Luther onze huisvriend

n.a.v. Paul Scheurlen, Luther onze huisvriend, Bruinisse 1923

In plaats van het klooster het huwelijk
Het leven in het grote Augustijner klooster, waar Luther na zijn terugkeer van de Wartburg zijn intrek had genomen, was steeds eenzamer en treuriger geworden. Bijna alle monniken hadden het huis verlaten. Waarom aarzelde Luther zolang totdat hij trouwde? Reeds in 1519 sprak hij gloedvol over het huwelijk: ‘O, waarlijk een edele, heerlijke, gelukkige staat, deze staat van het huwelijk’. Het celibaat was daarentegen ‘een leer van de duivel’. Luther was het echter niet eens met hen die het huwelijk als vóórwaarde voor een geestelijk ambt stelden.

De duivel ten spijt
Was Luther ‘zinnelijk aangelegd’? De roomsen beschuldigden Luther daarvan toen hij ging trouwen. Sommige roomsen dachten dat Luthers huwelijk de Reformatie ongedaan zou maken. Dit kon toch immers niet? Dit zou zich tegen hem gaan keren. Luther leefde in voortdurend gevaar. Daarom zegt hij: ‘Ik zal mij met Gods hulp voor de dood voorbereiden. En kan ik het klaarspelen, dan zal ik hem (de duivel) ten spijt, eerst nog mijn Käthe tot vrouw nemen, voordat ik sterf’. Luthers ouders waren blij met zijn voorgenomen huwelijk. Het was de hartenwens van zijn vader. De roomsen geloofden dat het kind dat uit dit huwelijk geboren zou worden de antichrist zou zijn.

In lege haringtonnen
Luther trouwde in alle stilte de 13e juni 1525. Hij zag zijn huwelijk als reformatorische daad. Melanchthon was niet uitgenodigd voor de bruiloft. Waarschijnlijk heeft Melanchthon Luther weinig begrepen. Luther had, in deze ernstige tijdsomstandigheden, niet aan zichzelf moeten denken, zo vond hij. Katharina van Bora (in 1499 geboren, dus 16 jaar jonger dan Luther) was samen met andere nonnen op een wagen met lege haringtonnen gevlucht van het klooster. Ze bereikten het Wittenberg van Luther, waar ze werden opgevangen. Dit was een revolutionaire daad. Was Käthe mooi? Erasmus spotte, dat Luther door haar schoonheid verbind was geworden. Maar het is de vraag of zij wel zo mooi was. Ze wordt beschreven als een flinke, gezonde vrouw, met een rond gezicht, sterk uitstekende kaakbeenderen, openhartige gelaatsuitdrukking, vastberaden mond en schrandere, helderen, iets naar boven toegespleten ogen.

Het aangename leven
Aan Luther werd het ‘zwarte klooster’ afgestaan als belastingvrij huis. Dit huis werd voor Luther een plaats van vrede, waar hij zich op z’n gemak voelde. Luther zegt ‘dat het aangenaamste leven is: een middelmatig inkomen hebben, leven met een vrome, gewillige gehoorzame vrouw, in vrede en eendracht; met weinig kunnen volstaan, tevreden zijn, en God danken’. Hoe was het in hun eerste huwelijksjaar? Käthe aan het spinnewiel in de studeerkamer, naast haar man, in z’n arbeid verdiept. Maar als er kinderen komen wordt het al iets drukker. Ook vinden neven en nichten, studenten en anderen onderdak in het ‘zwarte klooster’. Toen Agricola in 1536 door Luther naar Wittenberg werd geroepen, vonden hij en zijn vrouw met hun negen kinderen onderdak bij Luther totdat ze een geschikte woning hadden gevonden. Tijdens de pestepidemieën nam Luther ook zieke of moederloos geworden kinderen in z’n huis op. Het gehele dienstpersoneel nam deel aan de huisgodsdienstoefeningen.

Het huiselijke leven niet volmaakt
Käthe ging ’s morgens vroeg op: om vier uur. We moeten ons bedenken dat een moeder in die tijd nog heel wat meer werk had dan nu, met alle technische gemakken. Käthe hield er ook van in de tuin bezig te zijn en ze hadden varkens, paarden, koeien en kippen op het erf rondlopen. Luther zegt over het gezinsleven: ‘De heren en vrouwen moeten hun knechten en meiden niet als razenden regeren, geen spijkers op laag water zoeken, soms iets toegeven, en, omwille van de vrede, iets door de vingers zien. Want het loopt nu eenmaal nergens altijd en overal van een leien dakje, daar wij hier op aarde in de onvolkomenheid leven.’ Luther dacht ook dat ‘knechten en meiden het beter hebben dan hun heren en vrouwen, want ze hebben geen huiselijke zorgen. (…) Want het huwelijk brengt z’n moeilijkheden met zich mee, en ook het heilige kruis.’

Vrijgevige man, spaarzame vrouw
Zonder vrouw kon het niet, zo ondervond ook Luther: ‘Als men dit geslacht, het vrouwvolk, niet had, dan lag de huishouding en alles wat er bij hoort, geheel tegen de grond’. Luther zegt zelfs tegen Käthe: ‘In huis draag ik aan u de leiding over’. Luther kreeg nog wel eens geschenken. Zo voorzag de koning van Denemarken Luther van haring en boter. Hij zag daar wel een gevaar in: ‘Het past mij als prediker niet, overvloed te hebben, en ik begeer dat ook niet’. Luther had makkelijk heel rijk kunnen worden, maar daar interesseerde hij zich in het geheel niet voor. Luther bezat een grenzeloze vrijgevigheid. Zijn stelregel was: ‘Geeft, zo wórdt u gegeven’. Käthe was een spaarzame vrouw. Door een genadige beschikking van God was deze man, die zelf uiterst sober leefde en bijna geen behoeften had, en daarom zeer vrijgevig, bijna verkwistend was, en van wiens lichtgelovigheid velen misbruik gemaakt werd, een levensgezellin gegeven, die zuinig en spaarzaam was, zonder daarbij gierig te zijn.

Mein Herr Käthe
Schertsenderwijze kent Luther zich zelf ten opzichte van Käthe de rol toe van huisslaaf, om haar te plagen met haar krachtig optreden. Hij noemt haar ‘mein Herr Käthe’. Soms steekt Luther de draak met haar rapheid van tong. Toen zij een keer haar volgekropt gemoed lucht gegeven had, vroeg hij de ‘predikster’: ‘Wel lieve Käthe, heb je vóór de preek wel een ‘Onze Vader” gebeden?’ We zouden een verkeerd beeld van Käthe hebben, als we dachten dat ze met hart en ziel in haar drukke huishouding was opgegaan. Nee, Käthe leefde helemaal mee met haar man in zijn kerkelijke strijd. Ze mengde zich menigmaal in de gesprekken met een treffende opmerking. Aan de andere kant zei Luther wel: ‘Er is geen rok of kleed, dat een vrouw of maagd lelijker staat, dan wanneer ze wijs willen zijn’. Käthe was een biddende vrouw; anders zou er op haar grafsteen geen gebeiteld beeld hebben gestaan van Käthe met een opengeslagen gebedenboek.

Bijbelvertalen: een moeilijk werk
Luthers grote levenswerk was zijn bijbelvertaling. Pas door Luther is de Bijbel een volksboek in Duitsland geworden. Vóór hem waren er wel Duitse vertalingen van de Bijbel, maar vaak heel gebrekkig. Zo zegt een tekst: ‘Wilt niet dwalen, God wordt niet bespot, want de voorwerpen die de mens zaait, die zal hij ook afsnijden’! Drie maanden heeft Luther nodig om het Nieuwe Testament te vertalen. Het Oude Testament was heel wat moeilijker: hij had er tien jaar voor nodig. Luther kende Hebreeuws minder goed dan Grieks en moest dikwijls z’n arbeid een tijd lang onderbreken. Voor de vele duistere plaatsen kreeg hij hulp van Melanchthon. Het boek Job vooral leverde grote moeilijkheden op. Luther zegt ergens: ‘Het schijnt dat Job nog minder vertaling kan verdragen dan de troostwoorden van zijn vrienden…’ Ergens anders zegt Luther: ‘Mijn God, wat is het een geweldig en moeilijk werk, om de Hebreeuwse schrijvers te dwingen Duits te spreken. Wat spartelen ze tegen. Ze willen hun Hebreeuwse aard maar niet verloochenen, en het barbaarse Duits niet naspreken.’ Luther heeft de Bijbel niet alleen vertaald, ook ‘verduitst’. ‘Men moet de moeder in huis, de kinderen op straat, de gewone man op de markt aanspreken,naar hun mond zien, hoe zij spreken en daarnaar vertalen; dan verstaan zij het en ze merken dat je Duits met hen spreekt.’

Luthers eerste lied
‘De Bijbel of Heilige Schrift is gelijk een zeer groot, uitgestrekt woud (…) Maar er is geen boom in dit woud waarbij ik niet even ben blijven stilstaan om een paar appels of peren te plukken of af te schudden’. Zo ging Luther met de Bijbel om. Of zo: ‘Iemand, die zalig wil worden, moet zo gezind zijn, al bestond er geen mens op aarde dan hij alleen en alsof alle vertroostingen en beloften van God, door de hele Schrift heen, hem alleen aangingen.’ Luther hield ook erg van zingen. Maar voordat hij zijn eerste lied dichtte, bleef zijn dichterstalent veertig jaar lang dicht. De aanleiding voor z’n eerste lied was triest: op 1 juli 1523 werden twee jonge Augustijner monniken wegens hun reformatorische geloof op het marktplein van Brussel verbrand: Hendrik Vos en Johan Esch. Het bericht van hun marteldood heeft Luther smartelijk getroffen:

Een nieuw lied wij heffen aan
Dat geev’ God onze Heere
Te zingen, wat God heeft gedaan
Te Zijner lof en ere.
Te Brussel in Zuid-Nederland
Door ’n tweetal jongelingen
Die uit des Heeren milde hand
Zeer schoone gaven ontvingen,
Heeft Hij Zijn wondermacht betoond.

Een uur in de kerk zitten
Niet alleen psalmen heeft Luther berijmd, ook uit andere bijbelboeken heeft hij z’n liederen geput. Hij heeft middeleeuwse, latijnse en ook oude Duitse liederen bewerkt. Wanneer is ‘Een vast burcht’ ontstaan? Waarschijnlijk in het pestjaar 1527. Niet alleen het lied was belangrijk voor Luther, ook de catechismus. De kerkvisitaties die hij hier en daar hield, deden zijn ogen opengaan voor de ontzettende onwetendheid van het arme christenvolk. Op 29 oktober 1525, de 20e zondag na het feest van de Heilige Drie-eenheid, is te Wittenberg de eerste kerkdienst in de Duitse taal gehouden. Tegen ontrouwe kerkgangers zei Luther: ‘Kunt ge dag en nacht in de kroeg zitten, of elders met goede vrienden kletsen en babbelen, zonder daar moe van te worden, dan kunt ge ook één uur in de kerk zitten en toeluisteren, waarmee ge God dient en behaagt’.

Loflied over het huwelijk
Zijn priesterlijke taak in het huisgezin heeft Luther altijd zeer ernstig opgevat. Geen drukke bezigheden, hoe overstelpend ook, hebben hem ooit van die plicht weerhouden. Luthers huwelijk is buitengewoon gelukkig geweest. Zijn liefde voor Käthe kent geen grenzen, steeds weer verwijst hij daarnaar. Zo noemde hij zijn lievelingsbrief, de Galatenbrief, de ‘Käthe van het Nieuwe Testament’. Luther zegt: ‘Nu en altijd en zelfs tot op mijn sterfbed zal ik de lof bezingen van de heilige huwelijkse staat.’ Luther zag steeds meer in, ook proefondervindelijk, dat het huwelijk een ordinantie van God is. ‘Ik verkeer en leef (…) in die staat, die niet nieuw is, zoals die van de monniken en nonnen, die er duizend jaar geleden niet was, maar mijn staat bestaat al 5500 jaar’.

Zorgen in het huwelijksleven
Luther weet uit eigen ervaring dat de ongehuwde staat dit voordeel heeft, dat men rustig kan leven en zegt: ‘Gehuwd zijn is geen scherts of kinderspel’. Ja, een ongehuwde heeft ‘minder onrust, zorg, gevaar en moeite’. Is het dan goed om vanwege de beproevingen die in het huwelijk te verwachten zijn deze staat te mijden? Nee. Er zijn ook voordelen aan dit leven: ‘Neemt u een vrouw en raakt u getrouwd, dan is de eerste duw die u krijgt deze: “Hoe zult u nu uzelf, uw vrouw en uw kind onderhouden?” En dat duurt uw leven lang, zodat het met de huwelijkse staat van nature zo gesteld is, dat hij leert zien op Gods hand en genade en als het ware dwingt tot geloof. Waarom we dan ook zien: waar geen geloof is in ’t huwelijk, daar is het een diep ellendig bestaan, vol zorg en angst en moeite.’ Luther is ook praktisch: ‘Het is dus onmogelijk, dat in een huis de vrede bewaard blijft tussen man en vrouw, als men van weerskanten niets wil toegeven en niets over het hoofd wil zien, maar ook bij de geringste kleinigheden elkaar verwijten doet’.

Luthers beste recept
Steeds droeg Käthe nauwkeurig zorg dat haar man geschikte spijzen kreeg ter wille van zijn voortdurende storingen in de spijsvertering. Ook had hij meermalen aanvallen van niersteen. Toen iemand aan Luther een middel tegen hoofdpijn vroeg, was zijn antwoord: ‘Mijn beste recept is geschreven in Joh. 3: alzo lief heeft God de wereld gehad’. Käthe was vindingrijk in kleine attenties, om de onaangenaamheden van het dagelijkse leven voor hem te verdrijven, en vaak, als Luther met sombere gedachten aan tafel kwam, had zij van te voren in het geheim zijn vriend Justus Jonas uitgenodigd, die uitnemend de kunst verstond hem op te vrolijken.

Over de Joden
Als Luther van huis weg was, schreef hij brieven naar huis, maar het lijkt dat Käthe niet zo vaak aan terugschrijven toekwam. Zo zegt Luther in een brief aan zijn gezin: ‘Ik heb de brieven van de kinderen ontvangen, maar van Uw Hoogheid heb ik niets ontvangen…’ Luther schrijft ook wel eens minder mooie dingen over de Joden in één van zijn brieven: ‘Lieve Käthe! Ik ben wat ziek geweest onderweg, dichtbij Eisleben. Dat was mijn schuld. Maar als jij daar geweest was, had je gezegd, dat het de schuld van de joden was of van de God van de joden. Want wij moesten door een dorp, vlakbij Eisleben, waar veel joden wonen; wellicht hebben zij zo hevig op mij geblazen.’

Melanchthons eigenaardigheden
Luther en zijn vrouw kregen zes kinderen, waarvan er twee jong overleden. Het was een vrolijke boel thuis. Luther werd ‘omringd door een vrolijk jubelende kinderschaar’. Toen het eerste kindje in aantocht was, voorspelde Melanchthon naar aanleiding van een droom een dochter. Maar de droomuitleggerij (en ook sterrenwichelarij) van zijn geliefde vriend vond over het algemeen weinig genade in de ogen van Luther. Het werd een zoon. Tot verbazing van alles en iedereen kreeg het kind de normale naam ‘Johannes’. Luther was van mening, dat de ‘gebruikelijkste namen de beste waren’. Zoon Hansje krijgt veel aandacht. Luther vermeldt zelfs wanneer zijn eerste tandje doorbreekt.

Kinderen als de liefste huwelijkspanden
Na hem komt er een dochtertje: Elizabeth, maar zij overlijdt al spoedig. Luther is gebroken van verdriet, maar zegt hierover: ‘Welk een weldaad voor de kinderen, als ze op die leeftijd streven (…) Een kind beneden de 7 jaar heeft het vredigste en gemakkelijkste sterfbed, zonder vrees voor de dood’. Magdalena is zijn tweede dochtertje, ook zij sterft al jong, zij het dat ze 13 jaar werd. Na haar volgen Martin, Paul en Margarete. ‘Kinderen zijn de liefste huwelijkspanden, die de band der liefde voortdurend vaster snoeren’. Het stuit Luther tegen de borst dat er mensen zijn die ongaarne zien dat hun gezin wordt uitgebreid. Luther zegt: ‘Hoe meer kinderen, hoe meer geluk’. Kinderen zijn in Luthers oog geen speelgoed, maar schepselen Gods.

Muziek en vrolijkheid in het gezin
Luther speelt zijn kindertal uit tegen de paapse theologen: hij vergelijkt zijn kinderen met koninkrijken. Luther zegt tegen een huilend kind: ‘Schreeuw maar flink en weer je maar goed, mij heeft de paus ook gebonden, maar ik heb mij uit zijn banden bevrijd’. Luther is vol lof over het tactvolle beleid van zijn vrouw: ‘Een vrouw kan nog veel beter een kind aanpakken met één pink, dan een man met zijn beide vuisten’. Hoe gezellig was het vaak bij Luther thuis, rondom de tafel in de woonkamer. De muziek werd voor de dag gehaald, Luther grijpt naar de luit. Menig vrolijk lied werd er dan gezongen. We hebben een verkeerd beeld, als we denken dat de met bezigheden overladen vader alleen slechts af en toe een kwartiertje in de kamer verscheen om met de kinderen te stoeien. Luther was een zeer wijs opvoeder. In de opvoeding moet volgens hem een prettige toon heersen. Het was niet zoals in zijn eigen jeugd: ‘Van kindsbeen af werd mij geleerd, dat ik verbleken en verschrikken moest, als ik de naam Christus ook maar hoorde nóémen, want ik wist niet anders, of Hij was een gestreng en toornig rechter’.

De noodzaak van bijbelkennis
De kinderkamer in Luthers huis droeg het stempel van licht en blijheid. Daar werd ánders met de kinderen over de Heere Jezus gesproken. Dan kwam er een gelukkige glans op zijn gezicht, als vader alleen maar de Náám noemde van Hem. Bidden was het eerste wat men in Luthers huis de kinderen leerde. Ook vond Luther het belangrijk dat de kinderen een goede dosis bijbelkennis werd bijgebracht. Het is volgens Luther heel belangrijk ‘dat het Woord steeds met hen te overdenken en behandelen, opdat het niet verroeste of verduistere, maar steeds nieuw blijve, en z’n licht verspreide voor denken en handelen beide’. In de kamer hingen Catechismus-tabellen, om het goed in te prenten bij de kinderen. Ook Luther zelf moet nog veel leren: ‘Hoewel ik een oud Doctor in de heilige godgeleerdheid ben, moet ik toch nog catechetisch onderwijs hebben, want ik begrijp de tien geboden des Heeren, de geloofsleer en het Onze Vader nog niet goed.’

Een voorbeeld voor de kinderen zijn
Luther denkt niet alleen aan de godsdienstige vorming van het kind. Daarom pleit hij ook voor beter onderwijs in de steden en dorpen. Hij weet dat vele ouders hun kinderen niet goed kunnen opvoeden; scholen kunnen dus een belangrijke taak hebben. Heel belangrijk is voor Luther bij de opvoeding de macht van het voorbeeld. ‘De jeugd is gelijk aan brandstof, die bijzonder licht aangestoken wordt door het kwade en ergerlijke (…) Daarom moest men in ’t bijzijn van het jonge volkje voorzichtiger en bedachtzamer zijn, niet alles zeggen en doen, wat men ánders zegt en doet.’ Ook moeten kinderen vroeg gewennen aan gehoorzaamheid. Luther eiste van zijn kinderen onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Maar het is ook zo dat ‘de ouders zelf goed moeten zijn opgevoed, christelijke persoonlijkheden zijn’. Ook Luther moest al verzuchten: ‘Tegenwoordig voedt men z’n kinderen alleen op in de kunst van bedacht zijn op een goed bestaan.’

Praktische opvoeding
‘De ervaring leert, dat men met liefde veel verder komt dan met slaafse vrees en dwang’, aldus Luther. ‘Zullen we kinderen opvoeden, dan moeten we kinderen met hen worden, de jeugd moet kinderlijk en spelenderwijze opgevoed worden.’ Ook vindt Luther dat ‘men onderscheid moet maken tussen lichtere en zwaardere vergrijpen’. Ook moeten kinderen niet in elk geval gelijk behandeld worden. Het ene kind wordt door strengheid geïntimideerd, het andere kan slechts daardoor tot rede gebracht worden. Als er straf is uitgedeeld, dan ‘spreken ze hen daarna weer vriendelijk toe en verzoenen zich direct weer met hen’. De opvoeder is vooral een bidder. Het gedurige gebed: daarin ligt het geheim van goede opvoedkunde.

Luthers nageslacht
Reeds vroeg deed Luther zijn gedachten erover gaan, wat er eenmaal van zijn kinderen zou worden. ‘Ik heb met de jongens geen medelijden, een jongen redt zich, in welk land hij ook komt, als hij maar werken wil. Is hij evenwel lui, dan blijft hij een lummel.’ Zijn dochters wilde hij wel in bescherming nemen: ‘Men moet vooral voor de arme meisjes zorgen; wij mogen niet afwachten of een ander zich hun lot aantrekt’. Luther had het zeer verstandige principe dat hij zijn kinderen niet dwong een bepaald beroep te kiezen. Hans zou rechten studeren en kwam bij de keurvorst in dienst. Hij stierf op 49-jarige leeftijd. Martin studeerde theologie, maar werd nooit predikant. Hij stierf al op zijn 33e. Paul studeerde medicijnen en werd een geziene man. Hij stierf op 59-jarige leeftijd. De mannelijke tak van het geslacht Luther is in 1759 uitgestorven. In de vrouwelijke linie was er geen gebrek aan nakomelingen.

Oog voor de natuur
Sinds de ervaring van de goddeloze die verzoent wordt met de genadige God is er een weergaloze vrede en blijdschap in Luthers ziel gekomen. De religie werd voor Luther de bron van zijn blijdschap. Hij werd ook een echte liefhebber van de natuur. Käthe, zelf een enthousiast liefhebster van tuinieren, slaagde erin de woestijn rondom het ‘zwarte klooster’ in een klein paradijs te herscheppen. Op een gegeven moment klaagt Luther: ‘Wij worden (…) tot vervelens toe overstelpt met allerlei vragen en bezigheden, terwijl ik toch als oud man, die mijn jaren heb uitgediend, in deze lentedagen liever mij verlustigen zou in de wonderen Gods, die men in de tuin aanschouwen kan, en bewonderen het leven van de bomen en bloemen, planten en vogels’. Luther zegt: ‘Als een mens opgeruimd is, verblijdt hem een klein boompje, ja zelfs een schoon bloempje of struikje’, terwijl de treurige ‘geen boom goed zien kan’.

Bomen en vogels
Luther bewondert de bomen, die ‘zoveel aanvechtingen moeten verduren, evenals een goed christen.’ Ook ziet Luther in de natuur lessen voor het leven, zoals schadelijke insecten die er mooi uit kunnen zien: ‘Zo heeft ook de paus meer pracht dan de keizer, maar is slechter dan de duivel.’ Het voorjaarswonder is voor Luther steeds opnieuw weer iets groots. Vooral de vogelwereld levert hem stof voor fijne opmerkingen. Steeds weer brengt het lied van de zangvogels Luther in verrukking. Dat is hem als het ware een hemelvreugde in het klein. Voor Luther is de natuur het schone klééd van de Schepper, niet Zijn hárt. We vinden bij Luther dus geen ‘dwepen met de natuur’. Op een reis naar Leipzig stemde het ontkiemende zaad hem tot zo’n dankbaarheid, dat hart en mond opengingen en hij ter plekke begon te bidden en God te danken. ‘De akker bebouwen is een voortreffelijk bedrijf, wat de lieve patriarchen hebben uitgeoefend, want hier krijgt men het voedsel regelrecht van de hemel’.

Vriendschap Luther en Melanchthon
Bij Luther vinden we een ongekunstelde natuurlijkheid. Trouw is voor hem dé Duitse deugd. Onder de weinige vriendschappen die we kennen in de historie, zal de vriendschap tussen Luther en Melanchthon altijd met ere genoemd moeten worden. Dit was een beproefde vriendschap. Vaak wanhoopte Luther aan zijn vriend wegens zijn toegevendheid en moedeloosheid. Luther noemt zichzelf een voorloper en wegbereider, maar Melanchthon de voleinder van het grote werk. ‘Ik ben ervoor in de wieg gelegd, om met benden vijanden en duivels te vechten. Ik moet de blokken wegruimen en boomtronken uitroeien, en doornen en heggen afhouwen; ik ben de ruwe houthakker, die als baanbreker en bereider moet fungeren. Dan komt Mr. Philippus, hij rijdt voorzichtig en kalm over de baan, bouwt en plant, zaait en begiet met vreugde, waarvoor God hem de gaven rijkelijk heeft verleend’. Daarom kon Luther zeggen: ‘Als ik sterf, lijdt het evangelie geen schade’. Luther zegt ook: ‘Leest de loci communes van Philippus, naast uw bijbel, dat is het mooiste boek, waarin de zuivere theologie juist en ordelijk uiteengezet is.’

Populaire (=volkse) preken
In zijn preken is een gezonde populariteit te bespeuren. ‘Als ik preek, daal ik zeer laag af, en let niet op de doctoren en magisters, waarvan er ongeveer 40 tegenwoordig zijn, maar op de grote massa jonge mensen, kinderen en dienstboden, waarvan er in de honderd of duizend tegenwoordig zijn; voor hen preek ik, naar hen regel ik mij, zíj hebben het nodig. En als de anderen het niet horen willen – de deur staat open’! ‘In de kerk komen zwakke, kleine kinderen, meisjes, oude vrouwen en mannen, voor wie een diepzinnige leer geen nut doet’. Luther haalt een voorbeeld aan van een kerkganger die verhaalt hoe mooi de preek was en wat voor kostelijke dingen er gezegd zijn. Maar als je dan zou vragen: ‘Waar ging het over?’, dan was het antwoord: ‘Ik weet het niet’.

Tafelgesprekken
Andere vrienden van Luther waren Johannes Bugenhagen, predikant in Wittenberg, Justus Jonas, die rechten had gestudeerd en Luther vergezelde in Worms en Kaspar Kreuziger, die hem terzijde stond in het bijbelvertaalwerk. Pas in het warme geluk van de huiselijke kring heeft het de beste voeding gekregen, is het opgeleefd, en tot zo rijke ontplooiing gekomen. Luthers behoefte aan en aanleg voor gezelligheid wordt goed zichtbaar in zijn beroemde tafelgesprekken. Het huis was een gastvrij huis, een toevluchtsoord, een rustoord voor wie ook maar kwam. De kring aan tafel breidde zich vooral ’s avonds steeds uit, als er vrienden op bezoek kwamen. Bezoekers hebben Luthers uitspraken opgeschreven, waarvan er ongeveer 3000 opgeschreven zijn. Luther wilde dit eigenlijk niet, want ‘veel dingen moet men liever onvermeld doen blijven’. Gezien het karakter van de uitspraken is ze van een zekere platvloersheid niet vrij te pleiten. We zien in de tafelgesprekken een grote man in zijn eenvoudigheid, ongekunsteld omgaand met zijn gelijken.

Niet onfeilbaar
Niet zelden kwam Luther met een hoofd vol beslommeringen en drukkende gedachten aan tafel, soms bewaarde hij gedurende de hele maaltijd zijn oude klooster-stilzwijgen, zodat geen woord aan tafel gesproken werd. Niemand waagde het hem dan te storen. Als Luther uit zijn overpeinzingen ontwaakte, gaf hij de stoot tot een gesprek met de vraag: ‘Wat is er voor nieuws?’ Luther hield, zonder enige dwang, de teugels van het gesprek altijd in handen. Als hij het woord nam, dan bracht hij door zijn levendigheid en intellectuele ontwikkeling het gesprek op een hoger peil. Latijns en Duits mengden zich ineen. Bereidwillig gaat hij in op inzichten van anderen, en kan goed tegenspraak dulden, Immers, deze bestoker van de paus wil zelf geen onfeilbare paus zijn.

Luthers oprechte natuurlijkheid
Dat de studenten gingen opstaan als hij de collegezaal binnentrad – iets wat Melanchthon had ingesteld – wilde Luther niet. Hij was van oordeel dat hij dan weer verplicht was een paar Onze Vaders meer te bidden, om voor hoogmoed bewaard te blijven! Een ontmoeting van Luther met twee Zwitserse studenten is vermakelijk. Het was in een herberg, waar Luther moest overnachten, op weg naar zijn huis in Wittenberg. ‘Mijnheer’, zo vroegen de studenten nietsvermoedend aan hem, ‘zoudt u ons ook kunnen zeggen of Martin Luther zich op het ogenblik te Wittenberg bevindt, en zo niet, waar hij dán vertoeft?’ Luther zei hierop: ‘Ik weet uit vertrouwde bron, dat Luther thans niet te Wittenberg is; hij moet er evenwel spoedig heengaan’. Luther bezat een oprechte natuurlijkheid, waardoor hij snel harten won, maar hij verloor nooit zijn prestige. Op de bodem van Luthers hart lag altijd de ernst.

Eten en drinken met mate
Luther was zeer matig wat eten en drinken betreft. Hij had weinig behoeften en maakte van de etenswaren aan tafel weinig gebruik. Melanchthon verbaasde zich hierover: ‘Ofschoon niet klein en volstrekt niet zwak van lichaamsgesteldheid, was hij toch (…) zeer matig in spijs en drank’. Luther zegt zelf: ‘Om lekkernijen geef ik niets (…) Mijn smaak is een gewone, goede echte burgerpot’. Luther waarschuwt tegen onmatig drinken. Van hem is de uitspraak: ‘Die het eerst bier gebrouwen heeft, is de pest van Duitsland’. Streng geselt hij Duitslands volkszonde. ‘Mij dunkt elk land heeft zijn eigen duivel (…) Onze Duitse duivel zal wel een flinke wijnzuiper zijn’. Wel is er de vrijheid van elke christen. ‘…Dat ik af en toe eens een goede dronk doe, Hem ter ere, de wereld legge dat uit, wat mij betreft, zoals zij wil’.

Gezonde humor
Voor een leven als dat van Luther, zo vol van strijd en moeite, was, om psychisch gezond te blijven, ontspanning een noodzakelijke behoefte. ‘Vermaak en vrolijkheid in alle eer en deugd is het beste medicijn voor een jongmens, ja, voor alle mensen.’ Soms kwam Luther de kamer binnen, terwijl hij zei: ‘Ik moet nu vrolijk wezen, want mij kwamen slechte tijdingen ter ore; en daarvoor helpt niets beter dan een krachtig Onze Vader en een vrolijk hart. Dat verdriet de duivel, melancholicus genaamd, dat men nog vrolijk kan zijn.’ Luther beschikte over een sprankelende humor. Maar dit bleef wel binnen de grenzen van de betamelijkheid. Hij hield van een grapje. Zo zei hij eens op een bruiloft tegen de bruidegom ‘dat hij het bij het gewone gebruik en bij de loop der dingen moest laten, en heer in zijn huis zijn…als zijn vrouw niet thuis was’. Toen er eens een vreemde in Wittenberg kwam die Luther wel eens wilde zien, liet Luther hem bij zich komen, gaf hem een hand en zei: ‘Als je bij je kameraden komt, kun je zeggen: “Ik heb Dr. Luther, de grootste aartsketter bij z’n hand gehad”’.

De Jood in Rome
Dikwijls weet Luther achter bittere ironie een harde waarheid te verbergen. Eens vertelde hij aan tafel over een Jood, die zich wilde laten dopen, maar voorzichtigheidshalve eerst naar Rome ging. De plaatselijke priester deed er alles aan om dit te voorkomen, maar hij ging toch. Uiteindelijk zei de Jood: ‘Nu zal ik graag de God van de christenen aanbidden, want Hij is zeer geduldig; als Hij zóóveel schelmerij en boevenstreken in Rome kan verdragen, dan ook alle zonden en gebreken van de wereld’. (Een andere versie van dit verhaal laat de Jood zeggen: ‘Als de kerk nog steeds bestaat, ondanks zo’n goddeloze leiding, moet de kerk wel een werk van God zijn’.)

Spotten met de paus
Luther hield niet van lange preken. Toen hem eens van een kennis verteld werd, dat deze op de kansel aan een spijker was blijven vastzitten, merkte hij op: ‘Ik dacht het wel, dat hij vastgespijkerd was, want hij kón maar niet ophouden’. De grondtoon van Luthers humor was heilige ernst. Tijdens de Leipziger godsdienstgesprekken, die met veel praal en vertoon was opgezet, zat Luther met kinderlijk welgevallen naar de bloemen te kijken en haar geuren in te snuiven, terwijl de pauselijke nuntius vol ijver in de folianten rondbladerde en onder z’n rede geweldig in vuur kwam. Wat genoot Luther ervan dat zijn tegenstanders vermoedden dat hij uit de bloemen satanische krachten geput had. Toen Luther een keer voor de pauselijke gezant Vergerius moest komen, liet hij zich ’s morgens scheren en knippen, want, zei hij: ‘Ik moet mij wat laten opknappen om jong te lijken, want dan zal de legaat denken: wat duivel, als die Luther nog zo jong is, en al zóveel onheil teweeggebracht heeft, wat zal er dan nóg komen?’ Ook deelde hij de pauselijke legaat mee dat hij drie jongens en twee meisjes had, en dat hij graag wilde zien, dat de oudste een groot theoloog werd.

Zelfspot
Toen in 1544 een brochure uitkwam dat Luther gestorven was, vertaalde hij het, maakte er een korte aantekening bij, en liet het drukken. In dit boekje kon men lezen dat, toen het lijk van de ketter in het graf gelegd was, ‘er terstond een verschrikkelijk lawaai en spektakel gehoord werd, alsof de duivel en hel ineenstortten’. Toen men het graf opende, ‘zag men duidelijk, dat er niets meer aanwezig was, geen lichaam, geen vlees, geen beenderen, zelfs geen enkel kledingstuk. Maar het was zo vol zwavelstank, dat alle omstanders er ziek van werden.’ Luther gebruikte zijn humortalent niet zelden ook als een scherp wapen tegen zijn vijanden. Hij maakte het doen en laten van zijn tegenstanders door opzettelijke overdrijving belachelijk. Zo gebeurde het in 1542, dat de aartsbisschop van Mainz een grote aflaat aankondigde ter gelegenheid van het vervoer van zijn relikwieën van Halle naar Mainz. Luther drijft er de spot mee en somt op wat voor relikwieën die man zoal had: ‘Een stuk van de linkerhoren van Mozes. Verder een grote lok van Beëlzebul’s baard; twee ellen van het bazuingeluid op de berg Sinaï; een groot zwaar stuk geschreeuw van de kinderen Israëls, waarmee ze de muren van Jericho omvergeworpen hebben, drie schone haarlokken van Absalom, waarmee hij aan de eik is blijven hangen…’

Rijksdag van kraaien
Toen Luther eens thuiszat, zag hij in een struik dichtbij een raam een komen en gaan van kraaien. Luther beschrijft dit in een brief aan een vriend: ‘Vlak onder ons venster staat een struikgewas, als een klein bos, en daar hebben de kraaien een rijksdag belegd, het is een af- en aanvliegen van belang, en zo’n geschreeuw dag en nacht zonder ophouden.’ Van Luther zijn veel zinspreuken en verzen opgeschreven. Enkelen daarvan:

Het verkeerde dat in onze eigen huizen plaats vindt, horen wij het allerlaatst; als alle mensen het door alle straten rondgedragen hebben, dan vernemen wij het pas.

Raadsel: het is voor één te eng, voor twee juist van pas, en voor drie te wijd. Antwoord: een geheim, want als drie een geheim weten, dan weten honderd het.

Geloof niet alles, wat u hoort, zeg niet alles wat u weet, doe niet alles, wat u graag wilt.

Door de werken betalen wij belasting, door het geloof ontvangen wij een erfenis.

Er is op aard’ geen handiger man, dan, die zijn tong bedwingen kan.

De wereld geeft slechte fooien voor getrouwe diensten.

Eet, wat gaar is, drink, wat klaar is, spreek, wat waar is.

Christus laat wel zinken, maar niet verdrinken.

Een geweten is meer dan duizend getuigen.

Wilt u oud worden? Word dan spoedig oud.

Dansen onder toezicht
Een gezonde, hartelijke vrolijkheid moest er heersen in het huis van Luther en Käthe. Het zwarte klooster mocht geen plaats van monnikachtige wereldmijding zijn. ‘Ons leven moest eigenlijk één Halleluja zijn’. Luther beschouwde lichaamsoefeningen als een goed middel om gezond te blijven, terwijl ze tevens bewaarde voor speelwoede, weelderigheid en ontucht. Luther wil niet het kind met het badwater weggooien: ‘Hoewel velen zulke gaven en genietingen misbruiken, desniettemin blijven ze toch Góds gaven, die men niet met een zuur gezicht vervloeken mag, als ware het ongeoorloofd ze te genieten.’ Wat was Luthers oordeel over het dansen? Het mocht, mits daartoe ook ‘enige oude dames en heren’ uitgenodigd werden, die moeten toezien dat alles netjes en fatsoenlijk toegaat. Slechts één ding bevalt me niet, en ik zou willen, dat de overheid het verbood, dit namelijk dat de jongelui met de meisjes in een kring ronddraaien, vooral als het in ’t publiek gebeurt en velen toezien.’

Zorgen weggezongen
Luther verwerpt in de kerk pronkerige misgewaden en andere liturgische voorwerpen, maar zijn oordeel is zeer mild over de verfraaiing van kerkgebouwen. Luther bezat grote muzikale gaven. Luther zong alt. Hij heeft dikwijls de zorgen uit z’n hart weggezongen en weggespeeld, want ‘bij droeve en treurige gedachten behoren een goed en vrolijk liedje en aangename woorden.’ ‘Muziek is het beste medicijn voor een bedroefd mens, daardoor wordt z’n hart weer stil, verkwikt en verfrist.’ ‘Ons zingen verdriet en pijnigt de duivel; maar als hij ziet dat wij ongeduldig zijn, en ons ach en wee hoort roepen, dan lacht hij erom in zijn vuistje’.

Huiselijke zangavonden
Luther denkt niet alleen aan christelijke muziek. De Duitse volksliederen houdt hij ook hoog. In het gezin werd veel gezongen. De zangavonden met z’n huisgenoten behoorden tot Luthers liefste ontspanning en waren hoogtepunten voor allen die er aan deelnamen. Alle humeurigheid en knorrigheid was Luther vreemd. ‘Ik heb mij dikwijls voorgenomen, ter wille van de wereld, me ernstiger en heiliger (ik weet niet, hoe ik het noemen moet) te tonen; maar God heeft dat niet voor mij weggelegd’.

Ziekten
Ondanks alle vrolijkheid had Luther het vaak moeilijk. ‘Veel mensen denken, omdat ik soms uiterlijk voor de mensen mij vrolijk toon, dat mijn pad op enkel rozen gaat, maar God weet hoe mijn ware levensomstandigheden zijn.’ Luther had een zwak gestel. De geschiedenis van zijn ziekten begint al in zijn jeugd en zou een lange lijst worden. Het verblijf in het klooster van Erfurt (1505-1508) is zeker schadelijk geweest voor zijn gezondheid. Van de acht kloosters in die stad had Luther juist de strengste uitgezocht, met als schutspatrones de heilige Anna. ‘Als het nog langer geduurd had, zou ik mij doodgemarteld hebben met koulijden, waken, bidden en andere werken’. Luther had tijdens zijn leven last van een moeilijke spijsvertering, nierstenen, duizelingen, oorontsteking en rugpijn. Luthers geluk was, dat zijn vrouw kerngezond was. Toen de pest in Wittenberg uitbrak werd de universiteit naar Jena verplaatst. Luther wilde echter in Wittenberg blijven. Hij was van mening dat de vréés voor de besmettelijke ziekte het ergste was; de meesten stierven van angst.

Agricola stelt teleur
Het horen van een sterfgeval kon Luther erg beroeren. Zo begon hij te huilen toen hij hoorde dat een vriend tijdens een intreepreek gestorven was en zei: ‘Zo neemt God de vromen weg, en daarna zal hij het kaf verbranden’. Luther kreeg ook te maken met teleurstellingen. Zijn vriend Agricola bijvoorbeeld, die ging leren dat wetsprediking onnodig was; de prediking van genade was volgens hem genoeg. Luther was buiten zichzelf over deze antinomiaanse dwaalleer. Luther stond ook eens oog in oog met een sluipschutter. Deze, in opdracht van de hertog van Saksen handelend, had aangebeld en Luther had terstond de deur opengedaan. De man schrok zo van Luthers onbevreesdheid, dat hij zijn geweer liet vallen, waarop hij aan Luthers voeten neerviel en hem om vergeving vroeg.

Stervensverlangen
Van tijd tot tijd had Luther een geweldig stervensverlangen. Toen eens iemand zei dat hij nog wel veertig jaar kon leven, zei hij: ‘Dat verhoede God! Al bood Hij mij ook het paradijs aan, om daarin nog 40 jaar op aarde te leven, ik zou het niet aannemen; ik zou nog liever een beul huren, om mij ’t hoofd af te slaan. Zó boos is de wereld tegenwoordig!’ Vooral de toestanden in Wittenberg baarden Luther in de laatste jaren zorg. Hij zag bijvoorbeeld de slordige levenswandel van de studenten. Het ging zelfs zover dat hij Wittenberg ‘dit Sodom’ noemde en dat hij vertrok met de bedoeling om nooit meer terug te keren. De pogingen om hem op andere gedachten te brengen slaagden echter.

Johann von Stauptiz als geestelijk vader en leidsman
Het leed, dat men hem persoonlijk aandeed, droeg hij met gelatenheid, zelfs niet zonder humor, maar als het om zijn Heere Jezus Christus ging, wist hij niet van toegeven. In het geloof is Luther steeds weer bevestigd, door zware aanvechtingen heen. Twee mannen waren zeer belangrijk voor zijn leven: de oude kloosterbroeder die hem wees op het artikel: ‘Ik geloof de vergeving der zonden’, en hem erop wees dat het een christenplicht was daarin te geloven. En Johann von Staupitz, de generaal-vicaris van het Augustijner klooster, een bijna evangelische verschijning, die zich het lot van de aangevochtene aantrok. Het was Staupitz die Luther vermaande af te zien van zijn ‘knoeiwerk en poppenzonde’. ‘Zie op Hem, en op Zijn woorden, niet op uw waardigheid of onwaardigheid, dan komt gij tot vrede’. Luther zou later zeggen: ‘Als Doctor Staupitz, of liever, God dóór Doctor Staupitz mij niet uit de verzoekingen geholpen had, ik ware er in verzopen, en allang in de hel’.

Liederen zingen tegen de duivel
Het is Gods wil geweest, ook de tot volle verzekerdheid gekomen reformator steeds weer door het diepe dal van verzoekingen heen te leiden. Soms is Luther snel met de duivel klaar. ‘Als de duivel ’s nachts tot mij komt, om mij te plagen, dan geef ik hem dit ten antwoord: duivel, nú moet ik slapen! Want dát is zo Gods bevel en inzetting, overdag arbeiden en ’s nachts slapen.’ Of Luther neemt de luit en zingt er een liedje bij, want ‘de duivel is een vijand van muziek’. De gelovige moet hier niet mee wachten: ‘Niet beter, dan hem direct fluks op zijn snuit geslagen’. Het kruis wordt opgelegd met een heerlijk doel. ‘Zonder kruis en verzoekingen weet niemand, wat geloof is, en hoe krachtig het is.’ ‘Mijn theologische kennis heb ik niet op éénmaal verworven, maar ik heb er naar moeten vorsen, al dieper en dieper. Mijn aanvechtingen hebben mij er dieper ingeleid; want de Heilige Schriften kan men nooit verstaan, buiten de praktijk en de aanvechtingen om.’

Het Lutherwapen
Staupitz zei ooit tegen Luther: ‘Gij weet niet, Martinus, hoe nuttig en nodig die aanvechtingen voor u zijn. Want niet zonder bedoeling verzoekt God u dermate. Gij zult zien, dat Hij u gebruiken wil als instrument om grote dingen te doen’. Luther troost zich in Gods macht: ‘Wij hebben het met de Man, de Heere Christus, Gods Zoon, gewaagd, Hij zal ons zeker niet in de steek laten. Met Hem staat of valt ons leven.’ Het Lutherwapen heeft een rijke symboliek: er is een kruis, zwart van kleur, in een hart dat z’n natuurlijke kleur heeft. Dit doet Luther denken aan de Gekruisigde Die zalig maakt. Het hart staat midden in een witte roos, waardoor wordt aangeduid dat het geloof blijdschap, troost en vrede verschaft. Deze roos staat op een hemelsblauw veld, rondom dit veld is een gouden ring: de hemelse zaligheid duurt eeuwig.

Is God dood?
Käthe is een geschenk voor Luther geweest, helemaal in de dagen van droefheid. Op een dag was Luther van huis gegaan met een zwaarmoedige stemming. God was hem zo afwezig, ja het leek wel alsof Hij dood was. Toen hij terugkwam, had Käthe de vensters dichtgedaan (als teken van rouw) en had rouwkleren aangetrokken. ‘Om Godswil, Käthe, wat is er gebeurd?’ ‘O heer Doctor, een gróót ongeluk! Denk eens aan, onze lieve Heere is gestorven, dáárom ben ik zo bedroefd’. Luther had zijn lesje geleerd. Luther had, zoals al eerder is gebleken, oog voor de natuur. Zo zegt hij op een dag: ‘Ik heb onlangs twee wonderen gezien. Het eerste is dit: toen ik uit het raam keek, en de sterren aan de hemel zag en het gehele schone firmament van God, zag ik toch nergens pilaren waarop de bouwmeester dit gewelf geplaatst had; nochtans stortte de hemel niet ineen, en staat het gewelf nog heden onwrikbaar vast. (…) Het tweede wonder is dit: ik zag ook grote dikke wolken boven ons zweven, met zo’n vracht, dat ze wel een grote zee leken; toch zag ik geen bodem, waarop ze rustten of steunden…’

Zielzorger, vader en vriend
Karlstadt, ooit een medestander van Luther, ging rare dingen zeggen. Zo predikte hij dat het gebruik van medicijnen tegen Gods wil was, want wie ziek was moest op God vertrouwen. Toen Luther daarover een vraag kreeg, vroeg hij op zijn beurt of hij ook at, wanneer hij honger had. Tijdens de pestepidemieën kwam telkens weer de vraag op, hoe een christen te handelen had in zulke omstandigheden. Mag men de dood ontvluchten? Luther zelf wilde hier niet van weten. Onontbeerlijk waren immers de zielzorgers in hun voorbeeld, troostwoord en geloofsdaad. Ieder die bang was mocht wat hem betreft vluchten. Luther zag dat mensen, die anderen met liefderijke, ernstige toewijding dienden, meestal verschoond bleven van een ziekte. Luther wás er, als er een epidemie uitbrak. Hij hield de stervenden in z’n armen. Hij bleef trouw op zijn post. De zieken met wie hij in aanraking kwam, vereerden hem als hun ‘lieve vader in Christus’. Als we Luthers troostbrieven lezen, staan we verbaasd over hun aantal. Luther was echt een vríénd. Luther pleitte overigens ook al voor de oprichting van ziekenhuizen en de verplaatsing van kerkhoven naar buiten de steden.

Meer dan genoeg toegegeven
25 juni 1530 was een grote dag voor het Duitse protestantisme. De 28 artikelen van de Augsburgse confessie werden in 2 uur voorgelezen. Ooggetuigen beweren dat de keizer daarbij in slaap gevallen was. Spalatinus zei: ‘Op deze dag is één van de allergrootste dingen gebeurd, die ooit op aarde gebeurd zijn’. Melanchthon was echter nog niet zo zeker van de zaak. Hij schreef Luther en vroeg wat hij ervan vond. Luther zegt: ‘Ik heb uw apologie ontvangen, en met verbazing vraag ik me af, wat gij wilt met uw vraag, wat en hoeveel de papisten moet toegegeven worden. (…) Ik voor mij oordeel, dat reeds meer dan genoeg toegegeven is in deze apologie, en ik zie niet in, in welk opzicht ik nog meer zou kunnen toegeven…’

Wat te doen tegen melancholie?
Luther kan in de bedroefde harten der aangevochtenen inblikken om zo de verbroken, verwonde harten te helen. Luther zegt van zichzelf dat, als men na zijn dood zijn hart uit zijn lichaam sneed, men een heel klein hart zou vinden, ‘als door vreselijke, angstige gedachten verteerd’. Luther zong de droeve stemmingen weg. Vóór alles gaf hij aan de aangevochtenen de raad, de eenzaamheid te mijden: ‘Wie met een melancholieke geest geplaagd wordt, moet ten strengste op z’n hoede zijn, dat hij niet alleen is. Want God heeft in de kerk een gemeenschap geordineerd…’ (Tussen haakjes: Calvijn zegt dat men dan juist de eenzaamheid moet opzoeken!) Luther heeft ook een preek nagelaten ‘hoe men zich op de dood moet voorbereiden’. Allereerst zegt Luther dat een stervende de aardse omstandigheden zo goed mogelijk moet regelen, opdat er na zijn dood geen vergissing of strijd meer mogelijk is.

Voorbede voor Melanchthon
Luther was een onvermoeid bidder. Hij spreekt heel gewoon en eenvoudig met God, als een kind met zijn vader. Soms ook treedt zijn gebed als een held in het strijdperk, om met de Almachtige te worstelen. Soms zwelt zijn gebed aan als een storm, doordringend tot Gods troon. Het liefst doet Luther zijn gebed luid. Luther heeft een hele ‘gebedsschool’ doorlopen: Maria, Anna, alle heiligen: hij heeft ze allemaal aangeroepen. Geen dag ging voorbij, of Luther bad minstens drie uur. Ook voorbede vond hij belangrijk. Zo bad hij vurig toen Melanchthon doodziek was: ‘Ik wreef Zijn oren met alle beloften van gebedsverhoring, die ik in de Heilige Schrift kende’. Melanchthon dacht na zijn genezing dat het Luthers voorbede moet zijn geweest dat hem gered had. Luther zag deze gebedsworsteling sterk als een gevecht tussen God en de duivel. Luther zei: ‘Onze scherm en schuts in ’t gebed alleen’. Luther bad overal voor, ook toen er een muizenplaag in zijn huis was. Luther beschouwt het als een noodzakelijke voorwaarde voor huwelijksgeluk, dat de echtgenoten, één in het geloof, ook samen gemeenschappelijk bidden.

Bidden als eerste en laatste op de dag
‘Ik ben soms zo koud en zo slecht gestemd, dat ik niet bidden kan. Dan stop ik mijn oren toe en zeg: ik weet, God is niet verre van mij, daarom moet ik schreeuwen en Hem aanroepen.’ ‘Het Onze Vader is de grootste martelaar op aarde; want iedereen mishandelt en misbruikt het, slechts weinigen troosten en verblijden het door recht gebruik.’ Uit alle streken vroeg men Luther om raad, ook uit de Nederlanden. Luther kreeg eens een vraag hoe men de vele afleidingen bij het gebed kan trotseren. Luther geeft als raad om ’s morgens vroeg het gebed als eerste handeling van de dag te verrichten, en ’s avonds laat het gebed ook als laatste. Misschien dat zo verkeerde gedachten voorkomen kunnen worden. Als we bidden, moeten we bedenken ‘dat we niet alléén daar knielen of staan, maar de ganse christenheid, of alle vrome christenen met u, en gij onder hen, in eenstemmig, eendrachtig gebed, hetwelk God niet kan verachten’.

Arbeid in ere hersteld
Luther heeft aangespoord tot opgewekte arbeid en arbeidsvreugde op deze aarde. Luther heeft de arbeid weer in ere hersteld. Luther behandelt de vraag hoe men in de wereld met haar arbeid kan staan, en toch tegelijk een gelovig man kan zijn die zeker is van zijn verlossing. ‘Uw arbeid is uw beroep. Gij zijt daartoe geroepen’. De beroepsbezigheid is liefdedienst jegens mensen, betoning van geloof en gehoorzaamheid aan God. Dat geldt ook van de (in de ogen van de wereld) geringste arbeid. ‘De moeder, die het kind oppast en de meid, die de kamers schoonmaakt, doen beter werk dan alle monniken en nonnen bij elkaar.’ Het vertrouwen op de zegen van de Heere bewaart voor hebzucht en angstige bezorgdheid. Het onbezorgde vertrouwen, dat het getrouw uitgeoefend beroep godsdienst is, bewaart voor nijd, en maakt tevreden. Onder het gezichtspunt van liefdesdienst en zo tegelijk van godsdienst beschouwt Luther ook het ambt van de overheid. Luther bezat veel vaderlandsliefde. Hij klaagt erover dat de Duitsers in zijn tijd nog geen natie vormden.

Gepubliceerd in november 2007