Nieuw Babylon in aanbouw

n.a.v. James C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig, Amsterdam 1995

Een nieuwe mens
New Babylon (1960) was een bedenksel van Constant Nieuwenhuys: een samenleving, ontworpen voor een ontwakende ‘nieuwe mens’, die door de wonderen van de technologie bevrijd is van de natuur, zich aan elk functioneel verband heeft ontworteld en zijn hele leven kan besteden aan reizen, avontuur en creativiteit: de homo ludens (spelende mens). In New Babylon zou ‘geen religie meer zijn, geen moraal, geen recht, geen kunst, geen gezin, en ook geen stad, woning, straat, sportveld’. De provo’s adopteerden New Babylon eind 1965 als hun visie op de toekomst.

Alles mogelijk gemaakt door…gezagsdragers
Tegen het einde van de jaren zestig was Nederland een land geworden waar alles mogelijk scheen te zijn. Het leek meer op het ‘New Babylon’ dan enige samenleving ooit eerder had gedaan, of zou doen. Nederland dankt zijn tolerante en progressieve klimaat aan een heterogene groep behoedzame gezagsdragers die zich zoveel zorgen maakte over het in de hand houden van ontwikkelingen, dat zij gedrag mogelijk maakte, en zelfs stimuleerde, dat in andere landen niet zou worden geduld. Geen enkel land in West-Europa veranderde meer.

De jaren vijftig
Nederland stond in de jaren vijftig bekend als een eigenaardig en ouderwets landje. Voltaire schijnt gezegd te hebben: ‘Als de wereld verloren gaat, dan zou ik naar Holland gaan, waar alles vijftig jaar later gebeurt’. Nederland industrialiseerde laat en was tot diep in de jaren vijftig een betrekkelijk arm land. Het omvangrijk kerkbezoek en hoge geboortecijfer maakten van Nederland een statistische uitzondering in Noord-Europa. Bovendien leek Nederland de belichaming van een trouwe bondgenoot van Amerika, onovertroffen in anticommunisme en atlanticisme.

Zonder geweld
Begin jaren zeventig was er vrijwel niemand meer die in behoudende termen dacht. Nederland ontwikkelde zich tot het meest anti-traditionalistische land van het Westen. Bij de meeste Nederlanders hebben de belangrijke gebeurtenissen in de jaren zestig geen persoonlijke crisis veroorzaakt. Opmerkelijk is dat deze culturele transformatie in veel opzichten verder strekte dan die in Amerika, maar met veel minder geweld tot stand kwam. Noch de staat, noch de burgers namen hun toevlucht tot geweld.

Pluralisme en compromissen sluiten
Al vanaf het begin van de Nederlandse Republiek was er pluralisme en leerde men compromissen te sluiten. Het was te danken aan de tolerante houding van de magistraten en aan de hoge confessionele normen van de orthodoxe hervormden (die weinig voelden voor een brede, allesomvattende kerk) dat aan andere religieuze groeperingen relatief veel vrijheid werd gelaten. De katholieken werden gedoogd. Hoewel dit traditionele pluralisme in de loop van de 19e eeuw weer naar de achtergrond verdween door het ontstaan van een gecentraliseerde, liberale en ‘neutrale’ staat, kreeg het tegen het einde van die eeuw, toen de onvrede over de liberale dominantie groeide, een nieuwe gestalte. De omvangrijke middenklasse in Nederland en de relatieve kracht van de agrarische sector (door de teloorgang van de steden in de 18e eeuw), droegen bij aan de ongewone invloed van de godsdienst in het politieke en sociale leven in de 19e eeuw.

Zuilen en de elites
Abraham Kuyper stond aan de wieg van de ‘verzuiling’. Deze zuilen stonden onder leiding van een vrij kleine groep ‘regenten’, die volgens eeuwenoude traditie gezamenlijk streefden naar consensus en compromis. Zij probeerden op nationaal en lokaal niveau het goede te vinden voor hun achterban zonder dat zij hooglopende conflicten met andere subculturen hoefden te riskeren. De tamelijk zwakke reactie van de elites in het decennium waarin zoveel culturele veranderingen plaatsvonden was van vitaal belang voor de gebeurtenissen in die jaren. Overal in het Westen waar men de autoriteiten het vuur na aan de schenen legde, hebben de uitgedaagden besluiteloos, inconsistent of minzaam gereageerd.

De zwijgende meerderheid niet in stelling gebracht
Maar vooral de Nederlandse elites (de vertegenwoordigers van de gevestigde partijen, dagbladen, verenigingen en kerken) voelden er niets voor zich schrap te zetten om een ‘silent majority’ (Nixon) te ontbieden ter verdediging van de status quo. Zij hadden bijvoorbeeld de hulp kunnen inroepen van het omvangrijke lezerspubliek van De Telegraaf, het meest gelezen dagblad van Nederland, dat vaak met wantrouwen melding maakte van culturele veranderingen. In feite waren de elites aanhangers en zelfs bereidwillige predikers van het modewoord ‘vernieuwing’.

Geloof in onverbiddelijkheid
Zij gaven zich in het rustige Nederlandse politieke klimaat snel gewonnen toen bewegingen waar ze geen controle over hadden onverwacht vraagtekens zetten bij hun autoriteit. Ook zijn de veranderingen toegeschreven aan de ‘pacificatiepolitiek’, die in de geest van het pluralisme protestbewegingen liever institutionaliseerde dan dat ze deze uitsloot van de onderhandelingen. Anderen wijzen op de politieke cultuur, een overblijfsel van een voorbije eeuw, die niet was aangepast aan de nieuwe omstandigheden. Het wijdverbreide geloof in de onverbiddelijke komst van het ‘moderne leven’ is één van de fascinerendste aspecten in de denkwereld van de Nederlandse elites in de jaren zestig. Velen getuigden van hun geloof in de onvermijdelijkheid van verandering, en meenden dat de enige verstandige beslissing kon zijn van de nood een deugd te maken.

Krachten buiten ons
Naast de calvinistische theologie (oog hebben voor Gods hand in de geschiedenis) had ook het Duitse idealistische en romantische gedachtegoed invloed op Nederlandse bestuurders: een historische Weltanschauung, de opvatting dat geschiedenis ontwikkeling, ontplooiing en beweging betekent, gestuurd door een Kracht of krachten onafhankelijk van menselijk handelen. Een andere romantische notie was de vergelijking van de maatschappij met een ‘organisme’, dat groeit en zich ontwikkelt volgens een eigen wetmatigheid. Ook de beperkte macht van de Nederlandse elites was een factor. Ze werden vaak geconfronteerd met internationale ontwikkelingen waarop ze weinig greep hadden. Ook waren Nederlandse elites nauwelijks in staat tot machtsvertoon in een verdeeld land waar geen stroming een meerderheid kon bereiken.

Willem II, Wilhelmina en Colijn
Deze gevoeligheid voor de ‘onvermijdelijke’ wegen van de geschiedenis heeft geleid tot welhaast komische reacties in crisissituaties. Koning Willem II werd naar eigen zeggen in één nacht van conservatief plotseling liberaal toen een revolutie dreigde. Op dezelfde wijze zette koningin Wilhelmina, in ‘opdracht’ van de tijd, verstrekkende arbeidshervormingen in gang, nadat Troelstra een revolutionaire toon had aangeslagen. En Hendrik Colijn liet snel na de Duitse inval weten dat deze overheersing een historische ontwikkeling was waarmee we moesten leren leven.

Geen conservatief alternatief
Na 1945 wilden de Nederlanders de rampzalige koers van neutraliteit niet blijven volgen. Nederlandse politici voelden zich gedwongen de Europese economische integratie te steunen. De dekolonisatie van Indonesië en Nieuw-Guinea bleken ook ontwikkelingen waaraan men moest toegeven. Nederlandse elites geloofden dat Nederland door de ‘modernisering’ aan het veranderen was en dat deze verandering absoluut noodzakelijk was. ‘Je kan niet – nee, je mag niet – tegen de tijd ingaan’. ‘Het beste middel om gezagscrisis en revolutie te voorkomen is: goed progressieve leiding geven’. In de Nederlandse politieke cultuur ontbrak lange tijd een openlijk ‘conservatief’ alternatief voor politieke en sociale kwesties. Zij werd een vies etiket dat politici alleen nog plakten op hun tegenstanders. De verwerping van ‘rechts’ als benaming was onderdeel van een breder Europees patroon, getuige de opening van het eerste Europese parlement in Straatsburg in 1958 waar delegaties elkaar verdrongen om maar niet aan de rechterzijde van de kamer te zitten!

Meewandelen
Aan de andere kant zijn Nederlandse elites nauwelijks bedeeld met profetische gaven en waren ze hun tijd zelden vooruit. ‘De tijd, zo schijnt het motto te zijn, heeft zijn loop, en wij wandelen wel mee’. Nederlandse elites reageerden, maar kwamen zelf nauwelijks met gedurfde initiatieven tot veranderingen. De Nederlandse politieke cultuur schoof tijdens de jaren zestig naar links. Weliswaar werd wel tegengestribbeld door De Telegraaf, door de afgevaardigden van de gemarginaliseerde Boerenpartij en door de kleine, orthodox-calvinistische kerken.

Vernieuwingsretoriek
‘Wat was is voorbij, en dat is maar goed ook’. Deze vernieuwingsretoriek – die geen vaststaande inhoud had – verenigde verschillende ideologische partijen die verder weinig met elkaar gemeen hadden. De elites waren wel degelijk de zaaiers. Ze hebben meegewerkt aan de grote verandering, alhoewel ze vaker op veranderingen reageerden dan dat ze deze bewerkstelligen. Het is deze aanpassingsgezindheid die de jaren zestig in Nederland anders maakte. Er was noch heldenmoed, noch tragiek. Door gebrek aan behoudend en ‘herstellend’ conservatisme wijkt de Nederlandse reactie op de jaren zestig af van die in de Verenigde Staten. De pragmatische aanpassing aan de ‘veranderende tijden’ heeft ook slappe meegaandheid veroorzaakt. ‘De jaren zestig in Nederland blijven voor mij dus zowel een inspiratiebron als een waarschuwing’.

Volksgericht in Staphorst
Op 10 november 1961 werd in Staphorst een vrouw uit haar huis gesleurd en op een kar gezet. Vervolgens werd een man uit een Meppels café gehaald om haar te vergezellen. ‘Overspel, overspel’, klonken de kreten van de toeschouwers. De Staphorsters sloegen met dit 14e-eeuwse gebruik twee vliegen in één klap. Zo drukten ze hun medegevoel uit voor de gedeprimeerden en tegelijkertijd werden twee ontrouwe echtgenoten gestraft én weer in ere hersteld. Voor de jongeren die het plan hadden beraamd betekende het gebeuren een afwisseling van het saaie provinciale bestaan. Maar buiten Staphorst werd woedend gereageerd: de ‘Staphorster affaire’. Men sprak over verval tot wetteloosheid dat leek op de ‘lynchings’ in het Amerikaanse Zuiden. Ook de buitenlandse pers bemoeide zich ermee. Door zowel de omvang als de inhoud van deze artikelen leek heel Nederland zo primitief als Staphorst. Het wordt betwist of deze praktijken alleen in Staphorst voorkwamen; men wijst op vergelijkbare gebeurtenissen in Limburg tijdens de jaren vijftig.

De Nederlandsche Unie
De jaren vijftig vormen een belangrijke achtergrond om het gedrag van de vernieuwende elites in de jaren zestig te kunnen begrijpen. In deze periode zouden veel Nederlandse elites zich verzoenen met de in hun ogen onvermijdelijke moderniseringsprocessen. Nederland was meer dan enig ander Europees land een samenleving die werd beheerst door godsdienstige subculturen. Na de Duitse invasie werd de Nederlandsche Unie opgericht, die bijzondere populariteit genoot door haar verwerping van nationale scheidslijnen. Niemand was een groter voorstander van vernieuwing dan koningin Wilhelmina. Hendrik Kraemer zei: ‘De tijden zijn veranderd, en wij moeten mee veranderen, niet uit kameleontische karakterloosheid, maar uit opmerkzaamheid voor de teekenen der tijden’.

De ‘doorbraak’
Vele vernieuwers vonden elkaar na de oorlog in de Nederlandse Volksbeweging (NVB). Nederland had een ‘doorbraak’ nodig. Vrijzinnige protestanten als dominee Banning en professor Van der Leeuw waren hiervan voorstanders. Het werk van de NVB getuigde van noblesse oblige, zij stelden hun leven in dienst van hun getroffen land. Deze vernieuwingsgezinde elites verkondigden een vreemde mengelmoes van ideeën in het licht van huidige waarden. Ze waren in moreel opzicht conservatief, ervan overtuigd dat slechts een herstel van gemeenschappelijke waarden, van nationale eenheid en geestelijke kracht Nederland, en eigenlijk heel het Westen, kon redden van nihilisme.

Zorgen over de moraal
Ongerust over de vernietigende gevolgen van de oorlog op de (seksuele) moraal, maakten zij zich vooral zorgen over de negatieve gevolgen van de oorlog op de jeugd. Over het algemeen wantrouwden de NVB’ers de democratie. Ze waren in sociaal en politiek opzicht vooruitstrevend. Ze stelden zich ten doel het oude politieke systeem met confessionele partijen te vervangen door een in hun ogen effectiever en zinvoller systeem, bestaande uit slechts een progressieve en conservatieve partij.

Terugkeer naar voor de oorlog
Begin 1946 vormden de vernieuwers de Partij van de Arbeid om de gewenste politieke ‘doorbraak’ te bewerkstelligen. De Christelijk-Historische Unie (CHU), één van de twee grootste protestantse partijen, kreeg het zwaar te verduren toen een aanzienlijk aantal vooraanstaande leden overliep naar de PvdA. Maar de Nederlandse kiezers verkozen bij de eerste naoorlogse verkiezingen voor een terugkeer tot de politieke constellatie van voor de oorlog. De confessionele partijen herwonnen een groot deel van hun vooroorlogse sterkte. Daarnaast verloor de PvdA veel steun uit de linkervleugel aan de communisten.

Rooms-Rode kabinetten
‘Vernieuwing’ had het isolement van de sociaal-democraten opgeheven. De ‘Rooms-Rode’ kabinetten (KVP en PvdA) van na de oorlog zetten een uitgebreid sociaal beleid uit. Verzuilde organisaties waren tot 1965 nog verantwoordelijk voor de distributie van de sociale uitkeringen. Zodoende werden de verzuilde organisaties als gevolg van de oorlog versterkt in plaats van verzwakt. ‘Het oude’ leek terug te keren. Het vooroorlogse politieke systeem hield stand. De Koude Oorlog veroorzaakte een conformisme, de moraal werd in stand gehouden. Het bisschoppelijk mandement van 1954 verbood Nederlandse katholieken lid te worden van socialistische partijen of vakbonden.

Blijvende invloed ‘doorbraak’ – De Ned.Herv.Kerk
Er is een debat over de vraag of 1945 een ‘Stunde null’ was, of dat de radicale breuk met het verleden zich pas afspeelde in de jaren zestig. De ideologie en de retoriek van de ‘doorbraak’ waren op minstens drie manieren van blijvende invloed: (1) Er vond werkelijk een doorbraak plaats, hoewel die bescheiden was. Gezaghebbende liberale en socialistische dagbladen, maand- en weekbladen verzoenden zich niet met de verzuilde samenleving. In 1948 werd de VVD opgericht. En vooral de PvdA en de Ned.Herv.Kerk (het ledental was sterk gedaald, men werd wakker geschud, besloot mee te werken aan de introductie van een nieuwe maatschappij in de nieuwe wereld: oecumene en herkerstening – de kerk werd een fel bestrijder van de verzuiling) hamerden voortdurend op de ‘doorbraak’. In het rapport Christen-zijn in de Nederlandse samenleving (1955) staat dat deze tijd ‘vraagt om een nieuwe en krachtige uitdrukking van het menselijk samen-zijn in de wereld, van de solidariteit’.

Gedwongen zich te verdedigen
(2) De confessionele partijen werden gedwongen zich te verdedigen. Vooral de KVP voelde zich gedwongen tot het doen van verschillende concessies aan de katholieke vernieuwers. Na de oorlog kwamen verwijzingen naar Gods wet en christelijke openbaring nauwelijks meer voor. In plaats daarvan probeerden ze, op thomistische wijze appellerend aan de redelijkheid en de goedheid van de niet-katholieken, open te lijken. De twee protestantse partijen voelden zich eveneens door de ‘doorbraak’ bedreigd, al was het om andere redenen. De CHU was gematigder en pragmatischer dan de ARP, die een dubbelzinnige houding aannam.

ARP: dubbelzinnige houding
De ARP wees de doorbraak om principiële redenen consequent van de hand en was daarmee de enige grote partij die hiertoe besloot. Maar de antirevolutionairen waren ook niet aan de macht tot na de verkiezingen van 1952, en werden door alle grote partijen gewantrouwd vanwege hun verzet tegen de welvaartsstaat en hun verdediging van de geminachte Colijn-jaren. De ARP was de enige grote partij die gedurende de gehele naoorlogse periode stemmen verloor; tussen 1948 en 1963 verloor de partij bij elke nationale verkiezing. Het voornaamste resultaat van de bezinning binnen de ARP was een geleidelijke, maar besliste, verwerping van hun vroegere politieke en sociale beleid. Om te voorkomen dat zij als te rechts beschouwd zouden worden, raakten de confessionelen verstrikt in dubbelzinnigheid.

De doorbraak brak niet door, maar toch…!
(3) De retoriek en ideologie van de ‘doorbraak’ wekte de indruk dat het ‘verzuilde bestel’ in Nederland een anachronisme was geworden. Het is één van de merkwaardigste paradoxen van de jaren veertig en vijftig dat in een tijd waarin de ‘doorbraak’ niet doorbrak, de meeste politici bereid waren toe te geven dat de huidige politieke en sociale ordening eenmaal zou moeten veranderen. Confessionelen waren niet ongevoelig voor de toenemende scherpe aanvallen op de verzuiling. Een socioloog noemde haar bijvoorbeeld een moderne vorm van ‘sociale controle’. Het was de grootste binnenlandse vijand, ‘hokjesgeest’, ‘eigenbelang’ en ‘onverschilligheid voor de ander, leidend meermalen tot wantrouwen, vijandschap of haat tegen die ander’. Iedereen ging de term ‘verzuiling’ vermijden. De Katholieke Geitenfokkers Vereniging wordt geregeld geciteerd als het meest absurde voortbrengsel van het verzuilde tijdperk.

Industrialisatie stelt voor problemen
Op hetzelfde moment dat de Nederlandse politici en academici zich distantieerden van ‘verzuiling’, maakten ze zich sterk voor de ‘modernisering’ van zowel de economische als de sociale infrastructuur. Door de enorme oorlogsschade (Nederland leed meer schade dan enig ander West-Europees land) werd door de overheid gestuurde industrialisatie noodzakelijk. De omvang van de Nederlandse dienstensector, havens en industriële productie nam indrukwekkend toe. Niet weinigen maakten zich zorgen om de sociale gevaren die inherent waren aan modernisering: de gevaren van technologie en modernisering, de crisis van eenzaamheid, nihilisme en collectivisme. Zelfs in de meest optimistische moderniseringsliteratuur komt deze morele bezorgdheid naar voren. Hoop moest dus samengaan met behoedzaamheid.

Argusogen
David Kodde, fractieleider voor de SGP in de Provinciale Staten van zeeland wist dat het gevaar van ‘wereldgelijkvormigheid’ dichterbij zou komen door de Deltawerken. Maar toch wees hij het Delta-plan niet af: ‘Zeeland heeft verandering nodig’, zei hij wijzend op de leegstroom van de dorpjes als gevolg van de werkloosheid. Iedereen deed z’n best om de schadelijke effecten van een snelle modernisering te beperken, bijvoorbeeld door het gemeenschapsleven te bevorderen. Bedreigende vormen van technologische vernieuwing werden met argusogen bekeken; de Nederlandse elites gaven bijvoorbeeld de televisie in de jaren vijftig het oranje en niet het groene licht.

Verstatelijking
Wel was men gevoelig voor de beschuldiging van ouderwetsheid en trachtte het subculturele (verzuilings-)systeem met woord en daad ‘modern’ te maken. Organisaties kregen nieuwe, professionelere leiders en werden gesubsidieerd door de overheid: verstatelijking. Bureaucratische professionalisering verving ideologische betrokkenheid. Veel onderzoekers beschouwen het ontstaan van gesubsidieerde subculturele organisaties als een cruciale factor in de ontzuiling gedurende de jaren zestig. Beleidsmakers over heel de wereld gingen in de sociologie geloven, zoals ze eens hadden geloofd in de gouden standaard. De sociologen en maatschappelijk werkers bleken onmisbare profeten en waarzeggers te zijn.

Het platteland
Sociologen en maatschappelijk werkers waren de sociale ingenieurs die de hobbelige weg naar modernisering moesten effenen – om zo ‘industrialisatie langs lijnen van geleidelijkheid’ teweeg te brengen. Het platteland kwam in een ‘stroomversnelling’. Maar ondanks de voorlichtingscampagne in 1957 waarin boeren werden geconfronteerd met de dynamiek van de moderne tijd’, waren dezen niet altijd gelukkig met het moderne leven. Desalniettemin waren de vernieuwers er vast van overtuigd dat het ouderwetse agrarische leven niet gehandhaafd kon worden. Dit alles kwam voort uit één teleologische vooronderstelling: omvangrijke processen waren Nederland onherkenbaar aan het veranderen. De elites geloofden dat het de ‘moloch van de modernisering’ was, en niet zijzelf, die de hoofdlijnen van het openbare beleid bepaalde.

Aanpassen
‘De snelle ontwikkeling’ hoefde niet te worden geïntroduceerd, noch te worden uitgelegd, ‘het’ gebeurde eenvoudig. Het beste wat Nederlandse leiders doen konden was zich ervan verzekeren dat iedereen, ook zijzelf, zich zou aanpassen aan wat komen moest. Men zou kunnen stellen dat de drang tot technologische en organisatorische vernieuwing van de Nederlandse elites losstonden van hun morele en theologische opvattingen, die traditioneel en conservatief van aard bleven. Modernisering, de onverbiddelijke kracht, liet weinig intact van de oude morele constructie. Nederlandse sleutelelites waren hiervan op de hoogte en, nog belangrijker, ze accepteerden het als de parijs die de samenleving moest betalen voor modernisering. Zij wisten dat hun morele en theologische gezichtspunten grotendeels (maar niet volledig) irrelevant waren voor de processen die zich rondom hen afspeelden.

Nozems
Onderwijsgevenden zagen dat de bezetting vooral de jongeren geestelijk had beschadigd. Een omvangrijk rapport uit 1952 zette minutieus de oorzaken en gevolgen van een ‘maatschappelijk verwilderde’ jeugd uiteen. In 1955 introduceerde Jan Vrijman de nozems, als onderwerp van een aandachttrekkend artikel over de ‘onbegrijpelijke’ jongelui in Amsterdam. Kinderen van de middenklasse spreidden een stuitend gebrek aan idealisme tentoon. De socialisten waren genoodzaakt hun jongerenorganisatie wegens gebrek aan belangstelling te ontbinden.

Moderne jeugd
Profijtelijk of niet, ‘dan moeten wij het maar accepteren’ werd naarmate de jaren vijftig vorderden meer en meer de houding tegenover de jongere generatie waarin kerkleden en elites berustten. De jongeren, die financieel zelfstandiger en minder goedgelovig waren dan hun ouders, weigerden de rolverdeling te volgen die traditioneel voor hen was vastgelegd. De oorlog had de oudere generatie in alle landen in diskrediet gebracht. Het moest de moderne jeugd worden toegestaan haar eigen gang te gaan. Leiders van vroeger, zoals Banning, riepen de zelfstandigheid van de leiders van morgen uit. Volwassenen die eens gewend waren hun kinderen als marionetten te behandelen, gaven hun nu zelf de touwtjes in handen.

Minder dwang, maar discussie
Dat de jeugd zoveel ruimte werd gegeven is goed zichtbaar in de omwenteling in de onderwijskundige theorie en praktijk. De pedagogiek veranderde, ook in confessionele kringen. De jeugd werd aangemoedigd haar eigen meningen te verwoorden. De herwaardering van de mening van tieners kwam deels voort uit hun betere opleiding, het gevolg van de naoorlogse onderwijsrevolutie. Minder dwang, meer discussie, dat werd modieus in de opvoeding. Nieuwe methoden moesten worden ontwikkeld. De noties ‘generatiekloof’ en ‘jeugdprobleem’ werden in de jaren vijftig daar de sociale wetenschappers en pedagogen volledig geaccepteerd en – evenals ‘het moderniseringsproces’ – aangenomen als onbetwistbare waarheden. Hoewel hun kijk op de jeugd zelden overeenkwam met de wijze waarop de jongeren zichzelf zagen, bleef men de ‘moderne jeugd’ beschouwen als een kracht waar moeilijk greep op te krijgen was. De oude elites werden verscheurd tussen het vasthouden aan hun eigen waarden en normen en het laten geschieden van wat komen moest.

Welvaartstijging
In zijn kersttoespraak in 1960 drukte prins Bernhard de luisteraars op het hart om van de ‘strijd’ een deugd te maken. Maar in 1963 was van deze strijd weinig meer te merken; rijkdom en nieuwe mogelijkheden waren de maatschappij deel geworden. Nederland bleek rijker te zijn dan het dacht toen de grote gasbel die in 1959 in Slochteren was ontdekt een overvloedige energiebron en waardevol exportproduct binnen handbereik bracht. De lonen waren explosief gestegen (10 procent per jaar), televisie, auto en koelkast werden steeds meer gemeengoed. Er kwam dooi in de Koude Oorlog, de ‘pil’ werd in Nederland geïntroduceerd.

Nieuwe politici
Soberheid en ascese, begrippen waar de populaire tijdschriften enkele jaren daarvoor bol van stonden, waren niet meer in trek. Ook boeken veranderden van stijl en inhoud; de moralistische novellen van de jaren vijftig werden vervangen door moreel-neutrale verhalen. Zo verwijderde het verleden zich snel. Er traden nieuwe politici aan. Bij de nieuwe generatie politieke woordvoerders ontbrak weliswaar het charisma van een Kennedy, maar toch waren hun opvolgers op eigen manier geschikte ‘moderne’ vervangers die de politiek ‘zakelijk’ aanpakten.

Boeken over de vooroorlogse tijd
De jaren twintig en dertig met al hun eigenaardigheden werden in deze tijd tegen het licht gehouden in een stroom van boeken. Deze populaire boeken wilden aantonen hoezeer elke subcultuur in een kwart eeuw tijd was veranderd. Michel van der Plas schreef Uit het rijke roomsche leven (1963, ‘opdat de lezers zouden zeggen: “nooit meer”’). Van Kaam schreef Parade der mannenbroeders en De Gooyer Het beeld der vad’ren (beide 1964). Vonhoff beschreef in De zindelijke burgerheren (1965) de vooroorlogse liberalen als bekrompen, oude patriciërs. Gezien de titels was ook satire niet ver te zoeken; men zou er ‘met een beetje vertedering naar kijken’. Alleen de socialisten werden met wat meer sympathie geportretteerd door Cornelissen, Harmsen en De Jong: De taaie rooie rakkers (1965).

Weg-met-ons-mentaliteit
Deze boeken vestigen niet alleen de aandacht op de enorme afstand tussen 1939 en 1964, maar ook maken ze een stereotype (vaststaand beeld) van het verleden. Die ouderwetsheid was op z’n best irrelevant en op z’n slechts schadelijk, maar in elk geval uit de tijd. S.U. Zuidema schreef terecht: ‘Wij distantiëren ons van ons voorgeslacht, maken hen lachwekkend, of schamen ons voor hen, bevuilen hun nest tot meerdere zelfrechtvaardiging van onze “sociale” bewogenheid, grote-wereld-politiek, ons anti-kolonisme tot aan de grens van wat een dagblad in Nederland de “weg-met-ons-mentaliteit” pleegt te noemen?’

Staphorst is groter dan u denkt
Begin jaren zestig kwamen toeristen nog steeds onder de indruk van het conservatisme, de rust en de godsdienstigheid van Nederland. ‘Staphorst is groter dan u denkt’. Morgen zal alles anders zijn was zowel de titel als de verwachting van het boek van Thijs Booy, voormalig secretaris van koningin Wilhelmina. Het was de overtuiging van de meeste godsdienstige en politieke elites dat er nog veel zou veranderen omdat er al zoveel was veranderd.

Nieuw-Guinea
Nederland kon haar koloniën moeilijk loslaten, maar vanaf midden jaren vijftig groeide het verzet tegen het behoud van bijvoorbeeld Nieuw-Guinea. Ook binnen confessionele kringen werd dit steeds vaker verwoord, niet in het minst door zendelingen en vertegenwoordigers van het zakenleven. De meest verbijsterende kentering kwam in 1961 door J.A.H.J.S. Bruins Slot, fractievoorzitter van de ARP. Er werd met open mond geluisterd toen hij erop aandrong dat de regering de mogelijkheid moest gaan onderzoeken dat Nieuw-Guinea onder bestuur van Indonesië kwam. Het christelijk geweten van Bruins Slot werd gekweld en zijn toespraak was een oprechte oproep tot verzoening.

Kleine provincie geworden
Het gebrek aan steun vanuit de NAVO en de op handen zijne Indonesische invasie waren dwingende redenen om het voor Nederland ongunstig uitpakkende akkoord te ondertekenen. Premier De Quay sprak over de ‘stroomversnelling der tijden’, de onverbiddelijke stroom die niet kon worden gestuit. Neêrlands bescheiden ambities waren onderworpen aan krachten die buiten haar invloedssfeer lag. Ontdaan van de bedrieglijke illusie van onafhankelijkheid en neutraliteit en van de status een koloniale mogendheid te zijn, was Nederland een kleine provincie geworden in de wereld.

Gidsland
De Nieuw-Guinea-crisis bleek het omslagpunt te zijn in de naoorlogse metamorfose; Nederlandse elites zouden langzaam maar zeker het beleid van het verleden achter zich laten. Binnen een decennium na het Nieuw-Guinea-fiasco werd Nederland één van de meest vooruitstrevende landen in het Westen: een ‘gidsland’. Het was een ‘vlucht naar voren’, de Nederlanders wilden hun beperkte internationale bevoegdheden compenseren met een ‘up-to-date’ buitenlands beleid. Nog in 1946 schreef de Britse ambassadeur in Nederland: ‘Het is het oude verhaaltje. Het lukt de Nederlandse politiek maar niet de bus te halen. Blijkbaar bewaren ze de dienstregeling niet op een handige plaats’.

Vervlogen ideaal
Op 10 mei 1940 vervloog het ideaal om ‘een licht voor de naties’ te zijn (een uitspraak van premier De Geer uit 1939). De Nederlandse regering had lang geweigerd bondgenootschappen aan te gaan, een niet onverstandige koers voor een klein land tussen de drie sterkste mogendheden van Europa. In plaats daarvan vertrouwde men op het internationale recht, de superioriteit van de eigen principes en het vertrouwen dat de drie buurlanden elkaar van kwalijke bedoelingen met Nederland zouden weerhouden.

NAVO-bondgenoot
De dreiging uit het oosten maakte Nederlandse politici in 1948 bereid (aangespoord door Amerika) concrete toezeggingen te doen ten behoeve van de gemeenschappelijke veiligheid, iets wat enige jaren daarvoor nog ondenkbaar was geweest. Toen eenmaal toenadering was gezocht tot de NAVO werd Nederland in woord en daad één van haar toegewijdste leden. De Nederlanders droegen in de jaren zestig een hoger percentage van BNP en staatsbudget af aan defensie dan de meeste bondgenoten. En het waren de Nederlanders die als eersten in de NAVO het plaatsen van kernwapens op hun grondgebied aanvaardden. De NAVO was voor de Nederlanders uiterst voordelig. Bovendien stelden de meeste makers van buitenlands beleid in Nederland meer vertrouwen in de Amerikaanse nucleaire paraplu dan in een West-Europese.

Naoorlogse realiteit
De gehechtheid aan de NAVO kende wel grenzen. Nederland liep nooit echt warm voor de krijgsmacht, het beschouwde haar volgens lang bestaande traditie als een noodzakelijk kwaad. En tijdens de Suez-crisis bekritiseerden de Nederlanders de Amerikaanse opstelling en steunden ze het Brits-Franse beleid. Het Nederlandse parlement kreeg NAVO-aangelegenheden slechts zelden voor ogen, dat werd – evenals het grootste deel van het buitenlands beleid – toevertrouwd aan beroepsdiplomaten. Zelf beschouwden de Nederlandse elites na de oorlog hun deelname aan het Atlantisch bondgenootschap als een radicale breuk met het vooroorlogse beleid en als een noodzakelijk antwoord op de nieuwe naoorlogse realiteit.

Eerst niet zo voor Europa
Nederlandse diplomaten, politici en zakenleiders waren niet allemaal bevlogen Europeanisten. In de jaren vijftig stond de Nederlandse regering nog niet bekend om haar pro-Europese houding. Willem Drees (de eerste niet-kerkelijke premier van Nederland; hij was lid van het Humanistisch Verbond) was eigenlijk een anti-federalist die bevreesd was dat de soevereiniteit van Nederland in het gedrang zou komen. Joseph Luns, minister van Buitenlandse Zaken van 1952 tot 1971, was onverzettelijk wanneer de verhouding met Engeland of Amerika door de Europese samenwerking in gevaar dreigde te komen. Deze katholieke minister wantrouwde De Gaulle en diens ambities voor Frankrijk, en was van mening dat een Frans-Duitse hegemonie in de Europese Gemeenschap voorkomen kon worden door de Britten toe te laten tot de EEG.

Pro-Europeanisten
Het zou dus onjuist zijn om te veronderstellen dat de Nederlandse regering in de jaren vijftig en zestig nationale belangen opofferde voor het grotere goed van Europa. Niettemin boekte het Nederlandse Europeanisme uiteindelijk de overwinning. In Nederland was de steun onder de bevolking voor het Europese federalisme in de jaren vijftig groter dan in enige andere lidstaat. De sleutel voor het succes van de Europeanisten was hun vermogen het Europese debat te domineren. Al spoedig achtten anti-Europeanisten zoals Drees of lauwe aanhangers zoals Luns het beter hun gevoelens over Europa niet uit te spreken. De pro-Europeanisten stimuleerden en koesterden twee opvattingen die in de jaren vijftig bijzonder veel indruk maakten: het was noodzakelijk en onvermijdelijk…

Nieuwe werkelijkheid, noodzaak
‘Dit is een nieuwe toestand. (…) Het nieuwe is, dat samenwerking nu een volstrekte noodzakelijkheid is geworden. (…) Dat alternatief is er nu niet meer. (…) Voor het eerst sinds de kruistochten zit er weer een actieve Europese solidariteitsdwang in de lucht’. Anti-Europese gevoelens leken daardoor een zonderling en onrealistisch antwoord op de nieuwe werkelijkheid. Vooral de handel met Duitsland was van levensbelang voor de Nederlandse economie. Er leek dus vrij weinig keus te zijn. En: mensen aanvaarden verandering slechts wanneer ze worden geconfronteerd met noodzaak.

Hegeliaans geloof
‘Een ontwikkeling naar nieuwe vormen, die eenmaal in beweging is, kan niet meer worden gestopt’. Het was ‘onontkoombaar’. We zien hier een welhaast Hegeliaans geloof in een zich ontvouwende Europese unie. Niemand twijfelde werkelijk aan de richting van de ontwikkelingen: komen zou zij, en komen moest zij. Nederlandse beleidsmakers hadden van de noodzaak om de gemeenschappelijke markt te accepteren een deugd gemaakt en het Nederlandse publiek leek deze houding over te nemen. In 1962 waren de Nederlanders de meest pro-Europese bevolking binnen de EEG.

Verval van het nationalisme
Hoewel de Nederlanders nooit bijzonder nationalistisch zijn geweest, heerste tot het begin van de 20e eeuw een milde vorm van cultureel nationalisme. Uit een onderzoek in 1948 bleek dat de Nederlanders in vergelijking met de bevolking van andere westerse landen niet zo nationalistisch meer waren, en dit gevoel verdween in de loop van de jaren zestig steeds meer. Drie verschillende factoren waren in het spel bij het verval van het nationalisme:

Meer aandacht voor universele onderwerpen
(1) Nationalisme werd als een gevaarlijke en afstotelijke denkwijze gezien; Nederlanders stelden meer prijs op waarden die nationale aangelegenheden overstegen; intellectuelen en schrijvers in Nederland toonden in de jaren vijftig en zestig zeer weinig interesse in de problemen van hun land en verkozen hun aandacht te wijden aan vraagstukken van universeel belang. (2) Het verlies van Indonesië en Nieuw-Guinea was niet bevorderlijk voor de groei van het nationale zelfbewustzijn. (3) De kleinheid en afhankelijkheid van Nederland dwongen ertoe een internationaal karakter te ontwikkelen en het nationalisme naar het verleden te verwijzen; in een wereld waarin de landen steeds meer onderling afhankelijk werden, waren nationalistische gevoelens niet alleen ‘fout’, maar zelfs absurd.

Amerikaanse invloeden
Iemand vergeleek Nederland met spiegelend glas: de Amerikaanse ideeën kwamen wel binnen, maar door de taalbarrières kwamen de eigen ideeën er niet uit. De Amerikaanse cultuur werd vaak beschouwd als een ‘superieure politieke en industriële cultuur’. Amerikaanse marketing- en bedrijfsmethoden werden op grote schaal overgenomen en Amerikaanse muziek en films domineerden. Vanaf 1960 werden de in het buitenland geproduceerde programma’s op de Nederlandse televisie ondertiteld, in tegenstelling tot de Franse en Duitse televisie waar het geluid nagesynchroniseerd werd.

Geschiedenis nutteloos vak?
Etnografische belangstelling voor oude Nederlandse gewoonten verminderde, evenals (vooral in de scholen) het zingen van traditionele liederen. Het Wilhelmus was uit de tijd en men vroeg zich openlijk af wat nog het nut was van het bestuderen van de vaderlandse geschiedenis. Een hoge onderwijsambtenaar stelde zelfs voor om alle geschiedenis te verwijderen uit het onderwijsprogramma. Volgens hem was geschiedenis van weinig waarde in een dynamische wereld.

Iedereen ging overstag
Voor socialisten en katholieken was het niet moeilijk de nationalistische gevoelens te vervangen door geestdrift voor bestaande internationale verbanden. De liberalen waren vanouds gericht op de zeehandel en op Engeland en moesten eerst weinig hebben van ‘Europa’. Ze beschouwden de Nederlandse natie als een vrijheidsbaken in de wereld. Zij gaven deze vrijheid niet graag op. Maar toen de liberalen begin jaren zestig de voordelen van de continentale handel ontdekten, werden zij steeds meer pro-Europa. De VVD werd zelfs de vurigste EEG-aanhanger in Nederland. De orthodoxe protestanten gingen vraagtekens zetten bij de ‘christelijk-historische’ kijk op de Nederlandse natie en dergelijke gedachten werden steeds minder verwoord. Zelfs de monarchie verloor haar waarde als symbool van nationale eenheid, hoewel koninginnedag met steeds meer overgave werd gevierd. Maar slechts weinig politieke en culturele elites probeerden in de jaren zestig vaderlandslievende gevoelens aan te wakkeren.

Haatgevoelens tegen Duitsland
De houding tegenover Duitsland bleef negatiever dan tegenover enig ander buurland. De Nederlanders stonden het zichzelf toe om na vijf jaar Duitse bezetting (één van de meest meedogenloze in West-Europa) haatgevoelens te koesteren tegen Duitsland. Daarom was de verloving (in 1965) van prinses Beatrix met Claus von Amsberg, die aangesloten was geweest bij zowel de Hitlerjeugd als het Duitse leger, voor veel Nederlanders een tijdlang moeilijk te verteren.

Eigen laakbaarheid
Vanaf het begin van de jaren vijftig namen de haatgevoelens ten opzichte van de Duitsers wel af. Zij kan deels zijn ontstaan door het voorzichtige politieke optreden van West-Duitsland in die jaren en de toenemende pro-Europagevoelens in Nederland. De aandacht verschoof van de Duitse laakbaarheid naar de Nederlandse laakbaarheid in oorlogsmisdaden. Jacques Presser toont in zijn boek De Ondergang (1965) pijnlijk aan hoe weinig hulp de Nederlandse joden kregen van hun niet-joodse buren.

Economisch belang Duitsland
De voornaamste oorzaak van deze veranderde houding was waarschijnlijk de grote economische macht van Duitsland. De Nederlandse stranden werden overspoeld met rijke Duitsers (800.000 Duitse toeristen per jaar in de jaren zestig). Voor de Nederlandse import-exportinkomsten via de Maas en de Rijn was Duitsland van nog groter belang. Juist omdat zakenmensen en politici gedwongen waren een zekere eerbiedige vriendelijkheid te tonen, behielden de Nederlandse burgers hun tamelijk sterke gevoelens van afkeer tegenover de Duitsers.

Pijnlijke dekolonisatie
De Nederlanders hielden vast aan Indië uit angst voor economisch verval en het gereduceerd worden ‘tot de rang van Denemarken’. Zij probeerden een ‘middelgrote mogendheid’ te blijven. Bijna vijfduizend Nederlanders zouden begraven worden op Java, slachtoffers van een gewelddadige guerrillaoorlog die voortduurde tot 1949 en uiteindelijk tevergeefs bleek te zijn. Dit was relatief gezien een groter verlies aan mensenlevens dan tijdens de Vietnamoorlog onder de Amerikanen was geleden. Als gevolg van de onafhankelijkheid hadden zich begin jaren vijftig weer een kwart miljoen mensen uit Indonesië in Nederland gevestigd. Dekolonisatie was een pijnlijke zaak voor de Nederlanders. Maar men was wel genegen te aanvaarden als het resultaat van krachten die Nederland niet in de hand had gehad.

Het grote zwijgen
De discussie over het koloniale verleden, al op een laag pitje in 1962, doofde steeds verder uit. ‘Het grote zwijgen’ verwijderde het Indonesische verleden uit het Nederlandse geheugen. Nederlanders weigerden ofwel hun verlies, ofwel hun misdaden tegen de mensheid onder het koloniale bewind onder ogen te zien. Nederlanders wilden het pijnlijke verleden niet onder ogen zien, maar zij hoefden het ook niet. De naoorlogse situatie was zo volledig verschillend van de koloniale periode dat het gemakkelijk kon worden onderdrukt. KVP-premier Piet de Jong gaf in 1969 toe: ‘Er zijn beschamende dingen gebeurd. De geestelijke volksgezondheid eist dat we het erkennen en geen poging doen om het goed te praten’.

Molukkers
De terroristische acties van Zuid-Molukse jongeren midden jaren zeventig waren een tweede symptoom van het geheugenverlies. Als een grotendeels christelijke bevolkingsgroep genoten ze een speciale plaats onder het Nederlandse bewind en verzetten zich tegen de gecentraliseerde Republiek die werd bestuurd door de Javanen. In 1950 vluchten 12.000 Zuid-Molukkers en Ambonezen na een op niets uitgelopen verzet naar Nederland, in de hoop dat de Nederlanders hen zouden bijstaan in de strijd. De Nederlandse regering hoopte dat zij rustig terug zouden keren naar Indonesië en deed weinig moeite om deze ‘staatloze’ vluchtelingen te integreren in de maatschappij, zodat hun gevoel van geïsoleerdheid en verlatenheid werd versterkt. In de jaren zeventig bleek een aantal jonge Molukkers door middel van geweld de aandacht te willen vestigen op hun eisen; de treinkapingen van 1975 en 1977 waren daarvan het gevolg.

Ontwikkelingshulp
In de jaren zestig was Nederland goed op weg om in het geven van hulp aan arme landen één van de vrijgevigste landen in de wereld te worden. Vanaf 1965 (toen de portefeuille werd gecreëerd) schoot de bijdrage van ontwikkelingshulp omhoog, van 200 miljoen naar bijna 2 miljard gulden tien jaar later. Alle politieke partijen wilden nog meer geven, goede intenties waren er dus genoeg. Maar ‘ze verdringen elkaar zelfs om de eerste te zijn, als kleine jongens bij de springplank in het zwembad. Niemand springt…’

Op naar een planetaire samenleving
Waarom deze relatief hoge bijdrage van Nederland? Misschien vanwege de smaad van de dekolonisatie. Of het traditionele Nederlandse moralisme, pijnlijk getroffen door een slecht geweten over de oorlog. Het Nederlandse zakenleven had aanzienlijk geïnvesteerd in de armere landen. Geld verdienen en het goede doen gingen vaak hand in hand en vormden een dubbele aansporing tot ontwikkelingshulp. Deze hulp toonde aan dat Nederland de provinciale kortzichtigheid van het verleden van zich had geworpen en vat had gekregen op belangrijke wereldwijde problemen. ‘Er valt een groeiend bewustzijn te constateren, dat de wereld feitelijk steeds meer één wordt, toegroeit naar een planetaire samenleving’.

Gezamenlijke toekomst van de mensheid
Het besef was er dat Europa steeds minder belangrijk en Afrika en Azië steeds belangrijker aan het worden waren. Ontwikkelingshulp werd gezien als een onderdeel van het onverbiddelijke wereldgebeuren, waarin Nederland om zowel altruïstische (anderen tot hulp zijn zonder eigenbelang) als economische redenen een grote rol moest spelen. Het motief voor ontwikkelingshulp kwam vaak in combinatie met een besef van crisis naar voren. De meeste politieke beleidsstukken benadrukten dat de ‘gezamenlijke toekomst’ van de mensheid op het spel stond. ‘Steeds meer breekt het inzicht baan, dat de vrede en welvaart voor de hele wereld in grote mate afhangen van de hoop of wanhoop van degenen, die nu in armoede gevangen zijn’.

Uiteenvallen consensus Koude Oorlog
Aan het einde van de jaren zestig nam in Nederland, evenals in andere Europese landen, de kritiek op de naoorlogse status quo toe. Dit kwam in het buitenlands beleid tot uiting in het uiteenvallen van de consensus rond de Koude Oorlog. De defensie-uitgaven daalden. De NAVO werd steeds vaker onder vuur genomen. De protesten tegen kernwapens namen toe. Verzet tegen de Vietnamoorlog breidde zich uit. De kritiek op de ‘gewelddadige’ Amerikaanse samenleving nam toe. Er kwam steeds meer aandacht voor wereldproblemen.

De Club van Rome
Het idealisme voor Europa nam af. Veel progressieven bekeken de EEG met argusogen, want die was in hun ogen een conservatief bolwerk, opgeworpen om de radicale herverdeling van economische macht in de wereld te verhinderen. Allerlei maatschappelijke organisaties begonnen acties tegen apartheid in Zuid-Afrika. Tenslotte raakten de Nederlanders steeds meer betrokken bij de wereldwijde ecologische problemen. Als of het warme broodjes waren ging de helft van de wereldoplage (één miljoen exemplaren) van het ingetogen rapport De grenzen van de groei (1972) van de Club van Rome over de Nederlandse toonbanken.

Jan Pronk
Nederland kon de wereldgemeenschap een betere weg tonen. Joop den Uyl, die in 1973 premier werd, noemde Nederland daarom een ‘gidsland’. Binnen het kabinet-Den Uyl was de geestdriftigste voorstander van het ‘gidsland’-concept Jan Pronk (PvdA), pas 33 jaar oud. Pronk en andere tamelijk linkse idealisten probeerden niet alleen de wereld te verbeteren, maar ook hun eigen land te veranderen. Van der Stoel riep in het midden van de jaren zeventig dan ook op tot een ‘wereldomvattende binnenlandse politiek’, opdat Nederlandse gewoonten en waarden een wereldomvattende solidariteit zouden tonen.

Wereldburger zijn
Toch zou er geen radicale verandering in het buitenlandse beleid komen. De minister van Buitenlandse Zaken, Max van der Stoel, was ondanks al zijn socialistische idealisme ongegeneerd een Atlanticus en stoorde zich aan Pronks weinig tactische benadering van internationale contacten. De meeste commentatoren zien het fenomeen ‘gidsland’ als een voortzetting van de vooroorlogse traditie van moralistische neutraliteit. Het Nederlandse verlangen om ‘wereldburgers’ te zijn kwam voort uit een besef van nationale machteloosheid.

Zoeken naar nieuwe taken
Het kleine Nederland moet krachtig en realistisch reageren op de overweldigende wereldomspannende ontwikkelingen wanneer het nog enige invloed wil doen gelden op de gang van zaken in de wereld. De Nederlanders waren juist vanwege de kleinheid en kwetsbaarheid van hun land in staat te zien wat er met de wereld aan de hand was en konden proberen er iets aan te doen. Nederlandse elites wilden in het buitenlands beleid laten blijken dat Nederland, ondanks zijn geringe omvang, een niet te verwaarlozen kracht was op het wereldtoneel. ‘Wij (…) zoeken in de snel veranderende wereld naarstig naar nieuwe taken’.

Bisschop Bekkers over geboorteregeling
Op de avond van 21 maart 1963 sprak de rooms-katholieke bisschop van ’s-Hertogenbosch, Wilhelmus Bekkers op de Nederlandse televisie. Het onderwerp van deze avond was geboorteregeling. In het begin van 1963 was ‘de pil’ op grote schaal (door de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming, NVSH – oorspronkelijk de Neo-Malthusiaanse Vereniging) in Nederland geïntroduceerd. Geboorteregeling was reeds door veel protestanten geaccepteerd. Maar het was nog lang niet duidelijk hoe de ‘nieuwe’ katholieke kerk zou reageren. Maar tot verrassing en tevredenheid van de progressieven sprak Bekkers zijn eigen voorwaardelijke, maar onmiskenbaar positieve oordeel uit over het gebruik van voorbehoedsmiddelen door echtparen: ‘De spreiding van de geboorten is binnen de verantwoordelijkheid van de mens komen te liggen. (…) Dit is hun gewetenszaak, waarin niemand treden mag’.

Snelle aanvaarding
Bekkers vond anticonceptie binnen het huwelijk blijkbaar een zaak van het eigen geweten van katholieken. Zo ontnam hij de kerkelijke autoriteiten niet alleen het recht zich uit te spreken over geboorteregeling, maar ook – zoals sommigen dit standpunt nog verder verruimden – over alle seksueel gedrag. De bisschop werd in de volgende drie jaren dat hij nog leefde nog milder in zijn oordeel. Het aanzien dat Bekkers genoot was een belangrijke factor in de snelle aanvaarding van geboorteregeling onder de rooms-katholieken in het midden van de jaren zestig.

Overgangstijdperk
Toch was Bekkers, ondanks zijn liberale reputatie, niet wezenlijk progressief. Zelfs zijn opinie over geboorteregeling was gematigd; indirect sprak hij zich uit tegen het beperken van geboorten en het viel hem niet gemakkelijk anticonceptie positief te waarderen. Kunstmatige geboortebeperking behield een in moreel opzicht dubieus karakter, maar in een ‘overgangstijdperk’ kon persoonlijke discretie worden toegestaan.

Van gehoorzame tot ultraprogressieve kerkprovincie
Hoe kon Bekkers en (in mindere mate) de andere Nederlandse bisschoppen zulke invloedrijke en onmisbare hervormers zijn? Waardoor veranderde de Nederlandse katholieke kerk van een gehoorzame provincie van Rome in een centrum voor ‘ultraprogressieve’ ideeën en praktijken? De grootste kerken in Nederland geloofden dat het ‘conventionele christendom’ toe was aan een grondige herziening. Als niet spoedig voor een geheel nieuwe aanpak zou worden gekozen zouden de kerken gaan leeglopen, zo vreesden ze. Ongeacht hun godsdienstige overtuiging groeide onder de geestelijken het besef dat een nieuwe, open wereld was aangebroken en dat de weg terug was afgesloten. Natuurlijk waren er kleine behoudende groeperingen, vooral in protestantse kringen, die het onvermijdelijke wilden tegenhouden. De politieke partij van de vrijgemaakt-gereformeerden, het GPV, maakte de burcht zelfs tot haar symbool.

In Amerika bleef de oude waarheid wel relevant
Deze ontwikkelingen weken sterk af van die binnen de Verenigde Staten. Vooral in katholieke en evangelicale kringen waren mensen ervan overtuigd dat dit religieuze ‘liberalisme’ bestreden moest en kon worden. Veel godsdienstige Amerikanen waren minder geschokt door alle veranderingen en voelden zich niet gedwongen tot het aanvaarden van veel theologische en morele vernieuwingen. De oude waarheden en gebruiken schenen voor hen even relevant als vroeger, en conservatieve kerkelijke leiders zouden een belangrijke kern van verzet vormen tegen godsdienstige en culturele veranderingen.

Gebrek aan weerstand
Dit betekent niet dat Nederlandse kerkelijke leiders in de jaren zestig alle uiteenlopende meningen tolereerden. Het zou verkeerd zijn te veronderstellen dat Nederlandse geestelijke leiders altijd voorop liepen in de strijd voor veranderende waarden en normen. Maar hun betrekkelijke gebrek aan weerstand tegen deze veranderingen was cruciaal in het voorbereiden van verdergaande veranderingen. De aanpassing maakte krachten en bewegingen los die steeds moeilijker te beheersen bleken en die waarschijnlijk de leegloop van de kerken hebben bespoedigd. Door te reageren op de ontwikkelingen, werden Bekkers en andere geestelijken leidende vernieuwers die een grote rol speelden in de transformatie van het Nederlandse christendom – en de rest van de maatschappij – gedurende de jaren zestig.

Veel onkerkelijkheid
Tijdens de volkstelling in 1960 bleek dat ruim eenzesde deel van de bevolking zich tot geen enkele godsdienst rekende, een hoog percentage vergeleken met elk ander land in West-Europa. Onkerkelijkheid kwam vooral voor in Amsterdam en bepaalde agrarische gebieden in Noord-Holland, Friesland en Groningen, waar het vrijzinnige protestantisme eens hoogtij had gevierd. In deze regio’s was bijna de helft van de plaatselijke bevolking niet aangesloten bij een kerk, naar Europese maatstaven een verbijsterend groot aantal.

Gelovigen geloviger en niet-gelovigen ongeloviger
Nederland vertoonde binnen West-Europa een ongewoon beeld: de gelovigen waren er geloviger en de niet-gelovigen waren er ongeloviger. In 1960 ging tachtig procent van de katholieken minstens eenmaal per week naar de mis. Het percentage orthodoxe calvinisten dat regelmatig ter kerke toog, oversteeg de negentig procent. In de zuidelijke steden waren zelfs de arbeiders trouwe kerkgangers, zoals in de industriestad Tilburg. De Nederlandse katholieken leverden een zeer hoog percentage priesters en missionarissen (in 1966 negentien procent van alle missionarissen in Afrika).

Geen staatskerk
Aan de andere kant waren mensen die vervreemdden van de kerk en geen belangstelling meer hadden voor de formele godsdienst, veel sneller dan hun Belgische of Duitse buren, geneigd hun lidmaatschap van de kerk op te zeggen. Er was geen staatskerk, een maatschappelijke organisatievorm die gewoonlijk leidt tot een wijdverbreide, doch minimale loyaliteit voor ‘de kerk’. Kerklidmaatschap werd zodoende eerder beschouwd als een persoonlijke keuze dan als een gegeven. Door de sterke katholieke en protestantse subculturen kwamen er vanzelf ook seculiere subculturen.

Verval van binnenuit was al bezig
In alle verkiezingen tussen 1918 en 1967 wisten de confessionele partijen hun meerderheid te behouden. Concreet bood de confessionele dominantie een ideaal klimaat voor de opbouw en uitbreiding van de zuilen. De morele zorgzaamheid van de confessionelen irriteerde vooral vrijheidsgezinde Nederlanders, maar de meeste liberalen en socialisten konden zich er wel in vinden. De rooms-katholieken waren in de jaren na de oorlog de belangrijkste politieke en sociale macht. Maar al in de jaren vijftig was er geen blind conformisme. Door verzet van binnenuit raakten de subculturen reeds in verval. Kerkleden stelden zich onafhankelijk op in het bepalen van hun morele normen en confessionele intellectuelen distantieerden zich in toenemende mate van het culturele isolement.

Secularisatie
Secularisatie werd een belangrijk thema in de theologische discussies van de jaren zestig. Honest to God (1963) van John A.T. Robinson was vertaald en werd een groot succes; binnen vier maanden waren zeventigduizend exemplaren verkocht. In Morgen zal alles anders zijn ging de protestant Thijs Booy ervan uit dat, tenzij God onverwacht zou ingrijpen, de ontkerstening door zou gaan. Anderen vonden dat het christendom ‘radicaal vernieuwd’ moest worden wilde er nog iets van overblijven.

Meer seculier, minder devoot
Toch hadden theologen als Schillebeeckx een afkeer van de algemene en ‘dogmatische’ verwijzingen naar ‘secularisatie’, die volgens hen te eenzijdig waren en de suggestie wekten dat een ‘toekomst-zonder-God’ onvermijdelijk was. De meeste kerkelijke leiders waren er midden jaren zestig van overtuigd dat kerkverlating slechts tegen te houden was door snelle en grondige veranderingen. Dit hield in dat kerken meer seculier en minder devoot in de samenleving moesten staan.

Oecumene
De godsdienstige verdeeldheid in Nederland was een bron van ongenoegen voor steeds meer geestelijken en kerkleden. Naoorlogse migratie en urbanisatie en de ervaringen in de oorlog (waarin verzetsmensen ongeacht hun geloofsovertuiging met elkaar konden samenwerken) hebben uiteindelijk de scheidsmuren verzwakt. En het werd in een tijd waarin religie en ideologie steeds minder relevant bleken voor het dagelijks leven, moeilijk de godsdienstige scheidslijnen te rechtvaardigen. Maar het belangrijkste was toch dat (na de laatste grote crisis van Hongarije in 1956) een geest van optimisme over West-Europa kwam. In heel het Westen hadden samenwerking en eensgezindheid rampspoed op een afstand weten te houden.

Optimisme
Eigenlijk streefden alle mensen naar hetzelfde: vrede, gerechtigheid en liefde. De ijver voor wereldwijde samenwerking en eenwording plaatste subculturele isolatie in een kwaad daglicht. Het was dus optimisme (en niet zozeer pessimisme) over de toekomst waardoor de grote oecumenische beweging in het begin van de jaren zestig werd gerechtvaardigd. Katholieke elites keken na de jaren vijftig steeds vaker om zich heen.

Niet rooms, maar katholiek
Het was de aartsbisschop van Utrecht, Bernard Alfrink, die in 1964 zei: ‘Wij ervaren thans elke dag dat we niet meer leven in een christelijke wereld. (…) Thans is door de ontwikkeling van techniek en communicatiemogelijkheden de aarde zo klein geworden dat wij al die godsdiensten dagelijks ervaren als buren in dezelfde straat. (…) De verbreding van onze horizon heeft de christenheid pijnlijk bewust doen worden, dat onze verdeeldheid in de letterlijke zin van het woord een scandalum is geworden voor de mensheid, een struikelblok voor de zending. (…) De tijd is voorbij dat de christenen onderling kunnen mokken over oude grieven tegenover elkander’. De Nederlandse katholieken verkortten rooms-katholiek niet langer tot rooms, maar tot katholiek, alsof ze de oecumenische universaliteit van hun geloof wilden benadrukken.

Prinses Irene en Christina
In 1964 ging prinses Irene over tot het katholicisme omdat ze ging trouwen met Carlos Hugo de Bourbon Parma, een Spaans edelman. Ze werd ook nog eens herdoopt, door kardinaal Alfrink in een besloten dienst in Rome. De herdoop leek te suggereren dat de protestantse sacramenten waardeloos waren – het scheen een ontkenning van de oecumene. Na een hooglopend politiek drama besloot Irene afstand te doen van alle rechten van de troon, zodat de regering geen toestemming voor het huwelijk hoefde te geven. Een orthodox-protestants dorp in Zeeland veranderde de naam van de ‘Prinses Irene School’ als gevolg van deze affaire. Toen de jongste zus van Irene, Christina (Marijke), zich enige jaren later eveneens bekeerde tot het katholicisme, verwekte dit nauwelijks deining.

Katholieke emancipatie voltooid
Vooral in de katholieke kerk was veel nadruk gelegd op emancipatie (door middel van groepssolidariteit) en hier zou het ‘einde van de emancipatie’ de grootste gevolgen hebben. De meeste katholieken zagen verzuiling meer als een middel tot een sociaal-economische doel. Rond 1960 leek de katholieke emancipatie te zijn voltooid, katholieken voelden zich niet langer tweederangs burgers. In de jaren vijftig waren er bijna evenveel katholieken als protestanten in Nederland; hun politieke macht was nooit groter geweest. Carl Romme, de leider van de KVP, sprak zelfs de hoop uit dat Nederland eens een katholieke meerderheid zou kennen.

Katholieke organisaties worden open
De groepssolidariteit die tot in de jaren vijftig de krachten had gebundeld, leek haar nut te hebben verloren. In 1964 droegen de bisschoppen de ‘K’-organisaties op afstand te doen van hun gesloten negatief imago en een open en positief imago te ontwikkelen. Slechts op het gebied van het onderwijs bleven de bisschoppen wijzen op de noodzaak van afzonderlijke katholieke organisaties. In 1965 herriepen ze vervolgens het Bisschoppelijk Mandement van 1954, zodat de laatste theologische belemmering voor nauwe samenwerking met de socialisten was verwijderd. De katholieke organisaties gingen een onzekere toekomst tegemoet. De wereld moest volgens de vernieuwers opnieuw beschouwd worden, bevrijd van de last van dode tradities. De Nieuwe Catechismus van 1966 was bijzonder populair: de eeuwige waarheden waren verwoord in eigentijdse taal waarin ‘ouderwetse verklaringen’ werden vermeden. Er werd ook een Pastoraal Concilie ingesteld waarin voornamelijk leken zitting zouden hebben. Dit was nog nooit eerder gebeurd.

Ook de gereformeerde wereld verandert
In het boek Is de gereformeerde wereld veranderd? (1966) schreef Kuitert: ‘Welnu, dat alles is voorbij (…) tot verdriet van sommigen, tot vreugde van anderen, maar of nu het een het geval is of het andere: in ieder geval onherroeplijk (…) De gereformeerde wereld verdwijnt omdat de gereformeerden meer in de wereld zij nkomen te staan (…) Er is geen gereformeerde wereld meer mogelijk, al zouden we het nog zo graag willen; er is alleen nog maar een wereld, één wereld, waarin ook nog al dan niet overbodige gereformeerden zijn’.

Godsdienstige identiteit wordt vaag
Doordat professionalisme al enige jaren belangrijker was geworden dan ideologische overtuiging, waren verzuilde organisaties sterk veranderd. Dit betekent niet zozeer dat deze organisaties formeel hun christelijke basis verloochenden, als wel dat hun godsdienstige identiteit zo vaag werd dat zij niet langer aan een bepaalde subcultuur dienstbaar waren. De ontzuiling van twee nationale dagbladen is illustratief. De Volkskrant haalde in 1965 zonder veel beroering de katholieke aanduiding weg uit het impressum. Hoewel de hoofdredacteur verklaarde dat de krant katholiek zou blijven, was er binnen een paar jaar vrijwel niets meer van te bespeuren. Trouw bleef een herkenbaar protestantse krant, maar in de jaren zeventig werd het in deze krant, met uitzondering van de overlijdensberichten en de wekelijkse pagina met kerknieuws, steeds moeilijker het godsdienstige karakter te onderscheiden.

Nijmegen voorop
De christelijke universiteiten kregen een sterk groeiend aantal studenten en faculteitsleden waardoor de religieuze identiteit van deze instellingen verwaterde. Vooral de Katholieke Universiteit van Nijmegen werd een centrum van studentenradicalisme. De studenten trokken de aandacht door hun vijandigheid tegenover het godsdienstige milieu waarin zij waren opgegroeid. De Vrije Universiteit behield haar gereformeerde karakter, maar veranderde wel in een ‘moderne’ universiteit, met een ‘horizontaler’ christendom.

KRO, NCRV en VPRO
Vooral bij de omroeporganisatie was zichtbaar dat hun bestuurders afhankelijk waren van de technische kennis van de jongere collega’s, collega’s die kritisch stonden tegenover de status quo. De KRO werd heel kritisch ten opzichte van eigen kerk en partij. Brandpunt was een televisieprogramma die graag heilige huisjes omver gooide. Bij de NCRV zien we eerder onverschilligheid dan afkeer. De VPRO verloor in de jaren zestig zijn oudere, traditionele leden, waar een jonge, niet-religieuze generatie voor in de plaats kwam. In 1967 verrasten zij Nederland met de eerste naaktscène op de televisie.

De jeugd
Nog in de jaren vijftig onderstreepten christen-socialisten het belang van goede zeden voor de samenleving. Maar de jeugd werd onafhankelijk, sceptisch en op seksueel en moreel gebied vrijer dan ooit. Moraal was niet langer een in de religie gewortelde zekerheid, de scheiding tussen goed en kwaad vervaagde. Bovendien leken de Nederlanders, nu zij welvarender en onafhankelijker waren, hun eigen moraal te bepalen. Zij bevonden zich in het ‘overgangs-tijdperk’ van Bekkers.

Term ‘zedelijkheid’ niet meer
In alle toonaarden klonken tot diep in de jaren zestig de protesten van katholieken en protestanten over het verval van de zeden. Het waren de hoogopgeleide en niet-kerkelijke Nederlanders die in de voorhoede stonden van de morele veranderingen. De grootste kerken hadden echter de wil verloren om de morele code, die tot in de jaren vijftig een principekwestie was geweest, dwingend op te leggen. In de jaren zeventig schrapten confessionelen ‘zedelijkheid’ uit de openbare retoriek, zij werd te ouderwets bevonden om nog bruikbaar te zijn. De instellingen die bolwerken van verzet tegen morele verandering hadden kunnen zijn, bleken vaak niet verder te komen dan verdedigende en halfslachtige pogingen om enige oude zeden in stand te houden.

Solidariteit
Toen het de theologen en geestelijken duidelijk was geworden dat de maatschappij veranderd was herzagen zij, onder invloed van de nieuwe oecumenische beweging, hun standpunten over moraal en ethiek radicaal. In de jaren vijftig was een begrip opgekomen dat de theologische en morele discussies van de volgende decennia zou beheersen: solidariteit. De dienstbaarheid aan anderen verving de individuele gehoorzaamheid aan morele normen als maatstaf voor goeddoen. De vredesbeweging kwam op de kerkelijke agenda.

Jan Wolkers
Van oudsher stond het blad Margriet onder beheer van een katholieke staf, maar ‘ineens mocht alles in Margriet’. Seksuele openhartigheid was een befaamd kenmerk van de kunstenaar-schrijver Jan Wolkers. Niettemin schreef de gereformeerde pers Wolkers meestal niet af, want hij roerde een kern van waarheid aan. De ‘gereformeerde zede’ scheen te zijn vergeten. Binnen de rooms-katholieke kerk zorgde het Pastoraal Concilie voor de grootste opschudding. De meeste katholieke intellectuelen stelden zich ten doel vérgaande hervormingen tot stand te brengen, zelfs al zou dat uitlopen op een conflict met Rome. Het opmerkelijkste was de goedkeuring door de bisschoppen van het rapport van het Pastoraal Concilie over de beëindiging van het verplichte ambtscelibaat voor priesters, wat helemaal niet kon zonder raadpleging van de paus. Het aantal ontslagnemingen van priesters steeg eind jaren zestig tot alarmerende hoogte. Het totale aantal priesters daalde van 13.570 in 1965 tot 11.189 in 1974. In 1965 waren er 237 inwijdingen, in 1972 slechts 27!

Werkende vrouwen
Vrouwelijke ambtenaren (inclusief onderwijzend personeel) werden na hun huwelijk automatisch ontslagen, zo was het nog tot midden jaren vijftig. Vrouwenorganisaties maar ook werkgevers, die een tekort aan arbeidskrachten voorzagen, ijverden voor de afschaffing van de restricties. Toch groeide het aantal verdienende vrouwen slechts langzaam; in 1960 nog maar ongeveer de helft van het gemiddelde in geïndustrialiseerd Europa. In het begin van de jaren zestig was het besef van gelijkheid tussen man en vrouw al zo wijdverbreid dat veel invloedrijke personen ervan uitgingen dat de emancipatie reeds bereikt was.

Tweede feministische golf
Maar dit bleek slechts het begin te zijn. Er kwam nog een tweede feministische golf. De paternalistische abortuswetten moesten nog weg en men wilde beloning voor huishoudelijk werk. Het werd dus allemaal radicaler. Het feminisme begon in Nederland, evenals elders, niet zozeer omdat hun idealen in twijfel werden getrokken, maar omdat de praktijk weerbarstig bleek. De tweede feministische golf zou veel minder kans gehad hebben in een culturele context waarin formele gelijkheid tussen de seksen niet grotendeels een gegeven was. In het begin van de jaren zestig hadden de confessionelen grotendeels afstand gedaan van het ideologische verzet tegen de feministische eis tot gelijkheid. Hun voorzichtige, weifelende verzet (met de abortuskwestie als een mogelijke uitzondering) was slechts een zwakke nagalm van hun standpunten van enige decennia daarvoor.

Naoorlogse eschatologie
In beschrijvingen van de jaren zestig wordt vaak onvoldoende rekening gehouden met de belangrijke plaats die de eschatologie inneemt in het definiëren van de verwachtingen in deze periode. De naoorlogse eschatologie neigde ertoe zich meer te richten op het bereiken van gerechtigheid en vrede. Deze nieuwe eschatologie werd uiteraard gedragen door de overtuiging dat een radicaal andere toekomst mogelijk was. Zelfs orthodox-hervormde theologen zoals Van Ruler verwoordden een eigen visie op een ‘theocratie’, waarin door bemiddeling van de kerk de verzoening tussen God en de schepping in de toekomst zou worden gerealiseerd. ‘Het heidendom is in wezen conservatief, de Bijbel is in wezen progressief. (…) Van het evangelie uit mag zich een vooruitstrevende houding ontplooien’, zo verwoordt het hervormde rapport Klare wijn uit 1967.

Christelijke radicalen
Het duurde niet lang of deze radicale godsdienst leidde tot radicale vormen van politiek. In 1968 richtten christelijke radicalen, vooral afkomstig uit het katholieke kamp, hun eigen partij, de Politieke Partij Radikalen (PPR) op. En ook in de Wereldraad van Kerken deed een ‘theologie van de revolutie’ haar intrede. Niet alle christenen waren gelukkig met deze ommezwaai in de theologie; orthodoxe protestanten waren het meest sceptisch. Zo schreven in 1967 vierentwintig hervormde dominees een ‘open brief’ waarin zij het ‘naïeve optimisme’ van de nieuwe theologie verwierpen.

Van verticaal naar horizontaal
Herman Wiersinga achtte het onmogelijk dat er ‘verticale’ verzoening zou zijn vóórdat de mensheid ‘horizontale’ verzoening had bereikt. Het is de taak van de mensen om haar volledig teweeg te brengen door te vechten tegen ‘de structuren’. Ook hier verschoof de aandacht van het verleden (de dood van Christus) naar de toekomst (het antwoord van de mens). De eigen theologische omslag van Wiersinga is symbolisch voor de reeks veranderingen die plaatsvond binnen de kerken in de jaren zestig. Er kwam een klimaat waarin geestelijken en kerkleden weinig weerstand aan verandering boden, omdat ook zij geloofden dat de oude manier van leven in de moderne, dynamische wereld niet langer kon worden gehandhaafd. Zij hadden hun vertrouwen in een stabiele wereld met eeuwige wetten verloren, en de weg terug was afgesloten.

Mode-modernisme
Joop den Uyl, zelf een ex-gereformeerde, zei over de leden van de Vrije Universiteit: ‘Driekwart van hun intellectuele energie besteden ze aan de afrekening met het verleden, en maar een klein stukje van hun intellect is vrij voor het werkelijke nieuwe’. Iemand anders sprak geringschattend over ‘het mode-modernisme’. Hun eerste doel was bij te raken en bij te blijven. De kerkelijke leiders schoven dus op in een meer ‘wereldlijke’ richting. De historicus Otto de Jong merkte daarover in 1966 op dat kritiek werd geuit die eens alleen bij het vrijzinnige christendom werd gehoord, bijvoorbeeld die van de ‘verwerping van verouderde concepten’. Veel Nederlandse godsdienstige elites wierpen hun voormalige overtuigingen overboord om zienswijzen te omhelzen die de geest van openheid en eenheid, die heel de wereld in zijn greep had, beter weerspiegelen. Nederlandse geestelijken hoopten dat als zij hervormingen introduceerden, de godsdienst zou herleven en relevant blijven.

Uit de hand gelopen
Toch bleken hun pogingen de kerken te redden slechts te leiden tot verdere achteruitgang. In 1966 ging 64 procent nog naar de mis, in 1974 nog maar 35 procent! In 1979 werd het aantal niet-kerkelijke Nederlanders vastgesteld op 41 procent, in 1960 was dat nog 18 procent. Was deze afname in godsdienstige uitingen ontstaan ondanks of dank zij de aanpassingen van de Nederlandse religieuze elites? Hun bewegingsvrijheid was beperkt en vereiste zowel handigheid als het vermogen om compromissen te sluiten. De noodzaak van die handigheid werd buiten Nederland niet altijd begrepen. Het Vaticaan stelde een kerkelijk onderzoek in naar Schillebeeckx. De zaken in Nederland waren uit de hand gelopen. Nieuwe, behoudende bisschoppen werden benoemd. Ook werden oecumenische diensten aan banden gelegd.

Hoge of lage drempel?
Nederlandse katholieken verwachtten een kerk zonder muren, zonder theologische of morele grenzen en zonder opgelegde beperkingen. De kerken dachten sterker te worden door deze open, relevant en sociaal betrokken te maken. Maar Dean Keller heeft aangetoond dat (in Amerika) ‘exclusieve’ kerken voor een deel groeien omdat zij mensen voorzien van een huis en een identiteit. Mensen worden eerder aangetrokken door kerken met een hoge dan met een lage drempel. De ‘open’ kerken van de jaren zestig vonden respect in de ogen van buitenstaanders, maar leverden weinig nieuwe aanwas op. En het was ook zo (in het geval van de rooms-katholieke kerk) dat de kerken hun leden niet de openheid en tolerantie konden geven die zij hen hadden beloofd en brachten daardoor desillusie, vervreemding en onverschilligheid teweeg.

Spottend tv-programma
Op zaterdagavond 4 januari 1964 zond de VARA een satirisch programma uit (door 4,5 Nederlanders bekeken), Zo is het toevallig ook nog ’s een keer. De programmamakers hadden genoeg van het fatsoen dat de omroeporganisaties vertoonden. Het volgende provocerende gedeelte kwam erin voor:

‘Er heerst een grote vreze dat de mensen steeds minder gelovig zouden zijn. Maar die vrees, lieve broeders en zusters, is ongegrond. Want er is een nieuwe oecumenische religie die alle gelovigen en ongelovigen heeft bekeerd tot een nieuw intens geloof. De gelovigen van deze religie belijden hun eredienst in miljoenen kerken en kapellen, in de grote en in de kleine steden, in de rijke en in de arme buurten, overal waar de zending komt, en de zending reikt verre; van alle kerken en kapellen wenkt blijmoedig verkondigend het kruis [in beeld komt een televisie-antenne]. Het kruis dat zegt tot de wereld: wie horen kan die hore, wie kijken kan die kijke. Hier is het licht, hier vindt gij de ontvangst, hier ziet gij het aanschijn van het beeld. Want het beeld is tot de mens gekomen en heeft de mens gevormd naar zijn evenbeeld.

Elke avond verzamelen zich de gelovigen rond de tabernakel en ontsteken het heilige beeld. Op zon- en feestdagen blijven ze bijna de gehele dag in devoot stilzwijgen bijeen. Het beeld zij geprezen dat er slechts weinigen zijn die hun plicht verzaken en in plaats van het beeld te dienen zich overgeven aan zondige bezigheden, als daar zijn lezen, spelen of zelfs praten. Nee, de miljoenen en miljoenen gelovigen kunnen niet genoeg krijgen van de blijde boodschap: in den beginne was het beeld en het beeld was goed en het beeld is goed. Komt allen tot het beeld, die belast en beladen zijt, want het beeld zal u rust geven.

En om dat aardse paradijs te verwerven volgen de gelovigen trouw de geboden die het beeld gegeven heeft: Gij zult geen ander tijdverdrijf kennen dan het kijkbedrijf, gij zult u geen afgodsbeelden maken dan de beelden van het beeld, gij zult niet naar uwe naasten kijken gelijk uwe naasten niet kijken naar u, maar bovenal: gij zult de knop geenszins omdraaien, want dit is het beeld een gruwel. En zo won dit machtig geloof elke dag nieuwe discipelen, die gelijk met hun broeders en zusters neerknielen voor het beeld, en bidden: geef ons heden ons dagelijks programma. Wees met ons, o beeld, want we weten niet wat we zonder u zouden moeten doen’.

Storm van kritiek
Er brak een storm van kritiek los. Meer dan bijvoorbeeld Engelsen en Amerikanen keurden de Nederlanders het bespotten van de Almachtige af. De programmamakers hadden de omgeschreven regel gebroken dat de omroeporganisatie van een bepaalde subcultuur de leden van andere subculturen niet beledigt. In een hoofdartikel van Elseviers Weekblad werd de programmamakers een ouderwets, anti-godsdienstig vooroordeel verweten, dat in de nieuwe tijd van oecumene misplaatst was. Kranten met een godsdienstige binding of een antisocialistische instelling (zoals De Telegraaf), verwensten de VARA en de programmamakers. Zelfs ministers spraken hun afkeur uit, op de dag erna al – op zondag dus, wat niet gebruikelijk was in die tijd. Maar…confessionele geestelijke leiders, zoals bisschop Bekkers en dominee Kuitert, maakten zich meer zorgen over hun schijnheilige kudde dan over het programma.

Overeenkomst dominante en tegencultuur?
De VARA ontsnapte aan overheidsmaatregelen. Maar geen enkel programma zou meer felle protesten oproepen dan die oplaaiden na de Zo is het-uitzending van 4 januari 1964. Commentaren ontdekten al snel dat de ‘conservatieve’, protesterende Nederlanders aan de verliezende kant stonden in deze culturele strijd. Harry Mulisch schreef over God: ‘U bent te oud voor ons. Nog 25 jaar en u bent goddank uitgestorven’. Dit conflict werd als ten diepste een generatieconflict beschouwd. Maar was er werkelijk sprake van een diepe culturele kloof? Of zou het juist de overeenkomst tussen de dominante cultuur en de tegencultuur kunnen zijn waardoor de opkomst van de tegencultuur in de jaren zestig wordt verklaard en haar aanzienlijke succes in het veranderen van het culturele klimaat?

Factoren voor het welslagen van de tegencultuur
In Nederland speelden verschillende factoren een rol in het welslagen van deze tegencultuur. (1) De Nederlandse politieke cultuur richtte zich niet op het uitsluiten, maar op het incorporeren van minderheidsgroepen in haar pluralistische consensussysteem. (2) De tegencultuur was minder politiek-geladen dan de tegenculturen in Berlijn, Parijs, San Fransisco en New York. In Nederland overheerste het spel. De Nederlandse bescheidenheid zet niet werkelijk aan tot felle protesten. Een zekere speelsheid verzachtte dus de politieke praktijk. En Nederland was geen land met een aanwijsbare sociale, politieke of economische crisis. Eigenlijk werd Nederland door veel jongeren beschouwd als een onbeduidend landje, niet waard om tegen te protesteren in een wereld die zo vol was van groter onrecht. In deze omgeving was de tegencultuur dus minder bedreigend, omdat zij de politieke geslepenheid miste. Hierdoor werd de tegenculturele beweging voor het Nederlandse burgerlijke gezag aanvaardbaar.

Eigenlijk hebben ze toch een beetje gelijk
(3) De Nederlandse tegencultuur kon geen munt slaan uit de overtuiging van veel Nederlandse geestelijken, intellectuelen en politici dat Zo is het en de provo’s, ondanks hun twijfelachtige aanpak, eigenlijk gelijk hadden met hun kritiek op de Nederlandse samenleving. Voor veel Nederlandse gezagsdragers gold de samenleving als te materialistisch, te bekrompen en te kleinburgerlijk. De tegencultuur maakte dus gebruik van de zelfkritiek van de dominante cultuur en bouwde daarop voort. Omdat ze zowel tot de oudere als tot de jongere generatie behoorden, werd de kritiek van protestgroeperingen door Nederlanders in leidinggevende posities vrij goed ontvangen. Die waren niet allen bestand tegen de ‘opstand van de homo ludens’, ze pasten zich zelfs aan. Zo kon Nederland in het algemeen, en Amsterdam in het bijzonder, de speeltuin van Europa worden.

Openheid voor buitenlandse invloeden
Nederland was een land verstoken van esthetische smaak en culturele verfijndheid. Parijs diende als vluchthaven voor naoorlogse Nederlandse dichters, kunstenaars en schrijvers. Nederland was een land waar een ‘geweldige openheid’ was voor buitenlandse invloeden. Maar in de jaren vijftig was er verandering op til. Een nieuwe generatie vernieuwende dichters ontving, waarschijnlijk tot haar eigen verbazing, ineens in brede kring erkenning en roem. Boeken van Jan Wolkers werden grif gelezen, hoewel veel Nederlanders de seks- en sterfscènes schandalig vonden. Jan Cremer (die later Nederland verliet, klagend over de ‘spruitjeslucht’) overtrof dit nog in Ik Jan Cremer (1964) vanwege de seksuele grofheid.

Kosmopolitische instelling
In al deze literaire doorbraken was maar weinig ‘geëngageerdheid’ te bespeuren, weinig protest tegen sociaal en politiek onrecht (Harry Mulisch was de enige uitzondering van betekenis). Het was vaker culturele minachting dan politieke woede. De musea schrokken terug voor abstracte, experimentele kunst. In hun ‘geweldige openheid’ voor nieuwe stijlen en in de nadruk die zij legden op creativiteit, verschilden de Nederlandse kunstenaars en literaire elites niet eens zozeer van de onverstoorbare Nederlandse burgers als zij zelf soms veronderstelden. Het ideaal van ‘openheid’ – en de schaamte over het Nederlandse provincialisme – dat vanaf het einde van de jaren vijftig zo sterk naar voren kwam in de retoriek – werd door hun kosmopolitische houding weerspiegeld en versterkt. Ook in andere landen namen mensen een meer kosmopolitische instelling aan, maar doordat de Nederlanders leden onder een ‘kleinburgerlijk’ verleden waren zij geneigd er veel meer nadruk op te leggen.

Weg met de spruitjeslucht
De pietluttigheid van het burgerlijk gedrag werd vooral belachelijk gemaakt door de Nederlandse cabaretiers, die een ‘gouden eeuw’ genoten in de jaren vijftig en zestig. Na 1960 verloor burgerlijkheid snel haar aantrekkingskracht voor de hoger opgeleide Nederlanders. Boudewijn de Groot, populair onder jongeren, en andere zangers spotten met de burgerlijke, christelijke waarden. Tegen het midden van de jaren zestig was het onder de geletterde leden van de Nederlandse middenklasse, van jong tot oud, een cliché geworden om hun eigen burgerlijke gewoonten en gedachten te bekritiseren en zich ervoor te verontschuldigen. Ze vertoonden vaak een sterke aandrang hun huizen te ontdoen van de ‘spruitjeslucht’ die daar eens had gehangen. Precies deze ontwikkeling zou van levensbelang zijn voor het succes van de tegencultuur in de jaren zestig. De bedaagde leden van de middenklasse reageerden niet zo vijandig als het Nederlandse publiek geregeld reageerde op de protesten van de opstandelingen.

Jeugdcultuur
De angst om voor burgerlijk te worden versleten ging geregeld samen met de angst oud te worden gevonden. Ook in Nederland was het ideaal van ouderdom en wijsheid vervangen door jeugdigheid en levenslust. De jongeren in Nederland werden in hoge mate beïnvloed door de popcultuur uit Engeland en Amerika. In 1964 kwamen de Beatles naar Amsterdam. Al snel pikten de Nederlandse jongeren het informele jargon op van de Anglo-Amerikaanse jeugdcultuur en gebruikten Engelse uitlatingen als ‘hey man’ en vertaalden andere, zoals ‘you know’ (‘weet je wel’). Zelfs hun haar lieten ze, evenals in Amerika, langer groeien.

De ouders veranderden mee
De belangrijkste drijfveer voor de jeugdopstand was niet de sociale bewogenheid, maar het diepgewortelde verlangen van ‘weg met die ouwen’. Deze jeugdrebellie vond plaats in een tijd dat volwassenen geregeld de bekende wegen verlieten om zich aan te passen aan de jongeren. De zienswijzen van de kinderen verschilden meestal weinig van die van hun ouders. De jeugdrebellie in de middenklasse zou tijdens de naoorlogse periode in feite geen kans gehad hebben om van de grond te komen zonder de steun van sympathisanten in de middenklasse zelf. Misschien werd het generatieconflict zelfs mogelijk gemaakt door de toenemende vrijheid die de jongeren van hun ouders ontvingen en het respect dat zij toonden voor de idealen van de jeugd.

Dragers van sociale vernieuwing
Vooral onder de ‘nieuwe professionelen’ van na de oorlog, de sociologen, psychologen, maatschappelijk werkers, jeugdwerkers en docenten, was de sympathie voor de idealen van de jeugd groot. Vele geestelijken en politici vielen hen hierin bij. Ze beschouwden deze jongeren als de ‘dragers van sociale vernieuwing’ en waren geneigd hun gedrag niet als afwijkend te bestempelen, maar het te interpreteren als een indicatie van toekomstige ontwikkelingen. In 1960 mochten de kinderen van 38 procent van alle Nederlandse ouders hen aanspreken met het informele ‘jij’ en ‘jullie’. Het familieblad De Spiegel vroeg haar lezers of zij bereid waren zich opofferingen te getroosten voor hun kinderen om hun wereld te leren kennen.

’t Is maar verveling…
De generatiekloof was in Nederland kleiner dan elders, deels vanwege de bereidheid van de oude generatie om aan de jongere generatie de ruimte te geven die zij verlangde, deels vanwege het gebrek aan ‘zware’ onderwerpen die de kloof tussen generaties zouden kunnen verbreden, zoals gebeurde met de Vietnamoorlog in de Verenigde Staten en het nazi-verleden in Duitsland. In het begin van de jaren zestig werd het ‘jeugdprobleem’ in Nederland niet als een groot knelpunt beschouwd. In een welvaartsstaat met weinig criminaliteit en weinig armoede beschouwden sociale wetenschappers het straatvandalisme van de jonge rebellen als weinig meer dan een probleem van verveling; de jeugd had teveel vrije tijd.

…Daarom: meer speelgelegenheid
Dit probleem kon worden opgelost door overheidssubsidies te verstrekken ten bate van nieuwe mogelijkheden voor ontspanning. De oude verzuilde jongerenorganisaties konden deze rol niet langer vervullen; het was beter clubs op te zetten waarin jongeren zoveel mogelijk vrijheid zouden kunnen ervaren. Het jeugdprobleem in Nederland kon blijkbaar worden opgelost door het vinden van meer speelgelegenheid voor iedereen. Gezien vanuit 2009 is dit een verbijsterende stelling. Deze mening werd overigens niet gedeeld door veel Amsterdamse politiekagenten en een groot deel van de bevolking, die als reactie op de relschopperij eerder geneigd waren tot het uitdelen van een pak slaag, dan tot het creëren van speelmogelijkheden.

Provo’s
Nederlands reputatie als een tegencultuur-centrum is niet voor te stellen zonder Amsterdam als vrijgevochten artistieke en culturele hoofdstad. De politieke kleur van de stad werd versterkt door de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, die duizenden linkse studenten, voornamelijk afkomstig uit Noord-Holland, tot zich trok. Amsterdam liep ‘op cultureel gebied ongeveer tien à vijftien jaar voor op de rest van het land’. In dit milieu zagen de provo’s in mei 1965 het licht. De man die het meest met de provo-beweging werd geïdentificeerd was Roel van Duyn, een anarchist en pacifist. Er was geen samenhangend provo-programma. Het merendeel was in politiek opzicht links. Hun Witte Fietsen Plan opperde het invoeren van publieke fietsen in het stadscentrum, zonder slot en zonder noodzaak van waarborgsom te betalen. Ze kregen in 1966 één zetel in de gemeenteraad.

Tegen het klootjesvolk
Men wilde van Amsterdam een ‘ludiek centrum’ van individuele vrijheid maken. Voor hen die vonden dat er te weinig ruimte was voor ‘speelse manifestaties’ waren de provo’s het juiste pepmiddel. Ze wilden graag het ‘klootjesvolk’ provoceren, de laagste klasse, mensen die alleen geschikt waren om zichzelf voort te planten. Het ‘klootjesvolk’ vertegenwoordigde alles wat de provo’s niet wilden zijn, het was hebzuchtig, hardwerkend, onderdrukkend, saai, fantasieloos – en gemakkelijk belachelijk te maken.

Autoriteiten belachelijk maken
De provo’s namen dus de taak op zich om de Nederlanders wakker te schudden uit hun slaap door middel van provocatie. Ze werden fervente tegenstanders van het koningshuis. Ze gooiden rookbommen tijdens de huwelijksceremonie van Beatrix en Claus (Claus ‘raus!). Het onbehagen werd voornamelijk gevoeld in Amsterdam, de stad die tachtigduizend joden had verloren in de Holocaust. Ze deden hun best de autoriteiten in een kwaad daglicht te stellen door de aandacht te richten op de excessen van de politie. Dit alles droeg ertoe bij dat de lokale autoriteiten zowel een belachelijke als een onderdrukkende indruk maakten.

Steeds positiever benaderd
De provo’s waren bijzonder succesvol in het opbouwen van een slechte reputatie. Ze werden door het Nederlandse publiek algemeen verafschuwd en veroordeeld. De meesten beschouwden de provo’s als te lui om te werken en herrieschoppers. De provo was een ‘mislukte’ en ‘labiele volwassene’ die zich niet op goede wijze had ontwikkeld. Veel Nederlanders wilden een harder politieoptreden tegen deze verwende ‘snotneuzen’. Het is daarom verbazingwekkend dat de provo’s zoveel vrienden en sympathisanten vonden, onder wie veel gezagsdragers die hun best deden wereldburgers te zijn, antiburgerlijk en open voor de verlangens van ‘de jeugd’. In 1966 schonken kerkelijke bladen en kranten in toenemende mate aandacht aan de provo’s die, als vertegenwoordigers van de jeugd, steeds positiever werden benaderd.

Ook Juliana?
Een aantal hoopte waarschijnlijk dat het welwillend schenken van aandacht (en subsidie!) aan de provo’s hen rustig zou houden. Vooral het verlangen van provo naar een ‘leefbaar’ Amsterdam had grote aantrekkingskracht op veel welvarend mensen die net in aanraking waren gekomen met kwesties rond de vervuiling en verstopping van de stad. Weer anderen zagen de provo’s als een frisse wind door het bedompte klimaat in het gemeentehuis, of haalden hen binnen als politieke vernieuwers die de Nederlandse democratie wilden verdiepen. Er werd zelfs gezegd dat koningin Juliana met veel provo-ideeën instemde. De troonrede van 1966 zei dat de regering zou zoeken naar ‘oplossingen, die recht doen wedervaren aan het streven naar vernieuwing (…) moet deze tot ernstige bezinning leiden’. De provo’s waren succesvol vooral omdat zij het streven naar vrijheid belichaamden. In een welvarende en vrije samenleving waar grenzen arbitrair schenen, was leven meer dan werken en moraal meer dan wetten. de provo’s waren de hogepriesters van deze magische, grenzeloze onbevangenheid van de jaren zestig.

Dolle Minna
Het ludieke element bepaalde ook de toon van de Dolle Mina’s, in 1970 opgericht en vernoemd naar de socialiste Wilhelmina Drucker. De vrouwen die de kern vormden waren vooral afkomstig uit socialistische studentenbewegingen. Ze pleitten voor legale abortus, gratis kinderopvang en gelijk onderwijs voor meisjes. Ze waren misschien eerder socialisten dan feministen. Pas later werden ze feministischer. Het schrijven van de slogan ‘baas in eigen buik’ op hun buik maakte Dolle Mina op slag beroemd. Om zoveel mogelijk publiciteit te verkrijgen en de stereotypen over seksloze radicalen de grond in te boren, kozen ze voor hun aksies bewust mooie vrouwen uit, die mannen lieten weten dat zij hun handen thuis moesten houden. Wat de inhoud aangaat, was van alle acties alleen de abortuscampagne invloedrijk.

De kabouters
Het ludieke anarchisme bleek uit het succes van de ‘kabouters’. De kabouter was het symbool van een nieuwe mensheid, die de natuur niet zou beheersen maar daarmee in harmonie zou leven. De kabouters riepen begin jaren zeventig de Oranje-Vrijstaat uit, een staat binnen de staat met zijn eigen regeringsdepartementen. Ze hadden vooral succes in Amsterdam, waar ze elf procent van de stemmen kregen. Hun roep om een leefbare stad – minder auto’s, meer groen en vooral voldoende huisvesting – maakte hen alleen maar geliefder. Ze hielpen krakers om leegstaande huizen binnen te dringen en rookten marihuana gedurende zittingen van de gemeenteraad.

Internationaal bekend
‘Surprising Amsterdam’ maakte vooral naam als ‘magisch centrum’ en trok jonge mensen uit allerlei landen aan, waaronder de jonge Bill Clinton. De zomers in Nederland aan het eind van de jaren zestig waren ongewoon warm en droog, wat een bezoek aan de stad extra aantrekkelijk maakte. Hippies, vooral afkomstig uit Amerika en West-Duitsland, stroomden toe. Uiteraard was de illegale verkoop van drugs in Paradiso en Fantasio formeel stafbaar, maar gemeentelijke autoriteiten en managers waren bereid om hun ogen te sluiten voor het gebruik van softdrugs in deze gelegenheden. Beschouwd als noodzakelijke uitlaatkleppen ontvingen deze jeugdclubs van de overheid royale subsidies.

Damslapers
Veel overheidsfunctionarissen maakten vol overgave reclame voor Amsterdam als een internationaal toeristencentrum, hoewel dit hen wel voor enige logistieke problemen stelde. Amsterdam bleek gebrek te hebben aan goedkoop onderdak voor de massa’s jongeren die de stad bezochten. Vanaf 1967 brachten vele jongeren hun nachten door op de Dam. Werd het Nationaal Monument zo niet ontheiligd? Enkele orthodox-protestantse dorpen in het oosten van het land luchtten officieel hun ongenoegen over de schendingen, maar ook veel gemeentelijke autoriteiten voelden zich niet op hun gemak door de ‘banale’ behandeling van het monument. Toch schroomden zij eerst op te treden.

Vondelpark en het COC
Er kwam schoorvoetend een slaapverbod op de Dam, maar hierdoor braken ernstige onlusten uit. In 1971 had de gemeente een nieuwe plaats gevonden voor Damslapers: in het Vondelpark in Amsterdam werden de kampeerders door de autoriteiten met rust gelaten en stond het de hippies vrij hun love-ins te houden. Eind jaren zestig genoot Amsterdam de reputatie één van de belangrijkste centra van de seksuele revolutie in Europa te zijn. De homoseksuele subcultuur en de seksindustrie waren er ongeëvenaard. Het Cultuur- en Ontspannings Centrum (COC) werd hun vertegenwoordiger, maar kreeg nog geen stempel van goedkeuring door de reclame die ze maakte voor buitenechtelijke seks. In 1965 opperde De Telegraaf dat Amsterdam een internationaal ‘Mekka’ was geworden voor homoseksuelen. In 1971 werd de wettelijke leeftijd voor het hebben van homoseksueel contact verlaagd van 21 tot 16 jaar. Sommigen denken dat verzuiling de homo-emancipatie vergemakkelijkte in Nederland.

Bron van zedeloosheid
Amsterdam (en Nederland) werd een centrum voor een nieuw seksueel hedonisme. De NVSH stortte zich op nieuwe projecten teneinde alle taboes op seksueel gedrag te doorbreken. Ze was voorstander van pornografie, homoseksuele contacten en partnerruil. Zelfs durfde ze over pedofilie te praten. Ze bepleitte de afschaffing van alle leeftijdsbeperkingen op seksuele activiteiten. Hoewel het nooit zover kwam stuitte dit voorstel tijdens de jaren zeventig op opmerkelijk weinig tegenstand. De aap kwam nu dus wel uit de mouw van deze organisatie die begon met het stimuleren van anticonceptiemiddelen. Dat Amsterdam een bron van zedeloosheid werd was te wijten aan vele factoren, en niet in het minst aan de bereidheid van zowel lokale als nationale politici om toe te staan wat slechts enkele jaren daarvoor volstrekt zou zijn afgewezen. ‘Die overheid blijkt toch vrijzinniger dan men denkt…’

Marga Klompé werkte eraan mee
Minister Marga Klompé stond bekend om haar bijna onbeperkte begrip. De grootste schuld van de sociale spanningen lag volgens haar bij de Nederlanders die zij niet erg tolerant en ‘een beetje burgerlijk’ vond. Klompé was een bekwaam politicus en begreep dat politieke flexibiliteit conflicten kon voorkomen en het spel ‘binnen de grenzen’ houden. Zij leek een typisch beoefenaarster te zijn van ‘repressieve tolerantie’. Haar positieve houding tegenover de cultuur-rebellen leek echter ook voort te komen uit overtuiging – ‘ik ben ook veranderd’, bekende ze eind jaren zestig.

Glimlachen maar verder niets doen
Tegen het eind van de jaren zestig scheen de opstand van de homo ludens getolereerd, geaccepteerd en zelfs nagevolgd te worden door de dominante cultuur. ‘Overal ontstaat een schijnprogressiviteit en ’n fake hipheid waarvan het tijd wordt dat we ze gaan wantrouwen als de pest. (…) Het langharig werkschuwe tuig is veilig opgeborgen in jeugdhonken’. Er was volgens de Dolle Mina’s dan wel ‘veel vriendelijke belangstelling’ en ze zeggen wel ‘ik ben het met jullie eens’, maar ze doen ‘niets anders dan glimlachen’ en ‘lieten alles zoals het was’. De autoriteiten hadden geleerd om te glimlachen en vonden zo het evenwicht dat zij tijdelijk hadden verloren. Voor vele Nederlandse radicalen scheen de ludieke aanpak geen toekomst meer te hebben. ‘Het systeem’ zou oppervlakkige veranderingen toestaan om zodoende de oude machtsstructuren in stand te kunnen houden.

Geen scherpe discontinuïteit
Deze elites hebben de veranderingen in de jaren zestig ervaren als een verlies van hun eigen gezag en velen meenden dat hen geen andere keus was gelaten dan hun eigen gezag en velen meenden dat hen geen andere keus was gelaten dan zich aan te passen aan de idealen van de jeugd en het nieuwe cultuurpatroon. Ze hadden zich veel van hun zorgen eigen gemaakt. De punten die de tegencultuur benadrukte waren variaties op waarden die al weerklank hadden gevonden binnen de dominante cultuur. De meeste verschillen tussen de middenklasse en de tegencultuur, tussen jong en oud, waren geen verschillen in soort, maar in mate. Een scherpe discontinuïteit kan in elk geval geen verklaring vormen voor de opkomst van de tegencultuur, noch voor haar succes, noch voor de acceptatie door en het opgaan in de dominante cultuur.

De afgang van Van Hall
Gijsbert van Hall, burgemeester van Amsterdam, stond op 19 maart 1966 oog in oog met de televisiecamera’s voor een interview met Mies Bouwman. Beiden wilden graag van het script afwijken doordat er net weer een rel in Amsterdam was uitgebroken. Maar Van Hall wekte bij veel kijkers de indruk dat hij ten einde raad was toen hij zich, bijna in tranen, beklaagde over de recente gebeurtenissen: ‘(…) De jeugd, kan je zeggen, is in opmars. Je merkt het, en daar moeten wij begrip voor hebben, en het is verschrikkelijk moeilijk om uit te vinden wat je daar aan doen moet. (…) En om daar een oplossing voor te vinden, dat is iets wat de politie niet kan, wat ík niet kan, daar moeten een heleboel verstandige mensen over praten’. Van Halls afgang was het begin van het einde van zijn politieke loopbaan. Hij leek het ongelukkige slachtoffer van krachten die buiten zijn bereik lagen. Hij werd hét symbool van het aarzelende en ondoelmatige gezag dat zijn legitimiteit snel aan het verliezen was.

Gezagscrisis
In 1966 ging het Nederlandse burgerlijke gezag door een diepe crisis. De ‘regenten’ leken plotseling onbekwaam tot regeren. Ze werden vaak beschouwd als hopeloos ouderwets, zonder voeling met de ‘ontwikkelingen in de samenleving’. Maar binnen een tijdsbestek van een paar jaar was dit veranderd. In de jaren zeventig maakten enkele waarnemers zich zelfs zorgen dat de regenten te tolerant waren geworden. ‘Er is een tekort aan politieke durf in deze vooruitstrevende, byzantijnse kringen, altijd bang om “regent” te worden genoemd of veroordeeld te worden vanwege autoritair gedrag’. Hoe kwam deze opmerkelijk verandering tot stand? Nederland had niets meegemaakt dat te vergelijken was met ‘Parijs 1968’, er was geen revolutiegevaar. Maar het bestaan van de protestbewegingen, die tamelijk klein en zwak waren vergeleken met de actiegroepen uit de jaren zeventig, kunnen het grote succes waarmee hun acties werden bekroond niet volledig verklaren.

Democratische vernieuwers
Deze protestbewegingen werden eigenlijk vooruitgeholpen door de veranderingen die plaatsvonden onder de regenten zelf. In de loop van de jaren zestig raakte een belangrijk deel van de Nederlanders in leidinggevende posities ontstemd over de inefficiënte en autoritaire wijze waarop bureaucraten functioneerden. In de eerste plaats speelden de democratische vernieuwers een grote rol. Zij sympathiseerden met de protestbewegingen en waren bereid wetten te versoepelen die vrijheden teveel inperkten, ze betwisten geregeld de status quo en bekritiseerden gezagsdragers van het oude stempel. Protestbewegingen profiteerden van de conflicten onder gezagsdragers, de verdeeldheid onder de Nederlandse autoriteiten.

Geen heldenmoed
Ook gezagsdragers die zich minder zorgen maakten om de democratie waren ervan overtuigd dat de status quo niet kon worden gehandhaafd en bepaalde vormen van vernieuwing noodzakelijk waren. Zo waren er politiefunctionarissen en topambtenaren die zich vooral richtten op bestuurlijke vernieuwing. Zij geloofden dat de bestaande overheidsinstanties en –praktijken ‘uit de tijd’ waren. Politici waren bereid om, geconfronteerd met een ‘crisis’, uit pragmatische overwegingen vérgaande concessies te doen opdat de orde gehandhaafd zou blijven. Een antirevolutionaire politicus wilde in 1970 het censuur op films laten vervallen, omdat dat zou betekenen dat ‘men een waterstroom van honderd meter breed zou willen tegenhouden met een dijk van veertig meter lengte’. Tact was voor deze pragmatische vernieuwers belangrijker dan onverschrokken heldendom of hoogstaande principes, want aan de eisen van de werkelijkheid kon niet straffeloos worden voorbijgegaan.

Tolerantie en flexibiliteit
De Nederlandse gezagsdragers hekelden het gebruik van geweld. Het Nederlandse politieke leven kon niet tegen te hoge spanning. Zo mogelijk moest een vergelijk worden getroffen. In de Nederlandse samenleving, die minder democratisch was, konden desondanks grotere veranderingen optreden dan in de Amerikaanse omdat de gevolgen van een streng optreden – geweld en illegaliteit – er onaanvaardbaar waren. En de openbare orde werd niet bepaald door de letter van de wet, noch door de wil van de meerderheid, maar door behoedzame gezagsuitoefening; autoriteiten leerden mee te gaan met de ontwikkelingen: tolerantie en flexibiliteit in het omgaan met recht en orde. Zo combineerden de Nederlandse regenten een traditioneel, oligarchisch bestuur met de overtuiging dat koppig verzet tegen ‘sociale ontwikkelingen’ vergeefs zou zijn, en werd de Nederlandse samenleving één van de meest vrijgevochtene in de wereld.

Recht om goed geregeerd te worden
Door de structuur en de tradities van de Nederlandse overheid bestond een zekere afstand tussen de bestuurders en de bestuurden. Ze regeerden in de naam van soberheid en orde. Teveel inspraak van burgers, die deze balans kon verstoren, was niet gewenst. ‘Een natuurlijk regt op mederegeren (…) staat er niet voor de burgers; hun natuurlijk regt kan geen ander zijn dan om goed geregeerd te worden’. Nederlandse gezagsdragers waren niet autoritair, zoals in Duitsland wel het geval was. De wijze waarop een burgemeester rond de jaren zestig werd aangesteld is illustratief. Burgemeesters werden gezien als afgevaardigden van de regering en de koningin en kregen als zodanig grote bevoegdheden in het handhaven van de openbare orde. Ze mochten bioscopen en het vertonen van films verbieden.

Mild rechtssysteem
Maar burgemeesters waren niet de enige overheidsfunctionarissen die de beschikking hadden over een groot arsenaal aan bevoegdheden. Ook ambtenaren hadden, buiten het blikveld van het parlement, veel handelingsvrijheid. Daarnaast werd aan officieren van justitie en rechters veel vrijheid gegeven. Soms gaven zij voorkeur aan het gedogen van illegale activiteiten als ze meenden dat de openbare orde er niet door zou worden bedreigd. Het Nederlandse rechtssysteem was eigenlijk tamelijk mild; gevangenisstraffen overschreden zelden de drie jaar (minimumstraffen waren verbijsterend laag; voor moord was het één dag voorwaardelijk, voor veel misdrijven een voorwaardelijke boete van vijftig cent). De Nederlandse jurisprudentie werd na de oorlog sterk beïnvloed door de ‘Utrechtse School’, bestaande uit een aantal psychologen en juristen, die het geloof deelden dat rechters, openbare aanklagers, maatschappelijk werkers en psychologen moeten samenwerken om de mensen te helpen die rehabilitatie nodig hadden. Deze school was waarschijnlijk de hoogste uitdrukking van het verlichte paternalisme onder Nederlandse regenten.

Journalistieke zelfbeheersing
Ook de Nederlandse pers belaagde de autoriteiten niet. Omdat de pers grotendeels was verzuild, hadden ze een dienende rol om de eigen zuil te steunen. Sensationele pers en roddelbladen kwamen niet veel voor. Redacteuren beschouwden zelfbeheersing als één van de kenmerken van verantwoorde journalistiek. De toepassing van burgerrechten werd dus grotendeels bepaald door de discretie van ambtenaren, in tegenstelling tot de situatie in Amerika waar rechten scherp omlijnd zijn. Of de hand werd gehouden aan wetten hing af van de mening van de Nederlandse autoriteiten over de redelijkheid en noodzaak ervan voor het bewaren van de openbare orde.

Groeiend wantrouwen
Na de naoorlogse opbouwperiode groeide het wantrouwen tegenover gezagsdragers. Vanaf 1960 vermeerderde het aantal stakingen en politieke protesten. Daarnaast gaven vrije tijd en verveling veel jongeren de kans het gezag te tarten. Vooral in Nederland speelde daarnaast de neergang van het kerkelijk gezag een belangrijke rol in het verdwijnen van het traditionele respect voor autoriteiten. Sommige verzetsmensen kwamen nooit meer helemaal over hun argwaan jegens burgerlijk gezag heen. De generatie van na 1945 weerspiegelde dit scepticisme: leerde de oorlog haar niet dat bewust verzet tegen autoriteiten vaak gerechtvaardigd was?

Televisiecultuur
Een deel van het probleem werd feitelijk veroorzaakt door de nieuwe televisiecultuur. De meeste Nederlandse politici waren niet verkozen vanwege hun aantrekkelijke uiterlijk of hun vermogen om indruk te maken voor een camera, waardoor velen op de televisie vrij kleurloos en saai overkwamen. Vaak werd gezegd dat onhandige missers op de televisie van eens hogelijk gerespecteerde politici een oorzaak was van hun gezagsverlies. De Nederlandse media namen de politici kritisch onder de loep. Journalisten probeerden te voldoen aan een nieuwe, harde norm. Ze namen de aanpak van de Britse televisie over. Het leidde tot onbeleefde directheid. Veel politici voelden zich in elk geval niet op hun gemak met de nieuwe wijze van journalistiek bedrijven en gaven Nederlanders daardoor de indruk dat zij de uitdagingen van een ‘moderne’ democratie niet aankonden.

Politie in Amsterdam
In dit milieu begon de pers berichten te publiceren waarin de eigenmachtigheid van de regenten naar voren kwam: studentenbladen die werden geconfisqueerd, burgemeesters die de vertoning van onschadelijke films verboden, harde politieoptredens tegen onschuldige burgers. Nergens zou het gezag een dramatischer verandering ondergaan dan in Amsterdam. Hier wantrouwden de inwoners de politie. Er was een tekort van ongeveer 500 politieagenten. Pogingen om meer politie aan te trekken hadden weinig succes, de meeste agenten konden, vanwege de lage werkloosheid, kiezen voor een aanstelling in plaatsen die minder belastend waren dan Amsterdam.

Wederzijdse minachting
Bovendien waren de meeste politieagenten in de hoofdstad afkomstig uit de provincie, omdat maar weinig Amsterdammers bereid waren het korps te versterken. Een groot deel van de agenten hield er conservatieve politieke overtuigingen op na, in tegenstelling tot de inwoners van het linkse Amsterdam. Een aantal agenten was zelfs aangenomen tijdens de bezettingsjaren. Daarnaast was het korps tamelijk slecht georganiseerd. Het was dus een situatie die uitnodigde tot wederzijdse minachting en escaleerde in geweld.

1965-1966
Door al deze omstandigheden waren de Amsterdamse autoriteiten bijzonder slecht in staat de ondermijnende aanvallen op hun gezag in 1965 en 1966 af te slaan. In deze jaren ontstonden vier belangrijke conflictsituaties tussen burgers en autoriteiten. (1) De provobeweging, die laat in de zomer van 1965 op zaterdagavonden happenings organiseerde op het Spui. Deze happenings vereisten toestemming van de burgemeester, een regel waaraan de anarchistische provo’s voorbijgingen. Het werd aan de politie overgelaten of ze deze illegale happening zou negeren of uiteen zou jagen. In haar onzekerheid probeerde ze allebei. Ongelukkig voor de politie hing de populariteit van de happenings al snel bijna geheel af van haar aanwezigheid; mensen verschenen alleen wanneer een botsing tussen de politie en provo op handen leek te zijn. En als de politie dan klappen uitdeelde kreeg het veel aandacht in de pers en gaven ze de indruk dat Amsterdam op het randje stond van de anarchie.

Koninklijk huwelijk in Amsterdam
(2) Het huwelijk van Beatrix en Claus. Om nog steeds onduidelijke redenen besloot het kabinet-Cals het huwelijk in Amsterdám te laten voltrekken. Het grootste deel van de Nederlandse pers weigerde, uit eerbied voor het koninklijk huis, veel aandacht te schenken aan de incidenten en de nationale overheid zuiverde de politie van alle verdenking van het gebruik van buitensporig geweld. Maar dit bevestigde voor vele Nederlanders slechts de mening dat alle vormen van gezag vijandig stonden tegenover legitieme protestbewegingen. (3) Het Amsterdamse gezag werkte verontwaardiging door de wijze waarop zij vreedzame demonstranten in de eerste helft van 1966 behandelde. Geweld keerde zich tegen haar en grootschalige arrestaties waren moeilijk in de hand te houden. Daarom stond de politie vaak hulpeloos toe te kijken. Voor het eerst sinds 1945 werd traangas gebruikt.

Schorremorrie
Onder deze omstandigheden was het voor veel Nederlanders niet moeilijk te geloven dat hun land (of in elk geval de hoofdstad) tot anarchie was vervallen. Enkelen spraken zelfs over het instorten van de oude orde. Een journalist merkte op dat in het land werd gesmeekt om maatregelen tegen de demonstranten te nemen in de trant van ‘hak ze het hoofd af, gooi ze in de gracht’. Maar liefst 82 procent van de Nederlanders sprak zich uit vóór een ‘krachtig optreden’ door de politie tegen overtreders. Veel gewone burgers bleven zich verbazen over de toegeeflijkheid waarmee het ‘schorremorrie’ door de gezagsdragers werd omringd en namen het recht soms in eigen hand. Zo maakten mariniers uit Den Helder uitstapjes naar Amsterdam om de ‘langharige relschoppers’ in elkaar te slaan!

Aarzeling na kritiek
De gemeenteraad van Amsterdam (die voor een groot deel bestond uit communisten, linkse socialisten en kabouters) reageerde kritisch op de harde manier waarop de politie de provo’s aanpakte, zodat zijn toenemende (en uiteindelijke langdurige) vijandige verhouding tot de politie openbaar werd. Jonge journalisten leverden in toenemende mate kritiek op machtsmisbruik door autoriteiten. Het gevolg was dat de elites aarzelden de opstandige jongeren hard aan te pakken, om te voorkomen dat ze zouden worden aangezien voor nazi’s en de generatiekloof zich zou verbreden. Hun nadruk op ordehandhaving werd bovendien verzacht door morele twijfel. ‘Hoe geef je de jonge mensen (…) het idee dat niet alles wat we doen en nastreven onzin is?’

Crisis?
Welke de redenen ook mochten zijn, het Nederlands burgerlijke gezag was zo geschokt door de gebeurtenissen van 1965-1966 dat het besloot een dergelijke situatie nooit meer voor te laten komen. Het is opmerkelijk hoe vaak Nederlandse commentatoren spraken en schreven over de onlusten als over en diepe crisis, een keerpunt, alsof het ‘schrift op de wand’ zichtbaar was voor iedereen. Terwijl het meeste toch alleen gebeurde in Amsterdam!

Modernisering politie
De ‘moderne’ samenleving maakte de ‘traditionele’ vormen van gezag onhoudbaar. Te vaak hadden de autoriteiten niet toereikend gereageerd op de ‘veranderende tijden’. Men zag zich overspoeld door een golf van vrijwel onstuitbare ontwikkelingen. Het was duidelijk dat de ‘modernisering’ van de politie in elk geval dringend noodzakelijk was. Nederland had een zinnige no-nonsense benadering van wetsovertreders nodig, met korte communicatielijnen en betere samenwerking tussen politiekorpsen onderling (en ‘moderne’ benaderingen zoals gerichte arrestaties in plaats van gewelddadige stopzetting van demonstraties).

De nieuwe redelijkheid
Om de orde te kunnen handhaven waren de gezagsdragers bereid opnieuw te definiëren wat die ordehandhaving inhield. Dit zou vérstrekkende gevolgen hebben voor de wetgeving en de Nederlandse samenleving. De ‘nieuwe redelijkheid’ van het Nederlandse gezag werd de jaren daaropvolgend op minstens drie verschillende manieren duidelijk: in het ‘verfijnen’ van de techniek waarop met burgerlijke ongehoorzaamheid en onrust werd omgegaan, in aanzienlijke structurele hervormingen bij de universiteiten en in het versoepelen van de wetgeving die betrekking had op het ‘privé’-leven: pornografie, abortus, drugs en euthanasie. In al deze gevallen speelden de bestuurlijke en pragmatische vernieuwers een cruciale rol.

Meer misdaad, minder gevangenen
In de politieopleiding werden voortaan sociaal-wetenschappelijke inzichten sterk benadrukt. Het ‘begrijpen’ van mensen en hun sociale omgeving werd essentieel voor politieagenten. Het imago dat men probeerde op te bouwen was bewust veel vriendelijker en minder autoritair. De nieuwe vriendelijke benadering verspreidde zich naar bredere kringen van de rechtshandhaving. Tot de overtuiging gekomen dat langere gevangenisstraffen de misdaad niet afschrikten, probeerden Nederlandse autoriteiten in de jaren zestig steeds vaker andere vormen te vinden om misdadigers aan te pakken, beïnvloed als zij waren door maatschappelijk werkers en psychologen binnen de eigen gelederen. De gevangenispopulatie verminderde in een tijd dat de misdaad – vooral diefstal – toenam.

Burgerlijke ongehoorzaamheid
De politie ging echter toch weer geweld tegen relschoppers gebruiken, nadat zij eerst de ‘moderne’, vriendelijker benaderingen had geprobeerd. Dat was een tendens die in heel de jaren zeventig merkbaar bleef. De Nederlandse overheden werden in het begin jaren zeventig geconfronteerd met een scherpe toename van burgerlijke ongehoorzaamheid in heel het land. Midden jaren zeventig werd burgerlijke ongehoorzaamheid min of meer getolereerd door de Nederlandse overheden.

Elkaar overtreffen in liberalisme
De volkstelling van 1971 zou de laatste blijken te zijn in Nederland; het verzet tegen de opdringerige vragen deed de regering besluiten voor haar statistieken voortaan gebruik te maken van andere bronnen. En in 1974 schafte de regering, ondanks verzet van de minister van Defensie, de groetplicht bij de strijdkrachten af. Prostitutie gedijde na een lange periode van stagnatie en gokken, drugsgebruik en andere ondeugden konden min of meer ongestoord doorgaan vinden. Nederlandse gezagsdragers probeerden elkaar te overtreffen in hun ‘liberalisme’, zodat de politie de laatste wankelende verdediger van het gezag werd.

Studenten en universiteiten
Het aantal studenten aan de universiteiten nam na de Tweede Wereldoorlog sterk toe. In 1950 waren 28.000 studenten ingeschreven, in 1970 al 103.000. De ongekende toegankelijkheid van het hoger onderwijs plaatste de universiteiten en hogescholen voor ernstige structurele problemen en sociale spanningen. Studentenradicalisme zoals in Parijs 1968 kwam in Nederland nooit werkelijk van de grond. De belangrijkste exponent was de Katholieke Universiteit van Nijmegen (‘Karl Marx Universiteit’), waar antikatholicisme heerste en marxisme zeer in trek was.

Bezettingen universiteitsgebouwen
Studenten van tal van universiteiten gingen de gebouwen bezetten (geholpen door het jongere deel van de staf) om volledige medezeggenschap te bereiken. De opmerkelijkste demonstratie was de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam, waar de administratie van de Gemeentelijke Universiteit was gevestigd. Vooral confessionele en liberale politici (om nog maar te zwijgen van de rechtse Boerenpartij) waren scherp in hun veroordelingen. De nieuwe universitaire wetgeving in 1970 was één van de meest verstrekkende in West-Europa.

Onvermijdelijk, onontkoombaar?
Het overschatten van de macht van de studentenradicalen was een neiging die na ‘Parijs’ bij veel Europese politici voorkwam, en nergens was de overschatting sterker dan in landen als Nederland waar politici niet gewend waren aan conflicten. In deze landen bracht het radicalisme een sfeer van onvermijdelijkheid met zich mee. Er waren weliswaar veel nuchtere politici die de spot dreven met het revolutionaire potentieel van de studenten. Maar een groot deel zag veranderingen op grote schaal als onontkoombaar en concessies als verstandig. Ook hier werd de beslissende stap naar democratisering dus gezet door autoriteiten die onder andere omstandigheden misschien weerstand zouden hebben geboden. En de resultaten bleken nauwelijks minder verstrekkend dan het verlangen van overtuigde democraten was geweest. Maar niet alleen in het universitaire beleid, ook in de wetgeving betreffende het privé-leven werd deze trend zichtbaar.

Abortus
Nergens waren de ‘sociale ontwikkelingen’ zo stormachtig als in de veranderende morele overtuigingen van de Nederlanders. Nederlandse beleidsmakers herzagen een aantal wetten die naar de mening van steeds meer mensen tot het privé bestaan behoorden, zoals pornografie, abortus, verdovende middelen en euthanasie. Het aantal abortussen in Nederland was in vergelijking met het Europees gemiddelde tamelijk laag en werd in de loop van de jaren zestig minder (van twaalf procent van alle zwangerschappen in 1964 tot zes procent in 1970). Tegelijkertijd was abortus provocatus nog steeds verboden, behalve wanneer het leven van de moeder in gevaar was.

Legaal in eerste 12 weken
Toch werden abortieve ingrepen openlijk door artsen uitgevoerd, in 1971 opende de eerste abortuskliniek haar deuren in Arnhem. Na 1973 waren er, met de komst van het centrum-linkse kabinet-Den Uyl, eigenlijk geen beperkingen meer ten aanzien van abortus, mits uitgevoerd binnen de eerste twaalf weken van de zwangerschap. Door de feitelijke legalisatie van abortus steeg het aantal abortussen in Nederland niet, maar het daalde ook niet. In de jaren zeventig bleef het aantal abortussen stabiel, 16.500 tegenover 175.550 levendgeborenen in 1978. Dit lage cijfer, het laagste in de wereld, wordt gewoonlijk toegeschreven aan het wijdverbreide gebruik van voorbehoedsmiddelen onder vrouwen die anders voor abortus zouden kiezen.

Geen gesloten christelijk front
Christenen waren onderling verdeeld over de inhoud van de gewenste beperkingen en bleken niet in staat een gesloten front te vormen. Bovendien stonden confessionele politici vanaf het einde van de jaren zestig open voor een abortuswet met restricties. Tegen het midden van de jaren zeventig zou een sterke pro-life beweging ontstaan, uit frustratie over de flexibiliteit van de christelijke partijen in de abortuskwestie. Minister van Justitie (onder Den Uyl) Van Agt zou hierin een belangrijke rol spelen toen hij tijdelijk een kliniek sloot die abortussen in een later stadium van de zwangerschap uitvoerde. Toch duurde het nog tot 1981 voordat een abortuswet door het parlement kwam. De christen-democraten stelden zich tevreden met het restrictieve taalgebruik en gaven hun goedkeuring aan de wet. Een andere houding zou ingaan tegen een fait accompli. Ook in dit opzicht is duidelijk dat zelfs christen-democraten, die abortus wezenlijk afkeurden, zich niet langer aan de zijlijn wilden laten zetten door onvermijdelijke sociale trends.

Drugsgebruik
Vóór 1960 was het illegale gebruik van drugs nauwelijks een probleem te noemen. Na ongeveer 1962 verspreidde het gebruik van vooral marihuana zich snel, geïmporteerd uit Amerika. Tussen 1965 en 1968 verdubbelde het gebruik van marihuana in Nederland elk jaar en ook harddrugs zoals LSD en heroïne deden hun intrede. De stijging van het drugsgebruik nam nog geen epidemische vormen aan. Een PvdA’er deed een dringend beroep op de autoriteiten om het drugsgebruik te ‘ontmythologiseren’, om ernstige politieke gevolgen te voorkomen: ‘Als de bestaande politieke partijen niet in staat zijn om met de veranderingen mee te evolueren, zal het beste deel van de jeugd volledig vervreemd raken van de politiek’.

Tolereren
Na een paar vruchteloze pogingen het drugsgebruik te beteugelen, kondigde de gemeenteraad van Amsterdam een nieuw drugsbeleid aan. Afkickklinieken voor verslaafden, een verschuiving van de aandacht van gebruikers naar dealers en overredingstactiek in de bestrijding van drugsgebruik zouden de tot dan toe gehanteerde benadering vervangen. Het tolereren van het softdrugsgebruik werd onderdeel van het verzoeningsgezinde jeugdbeleid, dat erop gericht was de rebelse jongeren koest te houden. Deze gevoelens bleven niet beperkt tot Amsterdam, ook al bleef het Nederlandse publiek nog geruime tijd afkerig van de legalisering van drugs.

Onderscheid hard- en softdrugs
In het begin van de jaren zeventig lagen drie uitgangspunten ten grondslag aan het Nederlandse drugsbeleid. Het eerst was dat er een wetenschappelijk gefundeerde verschil bestond tussen harddrugs en softdrugs (een Nederlandse uitvinding). Het tweede was het beheersen in plaats van het in de handen van de onderwereld te laten, waar het zich aan iedere controle zou onttrekken. Het derde uitgangspunt was de noodzaak van hulpverlening aan verslaafden. Uiteindelijk heeft de Nederlandse re gering softdrugs nooit gelegaliseerd, deels vanwege druk uit het buitenland, deels vanwege de vrees voor autoriteiten dat legalisering het gebruik van drugs zou stimuleren. Nederland werd een mekka voor ‘drugstoerisme’. De Nederlandse autoriteiten creëerden een liberaal drugsbeleid dat zijn weerga niet vond.

Opkomst D’66
D’66 was anders dan het ‘luidkeelse, provo-achtige, lang-harige en fanatieke socialistische type’. De partij bestond uit ‘studenten en jonge intellectuelen, merendeels eenvoudig, bijna conservatief gekleed, kort geknipt haar, ernstig debatterend’. Een paar maanden na de oprichting behaalde ze bij de Tweede-Kamerverkiezingen (1967) al zeven zetels, evenveel als de Boerenpartij van Hendrik Koekkoek, die veel van haar aanhang uit de grote steden had. Het succes van D’66 was sensationeel. Het was een protestpartij met één doel: de ‘ontploffing’ van het Nederlandse politieke systeem. ‘Ons staatsbestel functioneert bedroevend’.

Politiek systeem op dood spoor
De aanval van D’66 op het overleefde politieke systeem van Nederland verdoezelt het feit dat haar analyse nauwelijks door enig gezaghebbend politicus in twijfel was getrokken. Het stabiele Nederlandse politieke systeem, dat tijdens de jaren veertig en vijftig in evenwicht werd gehouden door rooms-rode coalities, leek in het begin van de jaren zeventig op een dood spoor te zijn gekomen. De KVP ging bijvoorbeeld van 1959 tot 1972 terug van 49 naar 27 zetels. Er werden verschillende pogingen gedaan tot vernieuwing: de drie grote confessionele partijen samenvoegen, de politiek nieuw leven inblazen door een beroep te doen op ‘jeugd’ en ‘radicaliteit’ en de kiezers te voorzien van een duidelijke electorale keus.

Verenigde christelijke partij?
In 1963 kregen de vijf christelijke partijen samen nog tachtig zetels in de Tweede Kamer. De dominantie van de confessionele partijen, vooral van de KVP, was tot diep in de jaren zestig de meest voorspelbare factor in het Nederlandse politieke bestel. Hier kwam echter een einde aan. De ideologische identiteit van de KVP was al lang zwak geweest. Al in het begin van de 20e eeuw hadden katholieke leiders tot een verenigde christelijke partij willen komen, maar dit was toen door protestantse politici verworpen. Nu weer drongen een aantal invloedrijke katholieke politici aan op een verenigde partij. De katholieken vonden inspiratie in andere landen in Europa. In geen enkel West-Europees land waren de christen-democratische partijen verdeeld naar godsdienst. En vooral in West-Duitsland en Italië bloeiden de (door katholieken gedomineerde) verenigde christelijke partijen.

CDA
De ARP en de CHU waren de enige hoop voor de KVP, die in staat van ontbinding was. In 1966 verscheen een rapport van de partij die beweerde dat de principiële redenen voor een katholieke partij tot het verleden behoorden. De katholieken hadden dus haast. Veel KVP’ers, die zich ergerden aan de bijbelvastheid van de protestanten hadden zich al neergelegd bij de ‘onvermijdelijkheid’ van de secularisatie. In 1977 werd de verenigde partij uiteindelijk werkelijkheid. De naam werd Christen-Democratisch Appèl (niet Unie). Tijdens de verkiezingen van 1977 maakte het CDA een christelijk-politieke wedergeboorte mee die zeventien jaar zou standhouden en die het CDA in het centrum van de Nederlandse politiek zou houden. Deze opleving volgde echter op een periode waarin de christelijke partijen bijna veertig procent van hun electorale sterkte hadden verloren en waarin hun verval onherroepelijk leek.

Verjongingskuur
Midden jaren zestig beschuldigden D’66 en Nieuw Links het hele gevestigde systeem van politieke partijen ervan een verouderd bolwerk van ‘conservatieve’ politiek te zijn. De Nederlandse politiek had een verjongingskuur nodig. Deze analyse was niet ongegrond; het Nederlandse politieke leven omstreeks 1965 was tamelijk oligarchisch. Steeds meer politieke elites toonden de wil hun partijen kritisch tegen het licht te houden. Hun bereidheid daartoe kwam deels voort uit de sinds het eind van de jaren vijftig gedeelde perceptie dat het gebrek aan ideologische smaak de kiezers vervreemdde van de politiek, de in demografisch opzicht belangrijke jongere generatie moest worden gewonnen en in een tijd van ongekende welvaart en vrede kon en moest nieuwe ‘progressieve’ politiek worden gestimuleerd.

Verminderde belangstelling voor de politiek
Eind jaren zestig zien we het ‘einde van de ideologie’ en een ‘nieuwe zakelijkheid’. Toch waren tal van Nederlandse politici gespitst op de gevaren van een politiek systeem zonder ideologieën. Willem Banning, één van de oprichters van de PvdA, sprak in 1960 teleurgesteld over de ‘malaise’, waardoor politiek niet langer leefde onder ‘de gewone man en vrouw’. In 1963 gaf zeventig procent van de Nederlandse kiezers aan nauwelijks of geen belangstelling te hebben voor de politiek. Dat de Boerenpartij zoveel aanhang kreeg wekte ook onrust. Veel politici zagen in het rechtse protestkarakter van de Boerenpartij een gevaarlijke bedreiging van de Nederlandse democratie.

Jeugd liberaal?
Slecht nieuws voor alle partijen was dat vooral de jongere kiezers zich afkeerden van de doorsnee politiek en van de bekende partijen. Alle grote partijen gingen meer aandacht besteden aan jongerenproblemen. De jonge VVD’er Hans Wiegel verklaarde dat 90 procent van de jeugd liberaal was. De ‘baby boom’ vergrootte de dreiging. Er werd een toenemende waarde aan de welvaartsstaat gehecht, waarmee een bewuste verschuiving naar links gepaard ging. In een tijd van weergaloze economische groei en welvaart was een politiek van vrijgevigheid naar hun mening ook mogelijk en betaalbaar geworden.

Anders-revolutionair
De KVP ging steeds meer op de PvdA lijken. De aanvankelijk negatieve houding van de ARP tegenover de opbouw van de welvaartsstaat sloeg om naar het geestdriftig omarmen van geldverslindende staatsprojecten, gericht op het bestrijden van onrecht en ongelijkheid. Anti-revolutionair ging meer op Anders-revolutionair lijken (‘evangelische radicaliteit’). Zelfs de CHU en de VVD, die minder geestdriftig waren over de nieuwe staatsprojecten van de jaren zestig, boden nauwelijks verzet tegen de plannen van de andere politieke partijen voor de uitbouw van de welvaartsstaat.

Door de bocht
Hoewel de gezamenlijke ijver voor de uitbouw van de welvaartsstaat de gematigden-oude-stijl en de radicalen-nieuwe-stijl had kunnen verbinden, neigden de radicalen ertoe het verschil te benadrukken tussen hun eigen ambitieuze doelstellingen en het ‘conservatieve’ en gecompromitteerde beleid van de gematigde politici. Tegen het midden van de jaren zestig bevonden de grote politieke partijen in Nederland zich dus op een vreemd kruispunt van wegen. Berghuis, die eens bekend stond als traditioneel, hield in 1962 zijn beroemde ‘door de bocht’-toespraak, waarin hij aankondigde dat een nieuw tijdperk voor de ARP was aangebroken: ‘[Wij] hebben aan het gevaar blootgestaan met onze beginselen te verstarren in een veranderende wereld. (…) Thans [zijn wij] bezig de bocht te nemen naar de tijd waarin wij zeer reëel leven’.

PPR
De Politieke Partij Radikalen deed het bij de verkiezingen van 1971 minder goed dan verwacht en wist slechts twee zetels binnen te halen. In 1972 verkreeg ze onder de charismatische leiding van Bas de Gaay Fortman zeven zetels. Maar toch werd de partij nooit een populair alternatief voor de confessionele partijen. De PPR was te christelijk voor niet-christenen en voor de meeste christenen te radicaal. De confessionele partijen waren in werkelijkheid linkser dan ze leken. Dit was ook de indruk die veel partijleiders wilden wekken, opdat elke uitstroom naar de PPR ingedamd zou worden.

Iedereen vooruitstrevend
Aan het eind van de jaren zestig deden de confessionele partijen van alles om het de christen-radicalen naar de zin te maken, terwijl ze tegelijkertijd probeerden aantrekkelijk te blijven voor hun grotendeels conservatieve tot gematigde achterban. KVP-premier Piet de Jong stond erop dat zijn kabinet ‘progressief’ werd genoemd. In 1967 verplichtte de KVP zich, om te voorkomen dat radicalen naar andere partijen zouden overlopen, ‘consequent vooruitstrevend’ te zijn. Confessionele pogingen om de ‘radicalen’ te paaien leidden uiteraard niet tot een ‘radicaal’ nieuwe koers; in het begin van de jaren zeventig, toen het ‘radicale’ gevaar weer afnam, werden ze zelfs weer wat ‘rechtser’. Deze halfslachtige houding speelde een rol bij de afname van hun geloofwaardigheid.

Nieuw Links binnen de PvdA
In september 1966 werd ‘Nieuw Links’ geboren, die het partijprogramma van de PvdA wilde radicaliseren door herverdeling van de inkomens te bepleiten, de buitenlandse politiek betreffende de Koude Oorlog te verwerpen en de zorg om de ‘kwaliteit van het bestaan’ te benadrukken. Daarbij kenmerkten zij zich door een oppositionele houding, waarin ze weinig compromissen wilden aanvaarden met degenen die hun doelstellingen niet onderschreven. Ze hadden succes in het verwerven van posities binnen de PvdA. Ook andere linkse groeperingen verkregen meer invloed in de partij. Zo nam de socialistische vrouwenorganisatie een nieuwe rol op zich door te strijden voor legalisering van abortus. Door dit alles veranderde het beeld van de partij binnen een paar jaar, de PvdA kwam naar voren als en jonge, radicale en weer opgeleefde partij.

DS’70
Maar nog geen kwart van de PvdA-kiezers herkenden zich in Nieuw Links. Daarom werd er een ‘rechtse’ tegenhanger gevormd. De partij werd verdeeld door twisten, evenals de Duitse SPD en de Amerikaanse Democratische Partij in die tijd, zelfs zo erg dat ‘rechtse’ socialisten in 1970 uittraden en de Democratisch-Socialisten ’70 (DS’70) oprichtten. Den Uyl was zelf geen radicaal. Hij had een afkeer van trends en hield absoluut niet van de polariserende aanpak van ‘links’. Hij was met hen zelfs in een felle strijd verwikkeld. Toch liet hij zich meevoeren. De PvdA was een partij waarin tijdens de jaren zeventig ‘linkse’ socialisten zich thuis bleven voelen. Zij hadden veel meer invloed dan hun numerieke omvang zou doen vermoeden, deels vanwege de bereidheid van gematigde leiders om de nieuwe radicalen een plaats te gunnen.

VVD
Jongere kiezers leken veel minder aangetrokken te worden tot christelijke partijen, maar hun ‘wereldlijke’ voorkeur maakte hen nog geen politieke radicalen. De draai naar rechts van de VVD en haar winst bij de verkiezingen van 1972 toonde dit duidelijk aan. De liberale VVD zat stevig aan de rechterkant van het politieke spectrum en was de enige grote partij die geen moeite deed om ‘radicaal’ te lijken. Maar evenals de andere partij kende de VVD veel strijd, hoewel slechts zelden een ‘rechts’ populisme naar voren kwam. Gemeten naar de populariteit van De Telegraaf zou een dergelijk populisme goed aangeslagen zijn bij een van de politiek vervreemd electoraat, de ‘zwijgzame meerderheid’.

Hans Wiegel
Hierin kwam in 1972 verandering toen de VVD onder leiding van Wiegel (op z’n 31e al fractievoorzitter), geconfronteerd met groeiende economische en sociale problemen, zich harder ging opstellen tegen het ‘misbruik’ van de welvaartsstaat. De grote winst in dat jaar was voornamelijk afkomstig van jongere kiezers. De partij zou blijven groeien en tot in de jaren tachtig verkiezingswinst boeken. De VVD was erin geslaagd het idee onderuit te halen dat ‘jonge’ stemmen altijd ‘radicale’ stemmen waren. De bereidheid van een groot deel van de oude garde tot het sluiten van compromissen bleek niet de stabiliteit binnen het Nederlandse politieke systeem teweeg te brengen waarop zij hadden gehoopt; zij vergrootte zelfs de spanningen binnen de partijen.

PvdA en VVD machteloos bij coalitievorming
Aan het eind van de jaren vijftig hadden de PvdA en de VVD voldoende reden ongelukkig te zijn met hun posities binnen het politieke systeem. Ze waren beide in de uiterste hoeken van het politieke spectrum gedrukt. De confessionele partijen konden hun coalitiepartners dus kiezen. Ze wachtten dan gewoon af welke partij, de VVD of de PvdA, tijdens de besloten maandenlange onderhandelingen bereid was de meeste concessies te doen. Vanaf 1959 weigerden VVD en PvdA in toenemende mate het confessionele spel mee te spelen. Beide partijen begonnen te ‘polariseren’ om zodoende hun eigen identiteit te versterken en de confessionele partijen ertoe te dwingen vóór de verkiezingen reeds een keuze te doen tussen de VVD en de PvdA.

Tweepartijenstelsel?
De PvdA ging nog verder en eiste een substantiële vernieuwing van het kiesstelsel; aan de kiezers moest een duidelijkere keus worden geboden. Het succes van socialistische partijen in andere landen was gebaseerd op een tweepartijenstelsel. Christelijke politiek bestond eigenlijk niet; dat was slechts een onevenwichtig mengsel van progressieve en conservatieve politiek. Nieuw Links en andere ‘linkse’ groeperingen toonden weinig belangstelling voor het tweepartijenstelsel, dat volgens hen slechts zou leiden tot een vormloze en onvoldoende ‘vooruitstrevende’ volkspartij.

Links schaduwkabinet
PvdA, PPR en D’66 besloten in 1971 een ‘schaduwkabinet’ te vormen. Deze nieuwe koers bracht D’66 in een identiteitscrisis en in 1972 verloor het bij de verkiezingen een groot deel van zijn kiezers. De pogingen van de PvdA en haar bondgenoten om de Nederlandse politieke situatie te verhelderen waren niet zo succesvol. Het streven naar een linkse ‘concentratie’ had geleid tot veel interne discussie over de inhoud en omvang hiervan, maar nog niet tot ‘duidelijkheid’. Bij de verkiezingen van 1972 haalden de ‘Progressieve Drie’ 56 zetels binnen; de confessionelen gingen omlaag naar 48 zetels, te weinig om samen te regeren met de zegevierende VVD (22 zetels). De kabinetsformatie nam maanden in beslag.

Politieke systeem inefficiënt?
Uiteindelijk kwam er een kabinet-Den Uyl tot stand, met een afspraak waarin ARP- en KVP-parlementariërs een ‘links’ kabinet zouden gedogen en hun partijen gezamenlijk zes van de zestien ministersposten zouden krijgen (veel minder dan op grond van het aantal zetels in de Tweede Kamer verwacht zou mogen worden). Voor veel commentatoren vormden deze maanden voldoende bewijs dat het Nederlandse politieke systeem in een crisis verkeerde. Het systeem was een ‘beschamende vertoning’ geworden. Maar de crisis was niet zozeer ontstaan doordat ‘reactionaire’ krachten zich verzetten tegen ‘revolutionaire’ bewegingen, maar werd voornamelijk veroorzaakt door de behoedzame, conservatieve en vaak tegenstrijdige besluiten die gematigde politici namen om hun eigen politieke systeem te vernieuwen. En de Nederlandse politiek bleek helemaal niet minder efficiënt te zijn dan de politiek in België, Frankrijk, Italië of Scandinavische landen.

Gebed uit de troonrede
‘Die tijden keren nooit meer terug’, zei Den Uyl, terugkijkend op de oude verzuilde orde. Alsof hij het seculiere karakter van de nieuwe regering (het meest linkse ooit in de Nederlandse geschiedenis) wilde benadrukken liet hij in 1973 voor het eerst sinds een eeuw het gebed achterwege in de troonrede. Nederland was een land geworden met een hoge mate van persoonlijke vrijheid, een hoge levensstandaard en hoge belastingen (in 1980 gestegen tot 51,9 procent). Pogingen om de kansen voor vrouwen te vergroten namen toe (meestal door het creëren van goedbetaalde part-time banen). Het aantal immigranten groeide explosief.

Polarisatie en criminaliteit
In de jaren zeventig maakte Nederland, evenals andere Westerse landen, ook minder positieve ontwikkelingen door: chronische inflatie, werkloosheid en overheidstekorten. Arbeidsrelaties kwamen onder druk te staan (mede door de steun van Den Uyl voor de looneisen van werknemers), polariseerden en stakingen kwamen vaker voor. De sociale problemen namen eveneens toe. In Amsterdam vond een levendige drugshandel plaats, maar ook in grenssteden zoals Arnhem. Veel softdrugs kwamen in het bezit van buitenlanders en toeristen. Al deze ontwikkelingen gingen vergezeld van een vervijfvoudiging van de criminaliteit tussen 1970 en 1984. In de jaren tachtig telde Nederland het hoogste aantal misdrijven in heel Europa, een omvang die vooral scheen te worden veroorzaakt door de fietsendiefstallen.

Dogmatisch niet-dogmatisme
Nederlanders accepteerden de instroom van immigranten (uit Turkije, Marokko en Suriname) over het algemeen veel beter dan de bewoners van buurlanden hun immigranten. Onder veel jonge Nederlanders werd in de jaren zeventig een bijna dogmatische niet-dogmatische, democratische en informele gedragscode sterk benadrukt. Een bewoner van de Amsterdamse binnenstad herinnert zich dat, toen drugsverslaafden zich in de jaren zeventig als krakers in de buurt vestigden, iedereen ‘tolerantie’ en ‘begrip’ moest tonen, een zienswijze die in de jaren tachtig weer verdween.

Doden blijft verboden, maar niet heus: euthanasie
De Nederlandse overheden zouden het gebruik van softdrugs door de vingers blijven zien, en tot verbazing van de Amerikaanse autoriteiten gingen ze zelfs over tot het verstrekken van schone naalden aan verslaafden. Bij de toenemende toepassing van euthanasie keek de overheid gewoon de andere kant op: ‘Doden blijft verboden, maar niet heus’, merkte het NRC begin jaren negentig op. Niemand weet precies hoe vaak euthanasie plaatsvond in Nederland; er wordt geschat dat dit cijfer lag tussen 6000 en 20.000 gevallen per jaar, 5 tot 17 procent van alle sterfgevallen in Nederland.

In de juiste richting sturen
Er werd een grote mate van vrijheid toegestaan opdat de orde kon worden gehandhaafd. In een pluralistische en snel veranderende samenleving was het laten vieren van de teugels de beste optie. Goed bestuur betekende vooral het zich ervan verzekeren dat de zaken niet uit de hand liepen en dat vereiste een sterk besef van de begrensdheid van het eigen vermogen om gebeurtenissen te beteugelen. De belangrijkste taak voor de autoriteiten was om de ‘vooruitgang’ en de ‘sociale ontwikkelingen’ in de juiste richting te sturen. Daardoor leken rationele, voorzichtige elites de ideale bestuurders voor Nederland.

Jullie hebben hier geen problemen
Het waren zowel het besef van tijd en verandering als het traditionele idee van beperktheid waardoor de Nederlandse elites in de jaren zestig de onwaarschijnlijke rol van progressieven op zich namen. Het paradoxale is dat de elites die dachten een ‘achterhoedegevecht’ te leveren, zichzelf juist plaatsen in de voorhoede van sociale en culturele verandering. In dit opzicht waren zíj de architecten van het Nederlandse Nieuw Babylon. In 1974 zei een Amerikaanse futuroloog tegen een Nederlandse interviewer: ‘Jullie hebben hier geen problemen. Het hele land lijkt één gigantisch park, er zijn hier geen armen, jullie hebben hier geen rassenprobleem van betekenis en nu klaag je over een ongelijke inkomensverdeling’. Nederlandse gezagsdragers reageerden dus sterk op relatief kleine crises.

Nederland en Amerika
Europeanen zeggen graag dat Amerika geen geschiedenis heeft. Maar niets zet meer op het verkeerde spoor dan deze opvatting. De Amerikaanse ‘moderniteit’ is namelijk ouder dan de Nederlandse of Europese. De grondpatronen van de huidige Amerikaanse culturele, politieke en economische structuur zijn nooit aangetast. Daarom staat, in tegenstelling tot wat we zouden verwachten, de democratische maatschappij bij uitstek, de Verenigde Staten, dichter bij zijn verleden dan de historische samenlevingen van Europa. Amerikanen geloven dat de leer en waarden van de natie bij zijn ontstaan voor eens en voor altijd werden gegeven. Ze zijn ervan overtuigd dat ze zijn gezegend met de hoogste, feitelijk onveranderlijke, vorm van politiek en maatschappij. Door dit gezamenlijke besef van continuïteit scheen verandering van de Amerikaanse politieke en sociale ordening voor veel Amerikanen niet alleen onnodig, maar was zij zelfs een regelrechte ondermijning van alles wat waar en goed was.

Niet alles hoeft modern te worden
Vooral de Amerikaanse conservatieven zijn in staat geweest om economische en technologische vooruitgang los te koppelen van culturele, sociale en religieuze verandering. Niet alles is samengevoegd in de smeltkroes van de moderniteit. Sociale ontwikkelingen vereisen niet altijd acceptatie en aanpassing. In dit milieu konden traditionele religie en moraal overleven en zelfs gedijen. Volgens de Nederlanders (en andere Europeanen) leken alle overtuigingen en praktijken daarentegen onderworpen te zijn aan verandering; religie en wetten moesten, evenals economie en technologie, mee kunnen veranderen met de zich wijzigende omstandigheden.

Historische ontwikkelingen hebben en persoonlijke bewerker
Dit verschil is zelfs nog groter geworden door de overtuiging van de Amerikanen dat alle historische ontwikkelingen een persoonlijke bewerker hebben; er is altijd iemand verantwoordelijk voor zowel de goede als de slechte sociaal-economische ontwikkelingen – ze kunnen worden gestimuleerd of een halt worden toegeroepen door middel van wettelijke meerderheden, rechtszaken of zelfs door onverschrokken individueel doorzettingsvermogen. Er is een neiging om de niet-persoonlijke en moeilijk te beheersen marktkrachten en sociale ontwikkelingen niet te (willen) zien. ‘De wereld waarmee elk van ons te maken heeft verandert heel snel. Dat komt niet, omdat de wereld zo snel verandert, maar omdat ons beeld, van wat er in die wereld gebeurt, zo snel verandert’, aldus minister van Justitie Ivo Samkalden in 1965.

De goede oude tijd
Amerikanen kunnen, anders dan de Nederlanders, terug gaan in de tijd. De klok kan naar betere tijden worden teruggedraaid als de mensen dat graag willen: ‘Wat als de normen en de gebruiken van het verleden (de ‘goede oude tijden’) beter zijn dan de huidige?’ Voor de meeste Nederlandse gezagsdragers was er echter geen weg terug. Zelfs de christen-democraten, die het sterkst waren verbonden met de verdwenen wereld van de jaren vijftig, onderstreepten dat ze niet terug wilden naar de goede, oude tijd. De Nederlandse leiders schenen vaak hals over kop van de ene in de andere vernieuwing terecht te komen, zonder zich rekenschap te geven van vroeger beleid en voormalige standpunten. ‘Ik probeer de Nederlandse lezers te overtuigen van het al te frequente gebruik van “vernieuwing” en “progressiviteit” in de Nederlandse politieke retoriek. Amerikanen gebruiken vaker politieke clichés, maar de Nederlandse vrees om ouderwets te worden gevonden is zo groot dat enige kritiek daarop weinig schade kan berokkenen’.

Gepubliceerd in februari 2009