet in koorhemden, kappen, lange rokken en andere ceremoniën, maar in het Woord van God. (…) De kerk is verborgen, de heiligen gaan schuil.’ Dit laatste gebruikt Luther tegen Erasmus, die zei dat de kerk zo vele eeuwen in het duister zou hebben geleefd wanneer Luther met zijn opvatting van de genade gelijk had. In zeven kenmerken kan men de kerk kennen: het geloof in Christus, de doop, het sacrament van het altaar, het gebruik van de sleutelen, de ambten, openlijke gebeden, lof- en dankzegging en de heelmiddel van het heilige kruis.

Accent op het ambt van dienaar des Woords
‘Wanneer men een prediker hoort, hoort men God zelf. Maar ook wanneer broeders onder elkaar zich vertroosten, is dat Gods wil en Woord.’ De kracht van de kerk ligt in de belofte. Bij Luther komen de accenten steeds meer te liggen bij het ambt van dienaar van het Woord. Het ambt van ouderling was slechts in een beperkt gebied een kort leven beschoren. Het zou een typische eigenaardigheid van de gereformeerde (calvinistische) traditie worden. Toen het ambt van bisschop (als soort visitator) ingesteld was, had het ambt van ouderling geen enkele kans meer. De lutherse kerk is een semi-bisschoppelijke landskerk geworden, tegen de strikte scheiding van de twee rijken van Luther in.

De rechtvaardiging door het geloof
Hermeneutische sleutel
‘Wanneer dit artikel staat, staat de kerk en wanneer het ten onder gaat, gaat de kerk ten onder.’ Belofte en geloof horen bij elkaar: waar die twee elkaar ontmoeten, daar geschiedt het wonder van de vergeving. Luthers bekende uitspraak is: ‘Tegelijk zondaar en rechtvaardige’. Luther gebruikt het voorbeeld van een patiënt. Hij is tegelijk gezond en ziek. Ziek in werkelijkheid, maar gezond in de belofte als hij de goede medicijnen gebruikt. Luther vindt dat de Middeleeuwse theologen nooit indringend genoeg over zonde en genade gesproken hebben. Luther vond de hermeneutische sleutel in wet en evangelie. De wet kan geen harten veranderen. De wet brengt niet de vrijspraak. Het geestelijk karakter van de wet wordt eerst dan duidelijk, wanneer zij ons aan onze vleselijkheid en aan onze schuld ontdekt. Het evangelie gaat tegen de wet in. Waar de wet de mens treft in het geweten, daar zal het evangelie tegen de wet in en tegen het geweten in, geloofd moeten worden. Zo werkt God door de wet Zijn opus alienum, Zijn vreemde werk om tot Zijn opus proprium te komen, Zijn meest eigenlijke werk. Door de wet is de kennis der zonde. De ware boete maakt ruimte voor het evangelie.

Geloof
Geloof betekent niets anders dan luisteren naar het evangelie tegen de wet in. Het kan zelfs betekenen: luisteren naar de belofte ondanks het ‘Nee’ van God of Christus Zelf. Luther onderscheidt het verworven of historische geloof en het door Paulus bedoelde geloof. Het eigenlijke van het ware geloof is dat het ‘voor mij’ is. ‘De vertwijfeling aan de barmhartigheid Gods is de allerhoogste en onvergeeflijke zonde, wanneer de genade iemand niet op het juiste ogenblik zou terugroepen.’

Geloof en ervaring
De Psalmen
Luthers theologie is zonder zijn eigen ervaring niet te denken. Maar de theologie van Luther is geen ervaringstheologie in die zin, dat de ervaring van de gelovige mens de grond of ook maar het voorwerp van het geloof uitmaakt. Luther is niet de theoloog van ervaring, maar met ervaring. Luther vond zich in het bijzonder tot de Psalmen aangetrokken, met al haar affecten: lijden, verwarring, droefheid, blijdschap, vrees, hoop, liefde, haat, begeerte. De ervaring gaf hem een bijzondere sleutel tot het verstaan van de Psalmen. Zijn monniksideaal bracht hem ertoe grote nadruk te leggen op de humilitas, de ootmoed, of nederigheid. Maar nederigheid is geen verdienste meer. De christologische verklaring van het OT is vrijwel van meetaf karakteristiek voor Luther geweest.

Het heil buiten ons, tegen alles in
Het heil ligt buiten ons. Extra nos: buiten onszelf in Christus alleen ligt het heil. Vier schakels zijn er in Luthers belangstelling voor het boek van de Psalmen: herkenning van de ervaringen van de bijbelschrijver, de nederigheid, het lijden van Christus en de echte bevrijding, waardoor de dingen radicaal buiten onszelf komen te liggen, in Christus, ‘voor ons’, pro nobis. Door het geloof alleen. Zonder en desnoods tegen alle eigen ervaringen in. Het is buiten onszelf, alleen in God (nos extra nos in solo deo). Een radicalere tegenstelling tussen geloof en ervaring laat zich moeilijk denken. De belofte van God in Christus staat buiten ons. ‘Een christen is een held, die met louter onmogelijke zaken omgaat.’ En tegen Erasmus: ‘God heeft mijn zaligheid buiten mijn wil geplaatst in de Zijne.’

Beleving
‘Een christelijk leven bestaat geheel en al in de oefening en ervaring van de dingen.’ De ervaring staat tegenover de bespiegeling (speculatio), de overweging (cogitatio) en tegenover het produceren van woorden (verba facere). Aan de ene kant staan: bespiegelen, begrijpen, overwegen, inzicht, natuurlijk vestand, woorden en letters, aan de andere kant: het nuttig gebruik, de zaak, het leven, de praktijk, het gevoel in het hart of in het geweten, ervaring, gevaar, dood, verwarring van het geweten, aanvechting. De woorden kunnen gemakkelijk gesproken worden, de zaak moet geleerd worden. De zekerheid van het heil ligt enkel in de belofte van het evangelie, daar moet het worden gezocht, anders is de zekerheid niets anders dan een soort van valse gerustheid. Luther maakt een onderscheid tussen securitas (sine cura: zonder zorg zijn) en certitudo.

Geloof en aanvechting
De duivel als werkelijke aanvechting
Het gaat te ver om te zeggen dat Luthers theologie uit de aanvechting geboren is, maar men zou haar niet zonder deze kunnen verklaren. Sinds de Verlichting is de theologie permanent bezig om de aanvechtingen te elimineren, de ergernissen weg te nemen en een gladgepolijste oplossing aan te bieden voor alle dingen die ons zouden kunnen hinderen. Bij Luther is de aanvechting een integrerend bestanddeel van het christelijk leven. Luther ervoer de aanvechtingen als werkelijke bestrijdingen van de duivel. De duivel wordt een macht, die Luther werkelijk te lijf moet gaan. Hoe kun je nu weten dat een aanvechting van God of van de duivel is? Luther noemt zes verschrikkingen op waarmee de duivel de gelovige overvalt: hij wijst ons op de boosheid van ons leven. Hij bespot ons daarover. Hij neemt woorden uit de Schrift in de mond die hij de gelovige voorhoudt. Hij misbruikt het evangelie, om zelfs de allersterksten van Christus af te trekken. Hij maakt ons wijs dat Christus alleen voor de uitverkorenen er is. De predestinatie

De duivel onder God
De duivel is een expert geworden door de eeuwenlange ervaring aan het verzoeken van mensen. De duivel heeft nauwkeurig bijgehouden waar en wanneer het hem gelukt is, waar hij gefaald heeft: ‘Hij heeft een grote kroniek in zijn bibliotheek.’ Voor Luther werkt de duivel in opdracht van God, de duivel echter misbruikt die opdracht en geeft zichzelf uit voor auteur. Luthers opvatting omtrent de alwerkzaamheid van God laat niet toe aan de duivel een geheel zelfstandige plaats te geven. De duivel is een keizer die onder zich heren en grote en machtige jonkers heeft. De duivel speelt in alles God na. Moet heel de schepping de macht van God openbaren, de duivel heerst er bijna onbeperkt. De duivel is meester om van een luis een kameel te maken en iemand met de allerkleinste en zelfs met ingebeelde zonden te plagen.

Geloof en liefde
Heiliging
Een goed werk kan alleen gedaan worden als het leven goed is. Daarom kan de molenaarsdochter meer goed doen wanneer zij de zak van de ezel neemt, dan alle monniken bij elkaar die dag en nacht zingen. Goede werken moest men doen, maar men mag alleen op Christus vertrouwen. Wie van het geloof een habitus, een hebbelijkheid maakt, is niet meer in staat om goed over de werken te spreken. Maar wie op God vertrouwt ontvangt met het geloof ook de liefde, vrede, vreugde en hoop. Luther heeft zo de leer van de rechtvaardiging veilig gesteld, maar laat rechtvaardiging en heiliging naast elkaar staan. Heeft Luther met zijn simul iustus et peccator de heiliging niet volkomen weggedrukt? We moeten rekening houden met zijn sterke manier van uitdrukken en de absolute prioriteit van de genade. Christus is voor God gemaakt tot zonde: summum, maximum et solum peccatum. En tegelijk is Christus voor de Zijnen gerechtigheid: summa, maxima et sola iustitia.

Staan blijven is achteruitgaan
Er is sprake van voortgang (profectio). Luther kan over het geloof spreken in de zin van een meer en meer geloven. Staan blijven betekent achteruitgaan. Voorwaarts gaan betekent altijd opnieuw beginnen. Bernhard van Clairvaux: ‘Wanneer je niet beter zou willen worden, zul je ophouden goed te zijn.’ Het zijn voornamelijk de ‘Schwärmer’ geweest die met hun legalistische beroep op Mozes op een wonderlijke manier samengaand met hun beroep op de Geest, Luther voorzichtig hebben gemaakt in zijn spreken over de wet. Agricola vond dat over de wet alleen in de sfeer van de overheid gesproken mag worden. In de kerk diende slechts gesproken te worden over de rijkdom van de genade. Luther heeft altijd ook over de wet gesproken voor het leven ná de rechtvaardiging.

Geloof en aanvechting
Huwelijk met het oog op de wederkomst
Luthers toekomstverwachting is door het geloof bepaald. Maar zij openbaart zich in de hoop. Luthers trouwdag stond in het teken van de wederkomst. Hij meende dat de jongste dag nabij was en meende voordien nog een duidelijk teken te moeten stellen van zijn volstrekte reformatorische gezindheid door in het huwelijk te treden. De heiligen zijn in werkelijkheid zondaren (in re), in hoop zijn ze rechtvaardig (in spe). Wie wanhoopt zegt tegen God in Zijn gezicht: ‘Gij zijt geen God’. Luther was met zijn tijdgenoten vertrouwd met het sterven. Luther heeft in de eenzaamheid van het sterven niet de eigenlijke verschrikking van de dood gezien. Die lag voor hem in het oordeel van God, in de toorn van God, waarvan de dood de uitdrukking is. Zonde, dood en duivel noemt Luther vaak in één adem, samen met de wet van God. Zo wordt duidelijk dat de dood niet een natuurgebeuren is, hoewel velen in Luthers tijd op die manier over de dood spraken.

Rome als antichrist
Als God onze God is, dan geldt dit ook door de dood heen. God is niet een God van doden, maar van levenden. ‘Dood, ik heb niets meer met je te maken, want ik heb een andere dood, die jou, mijn dood, doodt. En de dodende dood is sterker dan de gedode.’ Luther spreekt over de toestand na het sterven als over een slapen in de belofte van God. Luther laat de opvattingen omtrent de verblijfplaats van de ziel, zoals de Middeleeuwen die kende, voor wat ze zijn. Het zijn ijdele en zinledige kwesties voor hem. Het menselijk verstand schiet beslist te kort. Luther heeft met behulp van het laatste bijbelboek vooral de theorie van het roomse verval geïllustreerd. In Rome woont de antichrist. Luther heeft niet geaarzeld om dit steeds luider te verkondigen. En vooral in zijn activiteiten zag Luther een aanwijzing van de verhaasting der dingen naar een spoedig einde. ‘Door het leven, ja door het sterven en de veroordeling wordt men een theoloog, niet door verstaan, lezen of onderzoek.’

Gepubliceerd in januari 2007