‘n Preek zus ‘n preek zo

n.a.v. Henk de Jong, ‘n Preek zus ‘n preek zo, Wageningen z.j.

Preken voor mensen, vogels en koeien
In kerkelijk Nederland was de situatie in de 19e eeuw als volgt: wekelijks werden er 4000 preken gehouden (alleen al de protestantse kerken). Preken werden vaak uitgegeven op verzoek van de hoorders. Allard Pierson zegt hierover: ‘Preken, niet aangehoord maar gelezen, zijn vrij dorre geraamten. Mét de voordracht wijkt een grote hoeveelheid van het leven, dat zij mogen behelzen.’ Francicus van Assisi preekte voor vogels. De achtjarige Jan Polman koos de koeien uit tot zijn gehoor; hij hield een preek over Joh. 16:33. Hij dacht dat alleen de koeien het hoorden. Toen hij dertig jaar later intrede deed als christelijk gereformeerd predikant te Aalten, kwam een oude boer naar hem toe en zei: ‘Ik heb je eerste preek nog gehoord, in het weiland!’

Kerkdienstje spelen, stiekem preken
Er zijn veel dominees geweest, wie het preken als kind al in het bloed zat. De kerkdienst werd van begin tot eind nagebootst. Slaapmutsen aan stokken gebonden dienden als collectezakjes. Bij het uitgaan van de kerkdienst drongen de jeugdigen zo dicht mogelijk tegen elkaar aan, want dan leek het immers of de kerk stampvol was geweest. Omstreeks 1900 was er bij de gereformeerden een preekverbod voor de studenten. Maar de meesten lapten het aan hun laars en gingen toch preken. Om dit te voorkomen placht professor Lindeboom ‘s zaterdagsmiddags de wacht te betrekken op het station te Kampen. Zodra hij een student in zwarte jas en getooid met hoge hoed het perron op zag komen, wist hij wel hoe laat het was.

Voorafspraak
Vele predikanten begonnen hun preek met een voorafspraak. Daarin werd ongeveer het volgende gezegd: ‘Welaan, mijne hoorders!, schenkt mij uwe belangstellende aandacht, als ik deze troostrijke waarheid u thans ga aanwijzen en aanprijzen. Letten wij daartoe op het verband en op de inhoud van ons tekstwoord en hoort alzoo: 1e wien het noemt; 2e wat het meldt en 3e hoe het troost. Dat het ons gegeven worde om deze vragen op de rechte wijze en tot veler zegen te mogen beantwoorden. God van den hemel doe het ons gelukken, en zende van den troon zijner genade ons zijn licht en waarheid neder, dat zij ons hierbij leiden. Dat zij zoo!’

Drie punten
Wie het eerst ermee begon zijn leerrede in drie stukken te verdelen, is niet na te gaan. Iemand die álles in drie punten deed, was de Utrechtse professor Van Oosterzee. Bij de eerste-steenlegging van een monument zei hij: ‘Dit monument is een gedenksteen van den dag der verlossing, een grondsteen van het altaar der dankbaarheid, een hoeksteen van het gebouw onzer toekomst.’ Toen dit monument na vier jaar gereed was sprak hij een woord ‘van ootmoedige dank, van vernieuwde trouw, van hoopvolle wijding.’ Bij een levensbeschrijving van iemand schrijft hij dat deze predikant ‘gastvrij werd bejegend, met geestdrift werd aangehoord en met weemoed uitgeluid werd’. Een telegram die hij verstuurde naar iemand die tot hoogleraar benoemd was luidde: ‘Verbaasd, verrast, verblijd!’ Ds. J.C. Colerus, luthers predikant te Zaandam, presteerde het op 8 juli 1704 om zijn preek in 23 punten onder te verdelen. Een Middelburgse predikant versierde het om alleen al zijn toepassing in 37 punten onder te verdelen. Een predikant preekte over Zacheus en deelde de preek als volgt in:

1. Zacheus onder de vijgeboom
(a) de grond waarop
(b) de boom waarbij
(c) de mensen met wie Zacheus daar stond

2. Zacheus in de vijgeboom
(a) de reden waarom (hij was klein)
(b) het doel waartoe (hij wilde zien)
(c) de stemming waarin Zacheus daar verkeerde

3. Zacheus uit de vijgeboom
(a) verlaagd en toch verhoogd
(b) veracht en luid geprezen
(c) bedroefd en nochtans blijde

Rouwpreken en feestpreken
De zinsnede dat de prediking werd aangehoord ‘met veele aandoening, zoo van spreker als van toehoorers’ keert herhaaldelijk in verslagen van rouwpreken terug. Er werden ook vaak feestpreken gehouden: bijvoorbeeld als er een succes werd geboekt door de Nederlandse vloot. Bij de kroning van stadhouder Willem III tot koning van Engeland in 1689 schetste een predikant uit Rotterdam deze gebeurtenis alsof hij er zelf bij was geweest: ‘Onder de zalving des konings was elk in stille aandacht verrukt! (…) Maar dan opeens: Daar blazen de trompetten! Daar razen de bazuinen! Daar pijpen de pijpen! Daar kweelen de keelen! Daar schreeuwen de tongen! Daar gaan de monden open!’

Afscheids- en intredepreken
Ds. Petrus Hofstede te Anjum kreeg in 1743 een beroep naar Steemwijk, dit tot teleurstelling van de gemeente. Hij nam aan en nam afscheid met de tekst: ‘En als zij baden dat hij langer bij hen blijven zou, bewilligde hij het niet maar nam afscheid van hen’ (Hand. 18:20). Toen hij intrede deed in het voor hem onbekende Steenwijk, deed hij dat met de tekst: ‘Vreemden zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn’ (Jes. 61:5). Hij bleef slechts anderhalf jaar te Steenwijk (dat kon toen nog). Daarom preekte hij afscheid met de tekst: ‘En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord Gods’ (Hand. 18:11). Toen ds. C. van der Meulen emigreerde naar Amerika, preekte hij over de tekst: ‘Mijn aangezicht niet meer zult zien’ (Hand. 20:25). Maar dit kwam niet uit: ruim 20 jaar later bezocht hij Nederland weer; hij preekte daarom toen over de tekst: ‘Want wij zijn van gisteren en weten niet’ (Job 8:9). Ds. Tersteeg van Edam was in 1869 genoodzaakt om emeritaat te nemen. Hij preekte hij over de tekst: ‘Hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet’. De hele zin luidt echter ‘Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden’ (Hand. 18:21)!

Dorpen
Verandering van standplaats kwam vooral op het platteland veel minder voor dan nu. Veel dominees smachtten naar een beroep naar een grotere plaats. Zo ook ds. M. Gargon te Nuland. Hij was al 14 jaar aan die gemeente verbonden. Maar toen kwam een beroep van Serooskerke: hij deed er intrede met de woorden ‘De Heere bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost’ (Ps. 116:6). Andere dorpen gingen er gebukt onder dat zij haar predikant zo kort bezaten. Was de jonge dominee een beetje op dreef gekomen, dan werd hij alweer naar een grotere gemeente beroepen. Dit gebeurde ook bij de afgescheiden gemeente van Leiden. Bij de bevestiging van de vierde predikant in korte tijd koos de bevestiger ds. J.H. Donner een tekst tot troost voor de gemeente: ‘Uw leraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien’ (Jes. 30:20b).

Opgewarmde kost
Het oevre van sommige dominees schijnt niet bijzonder groot te zijn. Zo was de gereformeerde professor Geesink een bekend voorbeeld van iemand die wel eens een oude preek uit zijn binnenzak haalde. Er was ook een predikant die werd genoemd ‘de man van de dertig preken’. Degenen die hem geregeld hoorden, wisten precies welke tekst er aan de beurt zou komen. In Makkum was aan het eind van de 19e eeuw een predikant die precies één jaar rond kon komen met z’n preken; begon een nieuw jaar, ‘dan keerde hij de pannenkoek om’. Toen de gereformeerde ds. H. Brouwer in 1917 voor de tweede maal in Westerbork intrede deed, begroef hij zijn hele voorraad oude preken in de tuin!

Oefenaars
In de 19e eeuw waren er ook talrijke predikers die nooit een opleiding genoten hadden. Iemand zegt daarover: ‘Onwetende, waanwijze, zich met laatdunkendheid boven anderen verheffende, zich een meer dan menselijk oordeel aanmatigende lieden, veelal van den geringen volksstand, traden aldaar op en bestuurden de aandacht hunner hoorders door gebed en dankzegging, door prediking over eenen bijbeltekst, door toepassing, vermaning, opwekking, doch inzonderheid door allen, die buiten hunne gemeenschap waren, liefdeloos te veroordelen en uit te krijten voor goddelozen, voor kinderen der hel. Zij gaven voor, dat zij den geest ontvangen hadden, en dien mede anderen wilden inblazen; maar zij waren geestelooze ijveraars voor hetgene zij zelve soms niet verstonden.’ Er was een oefenaar die, als mensen onder zijn gehoor begonnen te huilen, riep dat hij wel 32 soorten tranen kon opnoemen, die nog de echte niet waren! Te Assen was een oefenaar, die naast het oefenen nog een andere liefhebberij had: roken van sigaren. Toen hij onder een oefening in elkaar stortte, en men hem naar een apotheek bracht, ried iemand aan om hem een sigaar in de mond te drukken. Ze deden het, en… hij begon er hevig aan te trekken, kwam direct bij zijn positieven en stapte de apotheek uit. In de 17e eeuw werden de voor de vuist weg prekende lieden genoemd: ‘Dat sy sonder voorlesen van text haere vermaningen of predicatiën begonnen en eyndighden’.

Preeklezen, laatste preek
Te Aalsmeer was een kleine vacante doopsgezinde gemeente. ‘s Morgens ging een ouderling door de modderige paden van de drooggelegde Haarlemmermeer naar Haarlem, schreef de gehoorde preek daar op en zegde die preek de volgende zondag in hun eigen gemeente na. De afscheidspreek was een dorpsgebeurtenis van de eerste orde. Men deed het vaak voorkomen of een treurend Sion op de puinhopen achterbleef, met doffe blik zijn vertrekkende leraar nastarend, gans en al verslagen:

Ach, daar gaat hy nu henen,
Dien vromen predicant!
Wie zou niet kryten, weenen,
In Gelderland?
Zo roepen wij tot God:
Ach, wilt U toch ontfarmen!
Wy zyn geworden tot
Een wildernis, och Heere!
En wy zyn heel capot.
Wie zal ons nu zoo leeren?
Waar vinden wy genot?

De afscheidspreek van Abraham Kuyper in zijn eerste gemeente Beesd was over ‘Heere! Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’. ‘Het is uit, het is gedaan, dixi, ik hebbe gezegt. De gebeden van David, des Zoons van Isaï hebben een ende.’ Met deze woorden eindigde een predikant te Moordrecht zijn loopbaan als dienaar des Woords. Hij was de preek begonnen met ‘O, myne Moordrechtsche Duive!’. De komst van de opvolger wiste alle tranen van het afscheid weg. Zo bij een nieuwe predikant voor De Kaag:

Hy voegt lievtalligheen en zedige manieren
By Godgeleertheid, Trouw en wakker Kerkbeleid.
Juicht! Kaagsche burgers! Juicht! Nu is u vreugd bereid:
Gy moogt nu ten beginn’ uw ‘s Herders hoogtyd vieren!

Kandidaat
Bij de luthersen was het gebruikelijk dat een kandidaat vóór zijn eerste preek een voorafspraak te doen waarin hij over zijn levensloop, studie en theologische ligging vertelde. Toen in 1798 een kandidaat dit achterwege liet, waren de hoorders erg teleurgesteld; want hiervoor waren ze toch niet gekomen! Een kandidaat schetste in een preek de woestijn: ‘Voor u zand, achter u zand, aan uw rechterzijde zand, aan uw linkerzijde zand, aan alle kanten zand!’

Niewe kansel, oceaan, springbron, emmer, druppel, Huet, Tans
Als een kerk van een nieuwe kansel voorzien was, werd vaak gepreekt over Nehemia 8:5 ‘Ende Ezra de schriftgeleerde stont op eenen hoogen houten stoel dien sy tot die sake gemaeckt hadden’. Eens bestond een dominee het om zijn tekst (Numeri 15:12) aldus bekend te maken: ‘Onze tekstwoorden zijn geschept uit den grooten oceaan van Mozes, de vierde springbron, den vijftienden emmer, den twaalden droppel’. In Goes stond in de 19e eeuw een ds. Huet. Hij was daar geliefd. Als de gemeente Ps. 119:49 zong (‘Hoe lief heb ik Uw wet…’), hoorde men altijd ‘Hoe lief heb ik Huet’. Oefenaar Tans liet vaak Ps. 118:12 zingen: ‘Och Heer, geef thans uw zegeningen’.

Te veel oliebollen, het woordje ‘ai’, ongeveinsd en ongeveer
Een oude dominee te Leerdam had op oudejaarsmiddag te veel oliebollen gegeten. Daarom liet hij ‘s avonds zingen Ps. 102:2 (‘k Heb in mijn ellend vergeten / mijn gewone spijzen t’ eten’). Dr. E. Laurillard merkte op bij Ps. 133:1 (‘Ai, ziet hoe goed, hoe lieflijk is ‘t dat zonen / van ‘t zelfde huis als broeders samenwonen’) dat voor vele gemeenten alleen maar het woordje ‘ai’ gold. Ds. Krull te Spannum zei, voordat hij de gemeente Ps. 119:1 liet zingen: ‘Gemeente, velen onder u zingen altijd: Welzalig zijn d’ oprechten van gemoed / die ongeveer des Heeren wet betrachten; maar er staat toch heus: ongeveinsd!’

Psalm 119, preken in een vissersplaats, een preek goud waard
Er was eens een man, die, als hij over de heide van Borger naar Rolde moest lopen, Ps. 119 zong; als hij in Borger het eerste vers inzette, was hij juist klaar met vers 88 als hij Rolde had bereikt. Toen professor J.A. Cramer in Egmond aan Zee preekte over de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe, dankte een ouderling hem daarvoor, dat hij het nu eens niet over schepen, vissen en netten had gehad (dat was een irritante gewoonte van gastpredikers in vissersplaatsen). In de vrije kerken waren vroeger heel wat predikers, die het moesten hebben van de vrijgevigheid van de kerkgangers. Een goede preek kon dus heel letterlijk ‘goud waard’ zijn!

Gelegenheidspreken, pers, aanbod van een kroegbaas, herbergen
De historie laat zien dat sommige dominees met een bepaalde preek hun beurs behoorlijk hebben gespekt. Vaak waren dit gelegenheidspredikaties. Anti-preken brachten doorgaans meer geld in het laatje dan pro-preken. Rond 1900 was er in Amerika een predikant die elke zondag een batterij van twee dozijn verslaggvers in de kerk had; ‘s maandags stond het verslag in de kranten! Een kroegbaas bood een dominee een groot bedrag aan, als hij de zondagavondbijeenkomsten stop zou zetten (hier gingen veel van zijn potentiële klanten heen). In sommige steden was het gebruikelijk dat men tussen de middag in de stad bleef om wat te eten tussen de twee diensten door; dit deed de herbergen wel varen; daarom stemden dezen zich af op de kerkgangers.

Gepubliceerd in juni 2006