Oriëntatie in de liturgie

n.a.v. T. Brienen, Oriëntatie in de liturgie, Zoetermeer 1992

Inleiding
Wat is ‘liturgie’? Dat is ‘samenkomst’, afgeleid van leitourgia, ‘letos’ (volk) en ‘ergon’ (werk). Het is dus dienst van het volk of werk in belang van het volk. In de Septuaginta slaat dit woord uitsluitend op de dienst in de tempel, of ook wel de heidense cultus. In het Nieuwe Testament komt het woord 15 keer voor, in veel verschillende betekenissen (politiek-technisch, algemeen-sociaal en religieus-cultisch). In de liturgiek gaat het om een theologische bezinning op het samenkomen van God en Zijn volk. We rekenen het tot de diaconiologische vakken.

1. Bijbelse gegevens
1.1 Liturgie in het Oude Testament
Er zijn vier fasen in het samenkomen van God met mensen: vóór de wetgeving op de Sinaï (we zien offers van Kaïn en Abel, Noach en Abraham), na de wetgeving op de Sinaï (uitgebreide liturgie door God voorgeschreven, het boek Leviticus), na de intocht in Kanaän (de bouw van de tempel met de diensten daaraan verbonden, zoals koren van Levitische zangers) en na de ballingschap (onder Ezra en Nehemia de eredienst hersteld).

In de oudtestamentische eredienst gaat het om Zijn presentie. Daarom lezen we telkens van een samenkomen ‘voor de Heere’, ‘voor Zijn aangezicht’ en van een ‘aanroepen van Gods Naam’. De tabernakel heette ‘tent der samenkomst’. Het moet een feestelijke ontmoeting zijn. De Israëlieten komen met jubelgeklank en lofzang als een feestvierende menigte. Door herdenkingen raken de daden des Heeren in het verleden de Israëlieten hier en nu. De offerdienst, de verzoening, staat centraal. Het initiatief gaat altijd van God uit. Hoe is het concreet gegaan in de samenkomst in de tabernakel en tempel? De Psalmen laten ons zien, dat er begroeting is geweest, er werd gebeden en gezongen, er werden offers gebracht en de priesters zegenden het volk.

1.2 Intertestamentaire periode: liturgie van de synagoge
Lange tijd werd de achtergrond van de christelijke eredienst gezocht in de hellenistische wereld, de Grieks-Romeinse cultuur. Echter, we komen er steeds meer achter hoeveel er aan de synagoge ontleend is. De synagoge is ontstaan in de periode van de Babylonische ballingschap. In de nood geboren dus. Men moest een plaats hebben waar men elkaar ontmoette en teksten las en God aanriep. Sommigen (zoals Flavius Josephus) denken dat de synagoge teruggaat op de tijd van Mozes of tenminste in de periode van de eerste tempel.

Met de herbouw van de tempel, de tweede tempel dus, bleef het merendeel van de Joden in de verstrooiing en waren dus op de synagoge aangewezen. Ook bracht men dit concept mee, zodat er in Jeruzalem al verschillende synagogen waren. Er was geen concurrentie tussen tempel en synagoge. Na de verwoesting van de tweede tempel in 70 n.Chr. kreeg de synagoge een nieuwe, belangrijke rol toebedeeld in het Jodendom. Bepaalde tempelgebruiken werden naar de synagoge overgebracht. In deze tijd leefden er ongeveer 2 miljoen Joden in Palestina en 3 miljoen in de verstrooiing, waarvan zeker 1 miljoen in Egypte.

Synagoge komt van sunagogè, plaats van samenkomst. Later wordt ook wel gesproken over bet hamidrasj, leerhuis, en in het Jiddisch spreekt men van de sjoel (van het Duitse ‘Schule’). De ingang van de synagoge is altijd naar Jeruzalem gericht. Maar onder invloed van het christendom, die de kerkgebouwen op de as oost-west plaatste en zich richtte naar het oosten, waar de verlossing plaatsvond, bouwde men ook wel precies andersom. De synagoge heeft meestal de vorm van een rechthoek. De lezingen vinden staande, de prediking zittend plaats.

Een synagoge-dienst kan beginnen als er 10 mannen aanwezig zijn. De vrouwen zitten gewoonlijk gescheiden van de rest, bijvoorbeeld op een galerij. Dit gescheiden zitten ziet op het feit dat de vrouw in haar eigen huis eigenlijk de volle dienst voor de Heere God verricht en niet verplicht is andere taken in de samenkomsten te vervullen. Ze is helemaal niet verplicht de synagoge te bezoeken! De mannen dragen een keppeltje, vaak ook een gebedsmantel. Er is genoeg interactie. De gemeente respondeert op verschillende acten met ‘amen’ of ‘halleluja’. Belangrijke elementen in de synagogale liturgie waren de gebeden, de lezingen, de prediking en het zingen. Dit laatste is uit de tempel overgenomen en verder uitgebouwd. 55 psalmen dragen het opschrift ‘Voor de opperzangmeester’, dat betekent voor de liturgische dienst.

De synagoge kent de raad van ouderlingen die toezicht houden en de overste van de synagoge (een soort koster; iemand die zorgt dat alles naar orde verloopt). Ook is er een dienaar, die de opdrachten van de overste moet uitvoeren. Natuurlijk ook de rabbijnen voor het onderwijs. Op werkdagen kwam men meestal twee keer bij elkaar: de morgensamenkomst valt samen met de tijd van het morgenoffer in de tempel. De middag of avondsamenkomst was na afloop van het werken. De sabbat begon op vrijdagavond, met een synagoge-bijeenkomst en een feestelijk samenzijn thuis. De hoofddienst is op zaterdagmorgen met een uitgebreide liturgie. Deze dienst kan 2 tot 3 uur duren. Ook is er een middagsamenkomst.

1.3 Liturgie in het Nieuwe Testament
In het Nieuwe Testament wordt geen volledig uitgewerkte en voor alle tijden en plaatsen vaste liturgie gegeven. Het nieuwe verbond betekende continuïteit (het waren immers vaak christenen uit de Joden) én discontinuïteit. Verschillende opdrachten komen tot ons: verkondigen, dopen, avondmaal vieren, bidden, gemeenschap met elkaar. In het Nieuwe Testament vinden we geen wijdvertakte ordebepalingen voor de eredienst, omdat het nieuwe verbond er één is van mondigheid. Samenkomsten van de eerste christenen konden ook bij gelovigen thuis plaatsvinden, als het huis groot genoeg was. Ze kan overal vergaderen, er zijn geen bepaalde heiligere plaatsen.

Het morgen- en avondoffer vonden plaats om 9 en 15 uur. Wellicht dat deze tijden zijn aangehouden door de christenen. De Joden kenden feesten, de hellenistische wereld nog veel meer. In de 4e eeuw was dit aantal al rond de 176; er waren dus bijna evenveel feestdagen als werkdagen in een jaar. Op zo’n dag lag al het werk stil. Voor christenen was elke dag gelijk, zoals Paulus waarschuwde tegen het in acht nemen van ‘dagen, maanden, tijden en jaren’.

2. Geschiedenis van de liturgie
2.1 Vroeg-christelijke liturgie van Schrift en tafel
Justinus Martyr schrijft over de wekelijkse samenkomst van de gemeente. Daaruit blijkt dat lezing, toespraak, gemeenschappelijk gebed en avondmaal plaatsvinden. Er is een Woord- en sacramentdeel. Langzamerhand wordt de liturgie iets uitgebreid. Er was ook al sprake van tucht: ‘Indien iemand, die in het dorp woont, drie zondagen niet naar de kerk(diensten) komt, zal hij voor een tijd uitgesloten worden’ (305). In de diensten komen twee lijnen samen: de erfenis van de synagoge én de opdracht van Christus om te dopen en avondmaal te vieren.

2.2 Oosters-orthodoxe liturgie rond de ikonenwand
Met de oecumenische bewegingen is er meer aandacht ontstaan voor de oosters-orthodoxe liturgiek. De hoofddienst is ’s morgens om 9 uur, de tijd dat de Heilige Geest is uitgestort (de derde ure). De dienst duurt drie uur en kent tal van ceremoniën, gebeden, liederen en andere handelingen. De dienst strekt zich uit over de gehele ikonenwand: het altaar, de tafel van Prothesis (waarop de gaven worden toebereid), de tafel van de Diakonikon (waarop de gewaden van de priesters en diakenen liggen), de zetel van de bisschop, de beeldenwand, de solea (waar diaken litaniegebeden zingt), de proskyniteria (tafeltjes met ikonen), de plaats van het koor, de stasidia (staanplaatsen van de geestelijken bij het zingen van de getijden), het binnenportaal waar de avonddiensten en diensten op feestdagen worden gehouden met haar doopbekken, het buitenportaal voor catechumenen en boetelingen.

Deze inrichting van het kerkgebouw staat in dienst van de mysterievolle dramatisering en symbolisering van het heil. Het geheel drukt de ineenvloeiing van de aardse en hemelse werkelijkheid uit. Er is geen preekstoel, en ook geen banken; men staat te kijken. De dienst bestaat uit drie hoofddelen: (1) De proskomidie (voorbereiding van de offergaven), waarbij de priesters hun gewaden aantrekken, de diaken voorleest, bidt en de offergaven, het altaar en het volk wordt bewierookt, de handenwassing en de vredeskus. (2) De missa catechumenorum (de dienst des Woords), waarbij de diaken de grote voorbede uitspreekt, waarop het koor telkens antwoordt met ‘Kyrie eleison’, de kleine intocht, de schriftlezingen, met daar omheen zingen en bidden. (3) De missa fidelium (sacramentsdienst), waarbij er een grote intocht komt van heilig elementen, wat het brengen van Christus’ lichaam via het kruis naar het graf moet symboliseren, de geloofsbelijdenis van Nicea wordt gereciteerd, het eucharistiegebed wordt gedaan, de herdenking van de doden, lofprijzing van Maria, het Onze Vader en nog veel meer andere dingen.

Naast deze hoofddienst is er ook de vesper op zaterdagavond en de metten op zondagmorgen (de vroegdienst). Karakteristiek voor de oosters-orthodoxe liturgie zijn: de overheersende betekenis van de liturgie (goddelijke liturgie), de dramatisering van de heilsgeschiedenis (de liturgie heeft iets van een visioen), veel aandacht voor symboliek (het gaat niet zozeer om de vergeving maar om de vergoddelijking), de transformatieleer en offertheorie (verandering brood en wijn in lichaam en bloed) en de passiviteit van de gemeente (ze blijft in het schip van de kerk, de profane ruimte).

2.3 Roomse liturgie van altaar en offer
Er groeien twee hoofdliturgieën in het Westen: de rooms-Noord-Afrikaanse liturgie (vanuit Rome naar Afrika) en de Gallische liturgie (buiten Rome opgekomen, zoals de Ambrosiaanse, Oud-Spaanse en Keltisch liturgie). Vooral Karel de Grote drong naar meer eenvormigheid. De Romano-Frankische liturgie doet haar intrede en wordt de algemeen geldende liturgie voor het Westen. De passiviteit van de kerkganger neemt toe. Het misboek van het concilie van Trente is van 1570 tot 1963 onveranderd gebleven. In 1963 werd besloten dat naast het Latijn ook de volkstaal gebruikt mag worden, de priester niet meer met de rug naar de gemeente toestaat, mee deelname van de gemeente door bijvoorbeeld zang, ook andere dan orgel en Gregoriaanse zang wordt toegelaten, minder beelden, brood én wijn mogen soms aan allen worden uitgereikt.

De mis bestaat uit de voormis (trappengebeden, intochtslied, Kyrie en Gloria, groet en gebeden, lezingen, gebeden en Credo), de eigenlijke mis (zingen, bidden, consecratie, elevatie, Onze Vader, Agnus Dei) en de namis (groet, lezing Joh. 1:1-14 en de laatste zegen). Kern van de rooms-katholieke mis is dat het gaat om een offer.

2.4 Pronaus-liturgie van de prediking
Naast de officiële misliturgie ontwikkelde zich in de Middeleeuwen een andere, een alternatieve vorm van samenkomst. Men wilde het volk erbij betrekken: de pronaus of prôn, en preekdienst. De wortels liggen in Bazel en Zürich. Karel de Grote wilde zijn rijk christianiseren. Daartoe moest er prediking in de volkstaal plaatsvinden. Zo werd er een eigen preekdienst gevormd. In de 13e eeuw maakte het preken een nieuwe bloeiperiode oor: de bedelmonniken. Soms begon men aparte preekdiensten te houden. Johannes Oecolampadius, die in 1522 te Bazel is gaan werken, grijpt op de pronaus terug om het herontdekte evangelie onder het volk te brengen. Er wordt zelfs gemeentezang ingevoerd.

2.5 Reformatorische liturgie van prediking en avondmaal
De reformatoren hebben zich intensief met liturgie en kerkdienst bemoeid. Zwingli koos de pronaus-lijn. We kunnen drie tradities onderscheiden: de lutherse, de gereformeerde en de anglicaanse liturgie. De lutherse liturgie kwam natuurlijk van Maarten Luther, en andere reformatoren hebben dit (deels) overgenomen. De oerbeslissing was: een ‘neen’ zeggen tegen de offermis. Elk verdienstelijk karakter van de mis moest weg. Ook werden de ‘Privatmessen’ afgeschaft. Volgens Luther is liturgie dienst aan de ware God. In de eredienst is God als eerst aan het werk. De mis is geen offer van ons aan God, maar een betoon van Gods ontferming over ons. Het beste werk bij de mis is geloven!

Luther liet de gemeente weer zingen. In 1524 geeft hij het Wittenberger Gesangbuch uit. Luther probeert een middenweg te vinden, en neemt dus afstand van radicalen als Karlstadt. Hij wil de bestaande liturgie niet opheffen, maar aanpassen. Dagelijkse korte diensten kunnen doorgaan, ’s zondags zijn er twee samenkomsten voor de gehele gemeente, ’s ochtends wordt er gepreekt uit het Evangelie en ’s middags uit de Brieven alsmede de bediening van de mis. Luther wil dus geen revolutionair zijn, maar reformator. De preek krijgt een vaste plaats, er komen goede Duitse liederen.

Calvijn nam een geheel eigen standpunt in, met overeenstemming met Luther, maar vooral met Bucer. Calvijn wil de twee-eenheid van Woord en Tafel behouden. Hij wil staan in de traditie van ‘alles naar het Woord van de Heere’ en ‘naar de gewoonte van de oude kerk’. Ideaal acht Calvijn een wekelijkse avondmaalsviering. In Straatsburg brengt hij dit in de praktijk, maar in Genève lukt het hem niet. Calvijn lied de gemeente berijmde psalmen zingen. De melodieën kwamen bestaande gregoriaanse kerktoonsoorten en zangwijzen uit de synagoge. We zien Calvijn dus op de lijn liggen van een pronaus.

De Anglicaanse traditie was een eigen type. In 1549 verschijnt het Book of Common Prayer. Daarin is de structuur van de roomse misliturgie behouden. De herziening van 1552 komt onder invloed van Thomas Cranmer tot stand. Er ontbrandt een felle, langdurige strijd tussen puriteinen en anglicanen. Puriteinen, die van vluchtelingengemeenten afgekeken hebben, willen een totale zuivering van de liturgie.

2.6 Liturgie van de liturgische beweging
Na de Reformatie blijft het eeuwenlang rustig rondom de liturgie. Pas eind 19e eeuw komt hier verandering in. Abraham Kuyper sprak van een opleving van het liturgisch besef. In Engeland komt de Oxfordbeweging op, in Nederland is het vooral G. van der Leeuw. De Liturgische Beweging wil uit de vroeg-christelijke, roomse, anglicaanse en orthodoxe liturgie elementen bijeenbrengen.

2.7 Liturgie van de oecumene: Lima-liturgie
In 1982 werd in Lima, de hoofdstad van Peru, het Wereldrad-rapport over doop, eucharistie en ambt aanvaard. Hierin wordt gezegd dat de eucharistie, waar Christus werkelijk tegenwoordig is, elke zondag dient te worden gevierd. Dit is een nieuwe sacramentele maaltijd van Gods volk, waar allerlei vormen van onrecht, racisme, apartheid en gebred aan vrijheid radicaal onder kritiek worden gesteld. Bevrijdings- en milieuteheologie krijgen dus een legitieme plaats in het brandpunt van de liturgie. De Woorddienst gaat naar de achtergrond.

3. Theologische uitgangspunten
3.1 Ontmoeting en gemeenschap, gedenken en vieren, inhoud en vormgeving
De kerkdienst is een manifestatie van de verbondsrelatie tussen God en Zijn volk. Zoals de Israëliërs de daden des Heeren herdachten, zo herdenken wij de heilsfeiten. Het gedenken mag uitlopen in het vieren, zoals de grote feesten in het Oude Testament en de ‘dag des Heeren’ in het Nieuwe Testament. In het Oude Testament zien we dat God vooral veel voorschrijft, in het Nieuwe Testament worden we meer als zonen behandeld en is de heerlijkheid van Zijn dienst groter. Verder worden er weinig voorschriften gegeven. We worden in staat geacht in onderling overleg te bepalen wat de beste manier van samenkomen is. Calvijn spreekt ook over vrijheid in liturgicis. In oude doopformulieren wordt over verschillende manieren van dopen gesproken: onderdompeling, besprenging, begieting. Of zittend, staand, lopend, knielend of massaal avondsmaalsgebruik.

3.2 Christologische toonzetting, pneumatologische momenten
Het samenkomen van God en Zijn gemeente rust in de verzoening door Christus. Het is bediening der verzoening (2 Kor. 5). Kuyper ziet de kerkdienst als uitgaand van het ‘verzoend zijn der Gemeente’. Hier valt alle oproep om die verzoening gelovig te aanaarden weg; hier verdwijnt het gelovig antwoorden, het toe-eigenen. De Heilige Geest is verbonden met de kerkdienst. Hij is de levensader van de eredienst. Het preken, zingen, jubelen en danken in de samenkomsten staat onder de actie van de Geest.

3.3 Liturgie en levensbesef, liturgie en dienst, liturgie en verwachting
Er bestaat een duidelijke relatie tussen de liturgie en het levensbesef. Het moderne levensbesef van de moderne mens komt ook in kerkmensen openbaar. Hier moeten we in zekere zin rekening mee houden, maar ons niet aanpassen daaraan. Door de samenkomsten gaan er impulsen uit voor het christelijke leven door de week in alle sectoren van het bestaan. Liturgie en dienst, liturgia en diaconia, zondag en werkdag liggen in elkaars verlengde. De zondagse dienst is dus geen geïsoleerd gebied. De eigenlijke eredienst van God begint pas recht als wij de kerkdeur achter ons hebben. De kerkdienst is een transformatiehuisje waar we uit de hoofdbronnen van het heil weer opgeladen moeten worden. De aardse liturgie en samenkomst staan niet slechts in het teken van gebrokenheid, voorlopigheid en onvolmaaktheid van dit aardse leven, maar zijn desondanks tegelijk een inoefening en voorbereiding voor de hemelse liturgie en komende eredienst. Elke kerkdienst staat onder eschatologische spanning en is een voorsmaak van straks.

4. Praktische vormgevingen
4.1 Plaats van samenkomst
In het Oude Testament lezen we van ‘tent der samenkomst’. In het nieuwe verbond bestaan er geen heilige plaatsen meer. Overal kan samengekomen worden. Wil de kerk een gemeenschapshuis van God en Zijn gemeente zijn, wil de kerkdienst tot ontmoeting leiden, dan hoort de gemeente zo dicht mogelijk rondom het Woord, de preekstoel en het leesgestoelte, verzameld te kunnen worden. Geen strakke, rijen-achtige gehoorzaal, maar een fijne ontmoetingsruimte waarin men elkaar kan zien. Dan hoeft de preekstoel ook niet extra hoog te zijn.

4.2 Orde van de samenkomst
Calvijn waarschuwt tegen wetticisme in de liturgie. Menselijke instellingen moeten niet gaan heersen over de gewetens. Deze vrijheid betekent echter geen willekeur, ongebondenheid of slordigheid. Principes voor de ordening zijn dat God altijd de centrale plek moet hebben. Dit snijdt alle antropocentrisme bij de wortel af. Ook moet rekening worden gehouden met de plaatselijke gegroeide situatie. Iedere gemeente heeft een eigenheid, en dat is legitiem. Verder moet wel rekening gehouden worden met hoe men het elders doet.

4.3 Elementen van de samenkomst
Er bestaat een oude traditie van het intochtslied, de introïtus. Dit werd gezongen bij de binnenkomst van de voorganger en de assistenten. Een lange rij ervan zorgde voor een uitvoerige intredezang. Men ziet hierin wel een voortzetting van de oudtestamentische opgang naar de tempel. De dienst begint met een stilte. Hierna komen votum en groet. Votum is een plechtige verklaring dat de gemeente God tegenwoordig weet, alle verlossing en hulp na Hem verwacht. De groet is iets anders dan de zegen aan het einde van de dienst. Sommigen betwisten de volgorde votum en groet.

Na zingen was er vóór de Reformatie schuldbelijdenis en genadeverkondiging. Dit deed bijvoorbeeld Petrus Datheen ook nog. In 1581 wordt echter besloten dit achterwege te laten, omdat dit in de prediking al geschiedt. Wij kennen tegenwoordig de lezing van de Wet. Hier kan de gemeente met een lied mee instemmen. Het gebed om de werking van de Heilige Geest volgt hierop. Waarom eigenlijk het gebed niet helemaal aan het begin? De Schriftlezing heeft een centrale plaats, want daaruit komt de prediking voort. Men kan gebruik maken van vrije lezing en prediking, de lectio continua, het perikopensysteem of een één- of driejarige lezingencyclus. Voordeel van structuur hierin is dat we bewaard worden voor eenzijdigheden. De zegen aan het einde van de dienst geschiedt met geheven handen en gespreide vingers (dat doen de rabbijnen). De gemeente mag de zegen staande ontvangen, eventueel met gebogen hoofd en met het uitspreken van ‘amen’.

4.4 Bijzondere liturgische acten en diensten
Hier hoort het avondmaal niet bij; die is eigenlijk bestemd voor elke dienst. Het gaat wel bijvoorbeeld om de bediening van de doop, het doen van belijdenis des geloofs, de bevestiging van ambtsdragers, de huwelijkbevestiging (we moeten niet spreken over ‘inzegening’: dat is rooms!), afsnijding en wederopneming en uitzending. Bijzondere diensten: je kunt denken aan diensten in Adventsweken, in Lijdensweken en op feestdagen, oud en nieuw, bid- en dankdag. Apart kunnen we ook vermelden de begrafenisdienst.

4.5 Zang en muziek, beeld en symbool
Zingen in de eredienst is geen bijkomstigheid of luxe, maar iets essentieels. Het kerklied moet Schriftgebonden zijn. Met klem moet erop gewezen worden dat de héle gemeente zingt. Is het opnemen van een beeld of symbool in het kerkgebouw verantwoord? Beelden niet, maar symbolen kunnen wel. Bijvoorbeeld: de handdruk van de ouderling, de gebaren bij groet en zegen, het sluiten van de ogen en vouwen van de handen, het knielen in de trouwdienst, het besprenkelen met het doopwater, het breken van het brood, het heffen van de beker. Verder vinden we aanvaardbare symbolen als de kruisvorm van de kerk, de naar boven wijzende toren of gewelven, de gebogen ramen, de kleuren, de gebrandschilderde ramen. Soms zien we kruisen, alfa en omega, het Christusmonogram, een ark, vis, slang of aar in een raammotief.

4.6 Liturgische formulieren
Liturgische formulieren, uiteenzettingen over een liturgische acte, voorafgaande aan die acte, vinden we al vroeg in de kerkgeschiedenis. De oorspronkelijke bedoeling was om de deelnemers aan de kerkdiensten duidelijk te maken wat die handelingen betekenen. Het is onderwijs. Ook worden de te verrichten handelingen zo geregeld en gestipuleerd. De reformatoren maakten ook gebruik van formulieren, maar pasten ze telkens aan aan veranderde omstandigheden. Het avondmaalsformulier is erg lang; vandaar dat het vaak in twee stukken geknipt wordt. Dit is echter wel historisch onjuist én pastoraal onverantwoord, omdat men dit niet allemaal kan onthouden. Het is dus liturgisch principieel fout, omdat op deze manier de voorbereiding te eenzijdig op de zelfbeproeving en de viering te eenzijdig op de gedachtenis van Christus gericht wordt, terwijl beide facetten bijbels-theologisch onlosmakelijk bijelkaar horen. De zonden-catalogus (…allen die zich met deze navolgende ergerlijke zonden besmet weten…als daar zijn: alle afgodendienaars…) stamt uit de 16e eeuw en is grotendeels afkomstig uit de kerkorde van Bazel (1529) en slaat op concrete zonden daar en toen; dit stuk vraagt dus om aanpassing aan onze tijd!

4.7 Feesten en kerkelijk jaar
Het kerkelijk jaar is een liturgisch verschijnsel. Dit werd langzamerhand zo uitgebouwd. Uit de samenvoeging van week-, Paas- en Kerstcyclus ontstond het kerkelijk jaar. Ook ontstond het perikopenstelsel waardoor een zeer beperkt aantal schriftgedeelten aan bod komen. Luther behoudt het kerkelijk jaar, neemt het perikopenstelsel over en laat verschillende feestdagen bestaan. Zwingli en Calvijn nemen afstand van het kerkelijk jaar en gaan uit van de lectio continua (doorgaande lezing van bijbelboeken). Er zijn verschillende leesorden, zoals de klassieke jaarorde van de oude kerk, de nieuwe romeinse jaarorde (drie jaar) en de synagogale tora-lezing (drie jaar).

De Liturgische Beweging hanteert verschillende kleuren om het kerkelijk jaar aan te geven: wit als kleur van vreugde (Kerst en Pasen en een periode daarna, trinitariszondag), rood als kleur van bloed en vuur (stille zaterdag en Pinksteren), groen als kleur van het leven (van Driekoningen tot 50e dag voor Pasen, op witte donderdag en na trinitaris), zwart als de kelur van rouw (op Goede Vrijdag), paars als de kleur van boete (in de adventsweken) en rose-rood als variant van paars (voor een komend feest).

Motieven voor het kerkelijk jaar: theologisch (door de jaarorde vervalt menselijke willekeur), liturgisch (de jaarorde snijdt alle individualisme en subjectivisme bij de wortel af), kerugmatisch (niet de situatie beheerst de verkondiging), sociaal-agogisch (vaste jaarorde als wegwijzer voor catechese), oecumenisch (in alle kerken dezelfde gedeelten op hetzelfde moment), kerkordelijk (er is orde) en historisch (de kerk kent dit vanouds). Tegen het kerkelijk jaar kunnen we aandragen: heilshistorie en kerkelijke tijden gaan zo samenvallen, genade en tijd gaan gelijk op. Ook is het een instelling van mensen. Praktisch kunnen we bezwaar hebben dat het kerkelijk jaar vol is van roomse zuurdesem. Ook is het bezwaarlijk dat grote delen van de Schrift gesloten blijven. We moeten dus verantwoord omgaan met het kerkelijk jaar. A.A. van Ruler zegt dat de mens zo onkundig is dat hij het brokje voor brokje tot zich moet nemen. Daar is het kerkelijk jaar een bruikbaar middel voor.

5. Betrokkenen bij de liturgie
De liturgie is natuurlijk van en door gemeenteleden. Met betrekking tot de houding bij het bidden was Calvijn voorstander van knielen. Ook het opheffen van handen achtte hij bijbels. Het is wel raar dat dit helemaal niet meer voorkomt in het gereformeerd protestantisme. De kerkenraad heeft als taak de gemeente minstens tweemaal per zondag samen te roepen. De koster is belangrijk. Hij wordt in het Latijn custos genoemd, bewaker. Hij is een soort dorpelwachter. In de roomse traditie wordt het kosterschap als een gewijde bediening gezien. Hij moet van veel dingen op de hoogte zijn. Een handboek voor kosters telt 400 bladzijden!

De organist heeft ook een belangrijke taak. Niet iedereen toonde zich positief ten opzichte van het orgel: Thomas à Kempis al niet, en evenmin Luther, Zwingli en Calvijn. Vooral omdat het orgel misbruikt werd voor werelds vermaak. Het grote orgel werd vaak gebruikt voor (wereldlijke) concerten, het kleine orgel voor de liturgie. In 1578 besliste de synode dat de orgels uit de kerken moesten worden verwijderd, en ook latere synodes trokken deze lijn door. In de 17e eeuw kwam orgelbegeleiding voor, waarschijnlijk voor het eerst in 1634 (Groningen). Vooral Constantijn Huygens was hier voorstander van. Voetius keerde zich er fel tegen. Op Urk werd in 1910 de laatste ruzie uitgevochten: de Gereformeerde Kerk besloot toen een orgel in de kerk te plaatsen, waar niet iedereen het mee eens was.

Gepubliceerd in maart 2008