Opstand der gezagsgetrouwen

n.a.v. Ben van Kaam, Opstand der gezagsgetrouwen. Mannenbroeders en zonen in de jaren 1938-1945. Een journalistieke verkenning in kranten, tijdschriften, pamfletten, dagboeken, illegale bladen, brochures, brieven en andere documenten uit een bewogen periode, Wageningen 1966

1938
Beatrix geboren
‘Er hangt iets onheilspellends in de lucht, iets dat doet denken aan een naderende storm’, zo was in Woord en Geest te lezen. Beatrix’ geboorte op 31 januari bracht wel vreugde. In De Standaard haalt Colijn de psalmwoorden in aangepaste vorm aan: ‘Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Neêrland nooit gekrenkt’. Hij ziet in het voortbestaan van de dynastie niet iets toevalligs. Nee, ‘daarin zien wij Gods hand’. Het blad Woord en Geest, van de hersteld verbanders, schrijft: ‘Heel onze Chr. pers druipt van die half-religieuze Oranje-vereering’.

Niemöller als martelaar vereerd
Op 7 februari trekt Martin Niemöller de aandacht. De Duitse kranten mogen niet over hem schrijven, maar het buitenland leeft mee. Hij durfde het aan Hitler te weerstaan in zijn streven om de kerk ondergeschikt te maken aan de staat. J.J. Buskes schrijft: ‘Niemöller behoort tot de martelaren van den modernen tijd (…) Wij weten dat het in dit proces achter gesloten deuren gaat om de vraag: Christus of Hitler?’ Toch steunde deze Niemöller de partij vanaf 1924. Hij was dan ook van huis uit conservatief en openlijk vijand van de communisten. Maar hij is ook de man die de Noodbond van predikanten stichtte. De Standaard verdedigt Niemöller door te zeggen dat hij christen en vaderlander is. Zijn vaderland heeft hij willen dienen. Van NSB-zijde is men misnoegt over de aandacht voor Niemöller. Hij zou liberaal zijn in theologische opvattingen en onder de Nederlandse orthodoxen als ketter worden beschouwt. Hoe kan het dan dat hij hun martelaar geworden is? Niemöller kreeg uiteindelijk een gevangenisstraf zo lang zijn voorarrest duurde. Hij was dus een vrij man, maar twee dagen na de uitspraak was te lezen in de krant: ‘Niemöller naar concentratiekamp’.

Rassenkwestie?
De Spiegel zegt op 5 maart: ‘Toch valt niet te ontkennen, dat naast veel goeds, de Joden ook dikwijls cultuurbedervers zijn van den eersten rang. (…) dat bij de Sociaal-democraten en Communisten, Joden den boventoon voeren. (…) Een Jood is en blijft een Jood en zal nooit één worden met ons volk. Neen, de Joden moesten eigenlijk allen weer terug naar Palestina.’ Volgens H. Algra in het gereformeerde meisjesblad Bouwen en Bewaren zijn de Duitse acties tegen de Joden ten onrechte als een rassenkwestie gezien. Het is een nationaliteiten-vraagstuk volgens hem. Hij vindt echter dat als een Jood christen wordt, ‘hij wordt opgenomen in onze natie’. Religie is dus beslissend, niet ras. De Duitsers ontkennen dit. Daarom ‘is het alles even onwetenschappelijk als moreel te veroordelen.’

Kuyper over de Joden
Abraham Kuyper had in 1878 al geschreven: ‘Onder den mantel van Liberalisme (zijn) metterdaad de Joden heer en meester in ons werelddeel geworden.’ Kuyper vond dat de Joden ‘wel met ons van eenzelfde rijk, maar niet van eenzelfde natie zijn’. ‘Men zou zich zeer vergissen indien men den invloed van de Joden ten onzent voor zoo onschuldig hield.’ Kuyper vindt dat het niet ontkend kan worden dat ‘de Joden door hun rijkdom, vaak in den weg van woeker en bedrog verkregen, en door hun trotschen overmoed den haat der volken tegen zich hebben opgewekt’.

Hugo Visscher bij de NSB
Hugo Visscher is pro-Duits. Hij gelooft niet ‘dat Ds. Niemöller in deze moeilijkheden zou zitten, als hij een principieel Calvinist was. Zijn moeilijkheden schijnen mij toe te wortelen niet in Gereformeerde, maar in ongereformeerde overtuigingen.’ Tegen de rassenwetten heeft Visscher geen bezwaren. Opzien baart Karl Barth met een brief aan de Tsjechen: ‘Iedere Tsjechische soldaat, die strijdt en lijdt, zal het ook voor ons – en, ik zeg het heden zonder voorbehoud: hij zal het ook voor Jezus’ kerk doen.’ In De Standaard verdiept men zich in Hitler. ‘Wonderlijk in het leven van dezen man, is Gods leiding met hem (…) Dan mogen we toch in zeer bijzonderen zin wel spreken van de leiding Gods. De leiding blijft toch niet beperkt tot de geloovigen, maar ook van de ongeloovigen geldt het woord dat zij zonder Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.’

Het drama van München doorzien
Na de conferentie van München sprak De Standaard over ‘Met zegen gekroond (…) Een meesterlijke zet (…) Het is niet de volkswil, het is God, Die de harten der Staatslieden neigde.’ Een gereformeerd predikant wenst zelfs ‘of zoo iets in onze kerken ook niet mogelijk zou zijn’ (doelend op het conflict tussen Schilder en Hepp). Men beziet de daad van Chamberlain hier dus nog als positief. Één man zag het echter beter: Churchill. ‘Een ramp van de eerste rang’. Ook J.J. Buskes zag het goed: ‘Te München werd de vrede met een judaskus begroet en het beetje trouw dat nog uit de aarde omhoogsproot, werd vertrapt. München betekent een vrede zonder recht en zonder vrijheid, indien de wereld op den in München ingeslagen weg voortgaat, wordt Europa één groot concentratiekamp.’

Reacties op de Kristallnacht
Na de Kristallnacht zei Göring: ‘Ik had liever gehad dat jullie tweehonderd Joden hadden doodgeslagen dan zulke waardevolle goederen hadden vernietigd.’ De Heraut schrijft naar aanleiding hiervan: ‘Dat de Joden als de straf voor hun Christusverwerping hun eigen land hebben moeten verlaten en als bannelingen onder de andere landen moeten rondzwerven, is een oordeel Gods’. Een gereformeerd predikant zegt naar aanleiding van de Britse verontwaardiging over de Kristallnacht: ‘Laat Engeland maar naar zichzelf kijken: Engeland heeft in 1902 of omtrent de Transvaalsche boerenvrouwen en kinderen in de concentratiekampen nog veel schandelijker behandeld.’ Bouwen en Bewaren schrijft: ‘Wat hebben ze misdaan? Niemand, die het weet, zij zelf allerminst. Maar het is, alsof de echo klinkt van vele eeuwen geleden: “Zijn bloed kome over ons – en over onze kinderen”’. Colijn verdedigt het tegenhouden van Joodse vluchtelingen: ‘In dezen tijd is geen enkel volk volkomen vrij van anti-semitisme. Wanneer men ongelimiteerd een stroom van buitenlandsche Joden zou toelaten, zou de stemming van ons volk ten opzichte van de Joden een ongunstige wending nemen.’ De Spiegel zegt in februari: ‘Vijf jaren is het alweer geleden dat Hitler temidden van den Duitschen chaos de macht in handen kreeg en zij het, dat hij veel deed dat wij nimmer goedkeuren, hij wist er orde te scheppen.’

1939
Barth in Nederland
Karl Barth publiceert in 1919 een commentaar op Romeinen, wat grote aandacht trekt. Hij vroeg zich al eerder af wat bij zijn (liberale) theologische leermeesters ‘God’, ‘Christus’ en ‘Bijbel’ nog eigenlijk betekenen. Jarenlang is Barth hoogleraar in Duitsland. Hij formuleerde de eerste Barmer these: ‘Wij verwerpen de dwaalleer, dat de kerk als bron van haar verkondiging buiten en naast dit ene Woord Gods nog andere gebeurtenissen en machten, gestalten en waarheden als Gods openbaring zou kunnen of zou moeten aanvaarden.’ In 1935 werd Barth door Hitler uit Duitsland gezet. Vervolgens was hij hoogleraar in zijn geboorteland Zwitserland, in Bazel. Hier werkte hij verder aan zijn Kirchliche Dogmatik, waarvan deel na deel door theologen werd verslonden. In 1939 kwam Barth naar Nederland. ‘Al die namen als Calvinisten, Lutheranen en wat ge maar méér wilt, zijn door den duivel uitgevonden! (…) Er zijn nog heel wat Protestanten in Holland, die iets tegen me hebben, naar het schijnt. (…) Zoo is onlangs Prof. Schilder in De Reformatie tegen mij uitgevaren.’ De Nederlandse regering vreest voor zijn uitspraken, maar laat hem toch toe. Wel zijn ze bang zo het ongenoegen van Hitler over zich heen te halen. Een week lang is Barth in Nederland. Hij houdt toespraken over ‘De Souvereiniteit van het Woord Gods in de beslissing des geloofs’.

Van Colijn naar De Geer
Colijn wordt in 1939 70 jaar. Er wordt geschreven: ‘Het is duidelijk Gods leiding, dat Colijn na Kuyper aan ons land gegeven werd. Groen, veldheer zonder leger, Kuyper met een gedrild keurkops, Colijn, zich baseerend op deze voorgoed gewonnen positie.’ De antirevolutionairen krijgen er geen genoeg van te horen dat hun leider een nationale figuur is, die ver uitsteekt boven alle groten der natie. Nee, aan persoonsverheerlijking doen ze niet, maar toch… Acht dagen na Colijns verjaardag valt het kabinet. Hoe durven de katholieken, in deze tijd van wereldcrisis! Toch lukt het Colijn om een vijfde kabinet te formeren, maar dit overleeft maar kort, vijf dagen. De christelijk-historische De Geer vormt nu een kabinet. Voor het eerst met twee SDAP’ers. Dat Gerbrandy als ARP’er ook zitting heeft in dit kabinet, is onverteerbaar voor zijn achterban, want er zaten immers socialisten in het kabinet! Colijns rol lijkt uitgespeeld. Hij neemt voor een wereldreis te gaan maken.

Oecumenisch jongerencongres en opening gereformeerde synode
In 1939 wordt ook een oecumenisch jeugdcongres gehouden, in Amsterdam. ‘Christus Overwinnaar’ is het thema, uit 70 landen komen ze. Visser ’t Hoofd opent het congres. De rooms-katholieken en de gereformeerden hebben het laten afweten. K. Dijk zegt: ‘Dit contrast is een zaak van gelooven en niet-gelooven.’ Prins Bernhard spreekt de woorden uit ‘Dat zij allen één zijn’. Uit gereformeerde kring klinkt ook kritiek: ‘Waarom toch niet? Waarom moeten wij Gereformeerden nu altijd apart staan? Dit is toch iets moois: de Christelijke jeugd uit alle landen bijeen, daar hooren wij toch ook bij?’ Als de gereformeerde synode vergadert, breekt de oorlog uit (28 augustus). H. Veldkamp opent de volgende dag de synode: ‘Temidden van vuur en rookpilaren staat hoog opgericht het groote afgodsbeeld van de staatsalmacht, en de Gestapo staat gereed ieder die daarvoor niet buigen wil, te verwijzen naar den vurigen oven in den gemoderniseerden vorm van het niet minder wreede concentratiekamp.’ In de GKN is het onrustig. Al jarenlang zijn er spanningen. Je bent voor ‘Kampen’ of voor ‘Amsterdam’.

Hitler redder van de Joden?
In Bouwen en Bewaren wordt gezegd dat Hitler in zekere zin ‘het Jodendom heeft gered (…) Voordat Hitler aan het bewind kwam, deden zeer veel Joden hun best, hun afkomst te verdonkermanen (…) Maar zijn vervolgingen hebben over heel de wereld onder de Joden iets wakker gemaakt, dat niet licht gedoofd zal worden’. K.H. Miskotte zegt dat ‘de ergernis aan den Jood in ons midden niet onbegrijpelijk’ is en dat het ‘ons min of meer in het bloed’ zit. ‘In den Jodenhaat gispt een heel stuk Godshaat. In den diepsten grond is voor het bestaan van den God, dien de kerk belijdt, geen ander natuurlijk “bewijs” dan juist het bestaan van Israël in ons midden.’

Mislukte moordaanslag op Hitler
Chamberlain laat op 12 oktober weten dat het ‘na onze ervaringen’ niet langer mogelijk is af te gaan op het woord van ‘de huidige Duitse regering’. Bij sommige hoge Duitse officieren groeit het verlangen naar een ander politiek regime. Men spreekt over een staatsgreep. Hitler mag volgens hen niet de kans krijgen oorlog in het westen te beginnen, want die oorlog is militair niet te winnen. Kolonel Oster waarschuwt Nederland: ‘Mijn plicht is het om Duitsland en de wereld te ontdoen van deze pest’. Zijn boodschappen komen via Sas in de regeringskringen terecht. Maar er worden grapjes over gemaakt, men gelooft hem niet. Sas doet wanhopig zijn best om de heren te doordringen van de ernst. Wanhopig loopt hij met een loodzware last rond. Op 8 november mislukt een bomaanslag op Hitler in München. In zijn wonderlijke ontsnapping ziet Hitler de hand van ‘de Voorzienigheid’. De Standaard spreekt van ‘de laffe moordaanslag’ en de koningin stuurt Hitler een gelukstelegram. Premier De Geer spreekt het Nederlandse volk op 13 november geruststellend toe, alsof er niets aan de hand is en citeert ‘een oud lied’. Hij vindt dit ‘ook ondankbaarheid tegenover God’.

Een mensch lijdt dikwijls ’t meest
Door ’t lijden dat hij vreest,
Doch dat nooit op zal dagen.
Zoo heeft hij meer te dragen,
Dan God te dragen geeft.

Wil Niemöller voor Duitsland vechten?
Bouwen en Bewaren zegt dat er waarheid is in de redenering van Rosenberg dat in Hitler het Duitse volk gestalte heeft gekregen. Niemöller biedt vanuit zijn cel aan om bij de Kriegsmarine te gaan dienen, maar dat wordt hem niet toegestaan. In het buitenland verbaasd men zich erover dat Niemöller voor Duitsland wil gaan vechten, en men denkt dat dit een propagandaleugen is. Karl Barth is één van de eersten die te horen krijgt dat het wél waar is. Hij zegt: ‘Zijn oude Adam – evenals bij ieder van ons – is niet dood’. J.J. Buskes zegt: ‘Laat geen van ons hooghartig over Niemoller oordeelen. (…) Voor mij blijven Niemöller en zijn prediking een licht in de duisternis van dezen tegenwoordigen tijd.’

1940
Steun voor Finland
De gereformeerde pers prijst Finland, dat standhoudt tegen Rusland. ‘Dit kleine volk, dat met het zingen van het Lutherlied “Een vaste burcht is onze God” ten strijde trok, is dapper en vol heldenmoed’. Bouwen en Bewaren spreekt over ‘het nationaal-socialisme, brallend en agressief’, en ‘het bolsjewisme, half Aziatisch, sluw en wreed’. Colijn spreekt op nieuwjaarsdag met ‘groote zorg voor de toekomst’. Het lutherse Finland is hoop in bange dagen; zij kunnen het bolsjewisme keren. ‘Finland vecht voor ’t geloof, voor de haardstede van het vaderland. Geheel het land ligt op de knieën voor God, en is vast verzekerd, dat God voor Finland strijdt’. G. Wisse noemt de in witte camouflagepakken geklede Finnen ‘soldaten met bruiloftskleederen aan’. Er wordt veel geschreven over de tot nog toe onbekende Finnen. K. Norel schrijft in De Spiegel een verhaal over Finse soldaten. Churchill houdt op 20 januari een radiotoespraak waarin hij de neutralen op hun ‘plicht’ wijst om als democratieën partij te kiezen tegen de nazi’s. Hij noemt hierbij ook Nederland. De bioscoop was verboden terrein voor de gereformeerden, maar toen er een Nederlands-Indische vlootfilm ging draaien, ‘’t Sal waerachtig wel gaen!’, waarin getoond wordt ‘wat de mensch, i.c. de Nederlandsche mensch, vermag bij de gratie van zijn oorlogsmacht’.

Uitbreken oorlog, vlucht koningin
Colijn schrijft op 10 mei: ‘Oorlog! (…) Het Duitsche Rijk, onder leiding van een goddeloos machtsregime…’ Verontwaardigd is hij. Niemand denkt eraan dat Abraham Kuyper in 1914 de inval van Duitsland in België billijkte. De eerste dagen is men optimistisch: ‘Onze prachtige strijdkrachten’. ‘De Nederlandsche leeuw kan nog klauwen’. De achterpagina van De Standaard is in deze dagen vol met rouwadvertenties van omgekomen soldaten, vooral op de Grebbeberg. Colijn beschuldigt de koningin van een ‘smadelijke vlucht’. Sommige mensen rukten het portret van de koningin van de muur. K. Schilder waarschuwt voor ‘de fout van het overhaaste oordeel’. Tot tweemaal toe had De Geer aan de ervaren Colijn het premierschap aangeboden, maar hij weigerde steeds. Colijn begreep de snelle capitulatie van Winckelman ook niet. Colijn baart opzien door zijn artikel op 15 mei: ‘Alle verzet is dus uitgesloten. Het dient tot niets en verergert slechts den toestand’. De Standaard vindt dat de Nederlandse democratie gefaald heeft. Het stelsel was ‘in menig opzicht ziek’. Het stond ‘een stoer regeeringsbeleid in de weg’. In de GKN nemen de spanningen toe. K. Schilder adviseert echter: ‘Wat mijzelf betreft (…) zou ik zeggen: begraaf zoo spoedig mogelijk heel de materie (…) In tijden van nood hebben we eendracht noodiger dan ooit’.

Colijn schrijft een brochure
Voor Mussert is de benoeming van Seyss Inquart tot Rijkscommissaris een pijnlijke verrassing. Het uitwijken van de Nederlandse regering had één voordeel: de Duitsers kregen Nederlands-Indië zo niet in handen. Seyss Inquart legt nadruk op de bloedverwantschap tussen het Nederlandse en Duitse volk. Colijn schrijft in deze tijd de brochure Op de grens van twee werelden. ‘Het alles domineerende feit is dan, dat tenzij er werkelijk wonderen gebeuren, het vasteland van Europa in de toekomst geleid zal worden door Duitschland.’ Seys Inquart vermeldt Colijns brochure met voldoening in een geheim rapport aan Hitler. Hij zegt: ‘In het Nederlandsche politieke leven zijn persoonlijkheden nauwelijks aanwezig. Boven de massa steekt de een-en-zeventig-jarige Colijn uit.’ Gerbrandy is woedend: ‘Een dolksteek in de rug van de Regeering’. K. Schilder kan de kritische taal van Colijn over de democratie niet bekoren. ‘Geen fout der democratie, doch van slechte democraten’. De NSB is niet blij met deze brochure. Voorkomen moet worden dat de Duitsers met Colijn aanpappen.

H. Algra en K. Schilder durven wél
Het Friesch Dagblad voorspelt eind mei: ‘Nu zal blijken wat een man waard is (…) Het zal ook blijken, door Gods genade, dat er een kern is, die geestelijk sterk is en die het vaandel hoog houdt’. Het komt uit. Van verscheidene geestelijke leidslieden hoort men opeens niets of slechts weinigzeggende dingen meer. Twee stemmen vallen nu opeens op: H. Algra van het Friesch Dagblad en K. Schilder van De Reformatie. Week in week uit striemt Schilder de NSB en de vreesachtige Nederlandse pers. Algra profiteert vooral van zijn historische kennis en zijn vermogen om duidelijk te zijn zonder namen te noemen. Schilder ranselt erop los, op ‘de kruiperige mentaliteit’, die ‘ons volk vergiftigt, zijn kracht ondermijnt en vriend en vijand meesmuilen over zóóveel machteloosheid’. ‘Den schuilkelder uit, de uniform aan’. ‘Gevaarlijk? Och ja, – maar als ’t nu eens van God geboden is?’ Schilder vindt dat niet verschijnen van bladen beter is dan zich door de bezetter te laten muilkorven. Algra waarschuwt voor het vreesachtig gedrag van veel gereformeerden. Hij verwijst naar Openb. 21:8, dat vooral voor de vreesachtigen de hel is.

De Nederlandse Unie opgericht
Mussert probeert Engeland zwart te maken. En dit moet de gereformeerden wel goeddoen, want die waren in de Boerenoorlog pro-Duits en anti-Engels. Koningin Wilhelmina spreekt op 28 juli het volk toe: ‘Een strijd tusschen het goede en het kwade, een strijd tusschen God en ons geweten eenerzijds en anderzijds de duistere machten, die in deze wereld hoogtij vieren.’ De nationale eenheidsleuzen zijn niet van de lucht. De Nederlandse Unie wordt opgericht, een meer gematigdere beweging dan de NSB. De gereformeerden doen natuurlijk niet mee, wat Seyss Inquart met misnoegen aanziet. ‘We moeten er tegen opkomen, wanneer banden der dogmatiek als politieke kenteekenen worden beschouwd en zoo tot splijting van het volk leiden’.

De beruchte ‘Kanaalpassage’
‘Kom, Heere Oogster, ja, kom haastiglijk, kom over het Kanaal en over den Brennerpas, kom via Malta en Japan, ja kom van de einden der aarde, en breng Uw snoeimes mee en wees genadig aan Uw volk; het is wel bevoegd, maar slechts door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen’. Met deze bede eindigt K. Schilder 16 augustus een artikel. Deze ‘Kanaal-passage’ betekent voor Schilder de cel. Men denkt dat Schilder bidt voor een Engelse overwinning. Hij beweert echter dat het slaat op de wederkomst van Christus. Is Schilder te roekeloos geweest? V. Hepp, de grote tegenstander van Schilder, vindt van wel. Vele christenen hebben volgens hem de beheersing over hun geest verloren. H.H. Kuyper waarschuwt om ‘het Bewind waaronder wij verkeeren niet noodeloos te prikkelen.’ Hij vindt dat Schilder niet lijdt voor Christus’ zaak. Drieënhalf maand zit Schilder gevangen. Zijn blad De Reformatie wordt verboden, men dreigt hem met een concentratiekamp.

Hou en Trouw, Vrij Nederland en de Ariërverklaring
Geïrriteerd door de in zwarte hemden gestoken NSB’ers die hun blad op straat verkopen, gaan jonge Amsterdams antirevolutionairen dit ook doen. De naam van het blad wordt Hou en Trouw. Het wordt een ongekend populair blad. Er worden massabijeenkomsten gehouden, maar daar hebben de Duitsers snel genoeg van. Het blad wordt ook snel verboden. Voortaan komt er een illegaal blaadje uit: Vrij Nederland. Er zijn slechts weinigen die stelling nemen tegen de Ariërverklaring. Wél tekenen, zo is het advies. Met ontzetting ziet de 35-jarige J. Koopmans, secretaris van de NCSV, toe hoe ook christelijk Nederland meewerkt een jodenvervolging mogelijk te maken. Hij verspreidt een brochure Bijna te laat. Het wás te laat. ‘Ze gaan eruit en ze gaan eraan!’, zo voorspelt hij. Op zondag 27 oktober wordt er een kanselboodschap afgekondigd in zeven kerken waarin geprotesteerd wordt tegen de Ariërverklaring. H.H. Kuyper en J.J. Buskes raken in conflict; Kuypers visie op de Joden vindt Buskes niet kloppen. Kuyper zorgt ervoor dat de boodschap niet in zijn kerkgenootschap (de GKN) voorgelezen wordt. Woedend zijn velen op Kuyper. Hij mag niet langer bij de predikantenkring komen. J. Donner neemt zijn plek voortaan in. Er ontstaat in de gereformeerde wereld enige opschudding als A.A. van Schelven, hoogleraar aan de VU, toetreedt tot het fascistische Nationaal Front.

1941
Geen steun voor inval Rusland
Toen de Duitsers Rusland binnenvielen, hoopten ze op dezelfde steun als dat Finland eens had gehad bij haar strijd tegen Rusland, maar het Nederlandse volk was niet te porren voor steun. De NSB haalt Erasmus, Hugo de Groot, Abraham Kuyper en Groen van Prinsterer aan om steun te krijgen voor de strijd tegen het bolsjewisme. Er verschijnen Duitse gruwelverhalen over de wreedheden van de Sovjets. Zij waren immers de mensen die godsdienst het opium voor het volk noemden? En waren daar niet 14.000 kerken platgebrand en 428.000 geestelijken vermoord? Een generaal zei: ‘Ik mag ze (de Russen) niet met dieren vergelijken, want daarvoor zijn zelfs de wilde dieren te goed. Het zijn duivels’. H.H. Kuyper, wiens zoon naar het Oostfront vertrekt, verklaard deze strijd als een zegen te zien, ‘wanneer dit Sovjetregiem ten val werd gebracht’.

Steeds minder mag
De Standaard blijft, maar kan haar eigen geluid niet meer laten horen. Het Friesch Dagblad wil niet meewerken met de bezetter; het dagblad stopt te verschijnen. Vrij Nederland spreekt van ‘de zondeval van De Standaard’. Colijn wordt op 30 juni gearresteerd. Hij moet als balling in een hotelletje in Valkenburg verblijven en later in het grote parkhotel Gabelsbach in Ilmenau. In december valt Japan Nederlands-Indië binnen. Gesina H.J. van der Molen, werkzaam in het onderwijs, weigert de Ariërverklaring te ondertekenen en wordt ontslagen. Er werden steeds weer nieuwe demonstratieve dingen bedacht: meisjes dragen rood-wit-blauwe sokken, in de tuintjes zaait men oranje bloemen en de nazi’s kijken argwanend naar de schooljeugd, die (oranje) wortels op straat loopt te knabbelen. De politieke partijen worden in 1941 verboden.

De gekroonde rover
Ook stoppen de NCRV-uitzendingen, maar de sympathie van de luisteraar was toch al lang verlegd naar Radio Oranje, die sinds 28 juli 1940 uitzond. Het gereformeerd schoolhoofd Janse van Biggekerke keurt in zijn brochure Onze houding in deze tijd het luisteren naar de Engelse zender af. De eerste die het woord van Groen van Prinsterer uit Ongeloof en Revolutie, ‘de gekroonde rover’ aanhaalt, is Victor H. Rutgers van de VU. Hij ziet Seyss Inquart niet langer meer als iemand die volgens Romeinen 13 gehoorzaamd moet worden, maar als gekroonde rover, die de wettige vorst verjaagd heeft. H.H. Kuyper prijst de Duitse maatregel om de moderne kunst uit de musea te verwijderen: ‘Het nationaal-socialisme, dat al deze nieuwe producten uit de musea verwijdert, is voor ons een beschamend voorbeeld’.

1942
Neem goed en bloed ons af!
De Standaard blijft verschijnen en is helemaal van kleur veranderd. Er staan nu zelfs propagandastukjes in om dienst te nemen bij de Waffen S.S. Hitler zegt in zijn nieuwjaarsrede: ‘Wij kunnen bij de wisseling der jaren de Almachtige slechts bidden dat Hij het Duitse volk en zijn soldaten de kracht moge geven…’ Ds. J. Overduin van de gereformeerde Oosterkerk te Arnhem ziet op 8 februari de Gestapo in de kerk zitten. Toch houdt hij zich niet in. Hij zegt wat hij zeggen wilde. In Arnhem woedde een strijd rondom de christelijke scholen, waar een NSB-leraar niet weg te krijgen was. Aan het eind van de dienst laat Overduin het Lutherlied zingen. Overduin werd gearresteerd en naar Dachau vervoerd. Hij werd een menselijk wrak, woog nog maar 40 kilo, z’n benen en handen waren vol van wonden van hongeroedeem, bijna elke dag spuwde hij bloed, z’n geheugen lijdde aan de ondervoeding, z’n rug was vol wonden van de zware kolenzakken die hij moet dragen. Een kampwacht zei tegen hem: ‘In drie dagen heb ik zulke lui kapot’. Overduin overleefde de oorlog. Een andere predikant, D.A. van den Bosch, overleefde het concentratiekamp van Amersfoort niet. Ook ds. A.R. Rutgers, hervormd predikant te Rotterdam, die zijn lidmaatschap van Kerk en Vrede had opgezegd toen hij de Spaanse Burgeroorlog meemaakte en zijn pacifisme opzij zette, stierf ook in een kamp. Op 31 mei 1942 zaten 32 gereformeerde predikanten gevangen.

Neem goed en bloed ons af,
Het brengt u geen gewin;
Wij gaan ten hemel in
En erven koninkrijken!

De synode vergadert en neemt haar besluiten unaniem
De gereformeerde synode vergadert in de Oosterkerk van Utrecht. Zal het tot een breuk komen? Het werd een goede vergadering, een rustige sfeer, een broederlijke geest. Veel voldoening en dankbaarheid was er hierover. De besluiten gingen over de algemene genade, het genadeverbond en zelfonderzoek, de onsterfelijkheid van de ziel, de vereniging van de beide naturen in Christus en de pluriformiteit van de kerk. Alle besluiten werden met algemene stemmen genomen. Colijn prijst de synode, omdat hij vindt dat deze meningsverschillen geen grotere aandacht verdienen, omdat ze ‘de gemeente niet beroeren’. Later, als de discussie weer losbarst, zegt Colijn: ‘Ergerlijk is het gezeur in onzen kerkelijken kring over dezen tijd zoo pietluttig vragen met betrekking tot den duur eener zitting van de Synode’ Ook de gereformeerde meisjes worden voorgelicht over de meningsverschillen op de synode. S.J. Popma moest dit doen. Maar hij klaagt over zulk ‘droog materiaal’. ‘Ach wat is dat moeilijk, ze lezen veel liever ’n spannende roman’. Verder zegt Colijn: ‘De totale oorlog heeft een eigen karakter en maakt tenslotte iedere ingezetene tot soldaat (…) Ik durf nauwelijks te hopen op een vrede in 1944. Het jaar 1945 lijkt me waarschijnlijker’.

Bezig met de ergste misdaad
Anne Frank schrijft in 1942: ‘Het komt me zo voor, dat later noch ik, noch iemand anders in de ontboezemingen van een dertienjarig schoolmeisje belang zal stellen.’ Er komen nieuwe maatregelen. Na 8 uur ’s avonds mogen de Joden de deur niet meer uit. Ook mogen ze zich niet ophouden in ‘woningen, tuinen, alsmede in andere voor herstel of ontspanning dienende particuliere inrichtingen van niet-Joden’. De kerken sturen opnieuw een protesttelegram over de deportaties van de Joden. Seyss Inquart doet een concessie: christen-Joden, die vóór 1 januari 1941 gedoopt zijn, zullen niet worden weggevoerd. Ze werden echter gewoon meegenomen… Het illegale Parool schrijft: ‘De Duitschers zijn bezig de ergste misdaad te begaan. Door onvoldoende verzet tegen en sabotage van dezen vorm van deportatie hebben wij Nederlanders het mogelijk gemaakt, dat de nazi-barbaren thans begonnen zijn aan de uitvoering van hun nieuwste plan.’

Sehr gut
Op zondag 26 juli wordt op vrijwel elke kansel gebeden voor het Joodse volk. Een Duitser zegt: ‘Wij zijn geen barbaren, wij willen ook den Joden toestaan dat hun gezinnen meereizen. Hun lot zal hard zijn, maar laten wij ook niet vergeten dat zij eens arm en haveloos onze landen zijn binnengekomen.’ Himmler schrijft: ‘Sehr gut’, als hij verneemt hoe vlekkeloos de Nederlandse deportaties verlopen. Aartsbisschop De Jong verklaarde nooit met protestanten een eenheidsfront aan te gaan. De aanval van de kerken werd hierdoor geschokt en verzwakt. Anne Frank schrijft op 9 oktober: ‘We nemen aan dat de meesten vermoord worden. De Engelsche radio spreekt van vergassing. Misschien is dat wel de vlugste sterfmethode. Ik ben heelemaal van streek.’ Als de klok acht uur geslagen heeft en het donker komt, begint voor de Joden een ondragelijk, martelend wachten. Elke avond worden de deuren geopend, vrouwen, kinderen, oud en jong, zieken en gezonden weggehaald uit de huizen en op transport gezet.

Barth geeft advies
Hebe Kohlbrugge weet vanuit Nederland het neutrale Zwitserland te bereiken van waaruit stukken naar Londen kunnen worden doorgestuurd. Zij was van Vrij Nederland. De ‘Zwitserse weg’ is ontstaan. Aan Barth wordt gevraagd of de kerkelijke voorbede voor de Koningin kan worden stopgezet. Barths antwoord: ‘Onvoorwaardelijk: neen!’ Barth roept op tot verzet en verbiedt medewerking met de bezetter. Gereformeerden, altijd gereserveerd tegenover deze theoloog, zijn er blij mee. Mussert heult intussen met de warme gevoelens die Nederlanders nog altijd hadden over Zuid-Afrika. Hij wil de oude banden weer aanknopen, ‘banden die er zijn door de taal, door het bloed, door den godsdienst en de historische ontwikkeling’.

Hoogst ernstige bezwaren
Op 15 november luidden in Engeland de kerkklokken, om de gelovigen op te wekken hun dank te brengen voor het feit dat er een kentering is in de oorlog. De gereformeerde synode uit ‘hoogst ernstige bezwaren tegen den arbeidsdienst’ maar verbiedt het niet, dit tegen het zere been van velen, waaronder de Drentse boer Johannes Post. Één van de vroegste verzetsmensen in Nederland was de 23-jarige VU-student Wim Speelman, die wist te ontsnappen uit zijn cel op 30 december. Op 19 februari 1945 wordt hij alsnog gefusilleerd. De rouwdienst ging over Deut. 3. ‘Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien, dat aan gene zijde van de Jordaan is (…) Maar de Heere zeide tot mij: Het zij U genoeg; spreek niet meer tot Mij over deze zaak.’ In 1943 besluiten vier kerken in Veenendaal om stookkosten te besparen en om in hetzelfde gebouw alle diensten af te werken. De Kampense burgemeester Oldenhof wordt in maart gearresteerd omdat hij weigerde de straatnamen van levende leden van het Koningshuis te veranderen. Goebbels wijt in juli de taaiheid van de Russische verdediging aan ‘dierlijke driften’. In september klaagt Mussert over meisjes die fietsen en tennissen ‘in zoogenaamde shorts’. Mussert keert zich ook tegen de opvatting van theologen die het nationaal-socialisme als de antichrist zien. ‘Wanneer dat waar is, moeten zij onze tegenstanders, ’t bolsjewisme, toch wel zien als Christus in eigen persoon.’

1943
Politieke moord of terechtstelling van een landverrader?
Niet iedereen kon zich vinden in de geest van het blad Vrij Nederland. Vooral de politieke ideeën voor na de oorlog stonden velen niet aan. Het nieuwe blad ging Trouw heten. De eerste Trouw verschijnt op 18 februari 1943. ‘Wat de Duitschers willen, en wat de Duitschers ons willen opdringen, is het heidendom. (…) Daarom is deze strijd een geestelijke oorlog, (…) een religiestrijd (…) die door de geloovige Christenen, Protestanten en Roomsch-Katholieken hand in hand gestreden behoort te worden.’ Op 5 februari schiet een student een Duitse generaal dood (Seyffardt). Vrij Nederland zegt: ‘Hij werd als landverrader terechtgesteld!’ en het blad herinnert eraan dat politieke moord door de Duitsers zijn geïntroduceerd. Anderen zijn minder blij met deze moord. Deze strijdwijze acht Trouw te behoren ‘bij volken die op een lagere trap van ontwikkeling staan’. Trouw zegt wel: ‘Wat in normale tijden misdrijf is, is in den oorlog somtijds recht, ja zelfs plicht’, als het over overvallen op distributiekantoren, arbeidsbureau’s en bevolkingsregisters gaat.

Hervormde predikanten vinden elkaar
Gijzelaarskamp St. Michielsgestel lijkt soms wel een congres. De gevangenen hoeven niet te werken, mogen vrij met elkaar spreken en mogen (in beperkte mate) corresponderen. Om de verzetsgeest te breken, beroofde de Duitse bezetter het Nederlandse volk van honderden leidslieden van allerlei richtingen. Er groeien contacten dwars door vroegere scheidsmuren heen. Tussen ds. Gravemeyer, prof. Kraemer en dr. Banning ontstaat een hechte band. De verstarde, verkilde atmosfeer in de Ned.Herv.Kerk, gaat hun aan het hart. Het ‘genootschap’ wil weer een levende Kerk van Christus worden. In februari werkten inmiddels meer dan 300.000 Nederlandse mannen in Duitsland. Ergens in Duitsland waren daarom veel Nederlanders in de kerk. Op een morgen zei de Duitse predikant: ‘Broeders en zusters, wat is het een genot om daar al die jonge Nederlanders te zien. Het lijkt wel of onze eigen zonen weer daar zijn.’

Frits Slomp, ‘ouderling Van Zanten’
Bijna elke zondag staat de gereformeerde predikant Frits Slomp (‘ouderling Van Zanten’) ergens onaangekondigd op de preekstoel. En na de dienst vraagt hij in de consistoriekamer mensen bijeen te brengen, die de preek in de praktijk willen brengen. Hij zegt: ‘Hebben we tegenover de Joden soms geen christenplicht van naastenliefde?’ Hij doelt op het feit dat er veel meer adressen te krijgen zijn voor niet-Joodse onderduikers dan voor Joodse. Ook heeft men liever een onderduiker ‘uit eigen kring’. Een boek van Hugo Visscher over De ondergang van de Republiek der Ver. Nederlanden wekt beroering. Hij merkt daarin op: ‘De leiding Gods in de geschiedenis voert Nederland terug tot de gemeenschap met het Duitsche rijk’. Hitler zegt op 8 november: ‘Het is een uit de natuur voortvloeiende noodzakelijkheid dat bij de selectie slechts de sterkeren overblijven. (…) In dankbaarheid buig ik mij voor den Almachtige, dat Hij ons zoo gezegend heeft.’

De noodleugen: geoorloofd of niet?
In gereformeerde kring worstelt men ook over de noodleugen. Er zijn er die hun huisgenoten de stuipen op het lijf jagen met het standpunt dat men ook de SD niet mag misleiden. Men haalt dan Christus’ woord aan: ‘Uw ja zij ja en uw neen zij neen’. Trouw zegt: ‘Het is toch te gek dat je de nazi’s de waarheid zou moeten vertellen. Dat kan mensenlevens kosten!’ Op grond van de noodleugens van Sifra en Pua, de vroedvrouwen in Egypte, wordt het ook verdedigd. Ook verbiedt de Bijbel een krijgslist niet, en ‘Wij allen zijn in zekeren zin soldaat’, dus mag het. Geesink schreef: ‘Lerend dat alle leugen onzedelijk is, heeft de gereformeerde ethiek ook deze species van leugen zondig te achten’. Enkele jaren voor de oorlog had D. van Dijk in De Reformatie gezegd: ‘Ik mag zelfs geen leugen doen, om daardoor een massamoord te voorkomen’! Verschillende promovendi aan de VU hadden de stelling verdedigd dat een noodleugen niet geoorloofd is (1913, 1928 en 1935). De acceptering van de noodleugen knaagde aan de zelfverzekerdheid waarmee men ethische vragen benaderde.

1944
Klaas Schilder vanuit Leiden
De vloer van de spreekkamer van dokter P. Jasperse in Leiden ligt bedolven onder perkamenten folianten. Stapels werken van oude theologen als Ursinus, Beza en Datheen heeft hij uit de universiteitsbibliotheek moeten halen voor zijn onderduiker: de 54-jarige Klaas Schilder, die in een hevige kerkstrijd is gewikkeld met de gereformeerde synode. Publiceren mocht hij niet meer, maar corresponderen nog wel. Het lijkt wel of zijn indrukwekkende polemische vermogen zich nu niet tegen de Duitsers, maar tegen de gereformeerde synode richt. Schilder verwierf in de jaren 30 door zijn meedogenloze polemieken, briljante preekstijl en grote veelzijdigheid een toegewijde aanhang. Wellicht is er veel jaloezie van theologen die Schilder niet mogen, omdat ze tegen Schilders kennis niet opkunnen. Tegen de synode is het steeds: ‘Neen, neen, neen!’

Met een bootje over het Kanaal
Prof. Rutgers, oud-minister van onderwijs, probeert op woensdag 26 april 1944 ’s nachts met een bootje zonder licht het Kanaal oversteken naar Engeland. Hij is dan al 66 jaar. Hij heeft de opdracht Gebrandy en de Koningin te informeren over het verzet in christelijke kring. Men weet daar in Londen heel weinig van. Het bootje, waar men met z’n drieën inzit, is zo klein, dat men voortdurend moet hozen (met de hoed). Maar het lukt helaas niet. De motor begeeft het. Stuurloos drijven ze zo dagen rond. Soms moesten ze een dag lang een zware storm verduren. ’s Zaterdags drijven ze de Oosterschelde binnen. Alle papieren gaan overboord. Het plan is mislukt, maar ze hebben het overleefd! Rutgers krijgt twee jaar gevangenisstraf. Op 5 februari 1945 sterft Victor Henri Rutgers in de armen van een medegevangene. Zijn zwakke gezondheid kon de mishandelingen van de Duitse gevangenisbeulen niet doorstaan.

Eens zullen we toch weer mensen en niet alleen Joden zijn…
Anne Frank schrijft op 11 april: ‘Eens zal deze verschrikkelijke oorlog toch wel aflopen, eens zullen we toch weer mensen en niet alleen Joden zijn. (…) Wie heeft ons tot nu toe zo laten lijden? (…) Het is God geweest die ons zo heeft gemaakt (…) Wie weet mag het ons geloof nog eens zijn, dat de wereld en daarmee alle volkeren het goede leert en daarvoor, dáárvoor alleen moeten wij ook lijden.’ In maart 1944 verschijnt er een merkwaardig pamflet: ‘Wachter, wat is er van den nacht?’ Het is een oproep tot trouw en en bezinning. De onbekende schrijver waarschuwt tegen ‘de volstrekte, revolutionaire volkssouvereiniteit, gelijk die tot uitdrukking kwam in den desolaten toestand der voormalige democratie.’ Hij pleit voor imperiaal denken, de Rijksgedachte, en tegen een wijziging van opvatting tegen het bolsjewisme. Trouw bestrijdt het geschrift scherp. Volk en Vaderland (pro-Duitsland) prijst het pamflet.

Rost van Tonningen adviseert Schilders spreekverbod op te heffen
In mei 1944 laat Seyss Inquart zich door Rost van Tonningen informeren over de kerkstrijd in Nederland. De Oostenrijker snapt er weinig van. Hij kan zich niet voorstellen dat deze kerkstrijd niets met de oorlog te maken zou hebben. Rost van Tonningen ziet in Schilder en de zijnen meer aan de overheid gehoorzame mensen dan de anderen, een onjuist beeld! Rost van Tonningen stelt voor het schrijfverbod van Schilder op te heffen om zo de kerk te verzwakken. Als Schilder dit hoort, blijft hij voor de zekerheid nog even ondergedoken. Maar als hij zwart op wit zeker weet dat het echt is, komt hij boven water. Hij accepteert het dat hij uitsluitend over kerkelijke, en niet over politieke zaken mag schrijven. In februari 1944 sneuvelt Willem Kuyper aan het Oostfront, kleinzoon ‘den groten Bram’. Johannes Post, doodmoe van al zijn werkzaamheden, neemt voor de gevangenis van de Weteringschans in Amsterdam te overvallen, om tientallen ter dood veroordeelde verzetstrijders te redden. Het mislukt. Post wordt in de duinen bij Overveen met nekschoten om het leven gebracht.

Gereformeerde Kerken in vuur en vlam
Als de gereformeerde synode bezig is Schilder af te zetten, horen ze regelmatig de sirenes vanwege de bombardementen van de Engelsen. Elke keer wanneer ze bijeenkomen, hebben ze elkaar veel te vertellen over treinbeschietingen, razzia’s, bombardementen en huiszoekingen. De gereformeerde kerken staan in vuur en vlam. ‘De Muiter! De doordrijver! De scheurmaker! Hoe durft-ie in deze tijd!’ De papierschaarste blijkt de pamfletten- en brochureoorlog niet te kunnen beteugelen. Families, zelfs gezinnen, raken verdeeld. Als een predikant het waagt partij te trekken op de preekstoel, verlaten aanhangers van de andere richting met luide stappen het kerkgebouw.’ Schilder wordt afgezet, Greijdanus (73 jaar oud) wordt geschorst, de sfeer wordt onverzoenlijk. ‘De VU-kliek van Amsterdam!’ ‘De tyrannie van de synode. Sanhedrin!’ Kan men de gehate Duitsers niet verdrijven, het juk van een tirannieke synode kan wél worden afgeworpen.

Kerkscheuring in de wereldbrand
G.C. van Niftrik schrijft: ‘Het zou niet de eerste keer in de kerkgeschiedenis zijn, dat de Kerk juist in tijden van den grootsten wereldnood tijd blijkt te hebben voor leergeschillen.’ Vaak kiezen de kerkleden voor hun geliefd plaatselijke predikant. Anderen kiezen alleen voor Schilder, omdat die tegen de heilige huisjes durfde aan te trappen. Ruim een week na Schilders afzetting (11 augustus) komen de bezwaarden bijeen in de Lutherse kerk in Den Haag, onder voorzitterschap van de uit Dachau teruggekeerde ds. H. Knoop. Aan het eind van de bijeenkomst leest Schilder de ‘Acte van Vrijmaking of Wederkeer’ voor, waaraan hij de gehele nacht heeft zitten werken. Overal worden predikanten en ouderlingen geschorst, bezwaarde en synodale dominees nemen ’s zondags vroegtijdig plaats op de kansel om te voorkomen dat de tegenpartij het kerkgebouw bezet. De kerk scheurt. Er is geen houden meer aan. Sloten van kerkdeuren worden vernieuwd om anderen de toegang te beletten.

Stijfopeengeklemde lippen
Wereldlijke rechters moeten in korte gedingen uitspraken doen over goederen. Er zijn kerkleden die elkaar met stijfopeengeklemde lippen op straat passeren. Concertzalen, boerenschuren, bloemveilingen en zelfs synagogen die leeg staan door de weggevoerde Joden (!), worden benut voor de kerkleden die geen kerk meer hebben om samen te komen. Her en der besluit een eenvoudige gereformeerde die niet weet wie gelijk heeft, in wanhoop ’s zondags maar gewoon op het vertrouwde plekje in de kerk plaats te nemen, onverschillig welke partij het kerkgebouw heeft bezet. Een voorstel om de strijdbijl voorlopig te begraven haalde het niet. Ds. Van Dijk zei: ‘Geen oorlogstoestand mag de Profeet het zwijgen opleggen.’ Een bezwaarde ouderling antwoordde: ‘Het spijt me wel dominee, ik ben ’t vaak met u eens, maar gisteravond niet’.

Dolle Dinsdag een teleurstelling
Dolle Dinsdag, 5 september 1944, breekt aan. Het wemelt van geruchten. Het Zuiden van Nederland wordt bevrijd. In Delft wachtten de mensen de bevrijders al op: de rechterzijde van de rijksweg werd vrijgehouden voor de Amerikanen, de linkerkant lag bezaaid met punaises en kopspijkers voor de vertrekkende Duitse wagens. Op 12 september worden de bejaarde predikant Taeke Ferwerda en de koster van de gereformeerde kerk aan de Kerkstraat in Amsterdam doodgeschoten omdat er munitie in de kerk is aangetroffen. Ondanks alle martelingen heeft de koster niets losgelaten. Ondanks de afspraak van de Trouw-redactie om dit scheldwoord niet te gebruiken, staat er toch een keer ‘moffen’ in een aantal exemplaren. Bij onderzoek blijkt het een vervalst nummer te zijn, dat de nazi’s zelf uitgaven. Colijn overleed op 18 september. ‘Ik geloof dat mijn pols doorslaat. Je moest den dokter maar eens roepen’. Dit waren zijn laatste woorden. Hij werd begraven in het dorpje waar hij gevangen werd gehouden. Er wordt een dienst gehouden, de organist speelt ‘Veilig in Jezus’ armen’. Misschien is het gelukkig dat Colijn na de oorlog niet terugkeert. Hij zou in een moeilijke positie zijn geraakt. ‘Colijn was een kerel, massief, ruig, vierkant en rechtop!’

Kerst in de oorlog
‘Niet zoo zelden vangt men uit illegalen mond de verzuchting op: ons volk is eigenlijk niet waard, dat we er ons leven voor riskeeren. Men denkt aan de pijlsnel zakkende moraliteit.’ In december 1944 wordt De Standaard eindelijk niet meer uitgeven. Dit blad was voor de meesten al jarenlang een doorn in het oog. Ds. J.J. Buskes preekt op kerstmorgen 1944 in de Muiderkerk van Amsterdam. ‘En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van de keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden…’ ‘De simpele historische mededeling kreeg in onze werkelijkheid opeens een buitengewone actualiteit, een nabijheid van bezetting, vervolging, meldingsplicht’, aldus een kerkganger. Men zong Ps. 72:2

De bergen zullen vrede dragen,
De heuvels heilig recht;
Hij zal hun vrolijk op doen dagen
Het heil, hun toegezegd.
’t Ellendig volk wordt dan uit lijden
Door Zijnen arm gerukt;
Hij zal noodruftigen bevrijden;
Verbrijz’len, wie verdrukt.

1945
Bevrijding, maar een nieuw probleem
Met spotlach wordt de nieuwjaarstoespraak van Seyss Inquart begroet: ‘Wij strijden voor een toekomst welke op de grootheid van onzen adeldom is gevestigd. Wij – en niet de swing- en jazzdansende Anglo-Amerikanen – zijn de nakomelingen van mannen als Dürer, Goethe, Schiller, Herder, Bach…’ Hitler zegt op 30 januari: ‘De Almachtige heeft ons volk geschapen; door het bestaan daarvan te verdedigen, verdedigen wij zijn werken.’ De bevrijding was eindelijk daar in het voorjaar van 1945. Een nieuw probleem ontstond: ‘Nederlandse meisjes verliezen den oorlog’. ‘De eer van het vaderland staat op het spel’. ‘Vrouwen, gedraagt u waardig’. ‘Je bent een tempel’. De sportieve danslustige jonge kerels met hun overvloed aan sigaretten en chocolade, hun snelle jeeps en vlotte baretten oefenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op de vrouwelijke jeugd. ‘De rem is er af, genotzucht beheerscht als na elken oorlog de jeugd’. Een chef van de zedenpolitie belegt begin augustus een persconferentie: ‘De geschiedenisboeken leeren dat dit nu actueele probleem, een oeroud probleem is van alle bezettingslegers’. Ouderen klagen over de jeugd, die zich na een onderduik- of verzetsperiode aan ‘danswoede’ en ‘filmenthousiasme’ heeft overgegeven en van een strakke gereformeerde zede niet meer weten wil. ‘Het lijkt ook wel dat de jeugd van 1945 lang niet zoo serieus meer is als die van vóór den oorlog. In vrijwel ieder gezin wordt geklaagd over het losser worden van de natuurlijke gezagsverhouding tusschen ouders en kinderen.’

De goeden van vandaag de kwaden van morgen?
Wat gebeurt er met de radio? Voorlopig mag alleen radio Herrijzend Nederland uitzenden. Eenheidsstrevens willen aan Nederland één nationale omroep opleggen. Na de atoombom op Japan zegt Trouw: ‘We kunnen ons niet de illusie maken dat deze uitvinding in het bezit van de “goeden” blijft. Deze uitvinding wordt gemeen bezit van al de grootmachten der aarde. En afgezien daarvan, wie waarborgt dat de “goeden” van vandaag niet de “kwaden” van morgen zullen zijn?’ ‘Wie bedenkt, dat deze gelegd zijn in de handen van een van God vervreemd menschengeslacht, huivert voor de toekomst.’ NSB-voorman Rost van Tonningen, die in de Scheveningse gevangenis wordt mishandeld (!), pleegt, na een mislukte poging om met een scheermesje zijn polsen door te snijden, in wanhoop zelfmoord door van de vierde etage naar beneden te springen.

Gepubliceerd in oktober 2007