Refogeschiedenis in perspectief

n.a.v. Fred van Lieburg (red.), Refogeschiedenis in perspectief. Opstellen over de bevindelijke traditie, Heerenveen 2007

– Gelukkige volken hebben geen geschiedenis, zegt een spreekwoord. Naties die nooit oorlog hebben gevoerd, of landen die nooit rampen hebben gekend, hebben historisch weinig te vertellen. Krijgen volken pas een geschiedenis als ze zich ongelukkig gaan voelen? Gaan groepen pas over hun verleden nadenken zodra hun bestaan, hun zelfbeeld of hun identiteit een probleem geworden is?
– Kenmerkend voor een term als ‘refo’s’ was de kerkoverstijgende betekenis. Aanvankelijk had de term de klank van een scheldwoord, de laatste jaren heeft het voorvoegsel ‘refo’ echter steeds meer een neutrale betekenis gekregen. De term ‘bevindelijk gereformeerden’ is de meer uitgebreide tegenhanger van het begrip ‘refo’s’. Deze term burgerde pas echt goed in door het boek van C.S.L. Janse, Bewaar het pand.
– Zonder de politieke triomf van het neocalvinisme en het vanuit deze stroming gelanceerde antibevindelijkheidsoffensief is de uiteindelijke opkomst van de reformatorische zuil niet te begrijpen. De op de Nadere Reformatie teruggaande bevindelijkheid heeft zich na 1892 in de GKN veel minder dominant kunnen ontwikkelen dan bijvoorbeeld in de Gereformeerde Gemeenten of de Gereformeerde Bond. Een beroep op de onversneden leer van Genève en Dordrecht leidde in laatnegentiende-eeuws Nederland blijkbaar niet per definitie tot aanvaarding van de conclusies die Van der Groe daaruit getrokken had.
– Dat wil natuurlijk allerminst zeggen dat er op het grondvlak van het kerkelijk leven geen mensen waren die deze bevinding nog wel degelijk praktiseerden. Bij gebrek aan positieve respons in het neocalvinistische klimaat, in het bijzonder van de zijde van de predikanten, weken de representanten van deze bevindelijke spiritualiteit echte al spoedig uit naar ‘zwaardere’ kerkgenootschappen dan de GKN.
– A.A. van Schelven schreef in 1913 De bewerking van eene piëtistisch-getinte gemeente. Bevindelijke centra in Nederland bevonden zich zelden in het gebied van de stoere Friezen en Saksen, des te meer in het door onaangename luchtvochtigheid geplaagde gebied der ‘Franken’: een letterlijk bedompte sfeer dus, typerend voor delen van het rivierenlandschap in Midden-Nederland. Bevindelijke ontsporingen dienden met tact doch op ferme wijze gecorrigeerd te worden. Volgens Van Schelven moest het wel leiden tot absenteïsme in de maatschappij – voor een neocalvinist een zwaarwegend verwijt. Hij signaleerde ook de risico’s van de bevinding in een individualistische opvatting van het geestelijk leven, die maar al te gemakkelijk kon omslaan in een als vroomheid vermomde vorm van egoïsme. Onaanvaardbaar was dit ‘voortdurend wroeten in eigen hart’.
– Van Schelvens kritiek is opvallend hard. De Veenendaalse predikant W. den Hengst, die zich in 1909 van een neocalvinistisch tot een bevindelijk gereformeerd standpunt bekeerde, maakte in 1913 de overstap naar de Gereformeerde Gemeenten en diende Van Schelven van kritiek. Gebrek aan bevinding zou het neocalvinisme nog eens zwaar opbreken, zo meende hij, juist door zijn zelfverzekerdheid. Van Schelvens geadviseerde ‘bewerking’ lijkt resultaat te hebben gehad.
– Bij onderlinge vergelijking blijkt dat de inhoud van gereformeerde kerkenraadsnotulen tussen 1892 en 1944 in hoge mate gestandaardiseerd is. Het valt dan ook te betreuren dat de geschiedschrijving van zo menige gereformeerde kerk zo eenzijdig gebaseerd is op juist deze kerkenraadsnotulen. Persoonlijke getuigenissen van gemeenteleden zijn te vinden in brieven, dagboeken, poëziealbums, schriften met geestelijke aantekeningen. Bevindelijke accenten komen daarin opvallend vaak voor. De waarde van dergelijke egodocumenten is des te hoger omdat we er zo vaak de stem van vrouwen in beluisteren. ‘Niet tobben maar actie’: een fundamentele twijfel ten aanzien van de eigen heilsverzekerdheid was blijkbaar een diep doorleefde beleving, maar kreeg in het gereformeerde gemeenteleven slechts weinig mogelijkheden om tot uiting te komen. Voor de expressie ervan dienden de egodocumenten, die dan ook behoorden tot de strikte privésfeer.
– Het lijkt dat vrouwen zich vrijmoediger over hun religieuze gevoelsleven uitten dan de meeste mannen. Achter de façade van de door Van Schelven en Dijk gewenst kloekheid konden ook bij de man weifelingen schuilgaan, die buiten de intiemste kring naar buiten toe zorgvuldig verborgen gehouden werden. Het contrast tussen de zekerheid waarmee de Kamper hoogleraar G.M. den Hartogh zich opstelde in het conflict van 1944 en diens levenslang periodiek terugkerende geloofstwijfel en angsten, springt in het oog.
– Voor neocalvinisten bestond er geen hoger doel dan een verantwoordelijke plaats in te mogen nemen in de door God geschapen werkelijkheid. De neocalvinisten interpreteerden de predestinatie als een deterministische opvatting van héél de werkelijkheid. Het persoonlijk zielenheil was evenmin als de hemel onbelangrijk, maar ten opzichte van deze grootse neocalvinistische visie aangaande ’s mensen taak op aarde volstrekt secundair.
– Bij het beruchte Scopes trial (apenproces) in Amerika werd voor het eerst het woord Bible Belt gebezigd. Positief is deze denotatie bepaald niet. Maar waar het in Amerika een dominante, agressieve en zelfbewuste meerderheidscultuur was, is dat in Nederland niet zo. Jan Dirk Snel pleit daarom voor een nieuwe term: de Refoband. Als geheel is de Hersteld Hervormde Kerk een prachtige afspiegeling van de Refoband. Het gaat in Nederland om een significante minderheid, die opvalt, zichtbaar aanwezig is en een stempel op het publieke leven kan drukken.
– De refocultuur gedijde alleen binnen een bredere orthodox-protestantse cultuur. De vraag is dus niet waarom bevindelijkheid ergens wel voorkomt, maar waarom het verschijnsel in andere protestantse delen van Nederland grotendeels verdwenen is. Zeeland gaat de hele eeuw aan kop, Gelderland lijkt wat te stijgen, wat mogelijk duidt op een zekere concentratie in de eigenlijke Refogordel. Overigens is de regionale relatieve spreiding iets heel anders dan het absolute aantal kiezers. Al vanaf 1922 is meer dan 40 procent van het SGP-electoraat in Zuid-Holland gesitueerd.
– Het is evident dat binnen de Refoband een cultus van de oude schrijvers bestaat, maar dat wil niet zeggen dat de huidige bevindelijkheid een rechtstreekse nakomeling is. Uiteraard zal er een zekere ideologische continuïteit zijn, maar nauwelijks geografische continuïteit. De Nadere Reformatie was als beweging vooral te vinden in stedelijke centra, met de classis Schouwen-Duiveland als ‘kraamkamer’. Voor het ontstaan van het huidige patroon van de Refoband zullen we in de 19e eeuw moeten zoeken.
– Door bijbelvertaling, psalmberijming, gezang, kleding, polio-epidemieën en de televisiecultuur zijn bevindelijken opeens een maatschappelijk afwijkend element geworden.
– Een belangrijke vraag is: waarom ligt de Refoband daar en niet elders? Waarom strekt de Refoband zich bijvoorbeeld niet boven Staphorst uit, op sommige kleinere exclaves in bijvoorbeeld Friesland na? De drie noordelijke provincies zijn vanouds de meest gereformeerde en waarom is daar de bevindelijkheid verdwenen? Velen hebben de observatie gedaan dat de Refoband ongeveer aanligt tegen de oude bestandsgrens uit de jaren 1609-1621. Daarachter liggen de katholieke gebieden in Brabant en Twente. Het zou gaan om een frontgrens tegenover het katholicisme. Was het de directe (katholieke) dreiging van buiten die een sterkere beleving van het geloof en een sterker vasthouden aan de geloofsleer in de hand gewerkt hebben?
– De Noordrand (Noord-Holland, Friesland, Groningen en ook Drenthe) waren afwijkend en modern van karakter. En waar de moderniteit heerst, is de bevindelijkheid afwezig. Vooral Noord-Holland en Friesland behoorden tijdens de Republiek al tot de gebieden met moderne economieën, die veel bijdroegen aan de welvaart en de inkomsten van de Republiek. We onderscheiden twee soorten moderniteit: een materiële (onkerkelijkheid en vrijzinnigheid) en een formele (kuyperiaanse gereformeerdheid, het neocalvinisme).
– Het aantal orthodoxe protestanten in het noorden was niet eens zo laag. Maar door onkerkelijkheid, onkerksheid en vrijzinnigheid is er wel een situatie van religieuze pluriformiteit en diversiteit geschapen. In Friesland en Groningen zijn vaak ook scherpe sociale en politieke tegenstellingen ontstaan. De oude eenheid van de cultuur verdwijnt daardoor in ieder geval, in veel sterkere mate dan in de plattelandsgemeenschappen uit de Refoband. De bevindelijken in de vorm van staatkundig-gereformeerden polemiseerden altijd sterk tegen de antirevolutionairen. Terwijl die in de zuidelijke Protestantenband, dus de Refoband, kennelijk een variant vormden binnen de Protestantenband, waren ze in het noorden vaak het enige alternatief naast de vrijzinnigheid en onkerkelijkheid.
– Je kunt in het neocalvinisme een vorm van formele moderniteit zien. Het was antimoderniteit in een modern jasje. Men ging de confrontatie met het moderne denken aan en probeerde een alternatief te ontwikkeling. Dat was bij voorbaat een verloren strijd. De bevindelijken moeten daar iets van gezien hebben en daarom keerden ze zich ertegen. Ze wisten dat je beter tegen de moderniteit kunt strijden door de inhoudelijke confrontatie te vermijden en je alleen innerlijk af te sluiten. Het ophouden met het zingen van Evangelische Gezangen is een mooi voorbeeld: traditioneel zijn door te breken met wat men allang deed.
– Een van de dragende elementen van het bevindelijk gereformeerde geloof is de wedergeboorte of bekering. Het bevindelijke hart, schreef ds. W.C. Lamain, zit vol angst en zorgen. Het kent veel strijd over de vraag of God begonnen is of zij zelf begonnen is. Het wordt ook geplaagd door mensen die zeggen: u moet geloven.
– Bij het Engelse puritanisme diende de zichtbare kerk een afspiegeling te zijn van de onzichtbare kerk. Het belangrijkste middel daartoe was het vragen van een persoonlijk geestelijk getuigenis bij toetreding. Hieruit is de traditie van de schriftelijke spirituele autobiografie ontstaan. De verklaring voor de opkomst van de piëtistische bekeringsmorfologie is tweevoudig. Het is ‘de ontdekking van het zelf’. De psychische binnenwereld werd in deze religieuze culturen serieuzer genomen dan voorheen; gevoelens en emoties kregen een grotere waardering. Ook had het te maken met het feit dat de samenleving in toenemende mate gekerstend raakte en steeds meer mensen lid werden van de gereformeerde kerk, waardoor de piëtisten toen een vraag stelden die in de 16e en de eerste helft van de 17e eeuw nog nauwelijks speelde: hoe kunnen in een grotendeels christelijke samenleving, waarin bijna iedereen tot een kerk behoort, de ware gelovigen onderscheiden worden van de naamchristenen? Vandaar dat de syllogismus mysticus zijn intrede deed.
– Het Nederlandse piëtisme werd gevormd door talloze lokale groepsculturen die elk een eigen variant van het piëtistische bekeringsverhaal vertegenwoordigden. Volgens Graafland is er bij Calvijn geen uitgewerkte heilsorde aan te treffen. Spoedig na hem veranderde dat. In de 17e-eeuwse gereformeerde theologie werd de scholastiek geïntroduceerd. Bedoeld voor de academie, drong in de loop der tijd via de kansel de scholastieke methode door in de geloofsbeleving. Op de kansel leidde dit tot een kenmerkenprediking.
– Alexander Comrie was beducht voor elke vorm van ‘remonstrantisme’ en lokaliseert de zogenaamde ‘eerste’ rechtvaardiging daarom in de eeuwigheid. In de tijd wordt de mens dan door de wedergeboorte ‘levendgemaakt’ zonder dat hij nog bewust gerechtvaardigd is. De ‘hebbelijkheid’ (habitus) van het geloof is dan al aanwezig, de ‘dadelijkheid’ (actus) komt later tot ontwikkeling. Daarmee bracht hij een scholastiek onderscheid onder het gewone volk. Volgens Comrie was de ‘levendmaking’ het fundamentele beginpunt van het geloof; de in het hart ervaren geloofszekerheid rekende hij tot het ‘welwezen’, dat niet noodzakelijk was om zich zalig te weten. Comrie’s theologie heeft in de 19e en 20e eeuw grote invloed uitgeoefend.
– Een smalstroom in het gereformeerde piëtisme rekende de zekerheid tot het wezen en eigenlijke begin van het geloof. Een belangrijke representant van deze visie was Theodorus van der Groe. Dit was een reformatorisch beginsel, maar het kreeg bij Van der Groe een negatieve uitwerking door zijn voortdurend fulmineren tegen alle voorafgaande geestelijke ervaringen, die niet overbodig maar wel onvoldoende waren.
– Calvijn had wedergeboorte, geloof en zekerheid in één greep bijeengehouden, in de praktijk bleek dit echter voor velen onhaalbaar.
– Bepaalde aspecten zijn als cliché in de spirituele autobiografieën aan te treffen: die aspecten zijn opgeschreven omdat ze volgens de normatieve weg heilsnoodzakelijk waren, maar je kunt je afvragen of het subject ze werkelijk heeft beleefd.
– In de ‘drie stukken’ raakt de piëtist nooit uitgeleerd. Daarom zeiden doorgeleide christenen tegen jongelingen in de genade en beginnelingen op de weg: welkom in de strijd!
– Bepaalde conventikels werden bevolkt door strenge ‘keurmeesters’ voor wie (een variant van) de piëtistische bekeringsweg als dwingend systeem functioneerde.
– Piëtistische predikanten waarschuwden tegen het misbruik van de bekeringsweg als een geestelijke dressuur. Ds. A. Moerkerken publiceerde in 1979 een theologische verantwoording van de stadia van het geestelijk leven. Er is hier sprake van een tendens tot uniformering van de bevinding. Niet elke dominee heeft hem dat in dank afgenomen. Ds. F. Mallan bijvoorbeeld is een overtuigd voorstander van de stadia, maar vindt Moerkerkens visie te ‘gestaltelijk’, er wordt te veel waarde toegekend aan de ervaringen voorafgaande aan de rechtvaardiging, waardoor het risico aanwezig is dat de zekerheid niet meer als eis gesteld wordt en dat een ziel met de ‘levendmaking’ tevreden is.
– De verzuilingsdynamiek heeft geleid tot een desintegratie van de narratieve gemeenschap omdat roldefinities de noodzaak van bevinding zijn gaan overheersen. Op de klacht dat er weinig doorbrekend werk te vinden is, zijn in de tweede helft van de 20e eeuw twee reacties gekomen. De eerste reactie is die van evangelicalisering, dat wil zeggen een wending tot de Engelstalige evangelicale traditie. De tweede reactie is die van musealisering. Veel participanten belijden zelf geen deel te hebben aan de waarheid en worden daarin gevoed door een door reformatorische uitgevers geïnitieerde commercialisering van het piëtistische erfgoed: oude bekeringsgeschiedenissen worden op grote schaal in fraaie banden heruitgegeven, het tijdschrift Oude Paden zingt de lofzang op ‘het oude volk’. De evangelicalisering betwist de bovenbouw haar gezag, de musealisering ontneemt de onderbouw haar zeggingskracht.
De Saambinder kent na de jaren vijftig minder ‘piëtistische idioom’ dan in de eerste helft van de 20e eeuw. In plaats van de Tale Kanaäns komen andere onderscheidingscriteria: in conflictsituaties begint men het wezenlijke te maskeren door kwesties van secundaire aard op te werpen en dááraan wordt dan de ander getoetst. Het onderscheid tussen bijzaken en hoofdzaken wordt dus opgeheven. In de middengroep der bevindelijkheid lijkt men dus iets te zoeken, een nieuw evenwicht, nu de Tale Kanaäns geen ankerplaats meer is. Zo neigde men er toe om de normen voor het dagelijks leven gedetailleerder te gaan stellen. Sobere kleding in bepaalde gemeenschappen had een maatschappij-kritische functie: men droeg in perioden van welvaart bijvoorbeeld ouderwetse kleren uit weerzien tegen de nieuwe mode die als luxe beschouwd werd. Wat oorspronkelijk protestgedrag was, kon in de loop der jaren gemakkelijk veranderen in een groepskenmerk. Kledingvoorschriften doken pas later op toen de refozuil geconstrueerd werd (vooral op scholen).
– Veel predikanten refereren aan een soort ‘oersituatie’ waarin alles nog ‘goed’ was. Men is het erover eens dat de wereld van de ‘oude vromen’ voorgoed verleden tijd is geworden.
– In de gemeente wordt steeds meer een derde groep onderscheiden naast de gearriveerde gelovigen en de duidelijk onbekeerden. ‘Zij leven niet meer in het duister, doch ook nog niet in het licht’. Sociologisch gezien wordt hierdoor een categorie gemeenteleden opgewaardeerd!
– Een lid van de Gereformeerde Gemeenten zegt: ‘De groep die zich niet bij Gods volk durft voegen en ook niet in de wereld zich thuis voelt is niet gering. Deze groep heeft praktisch geen aandacht. (…) Hebben bijna alle kenmerken van de bekeerden buiten de Avondmaalsgang om. Predikanten beoordelen deze groep vrijwel neutraal, om niet in conflict te komen met de bekeerden. (…) Door predikanten wordt deze groep ook wel gebruikt bij gebrek aan bekeerlingen als bewijs van een zeker beslag dat nog van hun prediking uitgaat’.
– De christelijk-gereformeerden namen een middenpositie in tussen de neocalvinisten en de bevindelijken. Ds. J.H. Velema zei: ‘Als het regent in de Geref. Kerken, drupt het in de Chr. Geref. Kerken’. Zowel de reformatorische zuil als de evangelische beweging oefende aantrekkingskracht op ze uit. Men wijst het neogereformeerd optimisme af alsmede het bevindelijk negativisme. ‘Neem de krant. Aan Trouw moet een goed gereformeerd mens zich elke dag bijna ergeren. Maar het Ref. Dagblad (…) heeft de neiging zowel de Geref. Bond als de Chr. Geref. Kerken aan het lezerspubliek als minder zuiver voor te stellen vanuit eigen geestelijke hoogmoed’.
– Naar aanleiding van het televisiebesluit van 1965 besloten de bevindelijke christelijk-gereformeerden zich te organiseren rond het een jaar later opgericht blad Bewaar het Pand. Dit leidde tot een toenemend, zelfgekozen isolement binnen het eigen kerkverband.
– Voor de kerken die zich ter linkerzijde positioneerden was de reformatorische zuil van meet af geen optie. Leden uit deze kerken bleven zich inzetten binnen de vertrouwde, maar van kleur verschietende organisaties. Ook kon het gebeuren dat christelijk-gereformeerden die in de kerk nieuwe vertaling gebruikten en op de jeugdvereniging opwekkingsliederen zongen toch hun kinderen naar reformatorische scholen stuurden: ‘Als we bezwaren hebben tegen bepaalde accenten in het reformatorisch onderwijs, dan zijn die gering bij de bezwaren die we moeten hebben tegen protestants christelijk onderwijs waar de moderne theologie ingang heeft gevonden’.
– Veel opschudding veroorzaakte het abortusstandpunt van twee predikanten in 1985.
– Het deel van de CGK dat thans bevindelijk te noemen is en daarbij ook grotendeels in de reformatorische zuil participeert, is te taxeren op 40,7 procent. Slechts 15,5 procent valt echter te rekenen tot de kerken rond Bewaar het Pand. Ds. Velema zei in 1985: ‘Geen verschil in leer scheidt ons, maar een verschil in praktijk op diverse punten brengt scheiding aan’. Daar viel mee te leven.
– Wie op zondagmorgen, even voor de klok van tien uur, plaatsneemt in een kerkgebouw dat toebehoort aan een gemeente van reformatorische signatuur, verplaatst zich, naar het woord van Anne van der Meiden, een aantal eeuwen terug in de tijd. Een reformatorische dienst is een hele tijdreis. Voor bevindelijk gereformeerden is het religieuze verleden niet slechts inspirerend, maar richtinggevend: ‘Delen wij in de zaken van de Reformatie? (…) Mag ik daar nou iets van kennen? Mag ik daar nou iets van beleven?’ Rond de jaren zestig verloren steeds meer westerse burgers, gefascineerd als zij waren door sociale, politieke en technologische vergezichten, het gevoel dat hun participatie in de samenleving gebaat zou zijn bij oriëntatie op het verleden. Maar in de gereformeerde gezindte is dit uitgebleven. Gods volk, klinkt het, wordt steeds zeldzamer. ‘Ach, waar mag de genade des ouden tijds wezen’.
– A.A. van Ruler verweet de ultra-gereformeerden ‘gnostiek’ – al in de eerste eeuwen van het christendom beschouwd als grove ketterij. ‘Dit zijn – christelijk genomen – allemaal barbaarse en boos ketterse gedachten’.
– Bevindelijk gereformeerden hebben weinig op met de historiciteit van het religieuze bestaan. Uit naam van deze historiciteit hebben christenen in de afgelopen anderhalve eeuw van zoveel verhalen, opvattingen en godsdienstige praktijken afstand genomen, dat een zekere huiver ten opzichte van deze historiciteit verklaarbaar is: antihistorisme. Historisme is dan: het idee dat mensen, opvattingen en praktijken van tijd tot tijd kunnen verschillen en daarom niet goed begrepen kunnen worden zonder te letten op hun historische context.

Gepubliceerd in juni 2009