Parade der mannenbroeders

n.a.v. Ben van Kaam, Parade der mannenbroeders. Flitsen uit het protestantse leven in Nederland in de jaren 1918-1938. Nieuwsgierig bijeengegaard uit oude jaargangen van kranten en tijdschriften, gedenkboeken, brochures en vergeelde documenten uit de boekenkast der vaderen, Wageningen 1964

1918
Kuyper als mammondienaar
De bladen brengen oorlogsfoto’s, maar iedereen verlangt weer naar de rust van vroeger, toen de bladen hoofdzakelijk portretten brachten van jubilerende dominees, jarige voorgangers en vergaderende organisaties. Kuyper zit in Duitsland vanwege een kwakkelende gezondheid. Hij voelt zich daar op zijn gemak. In De Standaard kiest hij openlijk partij voor Duitsland, maar niet alle protestantse mensen zijn zo overtuigd van het gelijk van keizer Wilhelm II. Iemand als ds. J.C. Sikkel schrijft regelrecht tegen Kuyper in. Over de toekomst van Nederland is Kuyper niet gerust. Het is een tijd van verslapping en inzinking onder jongeren, maar ook onder ouderen. In christelijk-historische kringen wordt Kuyper als dé baas van de ARP gezien, de man die de lakens uitdeelt. Dit is echter niet het geval. Zijn aanhangers zijn mans genoeg om voor zichzelf te denken. In zijn werkkamer aan de Kanaalstraat in Den Haag knielt Kuyper elke ochtend neer, bidt voor zijn volk en hoopt de oude kracht en invloed nog eenmaal terug te ontvangen. De schoolstrijd is bijna ten einde. Albert Hahn heeft Kuyper vanaf 1902 geschetst als de grootste conservatieve arbeidersverdrukker en mammondienaar van ons land. Kuypers tijd is nu voorbij. Hij is oververmoeid, hij is ziek, en gaat regelmatig naar Duitsland om uit te rusten.

Kritiek op de prediking
In de Gereformeerde Kerken neemt kritiek op de prediking toe. T. Hoekstra hield op de jaarlijkse schooldag een lezing over ‘De tegenwoordige critiek op onze preeken’. Langdurige diensten worden niet meer algemeen gewaardeerd. Op de VU wordt een stelling verdedigd dat de diensten niet langer dan anderhalf uur moeten duren. Slechte films in de bioscoop worden aangewezen als schuldige in de stijgende criminaliteit. ‘Het maatschappelijk leven is zoo totaal verworden’. Ook wat kleding betreft is waakzaamheid geboden. Baden van mannen en vrouwen samen is niet toegestaan. Ook is het ‘verkeerd, kleederen te dragen, die alle vormen, alle lijnen, bijna alle plooien van het lichaam doen doorschemeren, de japonnen van boven steeds lager en van onderen steeds korter, de armen steeds blooter worden’. Savornin Lohman verzet zich in september tegen een staatsbijdrage voor de ouderdomsverzekering.

Revolutie voorkomen
Als de oorlog voorbij is, probeert Troelstra een revolutie te ontketenen. Christelijk Nederland verenigt zich om dit te voorkomen. Het gezagsgetrouwe volk mobiliseert zich. Uit het hele land komen jonge mannen naar Den Haag om de regering te beschermen. Het worden onvergetelijke dagen, waarin veel wordt gemarcheerd en gezongen. Bij het huis van Kuyper werd ook stilgehouden en men huldigde hem. Kuyper, 81 jaar, zei enkele woorden: ‘Brengt ons aller dank tot onzen Vader in de hemelen, in het alles uitzeggende: “Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort”’.

1919
Sociaal Congres
Het Tweede Christelijk Sociaal Congres wordt gehouden. In 1891 organiseerde Kuyper de eerste; hij geselde toen met machtige zweepslagen de kapitalistische structuur van de maatschappij. Hij leverde in de striemende taal van de oudtestamentische profeten architectonische kritiek op de inrichting van de maatschappij. Jarenlang is uitgezien naar dit tweede congres. Prof. Diepenhorst laat zingen bij de opening: ‘Zend, Heer, Uw licht en waarheid neder’. In socialistische kringen is met sceptisch over het congres:

Wij zullen zoo van tijd tot tijd congresseren,
Anders kunnen wij nooit de revolutie bezweren.
Wij nemen op ons congres wel resoluties aan,
Maar reken er niet op, dat het in de practijk zoo zal gaan.
Op deze congressen zullen wij de arbeiders leeren,
Om te dansen naar de pijpen van de groote heeren.
Tegen den tijd dat onze organisatie zoo wat gaat op de flesch,
Beleggen wij opnieuw een Sociaal Congres.

Duitsland onherkenbaar geworden
Vooral na de oorlog zet zich een stormachtige technische ontwikkeling in. Er komen meer openbare vervoermiddelen, het zedenbederf neemt hand over hand toe, de huwelijksband wordt losgerafeld, de vrije liefde wordt gepredikt, ‘de schandelijke practijken van het Neo-Malthusianisme’, de verwildering neemt toe: ‘Van God gevloekte tegennnatuurlijke zonde verlaagt den mensch tot beneden het peil der dieren.’ Ook de toenemende uithuizigheid van vrouwen wordt gehekeld. ‘Ze loopt gaarne uit, inplaats van haar roeping in hoofdzaak in de binnenkamer te zoeken en daarin haar lust te vinden’. De enorme stijging van lonen doet het houden van een dienstbode niet meer tot de mogelijkheid behoren. Uit Duitsland komen sombere berichten. De keizer is verdreven en het land wordt een republiek met sociaal-democraten in de regering. Dit Duitsland kent men niet. Het is hun vreemd. Er is een verlangen naar vroeger, toen een geestverwant Duits volk zijn vrome keizer vereerde. De Standaard oppert dat Duitsland weer kan opleven: ‘Misschien door een Napoleon!’ Enkele maanden hierna loopt een verbitterd jongmens van 30 jaar zoekend door München. In een klein kamertje zit hij met drie andere mannen bijeen. De nationalistische Duitse Arbeiders Partij wordt opgericht. Zijn naam: Adolf Hitler.

Het probleem vrije tijd
De achturige werkdag wordt ingesteld. De Kamer was zo blij dat men onder het zingen van het Wilhelmis uiteenging. Maar wat zal de arbeider met al deze vrije tijd gaan doen? Een nieuwe problematiek is geboren! ‘Een voordeel, maar ook: een oordeel’. Een Frans blad (‘een wereldsch blad’) denkt dat de vrije tijd deels gevuld zal worden in de bioscopen. ‘De bioscoop is de religie der ongeloovige massa, daar hij in de gedachten der ongeletterde toeschouwers een element van het bovennatuurlijke mystieke of wetenschappelijke giet. Zullen we toestaan dat deze menschen, die de publieke opinie vergiftigen, een geheel volk bedereven, zonder te protesteeren tegen hun misdaad?’ De Vrije Universiteit doet van zich spreken. Er schijnt aan toneel te worden gedaan. Curatoren en professoren hebben echter geen zin om zich belachelijk te maken met een publieke veroordeling van de studenten. Maar ze willen ook geen last met het volk achter de VU.

Savornin Lohman en Kuyper verzoenen zich
Op tweede kerstdag schrijft De Savornin Lohman een ontroerende brief aan de zieke Kuyper. Ze zijn beiden 81 jaar oud. ‘Maar al heeft eene uitwendige hereeniging tusschen ons niet kunnen plaatsvinden, nooit zal ik kunnen vergeten, dat wij beiden te samen denzelfden Heer hebben gediend, zij het ieder op zijne wijze; dat wij beiden hetzelfde bruiloftskleed behoeven, en dat wij daaraan zullen erkennen, dat wij gezamentlijk mogen aanzitten aan dezelfde Tafel. Dan zal alles vergeten zijn, wat nu vaak ons hinderde saam te komen, omdat onze oogen dan beter geopend zullen zijn. Wat gij ook voor en aan mij gedaan hebt, daarvoor dank ik U en voor datgene waardoor ik U onnodig pijn gedaan heb, daarvoor vraag ik vergiffenis.’ Een ontroerde Kuyper schrijft meteen terug: ‘Het was me de verhooring van een zoo vaak uitgezonden bede. En het is om mijn God te loven, dat de zooveel jaren afgewachte verbroedering en verzoening dan toch eindelijk gekomen is en op zoo loyale, zoo echt christelijke wijze. Uw brief is me een feestgeschenk, waarvoor ik U niet alleen, maar mijn God dank zeg.’

1920
Kritiek op de synodebesluiten
De synode vergadert in Leeuwarden. De tijden zijn veranderd, zo beseffen ze. Conservatisme is fout, ‘valsch conservatisme’ althans. Er wordt een gereformeerde dominee afgezet, omdat die te ethisch was geworden (Netelenbos). Ook de Nederlandsche Christen Studenten Vereniging (NCSV) is niet gereformeerd genoeg. Gewaarschuwd wordt verder voor het Neo-Malthusianisme, toneel, dans en kaartspel. De bejaarde Herman Bavinck wordt het te bar. Hij wraakt de enghartigheid in dit alles. Hij vraagt zijn mede-synodeleden of dáár nu ‘het’ kwaad schuilt. Er zijn nog zoveel ander zonden, zoals het maken van woekerwinsten in de crisisjaren. Ds. J.G. Geelkerken van Amsterdam hekelt ook de synode-uitspraken: ‘Het is een jammerlijk eenzijdige visie op onzen tegenwoordigen toestand.’ Maar mag dit wel? Kan een predikant een synodestuk bestrijden op de kansel? Hij vervolgt: ‘Want die eisch is niet alleen om “te waken en te strijden” tegen afdoling in belijdenis of wandel binnen eigen kring. Die eisch is ook niet alleen om onszelven en de onzen ‘onbesmet te bewaren van de wereld’. Die eisch is zelfs niet alleen, om aan eene wereld vol zonde en ellende…te verkondigen de deugden van Hem, die ons uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.’ Hij laat de gemeente zingen: ‘Gedenk niet meer aan ’t kwaad dat wij bedreven.’ J. Ridderbos van Kampen zegt dat deze daad van Geelkerken ‘met Gods Woord in lijnrechten strijd is’. Maar B. Wielenga oordeelt in De Reformatie dat deze preek zuiver naar het Woord is.

Kuypers dood
Kuyper is er niet meer. Maandagavond 8 november tussen zes en zeven uur stierf hij in zijn woning. De Standaard verschijnt met een brede zware rouwrand. Idenburg is tot op het laatst aan zijn sterbed. ‘De heer Idenburg bad zoo kinderlijk eenvoudig of God zijn moegestreden kind een ruimen ingang in zijn Koninkrijk wilde geven en hem het sterven licht maken.’ Toen Kuyper de laatste adem had uitgeblazen, zijn de kinderen met Idenburg samen neergeknield om God te danken voor alles wat Hij in Kuyper aan het volk had geschonken. Tienduizenden mensen waren er op de begrafenis. K. Dijk is één van de sprekers. De grote klokkenist is dood!

1921
Idenburg als opvolger?
Één voor één vallen de oude leiders weg: Rutgers, Woltjer, Sikkel, Talma, Klaarhamer, Kuyper. In 1921 sterft ook Bavinck. Onwennig stappen de Nederlandse calvinisten een nieuw tijdperk in. De schoolstrijd is gewonnen; een inspirerend strijddoel ontbreekt nu. Wat moet een leger na de overwinning? De Utrechtse Hugo Visscher, die van Kuyper de bijnaam had gekregen ‘de man met de geuzenkop’ maakte op sommigen onmiskenbaar de indruk het partijleiderschap te begeren. Idenburg, oud-gouverneur van Nederlands-Indië, ‘een edel christen’, werd jarenlang door velen beschouwd als Kuypers opvolger. Idenburg stond veel dichter bij Kuyper, wat betreft diens visie op de toekomst van Indië. Kuyper voelde al dat de Indonesiërs eens vrij zouden willen zijn. Idenburg voerde de ethische politiek uit. Idenburg stond positief tegenover de komende zelfstandigheid van de Indiërs.

Nee, het wordt Colijn
Colijn dacht heel anders. Hij was geen filosoof, maar een kapitalist. Idenburg vindt dat ‘het gemoedelijke bij hem te veel in den officier en den ambtenaar is overgegaan (…) Hij leeft in anderer gevoel zich weinig in’. Bezorgd was Kuyper toen Colijn directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij werd: ‘Hij leeft nu zoo vlak bij Mammon, zoodat ik wel eens vrees, dat hij er zelf een tikje van beet kan krijgen.’ Kuypers voorkeur voor Idenburg was duidelijk. Maar diens gezondheid liet het niet toe. Colijn werd de nieuwe leider. Om weer leven in de lusteloze ARP te brengen, begint Colijn een miljoen-actie voor het partijbureau. Het bijwonen van een uitvoering van de Mattheus Passion van Bach werd in de ban gedaan omdat de tekst ‘luthers’ was. De piano was ‘subjectief’, tegenover het harmonium, dat ‘objectief’ was. In de gereformeerde huizen verschijnen pronkkamers. De antirevolutionaire borsten zwellen van trots bij de benoeming tot burgemeester van Amsterdam W. de Vlugt.

1922
Driestarren
In de pers wordt uitvoerig ingegaan op het feit dat men in Rusland een beeld van Judas Iskarioth heeft onthuld, met het opschrift: ‘Judas Iskarioth, de grootste held ter wereld, die de menschheid van den kapitalistischen leider Jezus van Nazareth verloste’. Colijn is hoofdredacteur van De Standaard geworden. Een halve eeuw zwoer het calvinistische volksdeel bij De Standaard. Er zijn verhalen van lezers die Kuypers ‘driestarren’ (korte polemische stukjes) in schriften overschreven en van buiten leerden. Het niet komen van De Standaard maakte het gezinsleven bij velen incompleet. De oplage was altijd klein, maar de invloed groot. Woedend werd het blad bestreden in de liberale pers. Er werden grappen over gemaakt, zoals deze: de vrouw van een socialist zegt: ‘Kijk Jan, daar verschiet een star.’ Socialist Jan: ‘Me zorg…als het maar geen driestar is.’ In de eerste driestar bepleitte Kuyper een scheiding van kerk en staat in Duitsland. ‘Geus’ of ‘Geusken’ had Kuyper het nieuwe dagblad willen noemen, maar Groen van Prinsterer adviseerde: niet doen. De Standaard stond vaak op het randje van bankroet. Colijn greep in de financiële huishouding in, zodat het blad niet ter ziele ging.

Humor bij de gereformeerden?
Het vrouwenkiesrecht kwam er. De gereformeerden waren natuurlijk tegen. Maar beginselvast thuisblijven? De protestantse politici rilden bij de gedachte aan de gevolgen. Verwonderde Standaardlezers vinden op 15 september een proefnummer van De Houten Pomp in de bus: een humoristische-satirisch orgaan. Kan dat wel? Mag dat? Kuyper schreef in 1909: ‘Er is zooveel “costelijk mal” in ons menschelijk leven, en bijna in ieder persoon, dat we den gullen lach, ter correctie van zooveel menschelijke dwaasheid, niet kunnen missen’. Hoongelach bij de liberalen en socialisten. Een Amsterdams predikant klaagt over de ‘kamerwand’ in gereformeerde huizen. Vroeger vond men naast familieportretten, portretten van voortrekkers op geestelijk terrein, zoals Kuyper, Calvijn, Luther en Da Costa. Daarnaast portretten van de koninklijke familie, platen als Gethsémané en Luther voor de Rijksdag. Maar nu: moderne schilderijen (=platen met bloot), reclameplaten voor zepen en wanden volgeprikt met prentbriefkaarten.

Het gaat achteruit
Al in 1922 wordt melding gemaakt van het feit dat in Duitsland 1/5 van alle huwelijken op een echtscheiding uitloopt, het geboortecijfer zienderogen afneemt, ‘de vrouw is bezig zichzelf van alle waardigheid te ontdoen; het aantal vrouwen en meisjes dat rookt, wordt hoe langer hoe groter.’ Een Amerikaanse hoogleraar waarschuwt voor de gevaren van de bioscoop: het hindert het schoolwerk, het geeft een onjuist en verwrongen beeld, het vermindert de eerbied voor het gezag, het leidt tot vroegrijpheid in seksuele aangelegenheden, het wekt geringschatting voor het huiselijke leven, het oefent een slechte invloed op zedelijkheid en reinheid, het is schadelijk voor het lichaam, nadelig voor de ogen, slecht voor vitaliteit en mentaliteit. Keizer Wilhelm, in Doorn verblijvend, wijt het onheil in Duitsland voor een groot deel aan de Joden.

1923
De kleine luyden worden groot
V. Hepp zegt trots: ‘Onze kerken zijn gedurende de regeering van Koningin Wilhelmina ook in aanzien gestegen. Werd er vroeger nog maar half met ons gerekend, werden leden onzer kerken dikwerf door hooghartige liberalen niet voor vol gehouden en zag men ons het liefst als amechtigen aan, thans heeft ons kerkbeeld een ander voorkomen verkregen. Steeds meerdere van haar leden werden geroepen tot de hoogste ambten in staat en maatschappij (…) Onze kerkgebouwen dragen van dien voorspoed mede de sporen. De kathedralen, waaruit we in een vroegere periode wederrechtelijk zijn verdreven, mogen door hun majesteit en oudheid imponeeren, onze kerkgebouwen van den laatsten tijd zijn intiemer, en bovenal geriefelijker (…) Thans zijn de traktementen der Gereformeerde bijna overal hooger dan die der Hervormde predikanten.’

Voetbal kan geen sport genoemd worden
B. Wielenga klaagt: ‘Wij zijn te veel orthodoxe, te weinig gereformeerde kerken geweest. Er kwam bij velen een verstijving tot farizeesche orthodoxie, dat wil zeggen: uitwendige rechtzinnigheid, die niet door het geestelijk leven wordt gedekt.’ J. Waterink zegt: ‘Een catechisatie-leerboek in vraag- en antwoordvorm is, althans voor de catechisaties der oudere leerlingen, voor het doel niet geschikt.’ P.J.A. Idenburg zegt: ‘Medezeggenschap (…) in de bedrijven is niet aanvaardbaar.’ De Spiegel schrijft: ‘Onder het kwaad onzer dagen valt ook de sport te rekenen (…) De sport, speciaal de voetbalsport, zooals wij die nu kennen, is geen sport. Dat twee en twintig menschen daar als gekken achter een bal loopen, terwijl er van de zijde der duizenden en tienduizenden toeschouwers letterlijk een gebrul opgaat, als er een “punt” wordt gemaakt (…) Belieft men dat sport te noemen?’

1924
De principiële jongelingen
Gereformeerde jongelingen zijn tegen subsidie van hun jeugdwerk. De voorzitter, ds. Vonkenberg, wil het wel aanvaarden. JV’ers zijn principiëler dan de dominee… Vonkenberg verlaat de bond, die hij langer dan 35 jaar leidde. Wel wordt hij tot erelid benoemd. Merkwaardige namen dragen de jongelingsverenigingen: ‘Mijn zoon geef Mij uw hart’, ‘Hebt de Waarheid en den Vrede lief’, ‘Uw Koninkrijk kome’, ‘Onze hulp zij in den Naam des Heeren’, ‘De Heere is mijn Banier’, ‘Onderzoek de Schriften’, ‘Dient den Heere met Blijdschap’ en ‘’t Wordt Gebouwd’. Ook bijbelse namen zijn geliefd: Samuël, Paulus, Theofilus, Jonathan en Gideon. Ook bijbelgedeelten worden als naam gebruikt: ‘2 Tim. 2:19’, ‘Jes. 55:6a’, ‘Ps. 119:9’. Men denkt en spreekt in militaire termen.

Broeder Marinus ontketent een kerkstrijd
En dan komt broeder Marinus in beeld. In de gereformeerde Schinkelkerk aan de Amstelveenseweg in Amsterdam wordt door ds. Geelkerken een preek gehouden (het is 23 maart). ‘Het is vaak moeilijk uit te maken, hoe allerlei bijzonderheden, die Genesis 3 ons bericht, moeten worden uitgelegd (…) De gemeente late zich door dit alles niet van de wijs brengen. Vast staat, dat wij in Genesis 3 de goddelijke bekendmaking hebben van een historisch feit’. Aldus Geelkerken. H. Marinus, die onder zijn gehoor zat, is zeer ontstemd over deze preek. Marinus is niet tevreden met het antwoord dat de kerkenraad geeft en zoekt het hogerop. De zaak-Geelkerken is begonnen. Geelkerken hekelde al een tijdje het intellectualisme en confessionalisme in de GKN.

Voor het eerst Hitler
Voor het eerst dringt de naam van Hitler door in de Nederlandse bladen. Hij wordt veroordeeld voor zijn mislukte staatsgreep. Op 29 maart tekent Jordaan een spotprent op de 35-jarige Hitler in het socialistische blad De Notenkraker. Het toneel aan de VU is ook weer onderwerp van discussie. Geelkerken vindt het ‘niet alleen kunstgenot, maar zelfs stichting’, wat hij van een toneelstuk van VU-studenten heeft gelezen. Dr. De Moor vindt het ‘vunzig’. Colijn vindt dat er niet fors genoeg is opgetreden. Hij is directeur van de VU. Hij ziet dat het gereformeerde volk deze zaak vooral als een symptoom van verwereldlijking ziet. Klaas Schilder, predikant in Delft, ziet wel plaats voor christelijk toneel, maar acht dit tevens ‘tamelijk wel onbereikbaar’.

Gemengd zwemmen is spelen met vuur
Het christelijk-historische blad De Nederlander hekelt het gemengd zwemmen: ‘Zijn jullie dan vergeten hoe het jonge bloed bruist en hoe de hartstocht, eens opgewekt, een haast onoverwinnelijke vijand is? (…) Laten we op sexueel gebied nu maar niet met het buitenland komen aandragen, en liever God danken, dat we onze kinders nog in een tamelijk reine Hollandsche atmosfeer kunnen opvoeden. (…) Gemengde baden (…) zijn nooit aan te bevelen. (…) het is spelen met vuur, een onverantwoordelijke luchthartigheid, een niet willen onderkennen van gevaren.’

De radio komt
De radio doet zijn intrede, ‘het draadloze’. Colijn vindt het maar vreemd. Maar hij verliest zijn waardigheid en zelfbeheersing geen moment. Hij doet maar alsof hij op een preekstoel staat. Hij gaat voor de microfoonzuil staan. Z’n handen hebben de neiging om het gevaarte beet te pakken, zoals ze gewend zijn de randen te omvatten van een lessenaar of kanselbijbel. Maar dat is te gek. Wat moet hij met z’n handen? Hij steekt ze maar in de armsgaten van z’n vest. En z’n linkervoet plaatst hij op de zitting van de houten stoel. Zo spreekt hij ongeveer een uur over de slechte financiële toestand van het land. Ook Johannes de Heer stond vaak in dit gordijnenkamertje. Op 15 november werd de NCRV als eerste Nederlandse omroepvereniging opgericht. K. Schilder is één van de oprichters. Op kerstavond 1924 wordt het Lutherlied uitgezonden en het lied ‘Daar ruist langs de wolken’. Idenburg moet spreken, maar is nog onwenniger dan Colijn. Men weet er raad mee. Men trommelt een ‘gehoor’ van 40 mensen bijeen, zodat hij toch zichtbaar publiek heeft.

Samenstrengeling der lichamen
De zedelijke verwildering neemt toe. ‘Jeugdorganisaties zonder leiding van ouderen en waarin de sexen samen zijn, is een ideaal van de laatste jaren’. ‘De spoorwegdirecte zien zich genoopt een “kleedingvoorschrift” uit te vaardigen voor het vrouwelijke personeel: aan de hal behoorlijk gesloten bovenkleed van niet-doorzichtige stof, met tot de polsen reikende mouwen’. Door de roomse geestelijkheid wordt een dansverbod uitgevaardigd: ‘Elke nieuwe dans, die wordt ingevoerd, maakt de samenstrengeling der lichamen nog nauwer en draagt een nog meer pervers karakter.’ De Spiegel schrijft: ‘Onze tijden zijn donker…hand over hand neemt de zedenverwildering toe. Ook ons vaderland ontkomt er niet aan, wie oogen en ooren heeft, kan het opmerken.’

1925
Colijn als stuurman van het schip van de staat
Iedereen voelt het: de partij heeft sinds Kuyper vijf jaar geleden stierf een nieuwe ‘grote man’. Op de AR-partijdag wordt er veel gezongen: ‘Zelfs vindt de mus een huis, o Heer’, ‘Wilhelmus van Nassouwe’, ‘U alleen, U loven wij’. Colijn houdt een rede, getiteld: ‘Om de bewaring van het pand’. Tegenover ‘het moderne’ stelt hij ‘het blijvende, dat van eeuwigheid is’. Naarmate de verkiezingen naderen, stijgt de vereringslust van de antirevolutionairen. Overal waar Colijn komt, wordt hem toegezongen: ‘Dat ’s Heeren zegen op U daal’. De verkiezingsstrijd wordt beleefd als een religieuze strijd waarin de antirevolutionaire partij tot gideonsbende is uitverkoren om het spits af te bijten. Het eerste kabinet van Colijn houdt het maar 100 dagen vol. Ds. G.H. Kersten laat het kabinet vallen door zijn voorstel het gezantschap bij de paus af te schaffen. Op de melodie van ‘Piet Hein zijn naam is klein’ is een lied gemaakt over Colijn, ’s lands stuurman, die ‘het schip van staat’ moet sturen.

Heb je van dien kloeken Colijn wel gehoord,
Die zuinig de schatkist beheerde?
Die binnen een jaar door zijn daad en zijn woord
De inflatie van Nederland weerde?
Colijn, Colijn,
Colijn moet stuurman zijn,
Wij stemmen op Colijn,
Wij kiezen, ja! Colijn,
Hij moet tot stuurman gekozen zijn!
Hijjj moet tot stuuurman gekóóózen zijn!

Berouw komt na de schaar
Colijn trekt één miljoen uit voor de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam, maar op zondag mag er niet woren gesport. Alle ARP-leden, de meerderheid van de CHU en de SGP stemmen tegen dit voorstel. Veel stof doet daarbij opwaaien de verwijzing van het ARP-kamerlid Hugo Visscher naar 1 Tim. 4:8a. ‘Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut’. Het boek van Oswald Spengler, Der Untergang des Abendlandes, wordt een bestseller. De westerse cultuur zou ook eens verzinken, zoals ze is opgegaan en heeft geblonken. L. Penning schrijft: ‘Brood en spelen! Wordt er geroepen; sport en nog eens sport! En lege wiegen!’ In de katholieke kerken wordt gepreekt dat ‘in het katholieke gezin de wieg niet leeg moet staan’. Echter, nu dienstbodes onbetaalbaar dreigen te worden, hoe moet het dan? ‘Wie moet het werk doen als de vrouw alsmaar in het kraambed ligt?’ Op den Uitkijk gewaagt van ‘de klacht uit Parijs, dat je zoo langzamerhand de vrouwencostuums nauwelijks meer kunt onderscheiden van die der mannen.’ Het volgende gedicht wordt geplaatst:

Dames, denkt eer gij besluit
Tot dragen van kort haar,
Dat thans het nieuwe spreekwoord luidt:
Berouw komt na de schaar.

Verwek uw kinderen niet tot toorn
J. Waterink neemt het op voor het kind. Hij toont met een verhaal aan hoe vaders vaak hun kinderen ‘tot toorn verwekken’: Henk komt van catechisatie thuis. Vader en moeder kijken altijd meteen naar de klok, als hij binnen kwam. ‘Was ’t gezellig?’ vraagt vader. ‘Nou, wie vindt ’t nou gezellig op catechisatie?’ ‘Ja, jongen, in mijn tijd… Ik was blij a’s ’t weer maandag was.’ ‘Jongen’, zo barstte vader los, je weet “door den weg der tegenspreking Korachs vergaat de afvallige”, zoals d’apostel Judas zegt.’ Henk: ‘Ver…r…rek’. Vader: ‘Ga uit m’n ogen’. Henk verdween al. Nog klonk ‘t ‘m na: ‘Wie zijn vader vloekt…’

1926
Allo ogen op Assen
Heel Nederland kijkt naar het Drentse provincieplaatsje Assen, waar de gereformeerde synode samenkomt. Voor calvinistische drukkers is het een fijne tijd: er worden veel brochures geschreven. Kernvraag was: was het een ‘werkelijke’ slang die sprak? De buitenwereld leeft geïnteresseerd mee. Geelkerken is de ‘slangendominee’. Dr. J.C. de Moor beklimt ernstig de kansel van de Molenstraatkerk in Assen. De preses van de vorige synode zal een bidstond leiden, al had de dokter het hem afgeraden. De Utrechtse predikant laat zingen Ps. 119:3. ‘Och, schonkt gij mij de hulp van Uwen Geest’. De synode komt bijeen in de Zuidersingelkerk, een kloek stuk gereformeerde architectuur in het hartje van het brinkstadje. De synodeleden logeren in de gereformeerde gezinnen. De Moor krijgt een beroerte en overlijdt al voor middernacht: een sensationeel sterfgeval. De synode vergadert voort. Vrijwel onafgebroken blijven de deuren gesloten, een geheimzinnigheid, die wrevel wekt in het land. Geelkerken denkt dat het wel zal meevallen. Maar na wekenlang vergaderen beslist de synode dat de slang een ‘zintuigelijk waarneembare werkelijkheid’ is geweest. Geelkerken moet een verklaring ondertekenen en krijgt vier dagen bedenktijd. Maar Geelkerken wil ruimte in de kerk voor hen die niet in een echte slang kunnen geloven.

Neptelegram
Veel gereformeerde theologen slapen de laatste nacht onrustig. De synode begint de vergadering op 12 maart met het zingen van ‘Want God de Heer zo goed, zo mild, is t’ allen tijd een zon en schild’. Geelkerken weigert. Maar er komt een telegram. Geelkerken komt terug op z’n beslissing. Maar het gaat om een kwalijke grap. Geelkerken wordt voor drie maanden geschorst, niemand is tegen. Enige studenten van de VU brengen een staande ovatie voor de woning van Geelkerken. Zal Amsterdam-Zuid zich iets aantrekken van het besluit? Geelkerken preekt gewoon, in de Parkkerk. Persfotografen dringen tot in de kerk door. Geelkerken zet door. Er komt een bijeenkomst in het Amsterdamse Concertgebouw. De eerste psalm die gezongen wordt is Ps. 121:2. ‘Hij is, al treft U ’t felst verdriet…’ De synode gaat ook door. Geelkerken wordt afgezet, alsmede het grootste gedeelte van de kerkenraad van Amsterdam-Zuid.

1927-1931
Het harmonium
Was Calvijn tegen een orgel in de kerk en vernietigde de puritein Cromwell de orgels in Engeland, de gereformeerden zwoeren bij hun harmonium. ‘Het jammerhout’, spotte de wereld. ’s Zondags zet vader zich op de kruk voor het harmonium, plaatst zijn voeten op de trappers, slaat de muziekbundel open van Johannes de Heer en grijpt in de toetsen. Het hele gezin zingt rond het orgel, psalmen en andere christelijke liederen. Er wordt een geslacht van orgelminnaars opgekweekt. Johannes de Heer geeft cijfermuziek uit, zodat het voor de meesten mensen makkelijk te leren is. Liederen als ‘Veilig in Jezus’ armen’, ‘Ga niet alleen door ’t leven’, ‘Kent gij reeds den goeden Herder?’, ‘Ach, blijf met Uw genade’ en ‘’k Heb geloofd, en daarom zing ik’ zijn populair. Thuis bij het orgel halen ze in, wat ze tekort zijn gekomen in een kerk, waarin soms het intellectualisme regeert. Vooral ‘Blijf bij mij Heer’ is bekend:

Blijf bij mij, Heer, als ’t zonlicht niet meer straalt,
Blijf bij mij, Heer, als straks de avond daalt,
Als vrienden henengaan in stormgetij,
Blijf Gij ter hulp gereed, o blijf bij mij!

Tegen wereldburgerschap en het kaartenspel
J.J.C. van Dijk verafschuwt de gedachte aan een wereldburgerschap: ‘Ons beginselprogram moet bevatten een protest tegen het cosmopolitisme’, want dat is ‘is in strijd met het wereldplan Gods’. Het Zoeklicht schrijft op 27 oktober 1928: ‘Oppervlakkig bezien is het kaartspel op zichzelf even onschuldig als andere familiespelletjes, doch in de practijk is het afdoende bewezen dat de benaming “des duivelsch prentenboek” nog niet zoover naast de waarheid is.’

Oorlogsboek in discussie
Im Westen nichts Neues verschijnt in 1929 van de hand van de onbekende 31-jarige journalist Erich Maria Remarque, oud-frontsoldaat. Unaniem luidt uit alle landen het oordeel: ‘Ja, zó is het geweest’. Het Gereformeerd Jongelingenblad waarschuwt: ‘Leest dit boek niet (…) Het is onevenwichtig; de schrijver is zelf vernield door den oorlog; hij schrijft maar raak.’ Houten Plomp zegt dat het boek ‘één geweldige schreeuw is van levenszatheid. De schrijver behoort tot de massa, voor wie alleen deze wereld bestaat, en voor wie ’t met den dood voor eens en altijd uit is.’ ‘Sensatie!’ ‘Verdierlijking van een generatie!’ Overal negatieve geluiden over dit boek in de gereformeerde wereld. Maar: J.J. Buskes zegt op 5 oktober: ‘Remarque…moet gelezen worden!’

Met beide benen op vijandelijk terrein
‘Vleeschkleurige kousen mogen niet’, vindt Hendrika Kuyper-Van Oordt, schoondochter van Abraham Kuyper. ‘Wie vleeschkleurige kousen (panty’s) draagt, staat met beide beenen op ’t erf van den vijand.’ Een andere Kuyper, Henriëtte, een dochter van Abraham de Geweldige, zegt over de lengte van een rok: ‘Wie een japon of blouserok koopt neme toch eerst de zitproef’. Ergens kan men lezen: ‘Moet men dan niet zijn naasten liefhebben als zichzelf? Antwoord: Zeker. Maar onze naasten zijn de Nederlanders en daarna volgen Duitschers, Belgen, Engelschen…’

De wereld in huis
De Houten Plomp overweegt in 1930 ermee te stoppen: te weinig abonnees. Ook zegt het blad: ‘De tijden zijn ernstiger geworden. Er is minder plaats dan vroeger voor de ironische, vroolijke uitbeelding en er is meer gelegenheid ontstaan voor de ernstige plaat’. Door de ARP-leiding werd het blad doodgezwegen. Niemand steekt een vinger uit naar de zinkende Plomp. J.J. Buskes is anti-militarist: ‘Een nieuwe groote oorlog zou op den zelfmoord van Europa neerkomen. Immers zou die oorlog in hoofdzaak zijn een luchtkrijg, en die beteekent vernietiging van al wat leeft en bestaat.’ Voor anti-militaristen is op het gereformeerde erf geen plaats. De gereformeerde gezinnen wordt gewaarschuwd voor het gevaar van de radio, ‘de wereld in huis’. ‘Kerk en wereld kunnen er door spreken, maar de wereld doet het het meest. Ziet dan toe, wat gij hoort!’ Als een gereformeerde jongen naar de bioscoop ging, was hij verdoofd na de voorstelling; nimmer ontving hij zulke sterke prikkels. Welke films waren geoorloofd? Films die een wetenschappelijk karakter hebben, films die alleen de gefotografeerde werkelijkheid weergeven, films die een historische gebeurtenis weergeven, zonder medewerking van ‘het beroepstooneel’, het verfilmde sprookje en de tekenfilm.

1932-1935
Buskes en Janse tegen Hitler-Duitsland
Buskes slaat in 1932 alarm: het facisme is een ‘Christus-vijandige religie’. Hij waarschuwt tegen het geroep om een sterke man in Nederland. De communistische pers denkt dat Hitler ‘straks de aanstichter zal worden van de meest verwoede Jodenpogroms en zijn doel zou alleen zijn den chaos in Duitschland te ontketenen.’ A. Janse van Biggekerke wordt een begrip op gereformeerd erf. Hij is een autodidact. Dit hoofd van de plaatselijke christelijke school ziet ook het gevaar van het nationaal-socialisme in. C.G. Berkouwer stelt in een stelling in zijn dissertatie: ‘Alle probleemstellingen der nieuwere Duitsche theologie hangen ten nauwste samen met het loslaten van het volstrekte gezag der Heilige Schrift.’

Het socialistische kwaad
De muiterij op ‘De Zeven Provinciën’ in 1933 heeft 23 doden tot gevolg. Veel te hard optreden, zo vinden de socialisten. Maar Colijn zegt: ‘Dit droevige voorval moeten wij gebruiken om de oogen van het Nederlandsche volk te openen voor het schrikkelijke en afschuwelijke bedrijf dat de soc.-dem. voeren. Dag aan dag vergiftigen zij de menschen door in de harten te zaaien het zaad der ontevredenheid (…) Het is meer dan verschrikkelijk.’ In Nederland is een roep naar een sterkte leider. Vijftig hoogleraren van verschillende universiteiten vragen Colijn of hij zich aan het hoofd wil stellen van een nationale beweging, die op wil komen voor een krachtige handhaving van het gezag. Colijn weigert. Zijn antwoord is veelzeggend: ‘Stem maar a.r.’! Colijn had wel waardering voor Mussolini. Op den Uitkijk vertelt dat Hitler een christen is, ‘want hij droeg altijd het Nieuwe Testament bij zich en leefde uiterst sober’. A.B. du Pree verdedigt aan de VU de stelling: ‘Die gewoonte in sommige kerke om na afloop van ’n diens, by die deur ’n kollecte te hou, verraai gebrek aan liturgisch besef.’

Kalm temidden van grimmige golven
Ons Program van Kuyper (1878) werd niet meer herdrukt. Colijn kwam met een nieuwe toelichting op het gewijzigde program van beginselen: Saevis tranquillus in undis (‘kalm temidden van grimmige golven’). De hoofdredacteur van het antirevolutionaire dagblad De Rotterdammer maakte een optreden van Hitler mee: ‘Nog voor het lied uit was, was Hitler op dezelfde, bijna onopgemerkte wijze verdwenen door denzelfden uitgang. Neen, deze man zoekt niet zichzelf, al maakt zijn werk en ook de aard van zijn werk, dat hij gezocht zal worden. In hem brandt een vlam van liefde voor Duitschland en voor het Duitsche volk. Zal de vlam hemzelf verteren, of zal hij fakkeldrager kunnen blijven? (…) Of de wereld eenmaal, bij de afsluiting dezer periode, dankbaar kan zijn voor dezen uit het niet opgekomen staatsman, is een zaak, waarover de toekomst zal beslissen.’

Duitsland of Engeland?
Neerlands sympathiek gaat eerder uit naar het vrome Duitsland, dat het Lutherlied voortbracht, dan naar het zedeloze Frankrijk met zijn geboortebeperking, of het hautaine, imperialistische Engeland, dat de Transvaler Boeren uit gouddorst verdrukte. Het warme christelijk-nationale van Kuyper en diens liefde voor Duitsland is vertrouwder dan het koopmans-internationalisme van Colijn en diens oriëntatie op Engeland. Dat er tussen Karl Barth en de meeste gereformeerden in Nederland theologische verschillen bestaan, wordt door de NSB-pers handig uitgebuit door er op te wijzen dat Barth en Niemöller door de Nederlandse orthodoxen als ‘ketters’ zouden zijn beschouwd. In 1935 treedt het AR-kamerlid Hugo Visscher uit de partij na de Christelijk Nationale Partij te hebben opgericht.

1936-1937
Rustig slapen!
Een gereformeerd predikant: ‘Ik moet persoonlijk van die korte haren niets hebben bij een vrouw, maar ik weiger er aan mee te doen, als men eenvoudig al die vrouwen en meisjes maar als wereldsch veroordeelt (…) Denk maar aan het korte haar onder de Friesche kap!’ Juliana verlooft zich met een Duitser. Ter ere hiervan krijgen alle werklozen een extra uitkering van een rijksdaalder. Colijn houdt op 11 maart 1936 een radiorede naar aanleiding van Hitlers opzegging van het pact van Locarno. ‘Ik verzoek de luisteraars dan ook nu, wanneer zij hun legersteden opzoeken, even rustig te gaan slapen als zij dat ook andere nachten doen. Er is voorhands geen enkele reden om ongerust te zijn.’

Rood-wit-blaauw of oranje-blanje-blue?
Men noemt oranje-blanje-blue de prinsenvlag. Vroeger hing die alleen uit aan het huis van Savornin Lohman. Mussert kiest ook voor oranje-blanje-blue omdat onder deze kleuren door Nederlanders grote daden zijn gedaan. Twisten laaien op, welke vlag de oudste rechten heeft. Men snelt naar het Rijksmuseum om oude schilderijen te bekijken van zeeslagen voerende voorvaderen. Maar veel wijzer wordt men niet. Colijn besluit dat rood-wit-blaauw de nationale driekleur blijft. Toen men dit wilde regelen, kwam men er verbijsterd achter dat Nederland helemaal niet officieel een vlag heeft.

Zuid-Afrika
D.C.S. du Preez verdedigt aan de VU in 1937 de stelling: ‘Die strewe na die gelykstelling tussen blank en swart in Suid-Afrika is ’n uitvloeisel van die Revolusie en die segregasie op maatskaplik, kerklik en staatkundig terrein is die vrug van die Calvinisme.’ P.S. Gerbrandy, lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland, wordt wel ‘de rode advocaat van Sneek’ genoemd.

Gepubliceerd in oktober 2007

Advertenties