Nederlands christendom in de twintigste eeuw

n.a.v. Eginhard Meijering, Het Nederlands christendom in de twintigste eeuw, Amsterdam 2007

Tot 1918
– De meerderheid was nog christelijk, al was er veel niet geformaliseerde onkerkelijkheid.
– Het modernisme was de kleinste stroming, maar had wel de meeste invloed op de theologische ontwikkelingen gehad.
– J.H. Scholten beschouwde zijn rechtzinnige tijdgenoten als niet meer dan mannen van het verleden. Als hegeliaan was hij van mening dat hij de hele christelijke traditie ‘ophief’, niet in de zin van dat hij er een einde aan maakte, maar die tot een hoger niveau verhief.
– In Amsterdam werd door modernen de ‘Vrije Gemeente’ opgericht, hun gebouw was het latere Paradiso. Minder ver ging de Nederlandse Protestantenbond (N.P.B.), die niet alle banden met de bestaande kerken wilden verbreken. Plaatselijke gemeenten noemden zich officieel ‘afdelingen’.
– C. Busken Huet en A. Pierson legden hun ambt van predikant neer. Pierson zegt niet in bovennatuurlijke openbaring te geloven. Hij is een zoeker naar God en meent als zodanig niet het recht te hebben een gemeente uit naam van God te zegenen. Hij voelt zich wel verbonden met een menselijke familie die elk kerkgeloof, elk volk, elke stand en elke kerk te boven gaat. Dat is voor hem de edelste humaniteit. Hij probeerde echter niet aan deze universele godsdienstigheid organisatorisch gestalte te geven.
– De mogelijkheid van wonderen was in de 19e eeuw een belangrijk onderwerp in de kerkelijke discussies.
– Het was in moderne gemeenten een groot probleem voor de predikanten waarvoor ze wel en niet konden bidden, bijvoorbeeld als ze bij zieken op bezoek gingen.
– Toen de moderne richting verloor ten opzichte van de orthodoxen gingen sommige predikanten over naar andere kerkgenootschappen, anderen richtten een organisatie binnen de eigen kerk op: de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden. De vrijzinnigheid was in het defensief gedrongen. De vraag naar de legitimiteit van de vrijzinnigheid binnen de kerk zou gedurende de hele eeuw actueel blijven.
– Moderne theologen preekten vaak voor lege banken, maar hun voor volle kerken prekende rechtzinnige tegenstanders namen hen in hoge mate serieus. Modernisme zagen zij als kracht binnen de kerk die tot ongeloof en buitenkerkelijkheid zou leiden.
– De Groningers noemden zich evangelisch. Jezus was de grote Opvoeder. De drie-eenheid wezen ze af. Ze hadden er geen bezwaar tegen zich aan te sluiten bij ketters uit het verleden. Het ging hun niet om de juiste leer, maar om het Gode welgevallige leven. Hofstede de Groot schoof later meer naar de orthodoxie op, vooral omdat hij het niet eens was met de principiële verwerping van wonderen door de modernen.
– Tegen de geest van de Verlichting, die men als rationalistisch beschouwde, kwam de romantiek, die in Nederland aansluiting vond bij de overgeleverde protestantse orthodoxie (het Reveil).
– De zogenaamde ethische theologie vertoonde verwantschap met het Reveil. Het woord ethisch is niet in de zin van ‘moreel’ bedoeld, maar slaat op het innerlijk van de mens. Ze hadden geen bezwaar tegen wetenschappelijke bijbelkritiek, dit kon geen gevaar betekenen voor de hoofdzaken van het geloof.
– Spottend sprak men wel van de Ned.Herv.Kerk als ‘hotelkerk’, omdat de gasten niets met elkaar te maken leken te willen hebben.
– De Gereformeerde Kerken in Nederland ontstond in 1892, een fusie tussen 400 gemeenten uit de Afscheiding en 300 uit de Doleantie, 190.000 om 180.000. Dit was dus een duidelijk evenwicht, maar het aantal afgescheiden predikanten overtrof dat van de dolerenden ver: 305 tegenover 120. De GKN vormde 8 procent van de Nederlandse bevolking.
– De groei van de Christelijke Gereformeerde Kerk(en) begon reeds vroeg, omdat een aantal afgescheidenen al spoedig het nieuwe verband van de GKN weer verliet, en omdat andere bevindelijke groepen zich bij hen aansloten.
– In de (Oud) Gereformeerde Gemeenten werd er niet gesproken over een ‘zich bekeren’, maar van een ‘bekeerd worden’.
– Het aantal remonstranten was altijd klein gebleven. De verschillen tussen remonstranten en calvinisten werden in de loop van de tijd groter, mede door de invloed van de Verlichting. In 1870 telde de Remonstrantse Broederschap 3000 leden. Op een gegeven moment waren er alleen nog moderne of vrijzinnige predikanten. Veel remonstrantse gemeenten groeiden aanzienlijk doordat hervormden door het orthodoxer worden van hun gemeenten overkwamen. In 1920 telde de Broederschap al ruim 30.000 leden.
– Doopsgezinden waren in die zin altijd vrijzinnig geweest dat ze niet aan een bepaalde leer wilden worden gebonden. Het ging hen om een ‘praktisch christendom’. Een geliefde spreuk was: ‘Dopen wie mondig is, spreken dat bondig is, vrij in het christelijk geloven, daden gaan woorden te boven’.
– De afscheiding van België werkte in het nadeel van de katholieken, omdat die nu in het Koninkrijk der Nederlanden niet langer de meerderheid vormden.
– Het woord ‘secte’ heeft niet te maken met het Latijnse woord (af)snijden (secare), maar met het Latijnse woord sectari, dat wil zeggen achtervolgen, op de hielen zitten.
– De mobiliteit was wel op gang gekomen, maar de meeste Nederlanders waren nog honkvast. Dit betekende voor de kerken dat zij overzichtelijke, vaste gemeenschappen konden vormen. Het leven had een vast ritme. Een groot gedeelte van de bevolking leefde nog op het platteland. Hele streken waren nog onontgonnen. De betekenis van het platteland voor het christendom kan nauwelijks worden overschat. In het begin van het christendom was het van nature ‘conservatievere’ platteland pas na de steden gekerstend, de ontkerstening zou eveneens hoofdzakelijk in de steden beginnen en het platteland pas later bereiken. De kerken waren zich het grote gevaar van de steden bewust. In rooms-katholieke kring probeerde men in de mijnstreken van Limburg de leefomstandigheden te verbeteren, maar wilde men de vorming van steden voorkomen, wetend dat die tot de ontkerkelijking en een groei van het socialisme zouden bijdragen.
– In katholieke preken was polemiek tegen de protestanten niet gebruikelijk.
– Herman Bavinck werd in 1906 gekozen tot lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, wat gezien de dominantie van de liberalen in de wetenschap zeker een opmerkelijk eerbewijs voor deze gereformeerde dogmaticus moet worden genoemd. Bavinck was een behoedzame geleerde. Hij waarschuwt tegen een theologie die denkt dat ze alle vragen kan beantwoorden en alle kwesties kan oplossen. Hier plaatst hij tegenover dat een eerlijk non liquet (‘het is onduidelijk’) te verkiezen is boven een gewaagde gissing.
– Onder gemeenteleden was het vrij gewoon om niet te zeggen dat men gelooft dat alles wat in de Bijbel staat waar is, maar gewoonweg dat men ‘in de Bijbel gelooft’.
– Het was in Gereformeerde Bondskringen niet ongebruikelijk om te zeggen dat men beter ‘van God geleerd dan godgeleerd’ kon zijn. Er waren lange tijd nauwelijks gepromoveerde predikanten in de Bond, en weinigen die een doctoraal-examen hadden afgelegd.
– De ethischen verwierpen de fundamentalistische schriftbeschouwing van de gereformeerde orthodoxie, maar hielden tegenover de modernen vast aan de transcendentie van God. Valeton was van mening dat de historische kritiek wel de vorm, maar niet de inhoud van de bijbelse openbaring kon raken.
– De moderne richting was in theologisch opzicht zeer levend. Wat betreft het aantal meelevende christenen was deze stroming ongetwijfeld de kleinste, maar theologisch trokken zij de aandacht.
– De popularisator van het modernisme H. Bakels schreef Wij ketters. Ja, ‘om de ere Gods’. Opgedragen aan alle Gereformeerde Jongelui. Dit was bedoeld als een appel aan de rechtzinnigen om met hun onredelijke bijgeloof te breken, maar hij beveelt hun niet zo maar het geloof van de vrijzinnigen als alternatief aan. De leer van het ‘plaatsvervangende lijden’ is in zijn ogen een ‘onzinnige, onzedelijke, weerzinwekkende, onze rechtvaardigheidszin in het gezicht slaande en dus God onterende leer’. Hij vat het Nieuwe Testament als volgt samen: de primaire leer is dat alle mensen verdoemd zijn tot de hel, de secundaire dat de christenen als een brandhout daaruit gered worden en de tertiaire dat de niet-christenen in de verdoemenis gelaten worden. Hoezeer de vrijzinnigen – volgens hem op een oneerlijke manier het Nieuwe Testament uitleggend – ook tegensputteren, de roomsen en orthodoxen hebben gelijk als zij dit als de leer van het Nieuwe Testament zien. Daartegen roept hij uit: ‘Maar ik, ik voel mij door de God-in-mij geroepen om hun in hun aangezicht te schreeuwen als volgt: ‘Het Nieuwe Testament moge (gij hebt gelijk, duizendmaal gleijk) deze leer leren, …juist daarom is het Nieuwe Testament (als geheel beschouwd) een slécht boek. Zijn leer is slecht”’. Bakels was binnen de vrijzinnigen een enfant terrible. Rechtzinnigen zagen in hem het duidelijke bewijs dat de vrijzinnigheid het tegendeel was van wat christelijk geloof genoemd mag worden.
– De ethischen volgden de ontwikkelingen in het moderne kamp niet alleen met belangstelling, maar ook met sympathie. Zij zagen belangrijke vertegenwoordigers onder de modernen in hun richting opschuiven.
– Binnen de rooms-katholieke wereldkerk kwam het neo-thomisme tot een bloei. Aangezien Thomas de bijzondere openbaring van God in Christus laat aansluiten bij de natuurlijke werkelijkheid, betekende dit dat de rooms-katholieke theologen probeerden de werkelijkheid eerst zo zuiver mogelijk te analyseren om vervolgens aan te tonen dat het christelijk geloof hierbij wil aansluiten, zowel corrigerend als vervullend.
– In het begin van de 20e eeuw was de vraag of er een schepping dan wel een evolutie is, of men wel van een Schepper en een schepping kan spreken, waarschijnlijk het meest brandende vraagstuk in de theologie. Herman Bavinck brengt de niet ongebruikelijke cesuur in het scheppingshandelen van God aan door de schepping van de ‘woeste en ledige aarde’, dus van de chaos, niet bij het werk van de zes dagen te betrekken. Tussen de schepping van de chaos en de ordening van de chaos kan dus een lange tijd zijn verstreken. Bavinck is op grond van zijn geloof in een historische zondeval van mening dat de mensheid maar één oorsprong, namelijk in Adam kan hebben en daarom één geheel is. Hij poneert dat het grootste deel van de aarde in de tijd voor Christus onbewoond was.
– Heeft een mogelijk verkeerd gebruik van de macht een rol gespeeld in de grote geloofsafval die in de 20e eeuw heeft plaatsgevonden? Niet in alle landen waren en zijn er christelijke partijen, partijen waarmee christenen politieke macht proberen te verkrijgen. In de Angelsaksische wereld ontbreken zij bijvoorbeeld. Er moet een speciale aanleiding voor het ontstaan van zulke partijen zijn, en die is over het algemeen dat christenen van mening zijn dat zij niet die rechten hebben die hun toekomen (denk aan de schoolstrijd). Dat was in de tweede helft van de 19e eeuw een belangrijke reden waarom er christelijke partijen werden opgericht.
– De christelijk-historischen trokken hun aandacht behalve uit gematigd rechtzinnige kringen ook uit de behoudend liberale en randkerkelijke burgerij.
– De rooms-katholieken hadden lange tijd wel hun vertegenwoordigers in het parlement, maar niet in de vorm van een politieke partij. Tot 1917 kende Nederland het districtenstelsel, waarin de kandidaat de absolute meerderheid van stemmen moest halen (eventueel in een tweede ronde, net als in Frankrijk, maar in tegenstelling tot het Amerikaanse en Britse stelsel, waar een relatieve meerderheid voldoende is). Dit maakte een formeel katholieke partij in het zuiden overbodig, zoals daar eigenlijk ook rooms-katholieke scholen overbodig waren. De scholen in het zuiden waren automatisch katholiek.
– Op aandrang van Schaepman kwam het tot samenwerking tussen protestanten en katholieken om hun verlangens op het terrein van het onderwijs te verwezenlijken. In het noorden hadden de protestanten de steun van de katholieken nodig. De katholieken waren in het zuiden niet aangewezen op de steun van de protestanten, die daar nauwelijks vertegenwoordigd waren. In verband met de sterke anti-papistische gevoelens onder rechtzinnige protestanten zouden boven de grote rivieren katholieke kandidaten niet verzekerd kunnen zijn van die steun, vandaar dat daar overwegend protestantse kandidaten voor de politiek georganiseerde christenen waren. Dit gaf de protestanten vaak een groter aantal zetels dan waarop zij procentueel eigenlijk recht hadden. Het aantal protestantse Kamerleden hing af van het succes van de coalitie. Als socialisten en de diverse liberalen ondanks hun politieke tegenstellingen toch elkaars kandidaten steunden, dan kon dat boven de rivieren voor de protestantse kandidaten van de coalitie funest zijn. De katholieken behaalden tussen 1901 en 1917 telkens ongeveer 24 zetels. De anti-revolutionairen behaalden 23, 15, 25, 11 en 12 zetels, de christelijk historischen waren stabiel rond de 9. Of de confessionele een meerderheid in de Tweede Kamer hadden hing dus af van het succes van de ARP. De situatie was dus dat de tegenstelling tussen confessioneel christelijk en niet-christelijk voor velen als belangrijker gold dan die tussen liberaal en socialistisch of in politiek opzicht vooruitstrevend en conservatief. Tegenstanders van christelijke partijformatie wezen op het ongezonde van deze situatie en pleitten ervoor dat er een gezonde, zakelijke tegenstelling tussen links en rechts moest komen. De confessionelen daarentegen trachtten aan te tonen hoe voordelig het samengaan van progressieven en conservatieven in één confessionele partij juist voor het maatschappelijke leven was. Zowel liberalen als sociaal-democraten hoopten dat het einde van de schoolstrijd tevens de confessionele partijen overbodig zou maken en daarmee hun eigen aanhang zou vergroten. Deze hoop zijn beide groeperingen gedurende de hele eeuw blijven koesteren.
– Domela Nieuwenhuis was luthers predikant maar werd atheïst doordat zowel zijn eerste als tweede vrouw jong in het kraambed overleden. Dit deed hem breken met het geloof in een liefderijk Opperwezen. Hij motiveerde zijn bedanken met een preek over Joh. 18:36 (‘Mijn rijk is niet van deze wereld’). Het christendom is volgens hem in strijd met het humanisme, dat de wereld beschouwt als het enige waarmee wij te maken hebben. Hij versterkte de onder vele christenen en socialisten bestaande mening dat christendom en socialisme niet met elkaar te verenigen zijn. De verbinding van kerk en kapitaal, die Domela Nieuwenhuis legt, zou de christenen lang blijven achtervolgen.
– Rechtzinnige protestanten waren rond 1900 nauwelijks te vinden in de socialistische gelederen. Een uitzondering was Anke van der Vlies. Zij schreef de brochure Kan een rechtzinnig christen socialist zijn? Abraham Kuyper nodigde haar voor een gesprek uit. Hij zei toen: ‘Kind, je hebt je Heiland verloochend’. Zij werd lid van de SDAP, maar hield het daar niet uit. Slechts een minderheid van de christenen zocht dus aansluiting bij de socialisten, en de meesten van hen waren vrijzinnig. De ‘rooie dominees’ hadden vaak een voor andere christenen beschamend sobere levensstijl. Willem Banning ging zelf met zijn gezin op het niveau van de arbeiders leven en gaf de rest van zijn inkomen weg. Vooraanstaande sociaal-democraten waren vaak geheelonthouders om geloofwaardig te zijn in hun strijd tegen het alcoholisme onder de arbeiders.
– Kuyper zei in 1891 op een christelijk-sociaal congres dat de christenen wat de beoordeling en bestrijding van de sociale toestanden betreft dichter bij de socialisten dan bij de liberalisten stonden. Het liberalisme is een product van de Franse Revolutie. Het heeft een egoïstische bezitsdrang in de mensen gewekt. Het christendom heeft in het begin met zijn prediking bijgedragen tot een verbetering van de maatschappij, maar met de bekering van Constantijn huwde de kerk met de wereldmacht en sneed daarmee de zenuw van haar kracht door. Een vrije kerk is beter dan een volkskerk. Kuypers remedie is niet een zo groot mogelijke hulp van overheidswege (waarbij de overheid in de plaats van gezin en maatschappij zou treden), maar het verleen van het recht aan de arbeiders zich te organiseren en voor hun rechten op te komen. In 1909 werd het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) in het leven geroepen, dat aanvankelijk interconfessioneel was, maar vanaf 1912, toen de Nederlandse bisschoppen hun gelovigen gelastten deze organisatie te verlaten, zuiver protestants werd.
– Kuypers tegenstanders wilden de indruk wekken dat het beleid van zijn regering alleen in woorden, maar niet in daden christelijk is. Dit zal gedurende lange tijd een vast onderdeel van de discussies over het door confessionelen gevoerde beleid blijven. Woorden als hovaardij en huichelarij vielen dan. Met de spoorwegstaking in 1903 kwam er een ‘worgwet’. De politieke gevolgen hiervan moeten niet worden onderschat. Door de gang van zaken laadden de confessionele partijen vooral de anti-revolutionairen, de verdenking op zich politiek reactionair te zijn, een imago dat ze gedurende de hele eeuw opgedrukt kregen. Omdat het kabinet-Kuyper ‘rechts’ was, werd dat ook van de christenen en kerken in het algemeen gezegd. In 1905 verloor Kuyper de verkiezingen. Troelstra had de leuze aangeheven ‘Weg met Kuyper!’ en die had gewerkt. De verkiezingsnederlaag maakte het onmogelijk om een groot aantal plannen op het gebied van de sociale wetgeving in de praktijk om te zetten. De confessionelen bleven zitten met hun naam niet sociaal te zijn. Voor Kuyper betekende de nederlaag het einde van zijn politieke carrière. De val van dit kabinet had ook een kerkelijk gevolg: de oprichting van de Gereformeerde Bond (niet de enige reden). Veel rechtzinnige hervormden waren ontstemd over het gebrek aan steun dat de christelijk-historischen aan de coalitie hadden gegeven. Zij wilden, ondanks hun principiële afwijzing van de Doleantie, de steun aan de ARP onder de hervormden versterken.
– Tijdens de Eerste Wereldoorlog lagen de sympathieën van de meerderheid van het Nederlandse volk aan de kant van de Geallieerden, maar dit was niet het geval bij het anti-revolutionaire volksdeel. Kuyper had al eens een zeer anti-Britse brochure het licht doen zien, waarin hij blijk geeft van in die tijd niet ongebruikelijk racisme. De Boeren hadden begrepen dat de Hottentotten en de Bantoes tot een lager ras behoren en dat het eenvoudig dwaasheid zou zijn om hen in het gezin, in het maatschappelijk verkeer en in de politiek als gelijken van de blanken te behandelen. Beter dan de Engelsen hebben zij het zwarte gevaar onder ogen gezien. Kuyper constateert dat de zwarten in Zuid-Afrika in verontrustende mate toenemen. ‘Misschien kan Engeland de mannen ontwapenen; nooit zal het de vruchtbaarheid der Boerenvrouw verwoesten. Dankzij die vruchtbaarheid zijn de Boeren in minder dan een eeuw van 60.000 zielen gestegen tot een half miljoen. In de komende eeuw zullen zij wassen tot drie, vier, vijf miljoen – en hun is dan Zuid-Afrika. Zijn pro-Duitse politiek stuitte onder de bevolking op weinig sympathie. Een andere reden om pro-Duits te zijn was dat Frankrijk als het land van ongeloof en revolutie bij uitstek gold, en Duitsland de naam had een christelijke natie te zijn.
– Het pacifisme had tijdens de oorlog de wind niet mee. De socialistische partijen braken een belofte die ze elkaar nog in 1913 plechtig hadden gedaan: als de kapitalistische regeringen in Europa een oorlog zouden willen ontketenen, dan zouden zij dit onmogelijk maken.
– De buitenkerkelijkheid verdubbelde bijna in de eerste tien jaar na de oorlog. Een gevoel van zinloosheid en een diep wantrouwen tegen het christendom won ook in Nederland terrein. De weerstand die de politiek georganiseerde christenen bij de buitenwacht opriepen was zo groot dat socialisten en zelfs rechtse liberalen elkaar bij verkiezingen soms steunden om de macht van de christenen te breken. De politiek georganiseerde christenen hadden de strijd tegen de liberale burgerij gewonnen en hun tegenstanders zouden nu vooral de socialisten worden. Was het wel wenselijk dat de christenen een dergelijke machtspositie in de maatschappij innamen?

1918 tot 1945
– Een zuil is niet in beweging, treedt niet naar buiten. Is dit niet wezenlijk in strijd met de roeping van een kerk, die juist op de wereld gericht behoort te zijn?
– Vrijzinnigen zagen zichzelf als ‘het denkend deel der natie’. Ze zagen niet alleen op de bekrompenheid van de rechtzinnigen neer, maar bekeken elkaar ook met de nodige kritiek.
– Heering vond dat een predikant op de hoogte moet zijn van de sociale problemen, maar hij in zijn preek geen oplossingen daarvoor moet aandragen. Als dat zou gebeuren, zou de toepassing van de religie in de plaats van de religie komen. Zoiets zou dan op een gemeenteavond moeten gebeuren, niet vanaf de kansel.
– De gereformeerden waren een makkelijkere tegenstander voor de vrijzinnigen dan de ethischen, want men had niet veel moeite de in hun ogen fundamentalistische bijbelbeschouwing als onhoudbaar te ontmaskeren.
– De meeste kerkelijke hoogleraren kwamen uit de ethische stroming voort, en de leiding van de kerk berustte vergaand bij hen. Gezien de breedte van deze stroming leidde dit niet tot ongewenste eenzijdigheden.
– Oepke Noordmans is zijn leven lang dorpsdominee gebleven. In dat werk had hij de ernstige handicap van smetvrees. Het kerkbezoek was matig, in diensten waarin hij als gastpredikant voorging zelfs slecht. Hij diende de kerk meer met het geschreven dan met het gesproken woord. Hij was nooit gepromoveerd, had ook geen doctoraal examen gedaan, maar kreeg een eredoctoraat van Groningen. Hij zag geen conflict tussen het christelijke geloof en de natuurwetenschappen: ‘De miljoenen jaren van de sterrenkunde en de biologie laten we rustig zwemmen. Wij houden ons om en bij aan de ouderwetse zesduizend jaren. (…) Wij houden ons dicht bij het kruis. Met die enkele duizenden jaren hebben wij al genoeg te stellen. De andere kunnen wij aan God overlaten’. Hij ontkent de resultaten van natuurwetenschappelijk onderzoek dus niet, maar verklaart ze theologisch voor irrelevant. Als dorpsdominee, waar hij geacht werd op bid- en dankdagen in erediensten voor te gaan, bracht zijn visie op de verhouding tussen God en de natuur hem in de problemen. Onder veel dorpsbewoners had hij de – niet als compliment bedoelde – naam professor en vrijzinnige te zijn.
– In zijn proefschrift (1932) durft Miskotte te zeggen dat de reformatorische interpretatie van het Oude Testament meer aansluit bij de oorspronkelijke bedoeling dan die van de liberale joden. Zoiets zouden na de oorlog wel niet veel theologen meer over hun lippen krijgen. Miskotte zag de praedestinatie als een telkens hernieuwde keuze van God voor de mensen.
– Toen Haitjema na een lezing van Barth voor studenten en docenten het betoog van Barth samenvatte en daarbij aan Barth vroeg: ‘Zo was het toch bedoeld?’ schudde Barth met zijn hoofd. Na de Tweede Wereldoorlog gold Haitjema als een conservatief en werd hij niet meer serieus genomen.
– Banning vroeg eens op een conferentie aan één van de deelnemers: ‘U bent zeker gereformeerd?’ Op de vraag hoe hij aan dat vermoeden kwam, antwoordde hij: ‘Ik heb u nu al binnen vijf minuten een paar keer horen zeggen dat het gevaar bestaat dat…’
– Van Klaas Schilder werd gezegd dat hij ‘een veel te grote vis in een veel te kleine vijver was’. Hij trok in zijn polemieken consequenties uit de standpunten van zijn tegenstanders, die dezen zelf niet trokken. Hij had dan ook de reputatie een formidabele polemist te zijn. De historiciteit van Adams zondeval maakte hij tot één van de kernpunten van zijn theologie.
– Barth noemde de gereformeerden in Nederland ironiserend ‘die lieben Freunde der sprechenden Schlange’. Voor Barth lag de zekerheid niet in een heilig boek (de Bijbel), maar in God Zelf. Barth gelooft niet in een historische zondeval.
– Berkouwer gaf in 1938 toe dat de Gereformeerde Kerken zich met hun schriftbeschouwing in een isolement bevinden. Maar dit isolement betreurt hij niet.
– De Christelijke Gereformeerde Kerken groeiden in die tijd gestaag, maar traden weinig naar buiten. Men had veel minder dan de gereformeerden de behoefte om als één geheel naar buiten te treden en de wereld te hervormen. Hierdoor kon er een zekere pluriformiteit niet in de inhoudelijke afbakening, maar wel in de beleving van het geloof ontstaan. De niet-bevindelijke stroming won aan invloed waardoor een mogelijke toenadering tot de Gereformeerde Gemeenten bemoeilijkt werd.
– G. Wisse zei in 1916: ‘Ik ben niet pro-Duits, ik ben niet pro-Frans, ik ben niet pro-Engels, als dominee Wisse iets is, dan is hij pro-Nieuw-Jeruzalem’. Hij was in Leiden bevriend met de hegeliaanse wijsgeer Bolland, die zijn preken kwam beluisteren, zonder enige neiging overigens om zich door hem te laten bekeren. Wisse vertelde na Bollands overlijden hoe hij, toen Bolland op zijn sterfbed lag, op diens bekering had aangedrongen en hem had gesmeekt in gebed te mogen voorgaan. Bolland weigerde dit met de woorden: ‘Wijzen bidden niet’. Wenend verliet Wisse het ziekenhuis.
– Er was in Europa in die tijd geen land waarin theologische kwesties in zo brede kring de aandacht trokken als in Nederland. De leken waren geïnteresseerd en participeerden, maar ze waren ook geneigd tot betweterij en ruziemakerij over dogmatische kwesties en het achternalopen van leidslieden, wat tot bittere conflicten kon leiden. Daarom zei Colijn op een gegeven moment ook dat de theologen hun debatten beter in het Latijn konden houden, opdat de gemeentes er niet door in verwarring werden gebracht.
– Beroemd is één van de eerste vragen van de katholieke katechismus van 1910: Waarom zijn wij op aarde? Om God te dienen en daardoor in de hemel te komen. Hieruit blijkt de volstrekte ondergeschiktheid van dit leven aan het toekomende leven. Een andere vraag: Kunnen wij begrijpen dat de drie goddelijke Personen maar één God zijn? Dat de drie goddelijke Personen maar één God zijn, kunnen wij niet begrijpen: het is een geheim van ons heilig geloof. Nog een vraag: Als God voor alles zorgt, waarom is er dan zoveel ellende op aarde? Er is zoveel ellende op aarde: 1. opdat de zonde reeds hier gestraft worde, 2. opdat de zondaars zich bekeren, 3. opdat de rechtvaardigen veel voor de hemel kunnen verdienen. Over Calvijn wordt in een schoolboekje gezegd: ‘Hij dacht dat hij zelf knap genoeg was om uit te maken wat hij geloven wou’.
– De zelf kinderloze J. Waterink schreef Aan moeders hand tot Jezus, over de godsdienstige opvoeding van kleuters, en Met moeder bij Jezus, over de godsdienstige opvoeding in de schooljaren. Een citaat: ‘Als haar kind stout is (…) dan komt het moederhart op een distantie (…) Dan moet moeder haar kind leren te roepen (…) Dat niet alleen moeders hart ver weg was, maar ook de Heere Jezus ver weg was. Dat ook de Heere Jezus nu gevraagd moet worden, of alles weer goed wezen zal’. Het is duidelijk dat in deze christelijke opvoeding dus geen sprake is van een bang maken voor de toornende en wrekende God. Wel is opmerkelijk dat op deze manier bij het kind de indruk wordt gewekt dat zonde gelijkstaat aan het doen van stoute dingen, waarmee men dus kan ophouden als men dat wil. Dit is eigenlijk strijdig met de reformatorische leer dat de zonde meer de toestand van het leven zonder God is dan het bedrijven van bepaalde zonden. Tegen een te groot pessimisme in de opvoeding van het kind, die een neerdrukkende benadering van het kind betekent, keert Waterink zich. In de jaren na de oorlog adviseerde hij prinses, later koningin Juliana en prins Bernhard inzake de opvoeding van hun kinderen. Om Waterink is in latere tijden veel gelachen. Hij ondertekende zijn stukjes vaak met de afkorting ‘J. Wat.’, wat hem de bijnaam ‘Jan Wat?’ opleverde.
– In veel zwembaden was gemengd zwemmen niet toegestaan. Voorstanders van gemengd zwemmen wezen er wel op dat dit in het buitenland toch heel gewoon is. Maar daartegen zei men: ‘Laten we op seksueel gebied nu maar niet met het buitenland komen aandragen, en liever God danken, dat we onze kinders nog in een tamelijk reine Hollandse sfeer kunnen opvoeden’.
– In 1928 werden de Olympische Spelen in Amsterdam gehouden. AR-man H. Visscher vond dat de hedendaagse sport tot een doel was geworden en daarmee in een kwaad is verkeerd. Tussen hem en minister De Visser, eveneens van professie theoloog, ontspint zich een debat over de juiste uitleg van de bijbeltekst 1 Tim. 4:8 (‘Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut’). De minister beroept zich op Calvijn, die denkt dat Paulus oefeningen die men ter wille van de religie op zich neemt, zoals nachtwaken, langdurig vasten, liggen op de naakte bodem bedoelt. Maar dit imponeert Visscher niet. Hij beroept zich liever op de Griekse theoloog Johannes Chrysostomus, die veel dichter stond bij de Griekse wereld en zegt dat het wel degelijk om sport gaat.
– In 1924 werd het toneelstuk ‘Saul en David’ opgevoerd. Ook het liefdesleven van David werd voor het voetlicht gebracht. Naar hedendaagse maatstaven lijkt het allemaal erg onschuldig, maar toen was het provocerend. David zegt in het stuk dromerig: ‘O, deze vrouw, mijn Abjathar (…) zij rooft mij Michals heugenis. Rond haar schoon gezicht zij spant een toverij van licht’. Hierop antwoordt Abjathar: ‘Zo vurig is haar woord, zo smachtend (…)’ David interrumpeert hem: ‘Stil, Abjathar, mijn zinnen branden van huiverende lusten áf! Blaas niet in de gloed! Zeg haar (…) ik kom!’
– De oprichting van de Bond van Meisjesverenigingen op Gereformeerde Grondslag stuitte op bezwaren. Een spottend rijmpje was populair: ‘Geen slechter christenen hier op aard’ / dan theologen zonder baard’.
– De samenwerking van gereformeerden en hervormden was binnen de NCRV breder dan binnen de ARP.
– Een aantal docenten buiten de theologische faculteit van de VU ging met Geelkerken mee. Zij werden uiteindelijk niet geschorst. Met enig recht kan worden gezegd dat hiermee de VU de eerste stap naar de pluriformiteit had gezet. Opmerkelijk was dat Herman Bavincks weduwe en zijn dochter met Geelkerken meegingen.
– De diepgewortelde behoefte aan houvast onder de gemeenteleden kon lange tijd door deze bijbelbeschouwing worden bevredigd. Toen men binnen de geestelijke leiding van de kerk later deze visie op de Bijbel liet vallen zouden de gevolgen voor het kerkelijk leven ingrijpend zijn.
– De vrijgemaakten, met 216 gemeenten en 77.000 leden in 1946, kregen bij de buitenwacht de naam bekrompen en fanatiek te zijn. Op grond daarvan was men ook geneigd alleen hun de schuld voor het conflict in 1944 toe te schuiven. Dat is echter evident onbillijk.
– In 1923 werd de eerste rooms-katholieke universiteit geopend (in Nijmegen). Van de in 1900 aan de Nederlandse universiteiten ingeschreven studenten was nog geen 8 procent katholiek. Van de 209 hoogleraren was slechts één katholiek.
– Door het grote aantal kinderen slaagden de katholieken erin de geloofsaval in de grote steden boven de grote rivieren ruim te compenseren.
– Abraham Kuyper wilde het kiesrecht aanvankelijk alleen aan alle gezinshoofden toekennen, later ook aan zelfstandig werkende vrouwen. De acceptatie van het kiesrecht voor iedereen was een concessie van de kant van zijn partij in verband met de gelijkstelling van het christelijk onderwijs. De overeenstemming die men had weten te bereiken inzake het onderwijs en het kiesrecht noemt men de pacificatie. Nu werden de verkiezingen verregaand een weerspiegeling van de omvang van de verschillende zuilen, en die vertoonden een grote stabiliteit. Het nieuwe kiesstelsel (evenredige vertegenwoordiging) en het algemeen kiesrecht werkten in het voordeel van de confessionelen, met name van de katholieken. Die werden dan ook de sterkste kracht in de Tweede Kamer. Als eerste katholieke premier werd Ruijs de Beerenbrouck naar voren geschoven, terwijl de politiek leider de priester W.H. Nolens was, maar de katholieken begrepen wel dat een priester als premier te veel van het goede zou zijn.
– Onder katholieken kwam steeds meer kritiek op het rechtse regeringsbeleid (men sprak wel over het asociale beleid van Colijn). Toch durfde men een verbreking van de oude coalitie en een samenwerking met de SDAP niet aan.
– In 1933 kondigde de regering loonsverlaging bij de marine af. Hiertegen kwam het tot een muiterij op het toen in de Indische wateren gestationeerde pantserschip De Zeven Provinciën. De regering kon dit niet tolereren, greep militair in, en daarbij werd ter waarschuwing een bom gegooid die – waarschijnlijk per ongeluk – het schip trof. Er vielen direct 19 doden, en later overleden 4 gewonden. De SDAP keurden de muiterij ook af, wat de extreem linkse partijen winst opleverde bij de volgende verkiezingen. Deze nederlaag had grote invloed op de politieke koers van de SDAP, die vanaf die tijd grote moeite deed haar aanhang onder de bevolking te verbreden. Hiervoor was een formeel en expliciet afscheid van het marxisme en de klassenstrijd voorwaarde. In 1937 stemde ze voor het eerst in met de defensiebegroting. Eenzelfde koerswijziging was er bij Labour in Engeland, die na Mussolini’s aanval op Abessinië in 1935 haar pacifistische paragraaf schrapte.
– Buskes had iemand horen zeggen: ‘Ik kom nooit meer in de kerk. Ik ben tegen Colijn!’
– De ‘sterke man’ in de verkiezingen van 1937 was niet Mussert, maar Colijn. Zelfs de liberalen probeerden met zijn naam winst te boeken door de leuze te poneren: ‘Zet meer liberalen naast Colijn’. Veel liberalen kozen liever direct Colijn, en de anti-revolutionairen stegen van 14 naar 17 zetels, een spectaculaire groei voor een uitgesproken rechtzinnig protestantse partij, waarvan de kerkelijke achterban niet toenam. Wellicht niet ten onrechte heeft men wel verondersteld dat het rechtse beleid van de regering-Colijn het voordeel had dat het de NSB klein wist te houden.
– De notoire anti-nationaal-socialist Miskotte protesteerde ertegen dat men aan iemand die verlangt met Christus in het sacrament gemeenschap te oefenen dit ontneemt, omdat hij in oprechtheid zus of zo over politieke vragen van de dag denkt.
– Het racisme van de NSB hoefde nog niet op weerstand te stuiten. Men bedenke dat het racisme toen nog niet tot massamoord had geleid, en dat men het gevoel kon hebben op zijn eigen ras trots te mogen zijn zoals men ook van zijn vaderland kon houden zonder nationalist te zijn.
– In de Tweede Kamer speelde de coalitie graag in op de verdeeldheid binnen de christelijke coalitie over wat christelijke beginselen zijn. Colijn gebruikte bijvoorbeeld de term ‘positief christelijk’, wat de tegenstelling wil aanduiden tot ‘weifelend’ en ‘vaag’. Daarmee zou volgens hem een ernstig vrijzinnig christendom zich moeten kunnen verenigen. In het toen nog kerkse Nederland hadden sommige discussies een godsdienstig en soms zelfs theologisch karakter.
– De anti-revolutionairen hadden een meer dogmatisch taalgebruik dan de christelijk-historischen. Tegelijkertijd zijn ze de meest enthousiaste voorstanders van de samenwerking tussen de christelijke partijen.
– Er werd eens een Nederlander nagespeeld die naar eigen zeggen in de oorlog in het verzet had gezeten maar zich niet daarop wilde laten voorstaan. Na lang aandringen vertelde hij tenslotte wat zijn heldendaad was geweest. Een Duitse soldaat had hem gevraagd: ‘Wo ist der Bahnhof?’ Daarop had hij die soldaat de verkeerde kant uitgestuurd. Daardoor had zijn compagnie op hem moeten wachten, wat tot het te late vertrek van zijn hele divisie had geleid, en dat had weer tot gevolg gehad dat de Duitsers een beslissende veldslag en uiteindelijk de oorlog hadden verloren…
– Er waren vijf soorten prediking tijdens de Tweede Wereldoorlog: nationaal-socialistisch, lijdelijk, tijdloos, nationaal en bijbels-actueel (en de in vrijzinnige kringen gehoorde prediking in bijbels-humanistische geest).
Non possumus non loqui: wij kunnen niet niet spreken.
– Het voordeel van kanselboodschappen was dat ze wat de personen betreft iets anoniemer waren, zodat minder mensen er persoonlijk door gevaar liepen.
– De Jehova’s Getuigen in Nederland werden in de oorlog vervolgd. In 1940 hadden ze slechts 500 leden, in 1945 drieduizend.
– In Sint-Michielsgestel betoogde de vrijzinnige W. Schermerhorn dat men na de oorlog een christelijke staat moest opbouwen, en dat zij die geen christenen waren, wel mochten meewerken, maar zouden moeten beginnen met de superioriteit van het christendom verstandelijk te aanvaarden.
– De synode van de Ned.Herv.Kerk sprak zich na de oorlog, op voorstel van onder anderen Noordmans, Van Ruler en Miskotte, na uitvoerige beraadslagingen voor de tijdelijke herinvoering van de doodstraf uit. De paus sprak zich in 1950 tegen de doodstraf uit. Het Vaticaan stelde zich na de oorlog merkwaardig mild tegenover oorlogsmisdadigers op.

1945 tot jaren ‘60
– De theologie van Barth was in de eerste twintig jaar na de oorlog binnen het protestantisme oppermachtig. Alle theologen reageren op hem. Hij wil niet weten van natuurlijke theologie. Op de koppels van de Duitse soldaten stond ‘Gott mit uns’. De god die daar stond vermeld kon met de Vader van Jezus Christus niets te maken hebben. Wie nog van enige natuurlijke godskennis uitging, die liep gewoon achter en had niets van de geschiedenis geleerd. Barth schreef uiteindelijk 13 dikke delen van in totaal rond de 9000 grote bladzijden met vaak kleine letters. De rechterflank van de orthodoxie had niet alleen bezwaar tegen het feit dat Barth de bijbelkritiek accepteerde, maar stond vooral argwanend tegenover het orthodoxe gewaad waarin hij zijn vaak nieuwe denkbeelden presenteerde. De theologie van Barth kon bevrijdend werken in kringen waarin men streng rechtzinnig was opgevoed, maar in onvrede daarmee leefde. Zulke mensen werd iets nieuws geboden, dat het oude niet wegvaagde, maar wel nieuw interpreteerde.
– Binnen de vrijzinnigheid was er ook veel verdeeldheid. Soms was het zo dat de een de ander ervan beschuldigde niet meer ‘zuiver vrijzinnig’ te zijn. Men deed dus ook hier een beetje aan leertucht.
– De vrijzinnigheid bleek in haar bestaan volledig afhankelijk te zijn van (overlopers uit) de orthodoxie.
– De linkervleugel van de vrijzinnigheid kwam binnen de Ned.Herv.Kerk nauwelijks aan bod. Sommigen van hen verenigden zich in de altijd erg klein gebleven Zwingli-Bond, die zich de verdediging en het uitdragen van het principieel vrijzinnige gedachtegoed tot doel stelde. De rest van de kerk nam deze Bond niet serieus, vandaar dat die altijd een enigszins sektarisch karakter heeft gehad.
– Van vele activiteiten die na de oorlog in de kerk worden ontplooid, bijvoorbeeld het kringenwerk, vraagt Berkhof zich af wat het nut daarvan is. Al deze activiteiten leveren volgens hem alleen maar overspannen dominees op.
– Na de oorlog volgde Van Niftrik met zijn Kleine Dogmatiek, die in vele drukken verscheen en daarbij steeds verder uitdijde, maar nooit de omvang van één deel overschreed, de groei van Barths Kirchliche Dogmatik. Onvriendelijk kon men Van Niftriks dogmatiek een uittreksel uit die van Barth noemen, en sommigen spraken zelfs spottend van Van Niftriks ‘kadetje’, zulks ter onderscheiding van Barths ‘KaDé’, de bekende afkorting van de Kirchliche Dogmatik.
– Miskotte stelde dat het Oude Testament wegens zijn gerichtheid op de aarde en dit leven een tegoed heeft boven het Nieuwe Testament, dat grotendeels geschreven is vanuit de verwachting van de spoedige komst van het Koninkrijk van God. Deze gedachte zou in die jaren populair worden. Vele christenen waren toch al minder op het hiernamaals gericht dan vroeger. Nu leek hun van bevoegde zijde te worden verteld dat ze het nooit hadden moeten zijn.
– In 1945 werd door Miskotte het tijdschrift In de Waagschaal opgericht. ‘Wij menen dat ten overstaan van ons volk de woorden en pretenties opnieuw moeten worden gewogen’. Het is duidelijk dat dit blad zijn taak binnen de kerk ziet als een kritisch vernieuwende. Een belangrijke medewerker was J.J. Buskes, die in zijn rubriek ‘Terzijde’ op een anekdotische manier commentaar leverde op het kerkelijke gebeuren.
– Volgens A.A. van Ruler is Christus binnen de schepping een noodmaatregel van God tegen de zonde. De openbaring draait wel om Christus, maar het gaat niet om hem. De Zoon zal eenmaal het Koninkrijk aan Zijn Vader teruggeven.
– G.C. Berkouwer was een bescheiden en bepaald geen pedant iemand, maar expliciete zelfkritiek heeft hij zelden geleverd, terwijl daar, gezien de veranderingen in zijn denken in de loop van zijn leven, wel enige aanleiding voor zou zijn geweest. Typerend voor Berkouwer was dat hij erg terughoudend was zelfstandig te durven zeggen hoe bepaalde theologische problemen kunnen worden opgelost of vragen kunnen worden beantwoord. Hij voelde zich het veiligst als hij zijn standpunt met bijbelteksten duidelijk kon maken. Dit had voor velen iets onbevredigends. Berkhof heeft eens tegen Berkouwer gezegd: ‘Als ik al je uiteenzettingen over de diverse standpunten heb gelezen, dan ben ik geweldig benieuwd naar wat je zelf vindt – maar dan noem je mij een aantal bijbelteksten die ik ook al kende’.
– Barths interpretatie van het eeuwige leven is eigenlijk niet meer dan dat God Zich alle leven op aarde herinnert.
– Barth was zich zeer wel bewust dat Berkouwer geen geestverwant van hem is (geworden), maar hij constateert dat ‘er blijkbaar ook fundamentalisten zijn, met wie valt te praten’. Uit de reactie van Barth bleek trouwens ook wel hoe ijdel hij op grond van zijn succes als theologisch auteur en als ‘leraar der kerk’ was geworden. Hij verklaart zich door de ‘sehr kluge’ Berkouwer wel begrepen maar uiteindelijk toch niet helemaal begrepen te voelen. Hoe intelligent moet iemand dan wel zijn om Barth wel helemaal te kunnen begrijpen?
– In deze tijd was het nog steeds niet ongewoon dat de theologen van de diverse theologische richtingen of zuilen elkaar persoonlijk helemaal niet kenden. Bijvoorbeeld: Berkouwer zegt dat hij Noordmans één keer in zijn leven in de verte heeft zien lopen. Dit feit zal mede verklaren dat men in de onderlinge schriftelijke discussies vaak langs elkaar heen praatte. Daarin zou pas in de jaren zestig verandering komen.
– Volgens Woelderink mag de verkiezing niet worden vastgelegd in een besluit. De verkiezing moet dan ook als een daad en niet als een besluit van God worden gepredikt. Gods verkiezing is een daad van de levende God in het heden.
– De beweging naar rechts is er vanaf het begin van de eeuw ongeveer zestig jaar lang geweest.
– Op de napoleontische tijd volgde in Europa het 15 jaar durende tijdperk van de Restauratie (1815-1830). Iets dergelijks kan worden geconstateerd ten aanzien van de twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog in kerkelijk Nederland. In de oorlog, en ook al daarvoor, was wel het zaad tot vernieuwing gezaaid, maar dat kwam pas twee decennia later.
– Het instituut Kerk en Wereld in Driebergen had als doelstelling dat de kerk de wereld moet hervormen en daarvoor moet zij midden in de wereld willen staan. Hier zouden ook ‘werkers in kerkelijke arbeid’, WIKA’s, worden opgeleid. Zij hebben echter nooit een duidelijke functie in de kerk kunnen krijgen. In het begin van de jaren vijftig werd Kerk en Wereld een opleidingscentrum voor kerkelijke maatschappelijke werkers.
– P. Smits’ geestelijke ontwikkeling ging in de richting van een kosmische religiositeit. Hij bedankte ook als lid van de Ned.Herv.Kerk.
– Men trok na de oorlog de traktementen van de predikanten op tot het niveau van dat van leraren. Het gevolg was wel dat kleine gemeenten op het platteland zich geen eigen fulltimepredikant meer konden veroorloven en genoegen moesten nemen met een parttimekracht. De bediening werd hierdoor uiteraard minder intensief. Als dit in het pastoraat tot uitdrukking kwam, dan kon dit er gemakkelijk toe leiden dat mensen afhaakten. Het platteland was in de snel ten nadele van de kerk veranderende wereld op zichzelf een steunpunt, omdat de veranderingen zich hier veel langzamer voltrokken, maar juist daar zag de kerk zich genoodzaakt tot bezuinigen met de daardoor veroorzaakte vermindering van bediening.
– De CGK aanvaardde in 1962 de nieuwe bijbelvertaling uit 1951 – hieraan was veertig jaar gewerkt en het Nieuwe Testament was al in 1939 verschenen. Men besloot mee te werken aan een nieuwe psalmberijming. Na enige aarzeling besloot men de televisie te aanvaarden, wat het uittreden van leden en predikanten tot gevolg had.
– De opleiding van de priesters ging zo: op een kleinseminarie volgde men gedurende zes jaar een humanioraopleiding (‘humaniora’ is een benaming voor de studie van klassieke talen en klassieke literatuur; het betekent ‘menselijker’, het is dus letterlijk de studie die iemand tot mens vormt), daarna op een grootseminarie twee jaar filosofie en vier jaar theologie.
– Wat onder velen leefde, verwoordde J.A.T. Robinson in Honest to God. Veel vrijzinnigen hadden het gevoel dat zij nu van onverdachte zijde, een anglicaanse bisschop, geijk kregen. Velen hadden bij het lezen het gevoel te worden teruggeworpen op de existentiële vraag: ‘Wat geloof ik er nu eigenlijk werkelijk zelf nog van?’ De popularisering van de door Robinson uitgesproken gedachten onder het kerkvolk betekende een ingrijpende verandering in het geloofsleven van de christenen en heeft ongetwijfeld mee bijgedragen tot de ontkerkelijking. Theologen – zowel mede- als tegenstanders van Robinson – waren zich bewust wat hier op het spel stond, namelijk niets minder dan de substantie van het overgeleverde christelijke geloof. De pas gepromoveerde gereformeerde Kuitert zet in een eerste reactie keurig op een rij wat Robinsons ‘grote schoonmaak’ de kerk en de christenen gaat kosten: ze kunnen niet meer spreken van God die het typerende van Zijn God-zijn bewijst in het doen van Zijn daden en het spreken van Zijn woorden. De mensen zijn geen schuldenaars meer, zijn ook niet verzoend, gaan nergens heen. Het gebed als aanspraak en appel kan niet meer gehandhaafd blijven. Robinson had niets nieuws gezegd, hij had iets uitgesproken wat allang bij de mensen leefde maar wat ze niet openlijk durfden te zeggen: ‘We zullen het op deze wereld zonder Gods zichtbare hulp moeten doen. We zijn mondig en zelfstandig geworden en moeten dienovereenkomstig spreken en handelen’. Robinsons boekje droeg ertoe bij dat dit gevoelen het spreken en handelen in de kerken, zeker van de leiding ervan, steeds meer zou gaan bepalen. De mensen konden ook wel met enig vertrouwen het heft in eigen hand nemen. De voortschrijdende medische wetenschap maakte dat ze niet, zoals vroegere geslachten, voortdurend bedreigd waren door de dood. Men kon ook zijn eigen levensweg verregaand ‘plannen’.
– Rond het jaar 1960 rezen er in het kader van een ‘kerkbouwactie’ nog vele kerken van de diverse kerkgenootschappen uit de grond, vooral in de nieuwbouwwijken. De Ned.Herv.Kerk begon al de grote kerkgebouwen, dikwijls nog stammend uit de tijd van voor de Hervorming, af te stoten, omdat het onderhoud daarvan een molensteen om de nek van de gemeenten was. Er verrezen dus nog wel nieuwe kerkgebouwen, maar langzaam begon men het gevoel te krijgen dat de kerkelijke grond onder de voeten in beweging was.
– Na de oorlog leefde in brede kerkelijke kringen, vooral binnen de leiding van de Ned.Herv.Kerk, het gevoelen dat het tot de profetische opdracht van de kerk behoort om zich kritisch te blijven uitspreken over het beleid van de overheid. Er mocht geen terugkeer naar de vooroorlogse toestanden plaatsvinden. Volgens Noordmans hoort het voorlezen van kerkelijke boodschappen in een kerkdienst niet huis, want naast de boodschap van Jezus past gen boodschap van een synode. De leiding van de kerk legde na de oorlog sterk het accent op het apostolaat.
– Christelijke partijen waren ook een geschikt middel om ‘de club bij elkaar te houden’.
– In 1945 werden zeven rechtzinnige predikanten in Amsterdam lid van de toen nog niet in de PvdA opgegane SDAP. Ze gaven rekenschap in een brochure, Wat bezielt ze? Ze ontkennen niet dat de antithese ten tijde van de schoolstrijd wellicht nodig was, maar die noodzaak bestaat niet langer. Men verklaart dat de politiek van Colijn niet de juiste was, maar erkent uitdrukkelijk dat Colijn een christen was. Één van de redenen waarom ze als christenen tot deze partij konden toetreden was dat de partij al in 1937 het marxisme en de klassenstrijd hadden laten vallen. De oude rituelen, zoals de rode vlag en de socialistische strijdliederen bleven wel gehandhaafd. De naam van de nieuwe-doorbraak-partij, Partij van de Arbeid, was door het Britse Labour geïnspireerd. De PvdA behaalde slechts een derde van de stemmen, het bleef dus een duidelijke minderheid. De leiding van de rooms-katholieke kerk zag de partij als een bedreiging en verbood in 1954 lidmaatschap op straffe van weigering van sacramenten, inclusief kerkelijke begrafenis. Dat terwijl beide partijen al jarenlang constructief samenwerkten.
– De Hervormde synode kwam in 1955 met een Herderlijk Schrijven, waarin ze haar voorkeur voor niet-confessionele partijen boven confessionele uitsprak. Op de solidariteit met de wereld wordt grote nadruk gelegd. Ze zagen in christelijke partijvorming het gevaar van een ijdel gebruik van de Naam des Heeren. Men waarschuwt uitvoerig tegen het euvel der vereenzelviging.
– De voorstanders van de doorbraak zagen hoeveel energie medechristenen in de activiteiten voor de eigen clubs staken. Zij wilden dat die werden besteed aan de dienst aan de wereld. Maar was die verwachting realistisch? Was er een wereld die op die dienst van de christenen zat te wachten? Waren de christenen bereid om die energie inderdaad daarin te steken? Zou het verlaten van de eigen organisaties wellicht samenvallen met het verlaten van de kerk?

Jaren ‘60 tot eeuwwisseling
– Het jaar 2000 had een magische klank. Voor dat jaar werd weliswaar niet de ondergang van de wereld verwacht, maar er moesten wel veel dingen gebeuren om te voorkoen dat wij zelf al voor dat jaar de wereld te gronde hadden gericht. Vele predikanten hadden het gevoel dat het jaar 2000 minstens één keer in de preek genoemd moest worden. Maar naast deze gerichtheid op de toekomst en dit verzet tegen het verleden was er ook een merkwaardig heimwee naar het verleden. Zo zongen de Beatles: ‘Yesterday, all my troubles seemed so be so far away, that’s why I believe in yesterday!’ Het primaat van de dogmatiek werd vervangen door dat van de ethiek, en daaraan zouden de theologen meewerken. Een belangrijk beginsel werd: gezamenlijk werken aan een betere wereld leidt vanzelf tot een verdieping van het geloof dat als inspiratiebron onmisbaar zal blijken te zijn.
– De anglicaanse theoloog Inge zei: ‘Wie met de geest des tijds getrouwd is wordt gauw weduwe’.
– Een verschil met vroeger was dat de leiders van de sociaal-democratie over het algemeen een bijzonder sobere levensstijl hadden, en wel uit solidariteit met de armen. Daarvan was in de jaren zestig bij de nieuwe generatie linkse politici nauwelijks meer sprake.
– Sinds de tweede helft van de jaren zestig wilde een brede stroming onder de theologische studenten en onder de allang afgestudeerden wel als ketter te boek staan. Deze theologische beweging was, evenals de politieke in die jaren, primair van emotionele aard. Degenen die die met rationele argumenten wilden bestrijden hadden dan ook geen enkel succes. Deze storm moest gewoon uitrazen. Voor het gevoelen van velen was de oude tegenstelling tussen rechtzinnig en vrijzinnig irrelevant geworden, omdat de enige relevante vraag was of men vanuit evangelische inspiratie mee wilde werken aan maatschappelijke veranderingen. De oude tegenstelling ‘zonde en genade’ werd vervangen door die van ‘vrij en onvrij’. De geschiedenis van Israël begint immers bij de bevrijding uit Egypte. Enkele Hebreeuwse termen werden geliefd: men had het over sjaloom en tsedaqah om ‘vrede en gerechtigheid’ aan te duiden. Op veel plaatsen in kerkelijk Nederland werden ‘leerhuizen’ opgericht.
– Hoewel de vroege Barth openlijk voor het socialisme had gekozen, kon men eigenlijk weinig beginnen met zijn latere dogmatiek, waarin verwijzingen naar de politieke actualiteit opvallend schaars zijn. Barth bleek wel aan de uiterste linkerkant te staan. Zo weigerde hij na het neerslaan van de Hongaarse opstand in 1956 door het Sovjetleger een veroordeling uit te spreken. Dat zou volgens hem alleen maar de koude-oorlogmentaliteit aanwakkeren.
– A.H. van den Heuvel maakte bezwaar tegen de tijdloosheid van veel prediking en wil dat men veel meer op de actualiteit ingaat. De kerk moet de wereld om haar heen op haar duimpje kennen. Daarom zijn sociologen, beschrijvers en analisten van de werkelijkheid de grote raadslieden van de gemeente, zonder wie de kerk van vandaag helemaal niet aan haar taak kan toekomen. Als secretaris-generaal van de Ned.Herv.Kerk zou hij in de jaren zeventig de kans krijgen tot de praktische uitwerking van zijn ideeën. Van den Heuvel wekte met deze uitlatingen de ergernis van Van Niftrik, die zich vanaf die tijd bewust gaat opstellen als de behoeder van het overgeleverde geloof. Terwijl de vernieuwingstheologen het begrip discontinuïteit in hun vaandel schrijven, wil hij opkomen voor continuïteit. Van Niftrik raakte op de Amsterdamse universiteit steeds meer in het isolement en ging medestanders zoeken onder mensen en stromingen voor wie hij vroeger weinig sympathie en met wie hij zelfs conflicten had gehad.
– Aan sommige theologische faculteiten keerden studenten zich tegen de gebruikelijke kennisoverdracht op de colleges. Men wilde in werkgroepen kennis verwerven. Maar ze kwamen spoedig tot ontdekking dat ze toch niet zonder een zakelijke kennis konden functioneren…
– Het ging er niet langer om wat God voor de mensen doet, maar wat de mensen zelf – eventueel voor God – kunnen doen.
– Omdat de theologie van de revolutie ruime aandacht op de tv kregen – de NCRV en vooral de KRO zagen het als hun taak een geestelijke omwenteling in hun traditionele achterban tot stand te brengen – gingen ze het gezicht van de kerken en de theologie naar buiten mee bepalen, in sterkere mate dan waarop zij vanuit hun achterban onder het kerkvolk recht hadden.
– Van Niftrik houdt zich in dezelfde tijd bezig met de vragen van leven en dood. Terwijl de heersende theologie bezig is de gemeente mee te krijgen in een sterk activisme, mediteert en speculeert hij liever over dood, graf, opstanding en eeuwig leven. Als hij moet kiezen tussen een fundamentalistisch opgevatte Bijbel en een ‘ontmythologiseerde’, dan kiest hij voor de eerste, omdat daarin tenminste de substantie van de bijbelse boodschap bewaard wordt.
– Het Getuigenis, dat nauwelijks afweek van Fundamenten en Perspectieven – deed op de klassieke manier aan ketterbestrijding, dat wil zeggen men dacht niet met de ketters mee, omdat men zelf worstelde met de vragen die door hen gesteld werden, maar men sprak hen, met de wijsvinger zwaaiend, bestraffend toe. Het was opmerkelijk wie aan dit Getuigenis hun adhesie betuigden: Th.C. Vriezen bijvoorbeeld, die erop wees dat ‘bevrijding’ in het Oude Testament een daad van God is en dat de bevrijdenen met God verbonden zijn. De ware bevrijdingsbeweging heeft volgens hem oog voor de ellende der verdrukten, maar ook voor de diepste nood waaraan de wereld lijdt, namelijk de zonde. Kerkhistoricus J.N. Bakhuizen van den Brink betuigde ook adhesie; als historicus was hij bevreesd dat, als de politieke theologie het zou winnen in de kerk, dit tevens het einde van serieus historisch onderzoek zou betekenen, aangezien men daarin alleen in geschiedenis geïnteresseerd leek te zijn voor zover die een ondersteuning voor de eigen visie kon bieden. Sommige op zichzelf wetenschappelijke publicaties van maatschappij-kritische theologen gaven tot die vrees aanleiding, zoals iemand die tot de conclusie kwam dat Pilatus Jezus als een politieke rebel heeft veroordeeld. Kortom, men maakte zich zorgen over de ontwikkeling in de theologie waarin gedegen onderzoek vervangen werd door ideologie.
– In Amsterdam werd in 1968 F. Beukelman tot docent benoemd. Hij wijst het historisch-kritische onderzoek naar de Bijbel niet af, maar houdt het theologisch voor irrelevant. Hij is geïnteresseerd in de maatschappelijke context waarin de bijbelse verhalen zijn ontstaan en in de boodschap van de bijbelschrijvers en laat die vooral op de maatschappelijke situatie slaan. Uiteraard is deze benadering van de Bijbel in wetenschappelijke kringen controversieel, maar bij een gedeelte van de predikanten is die erg populair, omdat die het gevoel geeft dat men in de verkondiging relevant bezig is.
– Berkhof constateerde in de jaren zeventig dat de zogenaamde midden-orthodoxie in de Ned.Herv.Kerk vrijzinnig was geworden.
– De Nederlandse theologie was altijd sterk onder de invloed geweest van de Duitstalige. De roep om de maatschappelijke relevantie van het geloof doet de aandacht van de systematische naar de praktische vakken verschuiven. Dit leidt er ook toe dat de Angelsaksische, vooral de Amerikaanse theologie meer aandacht krijgt. De lectuur van Barths lijvige Kirchliche Dogmatik was altijd een moeizame taak geweest, de betrekkelijk dunne boeken van veel Amerikaanse theologen leverden heel wat minder problemen op.
– Als tegen het einde van de jaren zestig de kerken leeglopen, dan worden in de boekhandels de stapels en rijen theologische boeken steeds hoger en wijder. De leken wilden zich nu zelf oriënteren, en vooral in andere godsdiensten en binnen het christendom in heterodoxe ideeën. Slechts weinig academische theologen konden, als zij ’s zondags in erediensten voorgingen, nog automatisch op volle kerken rekenen.
– Met de val van de Muur verandert ook het theologisch klimaat. Voor maatschappij-kritiek is weinig belangstelling meer, men richt zich nu sterk op de innerlijke beleving van het geloof, op de ervaring.
– Kuitert, die in de loop der jaren een indrukwekkende eigen parochie van lezers opbouwde, verwijst al naar het moment dat de laatste in de kerken het licht uitdoet en het christendom in de cultuur is opgegaan. Hij verklaart dit wel jammer maar geen ramp te vinden.
– Sinds ruim veertig jaar is er in de Nederlandse theologie een beweging naar links aan de gang, die dus nog niet zo lang duurt als de beweging naar rechts in de eerste zes decennia van de eeuw. Ook dat had in de tweede helft van de 19e eeuw niet anders gelegen, vandaar dat het begin van de 21e en 20e eeuw theologisch wel op elkaar lijken. De radicaliteit waarmee een modern theoloog als Kuitert zich distantieert van de christelijke traditie is niet groter dan die van de modernen in de tweede helft van de 20e eeuw. De overeenkomst tussen Allard Pierson en Harry Kuitert is opvallend groot.
– In de jaren tachtig had Kuitert op een gegeven moment de waarschuwing geuit dat de actualistische en maatschappij-kritische theologie kon betekenen dat de kerken met lege handen zouden komen te staan wanneer bepaalde kwesties geen rol meer spelen. Inderdaad stonden vele predikanten tegen het einde van de eeuw wellicht niet alleen met lege handen, maar wel ook voor lege banken!
– De oude droom van sommige vrijzinnigen, dat zij de godsdienst van ‘de moderne mens’ en dus van de toekomst hadden, ging maar niet in vervulling. Men ging zich steeds meer ‘vrijzinnig’ in plaats van ‘vrijzinnig christelijk’ of ‘vrijzinnig protestants’ noemen, waarbij ‘vrijzinnig’ niet langer een bijvoeglijk maar een zelfstandig naamwoord was. De vrijzinnigen zouden ontdekken dat een verlaging van de drempel niet noodzakelijk tot een toestroom van nieuwe leden leidt en eerder kan maken dat die drempel in de voor de kerken verkeerde richting wordt overschreden!
– Als er bezwaren rijzen tegen de benoeming van Kuitert tot hoogleraar verklaart Berkouwer ten gunste van hem dat jaren van nauwe samenwerking met Kuitert hem ervan hadden overtuigd ‘dat deze zich aan de Schriften gebonden voelt, en dat bij hem de bijbel het laatste woord heeft’.
– In 1952 verdedigde de bekende bioloog J. Lever in zijn inaugurele oratie het creationisme op wetenschappelijke gronden tegenover het evolutionisme. Hij deed dit met argumenten die strijdig zijn met een fundamentalistische opvatting van de Bijbel. Hij rekent bijvoorbeeld zonder meer met fossielen die stammen uit een tijdperk van honderden miljoen jaren geleden. Hij wijst het evolutionisme als een wereldbeschouwing zonder God af, maar is wel van mening dat er een evolutie is die als schepping van God kan worden beleden. Door God komt dan elk nieuwe type tevoorschijn. Nog geen twintig jaar later uit Lever zich veel radicaler. Hij geeft zonder enige moeite toe dat de eerste hoofdstukken van het boek Genesis geen historie vermelden en verwijt ook nog dat het christendom altijd krampachtig vast heeft gehouden aan een verouderd wereldbeeld en vergroeid is geweest met de gevestigde orde en misstanden heeft gesanctioneerd. Zijn boodschap: we moeten ons minder in de prehistorie verdiepen en actiever worden in het heden (sociale bewogenheid, naastenliefde, vredelievendheid).
– De ‘silent majority’ in de kerk liet het verregaand afweten.
– Gereformeerde Bondsdocenten waren bij de kerkelijke opleiding zwaar ondervertegenwoordigd. Dit kwam deels doordat er weinig gepromoveerde predikanten van die richting waren en als dat wel zo was ging het meestal om een onderwerp uit de Nederlandse kerkgeschiedenis. Hierdoor konden ze in de meeste vakken gewoon niet benoemd worden.
– In het midden van de jaren zestig kwam er ook in de CGK een kritische beweging van jongeren op gang. De leiding negeerde ze verregaand en stuurde een middenkoers door vernieuwingen slechts langzaam door te voeren. Het gevolg was dat er lokaal grote tegenstellingen ontstonden tussen gemeenten. B.J. Oosterhoff verklaarde in 1972 dat het verhaal van de zondeval ook symbolische trekken had. Deze en andere kwesties leidden niet tot scheuringen maar wel tot onrust. De vermindering van het kerkbezoek in de middagdiensten, die al in de jaren zestig was begonnen, zette in verhoogd tempo door. Daarom remde de synode de vernieuwingen af, omdat die toch niet hielpen.
– Voor de KRO verklaarden progressieve geestelijken de oude zekerheden tot onzekerheden. Menigeen die de kerk had verlaten zal bij het horen daarvan hebben gedacht: ‘Als jullie dat vijftig jaar geleden hadden gezegd, dan zou mijn leven anders en gelukkiger zijn verlopen’.
– De conservatieve rooms-katholiek Luns uitte kritiek op het kritische katholicisme in Nederland, wat volgens hem een vorm van protestantisme was geworden.
– Ook de EO veranderde mee. De kleding op de jongerendagen is bijna even ‘werelds’ als in de Kalverstraat te Amsterdam. Iemand die verslag deed van een jongerendag dichtte: ‘O wee, o wee, ik klaag mijn nood, nog nooit zag ik bij de EO zo veel bloot!’ De EO is de enige omroep die nog landelijke toogdagen voor de leden kan organiseren – wat vroeger bij de meeste omroepen heel gewoon was. Ze zijn nog een landelijke familie.
– Wat was er rond 1970 gebeurd als de leiding van de GKN niet naar links was opgeschoven? Er moet ernstig rekening mee worden gehouden, dat we dan in die kerken een massale kerkverlating binnen enkele jaren hadden beleefd in plaats van de geleidelijke.
– Het aantal randkerkelijken was in Nederland vanouds veel kleiner dan in de omringende landen. Wie lid was van een kerk, die ging daar in Nederland ook veel vaker naartoe.
– De televisie bracht het wereldgebeuren alle huiskamers binnen. Vele christenen hadden het gevoel dat ze op het wereldgebeuren moesten reageren. Bonhoeffer had gezegd dat er een ‘religieloos’ tijdperk zou komen, en wat een christen te doen stond was ‘bidden en rechtvaardige dingen onder de mensen doen’. Het doen van rechtvaardige dingen kreeg dan wel veel meer aandacht dan het bidden. Soms werden die twee ook wel met elkaar geïdentificeerd, vanuit de gedachte dat God in de naaste tot ons komt.
– Men werd erg onzeker over de inhoud van het geloof. Maar de pretenties op ethisch gebied waren des te groter geworden. Men kon en wilde niet meer zeggen wat anderen moeten geloven, maar wel wat ze moeten doen. Een nieuwe dwang!
– Hans Wiegel onthield zich altijd zo veel mogelijk van aanvallen op de confessionele partijen, omdat hij graag coalities met hen wilde sluiten. ‘Als door het verdere afkalven van de confessionele partijen er voor vele confessionelen op een gegeven moment geen politiek thuis meer is, dan wil ik hier duidelijk zeggen dat al deze mensen in de VVD terechtkunnen!’
– Waar de Duitse CDU in het Europese parlement met de Britse conservatieven in één fractie zaten (de ‘c’ kon dus ook slaan op ‘conservatief’!), plaatste het CDA zich in het midden van het politieke centrum en liet de rechterflank aan de VVD, waarmee ze het liefst samenwerkte. Het CDA kon zo aantrekkelijk worden voor mensen die naar een gematigde midden-partij zochten. Op die plaats zou D66 als concurrent met sterk wisselend succes opereren. D66 mikte op een nieuwe tweedeling in de Nederlandse politiek, maar nu niet langer tussen confessioneel en niet-confessioneel, maar tussen progressief en behoudend.
– Het hele Nederlandse volk keek naar dezelfde tv-programma’s, en dat werkte in geestelijk opzicht nivellerend.
– Eigenlijk blijft een opmerkelijk groot aantal mensen op de confessionele partijen en daarna op het CDA stemmen ook nadat zij niet meer kerkelijk meelevend zijn.
– De VVD sloot eind jaren vijftig samenwerking met de PvdA uit, met de duidelijke bedoeling rechtse confessionele kiezers, die de samenwerking van hun partijen met de PvdA niet beviel, naar zich toe te trekken.
– Het kader van de PvdA werd sterk gedomineerd door hervormden, die voor politiek links hadden gekozen en daar een radicale koers bepleitten. Men noemde op grond hiervan de PvdA ook wel een ‘linkse kerk’.
– Het hoogste percentage stemmen dat de PvdA in 1977 behaalde, bijna 34 procent, lag ruim onder het percentage dat in Amerika de in 1964 vernietigend verslagen republikeinse kandidaat Goldwater (39 procent) en de eveneens vernietigend verslagen democratische kandidaat McGovern in 1972 (40 procent) hadden behaald. Vanuit de polarisatiestrategie moeten de electorale successen van de PvdA tussen 1967 en 1986 daarom schijnsuccessen worden genoemd.
– Opmerkelijk was dat iemand als Buskes zich distantieerde van de gewoonte om in de preek uitgebreid op politieke vraagstukken in te gaan.
– Op een gegeven moment publiceerde een commissie van de Raad van Kerken een soort tegenbegroting tegen die van het toen regerende kabinet-Lubbers. Waar bemoeiden ze zich mee…
– Van Mierlo zei: ‘Als er bij de huidige spanningen tussen Oost en West geen atoomwapens waren, dan zou ik ’s nachts geen oog meer dichtdoen’.
– De meeste kerken hadden zich achter de vredesbeweging opgesteld. Onderzoekingen wezen uit dat de meerderheid van de kerkse christenen de standpunten van de leiding van hun kerken in deze kwestie niet deelden of daar onverschillig tegenover stonden.
– Kuitert pleitte voor financiële steun aan de tegenhanger van het IKV, de ICTO (interkerkelijk comité tweezijdige ontwapening). Het IKV reageerde hierop afwijzend. Kuitert constateerde naar aanleiding daarvan dat men in kringen van het IKV niet erg in dialogen was geïnteresseerd. Volgens hem is ook het verschil tussen heil en welzijn uit het oog verloren. Hij maakt er bezwaar tegen dat men de notie van het Koninkrijk Gods helemaal heeft verhorizontaliseerd, terwijl die in het Nieuwe Testament ook te maken heeft met opstanding en eeuwig leven na de dood. Met het politieke spreken wordt de polarisatie de kerk binnengehaald. ‘Daar is een kerk niet voor’, constateert hij nuchter. Het beroep op de profeten van het Oude Testament wijst hij af. Als de kerken pretenderen namens hun Zender te spreken, dan schermen ze hun uitspraken daarmee af van kritiek en creëren ze bij voorbaat hun gelijk, waarmee ze hun plaats als serieuze discussiepartner hebben verspeeld.
– Sommige theologen – bijvoorbeeld Berkhof en Schillebeeckx – wilden nog wel eens zeggen dat de kerken, die zich altijd zo ten gunste van ‘rechts’ hadden uitgesproken, dit nu ook wel eens ten gunste van ‘links’ mochten doen.
– In interviews stelde Kuitert de kritische vraag, waarom de christenen, als zij de solidariteit met de armen zo hoog in hun vaandel geschreven hadden, dan nog wel in mooie huizen bleven wonen en auto’s voor hun deuren hadden staan. In een discussie op de televisie betichtte de Duitse publiciste Sölle hem er zelfs van dat hij de progressieve krachten in de kerken in de rug aanviel. Volgens haar was de situatie in het Duitsland van dat moment alleen maar iets beter dan ten tijde van Hitler!
– Volgens Kuitert telt in de politiek de uitkomst van een bepaald beleid en niet de gezindheid waarmee men het voert. En de kerk moet alleen spreken waar niemand anders spreekt.
– Het CDA verloor in 1994 twintig zetels, en in 1998 nog eens vijf. Binnen het CDA werd er al op gewezen dat men zich moest gaan instellen op een normaal zetelaantal van rond de twintig, hetgeen zou betekenen dat het CDA zijn sleutelrol in de Nederlandse politiek definitief zou verliezen.
– De zich zo tolerant mogelijk uitende christenen pleitten sterk voor een multiculturele samenleving. Aangezien de meeste christenen niet in ‘volkswijken’ wonen, hebben zij over het algemeen geen allochtone buren, en hebben ze over dit vraagstuk dus eigenlijk niet veel recht van spreken.
– In 2002 ging het CDA van het grote aantal zwevende kiezers profiteren. Het onthield zich tijdens de hele campagne zo veel mogelijk van aanvallen op Fortuyn en gaf te kennen het op een aantal punten, zeker in het aanwijzen van de misstanden, met hem eens te zijn. Minister-president Kok toerde langs de studio’s van alle omroepen en wekte de mensen op bij hun keuze toch vooral ook hun verstand te gebruiken en zich niet alleen door emoties te laten leiden. Een groot aantal kiezers gaf aan die oproep gehoor en stemde niet op de Lijst Pim Fortuyn maar op het oppositionele CDA, dat maar liefst dertien zetels winst kon boeken.

Gepubliceerd in april 2009

Advertenties