Preekstoel op, preekstoel af

n.a.v. Henk de Jong, Preekstoel op, preekstoel af, Wageningen 1959

Er tegenop zien
Preken was niet voor elke predikant fijn: H. Bavinck had altijd last van ‘preekkoorts’, anderen waren voor kerktijd ongenietbaar, of verlangden volledige afzondering en er waren ook ongeduldigen die ijsbeerden door de consistoriekamer: ‘Als ik nu tóch voor het bijl moet, dat maar liever zo gauw mogelijk.’ Luther had zijn hele leven angst voor de kansel. Hij zei: ‘Wanneer ik de preekstoel opga, kijk ik naar niemand maar denk: jullie zijn allemaal lomperds, ik zal het Woord van God vrijuit spreken!’ Er was rond 1840 in Nederland een predikant die op zaterdagavond de kroegen langsging om er zijn gemeenteleden uit te jagen, maar ’s zondags durfde hij amper de kansel te beklimmen. Buskes vertelt hoe zenuwachtig hij was toen hij voor het eerst moest preken. De ouderling had in de consistoriekamer gebeden: ‘Gij hebt ons vanmorgen een jongske gestuurd.’

Voorbereiding, drieduizend preken
Een preek eist voorbereiding. In de 18e eeuw was er een predikant in Goedereede die met zijn keiharde stem zijn povere studiezin probeerde te camoufleren (een harde stem was toen heel belangrijk). In Rotterdam was eind 19e eeuw een predikant die zijn preek voorbereidde op weg naar de kerk. Het gebeurt vaak dat een preek waaraan veel tijd gespendeerd is, de gemeente maar matig voldoet. Een predikant hield in 1843 zijn drieduizendste preek in de hervormde gemeente te Hindelopen. Iemand uit de gemeente, kennelijk geen vriend van hem, maakte een gedicht waarbij hij dit jubileum van een andere kant bezag:

Sint Petrus won voor ’s Heilands leer
Op eens drieduizend zielen;
Thans preekt men soms drieduizend keer
En doet er gene knielen.
Dit plaatselijk geval
Stelt duidelijk in ’t licht:
Men preekt hier bij ’t getal,
Doch zelden bij ’t gewicht!

Opgeknapt en opgeschilderd
Er had eens een predikant gepreekt over de vogelen des hemels. Er kwam na die tijd iemand naar hem toe en zei: ‘Ga naar je kamer en kijk twee uur lang door het raam naar buiten.’ Dan kon hij zien wat de vogelen des hemels waren! ‘Aanziet de vogelen des hemels, en niet: lees wat over hen in een boek.’ Een predikant die vond dat Markus beter kon preken dan hij, las het hele evangelie van Markus op in plaats van een preek. Het werd echter niet gewaardeerd door de gemeente. W. Kremer zei ooit: ‘Er is in Nederland heel wat opgeknapt en opgeschilderd op een preekstoel.’ Inderdaad zijn de preken van J.J. Knap en K. Schilder door talrijke domineeshanden gegaan!

Preken voor Bram
Abraham Kuyper zei: ‘Het lezen der leerrede op de kansel moet afgekeurd worden.’ Kuyper zat ’s zondags in de kerk altijd te luisteren naar zijn collega’s. Het was een nachtmerrie voor die predikers: ‘Preken voor Bram’ werd het genoemd. Dan moest de preek gememoriseerd worden, want tot geen prijs duldde Kuyper dat zij gelezen werd. Al het gesprokene moest éérst op papier staan: voor de vuist weg praten veroordeelde Kuyper. Een predikant die altijd de preek oplas, zag eens tot zijn schrik dat de lessenaar van de preekstoel afgehaald was: nu moest hij wel uit zijn hoofd preken. En dit ging hem heel goed af. Er was opzet in het spel: ‘Ik heb u willen leren zonder kurken te zwemmen.’

Geïmproviseerd lezen, lui
Een dominee die altijd uit het hoofd preekte, moest eens een lezing houden. Bij een lezing is het natuurlijk niet passend uit het hoofd te spreken, en daarom deed hij net alsof hij las; hij sloeg telkens een blaadje om, maar dat was een leeg blaadje. Er was eens een predikant die tot het bewustzijn kwam dat het van buiten leren van een preek maar ongeestelijk gedoe was. De Geest moet het doen. Daarom stelde hij zich op een week vrij van preekmaken. ‘Maar toen ik op de preekstoel kwam en op de inspraak van de Heilige Geest wachtte, zei de Geest tot mij: Claus, je bent lui geweest!’

De abramitische methode
Van menig dominee moet gezegd worden: hij is uitgegaan, niet wetende waar hij komen zou (de ‘abramitische methode’). Er was eens een prediker die al improviserend maar moeilijk aan het eind kon komen. Hij volgde namelijk de methode om elke nieuwe volzin te beginnen met het laatste woord van de voorgaande zin. Was hij geëindigd met het woord ‘zonde’, dan begon de nieuwe alinea met ‘Ja, die zonde, mijn hoorders.’ De hoorders waren door deze kettingmethode al lang onder zeil geraakt. Nicolaas Beets noemde het ‘alles uit de mouw schudden’ verkeerd: ‘Dat is anders niet de plaats waar de preken geboren worden.’ Het komt misschien wel warm op tafel, maar is niet altijd even gaar.

Predikant en boer tegelijk, zandlopers
In Kootwijk was een dominee die grotendeels van de landbouw moest leven. Omdat in die dagen elke dag op elkaar leek, vergat hij op een zondag te gaan preken. Hij was druk met de koeien bezig op het land, toen hij de klok hoorde luiden. In afwachting van de dominee las de schoolmeester het ene kapitteltje na het andere. Waarom waren er zandlopers in de kerk? Die waren geplaatst door de overheidsdienaren. Ze zaten in de ‘regeringsbank’ en wilden best naar de kerk, maar het moest niet te lang duren. Er stond boete op te lang preken. De dienst mocht gemiddeld 1,5 tot 2 uur duren. Toen ds. Ledeboer van Benthuizen in het vuur van zijn betoog zat, en zag dat de zandloper verstreken was, keerde hij hem om met de woorden: ‘Broedertjes, we nemen nog een glaasje!’ Dat de zandlopers soms wel nuttig waren blijkt uit het voorbeeld van een Gronings predikant in de 18e eeuw, die zo lang preekte, dat er ’s middags geen kerk meer gehouden kon worden.

Fernhoud-zin
Het is altijd een goede reclame voor de preek, wanneer kerkgangers na het amen verbluft constateren dat het al zó laat is. Ds. K. Fernhoud stond bekend om zijn lange zinnen. Men zat met ingehouden adem te luisteren naar een echte Fernhout-zin, die zo lang kon zijn, dat het onmogelijk leek hem op natuurlijke wijze te doen eindigen. Er was ook een predikant die zich geoefend had hoeveel woorden hij in één ademtocht kon zeggen. Ook vond een prediker zijn preek zo belangrijk dat hij geen tijd wilde besteden aan het gebed en dat afraffelde zodat de stichting verloren ging.

Jozef in de put
Op een keer was ds. Beets aan de geschiedenis van Jozef bezig toen hem gezegd werd dat de tijd voorbij was. ‘Maar broeder, hij zit pas in de put! Moet hij daar nu een volle week blijven? Dat is onhistorisch bovendien. Maar, nietwaar, wie God bewaart is wél bewaard, ook voor langer dan een week. Amen!’ Een professor uit Groningen eiste dat de klok in de kerk stilgezet werd, want dat ding irriteerde hem. William Huntington zag eens een kerkganger op zijn horloge kijken, en toen zei hij: ‘Wij preken niet per uur mijnheer!’ Luther geeft ons een goede les: ‘Eerst moet je leren de preekstoel te beklimmen, daarna leer je om er een poosje op te staan, en ten derde moet je ook leren er weer af te komen.’

Mijne hoorders
In de 19e eeuw was men gewoon de gemeente toe te spreken als ‘mijne hoorders’ of zoiets dergelijks. Een gevangenispredikant hief zijn preek aan met ‘hooggeachte celbewoners’. Ook was er een voorganger die zich bij elk rustpunt in zijn preek de uitlating ‘m’n broeder’ liet ontvallen. Een ander sprong van de ene volzin in de ander over door het vluchtheuveltje ‘gemeente’, dat gemakshalve echter ingekort was tot ‘gmeente’. Er was ook afwisseling: zo kwam het ‘mede-reizigers naar de eeuwigheid’ ook voor; af en toe trok men dit uit tot ‘mede-reizigers naar die hele grote eeuwigheid’. Ook zei iemand: ‘mede-opgeschrevene ten dode…’

Brouwen was deftig
Vroeger werd het wel deftig gevonden als een dominee brouwde. Zo was er een kandidaat die in een eenvoudige omgeving opgegroeid was, en normaal praatte, die, eenmaal op de preekstoel, ging brouwen, omdat dat zo voornaam stond. Iemand stopte daarna een briefje in de collectezak met de boodschap:

Weerhoud, o Heer, Uw knecht
dat hij zijn hart niet hecht
aan dwaze hovaardij.’

De kandidaat schrok wel van dit briefje, maar ging ’s middags rustig door.
Hij gaf als eerste psalm op:

Dus kgijg ik van mijn plicht,
O God, een klaag begicht,
Wat is ’t vooguitzicht schoon!

Zoon des donders, examinator
Rooms-katholieken raden aan om op de kansel een leeuw te zijn, in de biechtstoel een lam, aan het altaar een engel. Vroeger werd het in protestantse kring als verdienste gezien als men zich als een briesend leeuw op de kansel gedroeg. Het was bedoeld als grote lof als een prediker als een Boanerges, ‘zoon des donders’ werd betiteld. Toen een kandidaat examen moest afleggen kreeg hij de vraag voorgeschoteld: wat is het geslacht van het woord wijsheid? Waarop hij zei: ‘Mannelijk, professor.’ De professor ging hier creatief mee om: ‘Heel goed, mijnheer, want u bedoelt natuurlijk: vrouwelijk, bekend als gij zijt met de regel dat woorden met de uitgang ‘heid’ niet mannelijk zijn.’

In Amerika
Van predikanten die moeite hadden met het Engels zijn ook aardige anekdoten bekend. Bij aankomst in Amerika zei een Nederlandse man: er zijn hier erg veel rooms-katholieken. Een ander vroeg hem hoe hij dit wist. ‘Wel,’ zie hij, ‘Kijk maar eens om je heen: overal zie je huizen waar met grote letters op staat: ROOMS.’ Ook was er eens een predikant die, hoewel de Engelse taal nog niet helemaal machtig, een huwelijksdienst moest leiden. Hij deed hierin de opzienbarende uitspraak: ‘Thou shalt be one beef’ (Gij zult één rundvlees zijn). Dit moest natuurlijk zijn: ‘…flesh…’

Overige
De ‘schetsprekers’ zijn vrij talrijk. Aan een geschreven preek komen ze niet toe. Maar alleen de begaafden brengen het er goed af. Toen ds. C. van der Meulen, de bekende emigrantenpredikant uit Amerika, voor het eerst moest voorgaan, preekte hij over de tekst: ‘Daarom richt weder op de trage handen en de slappe knieën.’ Omdat de preekstoel een dominee er weer bovenop kan helpen, werd het wel genoemd: de houten dokter. Ds. Smytegelt had een lijmerige preektoon.

Gepubliceerd in juni 2006

Advertenties