Om het behoud van een kerk

n.a.v. M. Golverdingen, Om het behoud van een kerk. Licht en schaduw in de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten 1928-1948, Houten 2005

1. Ontstaan en uitbouw van de Gereformeerde Gemeenten
– Twee kernbegrippen: divergentie (een beginnende of voortgaande verdeeldheid) en integratie (het overbruggen van tegenstellingen en het streven naar eenheid en samenhang van de kerk). Het streven naar integratie dreigt in de begintijd van de Gereformeerde Gemeenten telkens afgeremd of zelfs geblokkeerd te worden door het optreden van divergerende factoren. Het gaat in dit boek met name over de periode 1928-1948.
– Op de eerste synode van het nieuwe kerkverband in 1907 zijn 13 Kruisgemeenten en 22 Ledeboeriaanse gemeenten vertegenwoordigd, bij elkaar 7 predikanten.
– Bij de (vooral Zeeuwse) Ledeboeriaanse gemeenten was leesdienst regel, de prediking droeg een sterk bevindelijk karakter, waarbij de exegese van de tekst van weinig belang werd geacht, kenmerkend was het gebruik van de psalmberijming van Datheen, wat berustte op een besliste keuze van Ledeboer na zijn bekering, die zei dat in 1773 het goud voor tin was ingewisseld. Ds. Ledeboer had een sterke afkeer van het allegoriseren van ds. C. van den Oever, de leidende predikant van de Kruisgemeenten van die tijd. Ook hadden beide predikanten verschil van inzicht ten aanzien van de rechtvaardigmaking.
– In het isolement van de ledeboeriaanse gemeenten kreeg de gedachte gestalte dat een predikant niet behoeft te studeren. Ds. P. van Dijke kreeg tekst en preek meestal op de kansel. Als hij thuis een preekje probeerde te maken ging het juist niet: ‘Dan was het geheel en al mis; dan had hij niets te praten. Dat kon ook niet, omdat hij buiten Gods weg was, niet waar? Hij had God niet noodig, maar dan kon hij het met zijn eigen verstand wel klaar spelen’. Er vond geen correctie plaats.
– Een half jaar na het overlijden van ds. Ledeboer in 1863 kwam een diepgaand verschil in inzicht openbaar tussen Bakker en van Dijke. De eerste ging in zijn prediking meer uit van de rechtvaardigmaking, terwijl de andere de heiligmaking accentueerde. De ledeboeriaanse gemeenten vielen nu uiteen in een bakkeriaanse en een dijkiaanse tak. Eerstgenoemde zouden zich pas later voegen bij de Gereformeerde Gemeenten. Ook bij het sterven van Van Dijke in 1883 ontstond er een conflict over zijn opvolging.
– Ledeboeriaanse gemeenten hadden een independentistische structuur, waren gezelschappelijk en de leidende figuur was van grote betekenis. Er waren allerlei gewoonten en voorschriften ontstaan, die ons nu vreemd vorkomen, bijvoorbeeld de ‘zondaarsbank’ en de protestantse variant van de apostolische successie: predikanten moesten door Ledeboer of één van zijn directe opvolgers zijn bevestigd. Men had weinig aandacht voor notulering en kerkelijke administratie, die soms geheel ontbraken.
– Centrale figuur van de Gereformeerde Gemeenten onder ’t kruis in de begintijd was ds. E. Fransen van Kampen. Hij betitelde de prediking uit zijn tijd als ‘geesteloos, ‘verstandsgeloof’ en ‘letterkennis’. Hij signaleerde vooral een gemis aan bevinding. Hij slaagde erin de Kruisgemeenten enige structuur te geven. Het aantal aangesloten gemeenten wisselde nogal eens, doordat men nogal gemakkelijk dacht over een kerkverband.
– Er kwamen predikanten uit andere kerken over: A. Janse, C. Pieneman, J.R. van Oordt, Jac. Overduin en H. Roelofsen. Die kwamen vooral als oefenaar uit de Gereformeerde Kerken; laatstgenoemde was godsdienstonderwijzer in de Ned.Herv.Kerk. Uit het kerkverband zelf kwamen slechts twee predikanten voort: G.H. Kersten en D.C. Overduin.
– Ds. Fransen had nadrukkelijk een theologische opleiding voor predikanten verworpen. Dergelijke opleidingen leverden in zijn ogen slechts ‘letterknechten’ af. Bij de Kruisgemeenten kon moeilijk van een uitgewerkte theologische visie worden gesproken. In een dergelijk, sterk bevindelijk gericht klimaat was niet of nauwelijks behoefte aan theologische bezinning in wetenschappelijke zin.
– De vraag rijst op welke basis de beide kerken elkaar in 1907 vonden. Bij het begin van de eeuw ontdekten de ledeboerianen tot hun verwondering dat de ‘bevindelijke prediking’ die men zocht ook in de kring van de Kruisgemeenten werd gebracht. In 1906 erkende men wederzijds elkaars ambten en ambtelijke verrichtingen. De leer kwam niet of slechts zeer terloops ter sprake. Daarover was men het eens, zoals met nadruk werd verklaard.
– Niet de leer, noch de kerkorde, maar de ledeboeriaanse traditie beheerste met name de agenda van de vergaderingen. Vragen als het ambtsgewaad, ‘de linie van ds. Ledeboer’ en Datheen kwamen aan de orde. Ds. L. Boone hield zich buiten de vereniging; hij vormde met degenen die hem volgden de Oud Gereformeerde Gemeenten. Daarmee viel een schaduw over 1907.
– Kerstens optreden heeft soms een wat dominant karakter, wat niet altijd door iedereen is gewaardeerd. Ds. Kersten behoort tot een tijdperk dat uitgesproken leidersfiguren kent, begeert en aanvaardt. Kersten visiteert alle gemeenten en schrijft daarna een brochure waarin alle misstanden bij naam worden genoemd en de juiste weg wordt gewezen. Bijvoorbeeld: ‘…daartoe dient ons niet tot hulpbetoon wat Ds. v. Dijke en Ds. Ledeboer gezegd hebben, maar wat onze Dordtsche vaderen besloten en schreven’.
– Het toetreden van een gemeente tot het kerkverband is niet vrijblijvend, maar schept verplichtingen. Men mocht geen predikanten van buiten het eigen kerkverband meer laten optreden en andersom. De Amsterdamse predikant Overduin verzet zich hier hevig tegen en noemt dit synodebesluit ‘duivelsch werk’, waarop hij zich losmaakt. Maar in 1911 keert hij terug nadat hij zijn independentistische opvattingen heeft herroepen en schuld heeft beleden voor de door hem gebruikte kwalificaties.
De Saambinder bood als correspondentieblad voor Kersten veel ruimte om de gemeenten in reformerende zin te beïnvloeden, zonder dat een kerkelijke vergadering hem daarvoor ter verantwoording kan roepen. Het blad was dus niet een officieel kerkelijk orgaan. Kersten gebruikt het blad allereerst om het stichten van christelijke scholen te bevorderen. In 1921 neemt hij het initiatief tot oprichting van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS). Ds. J. Fraanje preekte eerst tegen het stichten van eigen scholen (de veelgehoorde lijdelijke opvatting was: als God een mens wil bekeren, zal Hij dat op Zijn tijd zeker doen; daarvoor is geen christelijk onderwijs nodig); later zou hij zijn standpunt herzien en er een warm voorstander van worden. Vóór de oorlog zouden er een dertigtal scholen zijn gesticht.
– De Gereformeerde Gemeenten hadden een groot tekort aan predikanten. Tot dan toe waren alleen mannen met singuliere gaven als predikant aanvaard. Als die gaven ontbraken, werd men zonder meer afgewezen, terwijl bij opleiding zou kunnen blijken dat God ook hen wilde gebruiken. Collega’s namen het Kersten kwalijk dat hij het plan van een Theologische School niet eerst aan een kerkelijke vergadering heeft voorgelegd. Maar hij wist maar al te goed dat deze zaak volstrekt onvoldoende leefde in de kring van de gemeenten. Na 64 artikelen in De Saambinder is het doel bereikt en komen zijn tegenstanders tot een ander inzicht.
– De Vereniging van 1907 moet worden gewaardeerd als een overwinning op het gezelschapsleven, dat, in het bijzonder als het ging om het vervangen van de kerk, het individualisme had bevorderd.

2. Naar een theologisch herkenbare gestalte
– Inmiddels is aan de CGK niet ontgaan dat zich in de Gereformeerde Gemeenten steeds meer een geordend kerkelijk leven ontwikkelt. In 1919 neemt men het initiatief tot een aantal samensprekingen. Maar struikelblok werd meteen al een boekje van een christelijk-gereformeerd predikant: Lesboek over de Gereformeerde Geloofsleer van ds. J. Jongeleen te Hilversum (1927). Hij maakte in zijn boek een wezenlijk onderscheid tussen het verbond der verlossing en het genadeverbond. In deze visie wordt het genadeverbond niet door de verkiezing beheerst. Dit betekent onder meer dat alle gedoopten wezenlijk tot het genadeverbond behoren en dat dit verbond een voorwaardelijk karakter draagt.
– Voor ds. Kersten is de gedachte dat de niet-uitverkorenen deel zouden hebben aan de goederen van het verbond der genade onaanvaardbaar en uit kritiek op Jongeleen (die juist een pleidooi had gehouden voor de vereniging van de twee kerken). Prof. J.J. van der Schuit kiest in De Wekker de zijde van Jongeleen. De strijd over twee of drie verbonden is begonnen en zou voortduren tot ver in de jaren dertig. Aanvankelijk is er nog sprake van een vriendschappelijke toon, maar spoedig wordt de polemiek met toenemende scherpte gevoerd. G. Wisse zei ‘dat het m.i. een tot hiertoe vrijwel vruchteloos debat is. (…) Veel meer had ik nog in den pen. Maar het is mij o zoo zwaar om die pen op te nemen in broedergeschil. (…) Zoo licht lacht onze gemeenschappelijke vijand er om’. Het gaat hem vooral om de praktische zijde van de zaak, ‘de rechte bevinding, beleving, beoefening van het verbond’.
– Kersten wilde nog wel eens een opsomming geven van oudvaders die aan zijn kant stonden. Van der Schuit zei daarop: ‘Wanneer Kersten tenslotte meent zo sterk te staan met zijn rij van godgeleerden, dan moge hij het met die vaderen houden, ik houd het liever met de grootvaderen. (…) Van den beginne der reformatie is het alzo niet geweest’.
– Binnen de Gereformeerde Gemeenten komt ook onrust, om de prediking van de gebroeders Overduin (D.C. en J.), waarin te weinig de verantwoordelijkheid van de mens wordt gehandhaafd. Toen men een vraag moest beantwoorden ‘van den Wille Gods’ zei D.C.: ‘Één wil, de wil des besluits. En het is knoeierij van Hellenbroek te spreken van een wil des besluits en een wil des bevels. God voert Zijn raad in de tijd uit. Dat hebben wij te prediken’. Hij bestreed het mensen tot bekering te dringen. Er ontstonden drie Gereformeerde Gemeenten in hersteld verband, in Rotterdam, Sliedrecht en Giessendam. Door deze ontwikkelingen kwam ook de bezinning op de verantwoordelijkheid van de mens in sterke mate naar voren.
– Op de Particuliere Synode van het Noorden in 1929 vindt een ‘breede bespreking’ plaats naar aanleiding van vragen als ‘Is het genadeverbond van eeuwigheid of niet? [antwoord: ja] Is Christus al dan niet het Hoofd ervan? [antwoord: ja]’ Dit resulteerde in een zestal uitspraken (terwijl het helemaal niet op de agenda stond en er helemaal geen ingekomen stukken over waren). Ds. A. de Blois uit Dirksland kan zich er niet helemaal in vinden: ‘Ik heb hooge achting voor Comrie en zijne werken. Met zijn beschouwing over het G. Verb. ga ik niet accoord. Witsius, Hellenbroek, Brakel en anderen leeren het anders’. Ook prof. Van der Schuit kritiseert de uitspraken van de P.S. Volgens hem funderen de Gereformeerde Gemeenten de uitspraken met geen woord op de gereformeerde belijdenisgeschriften.
– Vóór de Generale Synode van 1931 vindt er nu een predikantenconferentie plaats waarin deze zaak wordt besproken en opgelost. De Blois draagt aan dat sommige gereformeerde vaders, zoals Witsius, Olevianus, à Marck, Brakel en Hellenbroek onderscheid maken tussen een verbond der verlossing en een verbond der genade. Dat laatste wortelt in het eerstgenoemde verbond. Anderen vereenzelvigen de beide verbonden en leren een eeuwig genadeverbond. Het stuit bij hem niet op bezwaar dat sommige predikanten met Comrie de genoemde onderscheiding niet maken, maar hij is bang dat de synode volgens deze conclusies hem een verbondsbeschouwing zou opdringen, die hij niet kan aanvaarden.
– Ds. Kersten wijst echter op de voorgeschiedenis: Arminius heeft de leer der drie verbonden uitgevonden met geen ander doel dan zijn remonstrantse gevoelens in te dragen in de kerk. De notulen van de predikantenvergadering vermelden dat er sindsdien altijd rechtzinnige leraars geweest zijn die wel enig onderscheid leerden tussen het verbond der verlossing en het verbond der genade, maar nooit met Jongeleen een wezenlijk onderscheid hebben gesteld. De conferentie besluit ook dat er vrijheid wordt gelaten omtrent de uitspraak of Christus het hoofd van het genadeverbond is of niet.
– In 1931 komt de Generale Synode bijeen. De vergadering verloopt vanaf het begin in een sfeer van duidelijke onderlinge verbondenheid. Na de niet-officiële besluitvorming op de predikantenvergadering, die als zodanig in strijd moet worden geacht met de Dordtse Kerkorde (werkt dominocratie in de hand), verloopt de bespreking over het verbond der genade zonder problemen. Ze komen met 6 punten: (1) Het verbond der genade staat onder de beheersing van de uitverkiezing; aard en wezen van verbond der verlossing en verbond der genade zijn één en niet twee. (2) De Schrift spreekt slechts over twee verbonden met betrekking tot het verbond der werken en der genade. (3) De Schrift spreekt van twee hoofden: Adam van het werkverbond, Christus van het genadeverbond. (4) Een verbond kent twee partijen: eerst God met Adam, daarna God met Christus, het Hoofd van al de Zijnen. (5) Het verbond der genade heeft van God een bediening ontvangen, die meerderen omvat dan alleen de uitverkorenen, maar alleen dezen zijn wezenlijk in het verbond begrepen. (6) De verantwoordelijkheid van elke mens wortelt in de schepping. En die verantwoordelijkheid is groter, naarmate God met hem bemoeienissen maakt. Met name door de ernstige aanbieding van Christus en de verbondsweldaden wordt die verantwoordelijkheid heel groot.
– De Blois kon hiermee instemmen. Door het afzonderlijk noemen van verbond der verlossing en verbond der genade blijft er ruimte voor hem behouden. Prof. Van der Schuit (die het ontbreken van elke verwijzing naar de Drie Formulieren van Enigheid een groot tekort achtte) maakte de opmerking dat de verantwoordelijkheid van de mens ook voortspruit uit kracht van het genadeverbond, dus niet alleen uit de schepping. Het is duidelijk dat de passage ‘ernstige aanbieding’ een afwijzing inhoudt van de visie van de gebroeders Overduin. Ds. Kersten geeft een half jaar na de synode Een beschouwing van het Verbond der genade van Thomas Boston opnieuw uit, waarin hij impliciet laat weten dat dit de visie is waar de Gereformeerde Gemeenten voor staan. Boston zegt hierin ook dat de verkiezing een geheim is dat wij niet kunnen kennen voordat we tot het geloof gekomen zijn.
– De leeruitspraak van 1931 betoogt in het geheel van de ontwikkelingen in de Gereformeerde Gemeenten het innemen van een evenwichtige positie. Men heeft zeker niet de bedoeling gehad de verkiezing een zodanig centrale plaats in de prediking te geven, dat die vrijwel het gehele pastoraat op de preekstoel en daaronder gaat beheersen.
– Moest de leeruitspraak als bindend worden geacht? De Blois zei dat hij nooit een voorstander van dergelijke besluiten zou worden, ‘omdat de Drie Formulieren van Eenigheid mij voldoende zijn’. De Dirkslandse predikant geeft op uiterst tactische manier tegenover ds. Kersten, zijn collega’s en de gemeenten uiting aan het feit dat hem ruimte is gelaten in zijn stellingname. Daaraan zal ook de goede persoonlijke verhouding tussen Kersten en De Blois hebben bijgedragen. Ds. Kersten heeft beseft dat De Blois voor zijn standpunt als zodanig goede argumenten had, al deelde hij die niet.
– Dr. J.G. Woelderink schreef een lange reeks artikelen over de leeruitspraak van 1931 in De Waarheidsvriend. Hij vindt dat zo’n leeruitspraak een diepe kloof schept tussen zichzelf en andere kerkformaties. Woelderink vindt dat de Gereformeerde Gemeenten hiermee kritiekloos de Gereformeerde Kerken volgen, die door de reeks leeruitspraken van 1905 de weg hadden gebaand. Hij constateert dat men deze verklaring heeft vastgesteld zonder rijpelijk overdacht te hebben wat de gevolgen zijn. Hij typeert ‘1931’ tot blijdschap van Kersten als een korte samenvoeging van wat theologen uit de laatste helft van de 17e en 18e eeuw over dit onderwerp hebben geleerd.
– Tot in de jaren twintig zijn de grenzen tussen de Gereformeerde Gemeenten en de CGK min of meer vloeiend. Maar de gevoerde polemiek droegen ertoe bij dat de verbondsleer in de CGK een meer centraler plaats zal innemen, waarbij de opvatting van ds. Jongeleen die van deze kerken zal worden. Ook voor de Gereformeerde Gemeenten was de verduidelijking van de dogmatische positie van groot belang; de verschillen in geestelijke ligging en in visie op het verbond zijn binnen het kerkverband omstreeks 1930 nog aanzienlijk. De invloed van de gezelschappelijkheid bij sommige predikanten die nauwelijks enige opleiding hebben ontvangen, is nog vrij groot en leidt tot een gevoelsmatig en dogmatisch onbelijnd preken.
– Volgens J. Blaauwendraad zou 1931 niet meer zijn dan de vastlegging van een gedoogbeleid ten aanzien van de prediking van het aanbod van genade in de Gereformeerde Gemeenten. De leeruitspraak zou een compromis zijn geweest tussen de ‘Kersten’-vleugel en de ‘Kok’-vleugel. Deze interpretatie vindt echter op geen enkel punt steun in de primaire bronnen.

3. Jaren van consolidatie
– De jaren dertig betekende een periode van bloei voor het kerkverband (‘er kwamen veel mensen tot bekering’). De gemeenten in grote steden namen snel in omvang toe. Rotterdam-Centrum had in 1930 al 3100 leden en was daarmee de grootste. Deze ontwikkeling hangt samen met de migratiegolf die voor en na de Eerste Wereldoorlog grote aantallen bewoners van het platteland van Zeeland en Zuid-Holland naar de grote steden brengt.
– Onder de trekkers naar de grote steden bevinden zich veel leden van de Gereformeerde Gemeenten, die zich vanouds bevonden in overwegend agrarische gebieden, vaak in schrijnende armoede. De mogelijkheid van sociale stijging is door de trek naar de steden binnen handbereik gekomen. Het maatschappelijke isolement van de Gereformeerde Gemeenten als een gesloten agrarische gemeenschap is daarmee in beginsel doorbroken.
– Ds. Kersten signaleert in 1921 dat jongeren door de achturige werkdag en de vrije zaterdagmiddag beschikken over een ‘overvloed van vrije tijd’. Hij breekt een lans voor verenigingen die onder goede en bij voorkeur ambtelijke leiding staan. De eerste jongelingsverenigingen worden echter door velen kritisch bekeken, omdat men bang is voor de ‘verstandschristenen’ die in hun ogen op de verenigingen van de GKN worden gekweekt.
– De jaren dertig vormen ook het tijdvak waarin vooral in Zuid-Holland een voortdurende instroming plaatsvindt van personen, die met name de Ned.Herv.Kerk, maar ook andere kerken verlaten om zich bij de Gereformeerde Gemeenten te voegen.
– Ook in een grote stad als Rotterdam kent men ontmoetingspunten om met elkaar te spreken over de verborgen omgang met God. Ds. Kersten oefende aanhoudend kritiek op mensen die ‘dikke woorden’ spreken, met een grote omhaal van woorden van allerlei gevoeligheden getuigden, maar elke persoonlijk kennis van Christus missen. ‘Alle bevinding, die niet Christus als onzen Heere in de ziele doet ingaan is zelfbedrog’. Met grote nadruk blijft de predikant van Rotterdam-Centrum in woord en geschrift de gemeenten oproepen om die prediking en die gezelschappen te schuwen, die een zondaar een fundament willen geven buiten Christus.
– De beschikbare gegevens zijn voldoende voor de conclusie, dat de praktijk van het geestelijke leven binnen de Gereformeerde Gemeenten ongetwijfeld aantrekkingskracht heeft uitgeoefend op leden van andere kerken en de groei van het kerkverband heeft bevorderd.
– Ds. W.C. Lamain van Rotterdam-Zuid had een ‘buitengewoon gunnende’ prediking en zijn grote bewogenheid met de (materiële) nood van velen in de crisisjaren is een factor die meespeelde in de sterke uitbreiding van zijn gemeente.
– Eind 1930 maken bijna 42.000 Nederlanders deel uit van de Gereformeerde Gemeenten. In 1947 zijn dat er 57.000. Tegelijkertijd tekent zich een forse groei in het aantal gemeenten af. In 1932 nadert het aantal de honderd. In de classis van ds. Fraanje (rondom Barneveld dus) kwamen in betrekkelijk korte tijd meer dan tien gemeenten bij. In 1947 telt het kerkverband 132 gemeenten. Ze zijn de CGK voorbijgestreefd. Maar terwijl het aantal gemeenten groeit, blijft het aantal predikanten achter. Van 1927 tot 1940 worden slechts 9 studenten toegelaten. Ds. Kersten moet als docent aan de Theologische School onder deze ontwikkeling gebukt zijn gegaan.
– Het tijdvak 1931-1941 was een bloeiperiode voor het kerkverband, maar er is ook veel ‘waarvoor men zich moet schamen voor Gods aangezicht’. Het geheim van de werfkracht van de Gereformeerde Gemeenten in deze periode ligt met name in de opvallende vrucht op de prediking als het werk van de Heilige Geest. De prediking heeft velen aangesproken en gebracht tot de beslissing om tot de gemeenten toe te treden. Ook hebben de gemeenten in de crisistijd geprobeerd op een hartelijke wijze optimaal gestalte te geven aan hun diaconale taak.

4. Onrust over de algemene genade
– Met de jaren veertig begint de Tweede Wereldoorlog, die ook diepe schaduwen werpt over het kerkelijke leven. Zo wordt De Saambinder in januari 1942 getroffen door een verschijningsverbod. In plaats daarvan verschijnt een klein weekblaadje met alleen mededelingen. Op 18 februari 1943 kunnen we dan lezen: ‘De Geref. Kerken te Poortvliet en te Poederoyen hebben besloten het verband met de Geref. Kerken te verbreken. Ook is dr. C. Steenblok uit de Geref. Kerken betreden. Hij zal zich waarschijnlijk tot de Geref. Gemeenten wenden’.
– Wie is deze predikant? In 1927 wordt hij predikant in Lopik. Als vrijgezel betreedt hij daar de pastorie. In 1934 ontstaan er moeilijkheden in de gemeente. Een aantal catechisanten dient bij de kerkenraad schriftelijk bezwaar in tegen hun predikant, omdat deze zwijgt over het feit dat zij verbondskinderen zijn en de verplichtingen daaraan verbonden. In de volksmond staat hij als een ‘Kerstiaan’ bekend. De spanningen leiden ertoe dat hij niet meer kan preken. In 1934 wordt hem ziekteverlof verleend, wat uitmondt in het ontvangen van eervol emeritaat in 1935. Hij verhuist naar Rotterdam en werpt zich nu nog meer dan voorheen op studie. In 1941 promoveert hij aan de VU op het onderwerp Voetius en de sabbat bij de dogmaticus V. Hepp.
– Steenblok werd in 1942 benoemd als hulpprediker van de Gereformeerde Kerk van Poortvliet. Maar hij wordt er steeds meer bij bepaald dat hij zich los moet maken van het verband van de Gereformeerde Kerken. Hij wordt vrij gemakkelijk toegelaten tot de Gereformeerde Gemeenten. De woorden in de notulen ‘na langdurige overweging’ verraden wel iets van de weerstanden die er hebben bestaan. Sommigen kennen hem en zijn eigenaardigheden van dichtbij en weten dat hij afkomstig was uit een wat ruzieachtige familie en een toch wel aparte persoonlijkheid is. Ds. Kersten heeft zijn volle gewicht in de schaal moeten werpen om de kerkelijke vergadering zover te brengen dat men hem als predikant accepteert.
– Nog geen half jaar na zijn overkomst werd Steenblok benoemd tot hulpdocent naast Kersten, die voortdurend het ideaal voor ogen had om de opleiding in Rotterdam uit te bouwen tot het niveau dat de gereformeerde vaderen hadden gekend. Persoonlijk beleeft hij de ontwikkeling zo, dat dr. Steenblok de man is die van Godswege op zijn weg wordt geplaatst om zijn arbeid aan de Theologische School over te nemen.
– Een referaat van Steenblok in 1944 op de jaarvergadering van de Gereformeerde Onderwijzersvereniging over het onderwerp Christus en de algemeene genade maakte een hoogoplopende discussie levend. Abraham Kuyper maakte een nadrukkelijk onderscheid tussen bijzondere/particuliere en algemene genade/gemene gratie. Klaas Schilder komt na 1938 tot een volledige breuk met de gedachten van Kuyper. De term ‘algemene genade’ mag niet naar zijn inzicht worden gehanteerd, omdat ze niet in overeenstemming is met de Schrift. Daar betekent genade altijd de gunst of goedertierenheid van God in Christus ten aanzien van de Zijnen. Het feit dat God het leven na de zondeval heeft gecontinueerd, kan men geen genade noemen. De cultuur is een zaak van moeten. Het is een mandaat dat de Schepper gegeven heeft in het paradijs. Ook S. Greijdanus wil de continuering van het leven geen genade noemen. Alles moet worden bezien vanuit het raadsbesluit van God en vanuit het einddoel, dat Hij zich daarin heeft gesteld en dat Hij verwerkelijkt. Van genade kan alleen gesproken worden bij de uitverkorenen. Het sparen van de wereld kan daarom geen genade worden genoemd. H. Dooyeweerd en S.G. de Graaf signaleren bij Kuyper een dualisme tussen natuur en genade. Ze benadrukken dat Christus op de voorgrond moet staan. V. Hepp zei dat de algemene goedheid van God geen uitloper kan zijn van de bijzondere genade in Christus. Die genade vernieuwt immers het hart, ze heiligt en zaligt, ze is ‘onwederstandelijk’.
– De discussie over de betekenis van de algemene genade is binnen de GKN met grote intensiviteit en hevigheid gevoerd. Binnen de Gereformeerde Gemeenten speelde dit vraagstuk totaal niet. Van een uitgewerkte theologische reflectie hierover is bij geen van de predikanten sprake. Wel lijkt het algemene gevoelen te zijn: ‘Een onbekeerde ontvangt hier water voor zijn dorst door de algemene verdiensten van Christus’ (Fraanje). Maar deze visie, waarbij de tijdelijke zegeningen worden gezien als vruchten van de kruisverdiensten van Christus, wordt door dr. Steenblok ten onrechte gerekend tot de ‘opkomende dwalingen na 1931 in de Gereformeerde Gemeenten’.
– De lezing van Steenblok voor de onderwijzersvereniging, waarin lange tijd het voornaamste kader van het kerkverband buiten het predikantencorps was gebundeld, had als kerngedachte dat de algemene genade, die de scheppingsverhouding tot grondslag heeft, gestalte krijgt door de beschikking van Gods algemene voorzienigheid en geheel los staat van het Middelaarswerk van Christus. Hij schijnt gezegd te hebben dat Christus voor de verworpenen ‘geen druppel bloeds’ heeft vergoten. Reeds tijdens de vergadering is duidelijk merkbaar dat de lezing van Steenblok niet goed overkomt bij het publiek. De spreker constateert dat met een zekere verbazing zelf ook.
– Op een essentieel punt in zijn betoog gebruikt hij ook een voor de leerkrachten nieuwe terminologie, die zijn theologische vorming in de GKN verraadt. Begrippen als scheppingsverhouding, het spreken over Christus als de Logos en het aanbrengen van een onderscheid tussen Christus als Verlossingsmiddelaar en Scheppingsmiddelaar, behoren niet tot het gangbare theologische idioom in de Gereformeerde Gemeenten. Daarbij komt dat Steenblok zijn visie uitdraagt in een zuiver theoretisch betoog, dat in gestencilde uitvoering elf pagina’s telt, terwijl het notenapparaat niet minder dan veertien pagina’s omvat. Deze strikt wetenschappelijke benadering en de illustratie van ’s mans indrukwekkende belezenheid maken de indruk dat de spreker bij voorbaat iedere opponent monddood wil maken.
– Op kritiek reageerde hij als een wesp gestoken, in tegenstelling tot Kersten, die het onderwijspubliek altijd vaderlijk en gevoelig toesprak. Op de vergadering vond nog een directe confrontatie plaats tussen Steenblok en Fraanje. ’s Avonds moet deze Barneveldse predikant tegen zijn vrouw hebben gezegd: ‘Als die man gelijk zou hebben, dan heb ik het altijd verkeerd gehad en dat kan ik niet geloven’.
– Kersten, die eerder wel heeft beweerd dat de gehele aarde deelt in de tijdelijke zegeningen als vrucht van Christus’ kruisverdiensten en niet uit kracht van de schepping, wil nu Steenblok sparen en zegt in 1944 (een paar maanden na Steenbloks referaat) dat de zoenverdiensten van Christus nooit toepasselijk kunnen worden gemaakt op de verworpenen. Er is bij Kersten dus sprake van een gewijzigde visie op de algemene genade; hij probeert tot een synthese te komen.
– Het is opvallend dat Steenblok zich niet heeft verdiept in de denkwijze van zijn publiek. Hij durft zelfs een harde confrontatie aan te gaan met een bejaarde predikant. In plaats dat Steenblok zich erop richt het vertrouwen te winnen, begint hij met vertrouwen te verliezen. Terwijl hij toch door het referaat op de onderwijzersvereniging een unieke mogelijkheid ontvangt om zich naar de kring der gemeenten toe te presenteren.
– Wie was de mens Cornelis Steenblok? Hij was schuw, had niet veel contact met zijn omgeving, zag geen mensen. Hij had iets wereldvreemds. Daarvoor zal het feit dat hij pas op 52-jarige leeftijd trouwde en geen kinderen heeft gehad enige verklaring kunnen bieden. Iedere vrijgezel staat echter nog niet buiten de werkelijkheid van het dagelijkse leven. Dr. Steenblok vulde de dagen met lezen, studeren en mediteren. Daarbij had hij één allesoverheersende passie: het verzamelen van oude boeken. Gevoel voor de gewone gang van zaken in het leven van alledag had hij nauwelijks. Treffend is het verhaal over de oude, zwarte T-Ford, die hij in de Lopikse pastorie tussen de openslaande tuindeuren door binnen parkeerde. Steenblok kon vaak op een haast kinderlijke wijze zonder begrip voor de situatie reageren. Hij had er ook moeite mee om een echte gedachtewisseling aan te gaan. Deze door de eenzaamheid gevormde man kon maar heel moeilijk naar een ander luisteren. Híj wist het. Zo vriendelijk en welwillend als hij kon zijn in de omgang met studenten, zo geïrriteerd raakte hij als men hem kritische vragen stelde. Dan kon hij boos worden, onbeheerst en hardnekkig. Hij was altijd al een man van conflicten geweest, hij was een strijdersfiguur, die het conflict zocht en daarin leefde.
– Daarbij kwam nog dat Steenblok de gevangene was van een bepaalde redeneertrant, waarvan hij zich niet meer kon losmaken: het logisch-scholastisch denken. De scholastieke methode had zijn voorliefde omdat zij aan de autoriteit van de Schrift onderworpen was, dat zij scherp onderscheidde, helder belichtte, nauwkeurig en precies formuleerde, dat zij doordacht, naar alle zijden begrensde en uitvoerig citeren mogelijk maakte. Ze keert ook terug in de talloze nadere onderscheidingen in zijn Gereformeerde Dogmatiek, die bestaat uit 2228 vragen en antwoorden. De benadering van Steenblok kenmerkte zich door een doorredeneren tot het uiterste. Zijn scholastieke vorming bracht hem dan tot logicisme: ‘Als je dit zegt, dan zeg je ook dat… En als je dat gezegd hebt, zeg je dat… Dat betekent dus dat je ook dat zegt…’ Dr. Steenblok gebruikte deze benadering ook bij het vermanen van iemand of het onder censuur plaatsen van een gemeentelid. De schaduwzijden van deze methode zijn duidelijk. Zo kan men iemand via een aantal denkstappen iets toedichten, dat hij noch gezegd noch voor zijn rekening neemt.
– Hiermee is maar één zijde van Steenblok getekend. Hij is namelijk ook de prediker wiens exegese van de tekst vaak iets helders en verrassends had. Hij kon heel eenvoudig spreken en stichten. Hij was ook een welwillend mens en had een beslist goedige aard.

5. De correctie van een algemeen gevoelen
– Er vormt zich na 1944 een groepje onder de predikanten, dat begint te opponeren tegen het beleid van ds. Kersten, omdat men de figuur van ds. Steenblok niet wil accepteren, waarvan ds. R. Kok als woordvoerder optreedt. Hij lanceert een aanval op Steenblok, en besluit met: ‘Hiermede nu wil ik me gaarne aan het oordeel der predikanten, ouderlingen en diakenen en dus ook aan het oordeel van onze kerkelijke vergaderingen onderwerpen, zo het mij bewezen kan worden uit Gods Woord en de geschriften van onze vaderen dat ik dwaal’.
– Kersten kan de verkeerde voorstelling van zaken ten aanzien van dr. Steenblok niet verdragen. Kersten vindt dat het schrijven van ds. Kok ‘verwarrende voorstellingen’ bevat. Kok rekent de leer van de algemene genade tot de fundamentele leerstukken van de kerk. Kersten toont echter aan dat geen van de oudvaders zelfs ook maar een afzonderlijk hoofdstuk aan dit thema gewijd heeft.
– In de zomer van 1944 komt een predikantenconferentie samen. Kersten zegt hier dat hij Steenbloks visie helemaal deelt. Op de voortgezette synode van 1945 ontwierp Kersten een leeruitspraak over deze kwestie: hij koos bewust voor een nogal beknopte formulering, die samenbindend kan werken ten aanzien van allen en recht doet aan het bij hemzelf gegroeide nader inzicht ten aanzien van de algemene genade. ‘Hoewel de Vader door Christus alle dingen regeert, is de Algemeene Genade niet vrucht van Christus’ zoenverdienste, doch als behoorend tot de Voorzienigheid Gods (…)’. Kersten richt zich bij de mondelinge stemming op tactische wijze eerst tot ds. Lamain, die innerlijk aan de zijde van ds. Kok staat, maar er moeite heeft zijn oud-docent af te vallen. Daarop geeft Lamain te kennen de leeruitspraak te ondersteunen. Uiteindelijk is het alleen Kok die tegenstemt.
– Elke brede uitwerking van de leeruitspraak door de synode zal tot gevolg hebben dat de verdeeldheid opnieuw oplaait. Daarom heeft de synode ter wille van de spanningsvolle eenheid van elke explicatie afgezien. Na de uitspraak over de algemene genade volgt als agendapunt de bespreking over de benoeming van Steenblok tot docent aan de Theologische School. Omdat Fraanje ernstige bedenkingen had tegen een dergelijke benoeming nodigde Kersten hem vóór de synode uit voor een persoonlijk gesprek in de Rotterdamse pastorie, en dat heeft bijgedragen tot een wijziging in zijn visie.
– Met name van de zijde van ds. Kok komen ter synode bezwaren los. Op een gegeven moment neemt Kersten als preses weer het woord om iets voor te lezen uit een meditatie. Tijdens het voorlezen springt plotseling Fraanje op met de uitroep: ‘Dit is puur remonstrants’. Kersten geeft als commentaar: ‘Dat is door ds. Kok geschreven’. Hierop begint Fraanje schuld te belijden, hij zegt dat hij zich tegen het docentschap van Steenblok heeft verzet, maar dat de Heere hem bepaald heeft bij 1 Kronieken 12:18 (‘En de Geest toog Amasia aan, de overste der hoofdlieden, en hij zeide: Wij zijn uwe, o David, en met u zijn wij, gij zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u en vrede uw helpers; want uw God helpt u. Toen nam David hem aan en stelde hen tot hoofden der benden’). Fraanje heeft een wat emotionele karakterstructuur, daardoor trekt hij in beleidszaken niet altijd vaste lijnen.
– Steenblok werd ‘met algemene stemmen’ tot docent benoemd. Ds. Kersten moet als preses deze ontwikkeling, gezien de grote bezwaren bij een aantal leden van de synode tegen Steenblok, als een wonder hebben ervaren. Steenblok wordt ook hoofdredacteur van De Saambinder, omdat de synode er geen officieel orgaan van wil maken. Dit besluit kan moeilijk als verstandig worden aangemerkt. De gekozen constructie leidt tot een monopoliepositie, die verkeerd kan worden gebruikt.
– In 1944 worden verschillende divergerende factoren binnen de Gereformeerde Gemeenten duidelijk. Er tekenen zich tenminste drie psychologische factoren af: (a) Het informele leiderschap van Kersten: anderen willen dergelijke initiatieven niet ontwikkelen vanuit een wat dopers gekleurde waardering van de werkelijkheid of blijken daartoe noch de intellectuele noch de organisatorische kwaliteiten te bezitten. Ze leggen zich vaak pas na lange tijd neer bij nieuwe ontwikkelingen. Een charismatische figuur als Kersten moet wel jaloezie oproepen. Als er dan ook iets verkeerd gaat, richt de kritiek zich terecht of ten onrechte op hem. (b) Steenblok is een uitgesproken vertegenwoordiger van het celebrale type en benadert de theologische vraagstukken op een sterk theoretische wijze. Het opvallende gebrek aan invoelingsvermogen ten aanzien van hetgeen er in de gemeenten leeft en het feit dat beminnelijkheid in de omgang niet zijn sterke kant is, moet de contacten van Steenblok met collega’s en anderen in sterke mate hebben belemmerd. Hij paste eigenlijk niet in deze kring. (c) De oorlogstijd oefende onmiskenbaar spanningen uit op de menselijke omgang. Een ander voorbeeld is de Vrijmaking van 1944, wat iemand ‘oorlogspsychose’ noemde: de felheid van toon en hartstochtelijkheid van aanval. De soepelheid in het verdragen van elkaar, die voor de oorlog aanwezig was, is verdwenen. Door de oorlog was er een soort vechtersmentaliteit ontstaan, die alles kleurde.
– In 1945 publiceerde Kersten de brochure De genade Gods. Langs deze indirecte weg ontvangen de gemeenten dus toch een vorm van toelichting op de tekst van de leeruitspraak, die met name duidelijk moet maken dat de algemene genade ten diepste niet geheel los van Christus kan worden gezien. Daardoor ontvangt de leeruitspraak een breder draagvlak in de gemeenten en kan het opnieuw opvlammen van moeilijkheden worden voorkomen. De algemene genade is een noodzakelijk gevolg van Gods soeverein welbehagen én noodzakelijk gevolg van Christus’ tussenstelling. Deze gedachte zoekt men bij Steenblok tevergeefs, al is het verschil in opvatting gering. Kerstens uitleg is een weg tussen uitersten.

6. Confrontatie, verzoening en perspectief
– Reinier Kok (1890-1982) kwam als student in een diepe geestelijke crisis terecht: ‘Ik liep vast met al mijn denken vanuit de verkiezing vanuit de borgstelling van Christus voor Zijn volk, en vanuit de doodstaat van de mens. Ik liep vast met al mijn denken vanuit de val van de mens’. Na ruim tien maanden moet hij de opleiding afbreken, maar korte tijd daarna neemt God de geestelijke crisis weg. Zijn conclusie is: ‘De prediking van het Evangelie is wel naar Gods besluit, maar kan door ons niet gepredikt worden vanuit het besluit des Heeren. Het moet gepredikt worden vanuit de algenoegzame offerande van Jezus Christus. Het komt aan op het aannemen van Christus in het binnenste van ons hart’.
– Op 24-jarige leeftijd wordt hij tot predikant bevestigd in Aagtekerke (1915). Na tien jaar vertrekt hij naar Gouda, waarna hij in 1930 predikant werd in Veenendaal, een grote gemeente van ruim tweeduizend leden. Als ds. Kok zich in 1944 in een schrijven tot zijn medepredikanten richt, heeft hij de Gereformeerde Gemeenten reeds bijna dertig jaar gediend en geniet hij een breed vertrouwen. Hij heeft een ijzeren gesteld en is een zeer hard werker, die voor velen tot zegen is geweest.
– Maar tact behoort niet tot zijn grootste deugden. En als persoon is hij moeilijk voor een bepaalde zaak in beweging te krijgen. Is hij eenmaal in beweging gekomen, dan valt hij nauwelijks meer tot stilstand te brengen. De kracht van Kok ligt in prediking en pastoraat. Hij is nogal eens onvoorzichtig en onnadenkend in zijn uitspraken. Theologische zelfcontrole is niet zijn sterkste zijde. Zijn problematische uitdrukkingen zullen na de oorlog in toenemende mate bezwaar ontmoeten.
– Na de Duitse inval in 1940 is er sprake van een duidelijk verschil in waardering van de bezettende macht tussen Kersten en Kok. Kersten heeft het als een oordeel van God gezien en hij denkt dat onderwerping het beste is. Tekenend is ook zijn uitspraak dat onder het volk van God en onder Gods knechten een andere houding kan worden voorgestaan dan hij. Zijn mededocent en diaken in zijn gemeente aan de Boezemsingel A. van Bochove is het bijvoorbeeld niet met hem eens. Als Kersten weer eens nadrukkelijk tot onderwerping oproept vanaf de kansel, keert hij zich voor het oog van de gemeente in de diakenbank demonstratief de rug naar hem toe.
– Kok wijst vanaf het begin van de oorlog de weg van neutraliteit en passiviteit af. In zijn prediking klinkt naast de vermaning tot verootmoediging en bekering de oproep door tot actief verzet tegen de Duitsers en hun sympathisanten. Zijn opstelling is zeer Oranjegezind en pro-Engels. Ds. Kok was lichamelijk en geestelijk een rots, angst kende hij niet.
– Tekenend voor de ontwrichte verhoudingen is in dit verband het feit dat ds. Kok het initiatief neemt om met Fraanje en Lamain een bezoek te brengen aan een Utrechtse hoogleraar van antirevolutionaire huize, die lid is geweest van de Eerste Kamer. Doel van het bezoek is de bespreking van het gedrag van ds. Kersten tijdens de oorlogsjaren. Moet er in het licht van de uitspraak van de zuiveringscommissie door de Rotterdamse predikant geen schuldbelijdenis worden gedaan? De hoogleraar adviseert hen eigenlijk om Kersten uit de SGP en uit de Theologische School te zetten. Het contact lekt uit. Kersten heeft het zijn drie collega’s bijzonder kwalijk genomen. In 1947 wordt een Comité van bezwaarden opgericht, waarvan onder ander ds. M. Blok deel uitmaakt. Ook deze ontwikkeling heeft Kersten bijzonder gegriefd. Bij de scheuring van 1953 vindt een ontlading van allerlei spanningen plaats, waarbij ook deze problematiek nog meespeelt.
– De prediking van de ‘dierbaarheid en algenoegzaamheid van Christus’ en ‘de ruimte’ om zalig te worden in Hem zijn voor ds. Kok karakteristiek voor de inhoud van de Woordverkondiging. Er brak kort na de oorlog een periode aan dat hij met grote vrijmoedigheid het heil in Christus verkondigde aan elke hoorder, die in de kerk was. Deze prediking leidt mede tot een sterke groei van de gemeente, waarbij het aantal kerkgangers stijgt tot 1500. Tegelijkertijd tekent zich bij Kok ook een nieuwe, sterke drang af tot publiceren. Verschillende uitdrukkingen en zienswijzen die in deze geschriften voorkomen, zullen de aanleiding zijn tot een reeks moeilijkheden. De predikant accentueert in zijn uitgegeven preken in toenemende mate dat de beloften van het Evangelie aan elk lid van de gemeente zijn geschonken.
– Hij is ongetwijfeld ook een man die sterk vanuit de reactie leeft en handelt. Steenblok geeft in de jaren 1945-1948 in De Saambinder een onderbouwing van twee elementen uit de leeruitspraak van ‘1931’, namelijk dat Christus het Hoofd van het genadeverbond is en dat alleen de uitverkorenen wezenlijk in het verbond der genade zijn begrepen. De artikelen kenmerken zich door een hoog abstractieniveau en een uitgesproken logische denktrant, die vóór die tijd in De Saambinder zo niet voorkwam. Het kan niet anders of deze eenzijdige, strikt theoretische benadering moet bij ds. Kok een reactie hebben opgeroepen.
– Naast instemming roept de nieuwe lijn in de prediking van Kok binnen de Gereformeerde Gemeenten veel vragen en toenemend verzet op. In brede kring wordt zijn benadering gezien als ‘een zekere eenzijdigheid’, die het geleidelijk komen tot ‘een eigen ligging ten aanzien van de belofteprediking’ tot gevolg heeft. Er is sprake van een ‘tenderen in de richting van de christelijke gereformeerde verbondsopvatting’. Bij velen neemt de vrees steeds meer gestalte aan dat de lijn die Kok nu volgt zal leiden tot een oppervlakkige Evangelieverkondiging en bekering op losse schroeven. Als iemand uitdrukkingen gebruikt die aan zijn preken zijn ontleend, zegt men: ‘Hij heeft de Koksmuts op’. Ook begint men te spreken over ‘Veense bekeringen’.
– De nieuwe koers van Kok heeft bepaaldelijk niet de instemming van zijn oude leermeester Kersten, die in deze tijd aan zijn kerkenraad heeft voorgesteld om hem niet meer toe te laten op de Rotterdamse kansel. De inhoud van diens prekenbundel De ontwaakte Boaz roept bij hem grote bezwaren op. Met potlood noteert hij op het titelblad: ‘Bah! Wat een preekerij is dat’. Toch spaart hij Kok ondanks zijn verontwaardiging. Hij ziet bewust af van een recensie van het boek in De Saambinder, ‘opdat de vijand zich niet verheuge’. Als Kok steeds nadrukkelijker zijn nieuwe lijn uitzet, komt er zelfs een moment dat Kersten zichzelf in een kerkdienst vergeet en een prekenboekje van Kok door de kansel slingert. Dat levert hem daarna thuis een stevige berisping van de zijnen op. Wel ging Kersten een keer na zijn werkdag in de Tweede Kamer onopvallend zitten luisteren naar ds. Kok tijdens een doordeweekse kerkdienst ergens in Den Haag, om daarna zijn bezwaren persoonlijk met hem te bespreken. Vaak echter lopen zijn pogingen vast op de onverzettelijke en onplooibare karakterstructuur van Kok. Dat brengt hem soms tot de verzuchting: ‘Wat is hij toch moeilijk. Hij is van graniet. Er is niets met hem te beginnen’.
– In De ontwaakte Boaz zegt Kok: ‘De plaats waar niet gewerkt behoeft te worden is de hel. Dat is verschrikkelijk, nooit eenige nuttige bezigheid meer te kunnen verrichten om dan eeuwig door de verveling van de ledigheid gekweld te worden’. Hierbij tekent Kersten aan: ‘Wat voor soort hel houdt Ds. Kok er op na? Is de hel een plaats der verveling? Of zegt Gods Woord ons, dat de verdoemden in de hel zijn, daar zal weening zijn en knersing der tanden? (…) Zit men zich daar soms in een leuningstoel te vergapen? De hele voorstelling van ds. Kok is werken, werken, werken, geloven, bekeren. Dergelijke dingen dienen opgeruimd’.
– De classis vindt niets wat in strijd is met Gods Woord. Daar is Kersten het niet mee eens. Hij verklaart zich bereid op de eerstvolgende classisvergadering zijn bezwaren toe te lichten. Dit gebeurt in Barneveld op 1 juni 1948. Even daarvoor had een andere classis uitgesproken dat de beloften der zaligheid alleen aan de uitverkorenen toekomen. Dit was de eerste keer dat een kerkelijke vergadering deze uitspraak deed. De uitspraak spoort geheel met de voortdurende conclusievorming van Steenblok in zijn artikelenreeks in De Saambinder, die door Kersten wordt onderschreven. Voorheen sprak men meer op een pastoraal-exegetische wijze over het adres van de beloften.
– Ds. Kok heeft een kerkganger onder zich die na elke zondag een opsomming van onrechtzinnigheid aan Kersten stuurt, bijvoorbeeld diens uitspraak ‘De beloften dwarrelen als sneeuwvlokken u om de oren’ of over de heilige doop: ‘We zijn alleen in het verbond der genade. U zijt allen kinderen Gods en u kunt als kind van God in de hel komen’ en ‘Iedereen mag en moet pleiten op de doopbelofte’ [is pleiten dan geen werk des geloofs meer?].
– Op de classisvergadering doet Kok een persoonlijke aanval op Kersten: ‘Ik gevoel mij met alle leerstellingen der Gereformeerde Gemeenten absoluut niet verenigd. Ik heb behoefte dit onomwonden te zeggen’. Hij haalt dan een aantal oude nummers van De Saambinder uit zijn tas en begint iets van Kersten uit 1935 voor te lezen, toen die nog een andere opvatting over de algemene genade had. In dit licht verwijt hij Kersten oneerlijk handelen. ‘Ik zeg u, ds. Kersten, u bent daarin te werk gegaan met leugen en bedrog’. Kersten staat op en protesteert krachtig. ‘Het is meer dan schande dat ds. Kok de moed heeft dit te zeggen. (…) Zijn optreden is onbetamelijk. Ik had gewild, dat ds. Kok was afgehamerd’.
– Opvallend is Kerstens royaliteit tegenover de stijl van ds. Kok: ‘Ik ga voorbij aan tal van ongelukkige uitdrukkingen. Ik zwijg over de rare stijl die ds. Kok eigen is. Ik heb ook dikwijls wat verkeerd gezegd, te eenzijdig belicht, verkeerd geschreven, maar ik wist ook te erkennen terug te nemen. Ook ik heb ongelukkige uitdrukkingen en dergelijke feilen kleven mij nog aan’. Ten slotte spreekt Kersten enkele woorden van teleurstelling en hoop: ‘Vele jaren hebben we in vrede verkeerd, de zaak is kapot. Ik hoop dat we deze middag elkaar de hand kunnen geven en hij alles zal terugnemen’. Ds. Kok spreekt uit dat hij bereid is alle uitdrukkingen die voor een verkeerde uitleg vatbaar zijn terug te nemen.
– Vanaf dit moment neemt het debat een constructieve wending. ‘Ds. Kok, ik zeg niet dat u het op andere plaatsen niet goed leert’. Er ontstaat nu een rustige, brede theologische gedachtewisseling, waarbij de twee predikanten elkaar kritisch bevragen en telkens elkaar vinden. Ds. De Blois neemt een bemiddelende en verzoenende positie in tussen Kersten en Kok: ‘Omdat van gereformeerde kant zo eenzijdig de nadruk werd gelegd, zijn wij in onze kringen kopschuw geworden om het woord verbond te gebruiken. Gebruik het maar gerust’.
– Er tekent zich een algemene overeenstemming in gedachten af. De vergadering spreekt uit dat het verbond der genade in wezen werd opgericht in Christus met de uitverkorenen. De bespreking gaat voort. Er ontstaat nog een kleine schermutseling tussen Kok en Steenblok over de betekenis van de kinderdoop. De laatste had ooit gezegd dat de doop niet de minste betekenis heeft voor de verworpenen. Kersten helpt zijn collega uit het probleem: ‘Deze zaak is gauw opgelost. Dr. Steenblok, heeft de doop alleen betekenis voor de uitverkorenen?’ Steenblok zegt: ‘Er is een betrekking tot de genade, ook voor de verworpenen. Maar zaligmakend alleen voor de uitverkorenen. Het betekent tot verzwaring van hun oordeel’. Een ouderling van hem tekent daarbij opvallend genoeg aan: ‘Dat had u er op de catechisatie dan bij moeten zeggen en dat gebeurde niet’.
– Hierna volgt een discussie over de aanbieding van de genade. Voor Steenblok heeft dit de betekenis ‘dat het voorgesteld wordt’. Kok verzet zich hiertegen. Tijdens de voortgang van het gesprek over dit onderwerp formuleert Kersten discussiepunt na discussiepunt een andere verklaring over de aanbieding van de genade, waarmee Kok telkens instemt. Aan het einde van de lange bespreking blijkt over acht punten overeenstemming te zijn bereikt. Ds. Kok neemt alle vreemde, aanvechtbare uitdrukkingen in zijn uitgegeven preken, die tijdens de vergadering zijn besproken – een veertiental – openlijk terug. Ds. Kersten neemt op zich het een en ander te formuleren en zegt toe de punten eerst aan ds. Kok te zenden. Na een vergadering van ruimt acht en een half uur kan ds. Fraanje de vergadering sluiten op de gebruikelijke wijze. De classis heft Ps. 119:69 aan: ‘Gij eist van ons, dat w’ op Uw waarheid letten’.
– Op de volgende classisvergadering formuleert Ds. Kok zelf een kanselboodschap waarin hij ‘met leedwezen betuigt uitdrukkingen gebruikt te hebben die niet naar den Woorde Gods [zijn]’. Deze benadering van ds. Kok wordt door de afgevaardigden ten zeerste gewaardeerd. De notulen spreken over ‘een gulle bekentenis’ en benadrukken de blijdschap van ‘de ganse vergadering’. Het is tekenend dat ds. Fraanje als preses direct daarna voorstelt om staande te zingen Ps. 99:2, ‘God Die helpt in nood, is in Sion groot’. Ouderling Roest eindigt zijn notulen met de zin: ‘Hierna verliet zichtbaar ontroerd en verblijd een ieder de vergaderplaats’.
– In augustus 1948 verschijnt de laatste publicatie van Kersten. Het is een brochure, Het verbond der genade, een vertaling van een hoofdstuk uit een verklaring van de Kleine Catechismus van Westminster. De auteurs zijn de Erskines en James Fisher. De verschijning van dit geschrift over het genadeverbond, dat tijdens de discussie even daarvoor centraal heeft gestaan, moet ongetwijfeld in samenhang daarmee worden bezien. Kersten moet hebben beseft dat het einde van zijn leven dichtbij is. Hij schrijft een lange Woord vooraf. De auteurs blijken opvallend veel aandacht te besteden aan de bediening van het verbond der genade, en in het kader daarvan aan de algemene aanbieding van het Evangelie.
– De uitgave van het werkje biedt ds. Kersten ook de onuitgesproken mogelijkheid om het naar zijn inzicht onjuiste denken van Kok over de beloften in de goede zin te beïnvloeden. ‘Ds. Kok en het woord belofte vielen in die tijd als het ware samen’. Juist het feit dat de Veenendaalse predikant zich nauw verwant weet met de Schotse schrijvers van de uitgave, betekent dat er bij hem en de zijnen een open deur zal zijn voor hun benadering. Ds. Kersten maakt dan ook nadrukkelijk gebruik van de mogelijkheid om in het spoor van de Schotse auteurs te onderstrepen dat de beloften van het genadeverbond niet toekomen aan elke hoorder van het Evangelie, maar alleen aan de uitverkorenen. Tegelijkertijd weet hij zich bij voorbaat verzekerd van de hartelijke instemming van zijn collega met de duidelijke positiekeuze van de Erskines en Fisher ten aanzien van de aanbieding van het Evangelie aan zondaren uit het mensdom zonder beperking.
– Kersten is tot het einde van zijn leven een theoloog gebleven die de ontwikkeling in eigen kring zelfstandig verwerkt en probeert te beïnvloeden vanuit het gezichtspunt dat het belang van Gods kerk voorop dient te staan. Dat geldt ook ten aanzien van zijn opvolger Steenblok. Diens optreden bezet hem in toenemende mate met zorg. De opstapeling van vragen, moeilijkheden en zorgen brengen hem aan het eind van zijn leven in een crisis. De vraag of Steenblok de juiste man op de juiste plaats is, gaat steeds meer klemmen. Hij ziet echter geen andere opvolger. Toch blijft hij Steenblok wel steunen en waarderen als een gereformeerd man. Er moet ruimte voor Steenblok blijven als predikant en docent. Tegelijkertijd beseft hij dat de koers die Steenblok begint door te zetten voorzichtig, maar duidelijk dient te worden bijgestuurd. Ook daarvoor biedt de uitgave van het Schotse geschrift een mogelijkheid. Het verstrakte logische denken vanuit de verkiezing over de beloften wordt doorbroken door een praktisch-bijbelse benadering op grond van directe schriftgegevens. Negen dagen na het verschijnen van Het verbond der genade overlijdt Kersten (6 september 1948).

Gepubliceerd in mei 2009