Religion and the People of Western Europe 1789-1989

n.a.v. Hugh McLeod, Religion and the People of Western Europe 1789-1989, Oxford/New York 1997

1. De Revolutie
I. De Franse Revolutie begon heel godsdienstig: geen vergadering of de hemel werd aangeroepen en geen succes of het Te Deum werd aangeheven. Het was niet meer ‘troon en altaar’ maar ‘revolutie en altaar’. Elf jaar later kwam de paus bij Napoleon voor een verdrag en werden duizenden Franse parochiepriesters uit hun gevangenschap bevrijd. Geschiedenis ging snel in deze jaren 1789-1802. De Revolutie wilde de kerk helemaal niet vernietigen, maar herscheppen naar hun eigen beeld. In het eerste jaar van de Revolutie verloren de geestelijken veel privileges: de tienden werden afgeschaft, kerklanderijen onteigend, monniken en nonnen werden vrijgemaakt van hun eden, maar ook: vrijheid van godsdienstuitoefening en gelijke burgerrechten kwamen er voor niet-katholieken. De geestelijkheid werd door de staat betaald en verkozen net als de burgerlijke ambtenaren. De banden tussen de Franse katholieken en Rome werden tot het minimum afgesneden.

De makers van de Burgerlijke Grondwet (1790) waren naïef en hoopten dat de hergeformeerde kerk de nationale eenheid kon blijven uitstralen, en loyaliteit aan het nieuwe regime ging bewijzen. Al snel werd duidelijk dat religie de grootste bron van verdeeldheid tussen Fransen werd. Bisschoppen en andere geestelijken werden genegeerd in hun kritiek. Toen de geestelijkheid een eed van loyaliteit aan de Grondwet moesten afleggen, weigerde ongeveer de helft. Zo kreeg Frankrijk twee rivaliserende katholieke kerken. Want in overeenstemming met de principes van de godsdienstvrijheid hadden de eedweigerende geestelijken en hun volgelingen dezelfde rechten als elke sekte.

Dit regime van tolerantie duurde een half jaar, daarna werden eedweigerende gemeenten soms overvallen door revolutionaire militanten. In veel plaatsen bleef men de oude priester volgen en moesten ze niets van de nieuwe indringer hebben. De revolutionaire voorhoede kreeg veel zelfvertrouwen en werd agressief. Honderden priesters werden vermoord, de Revolutie ging zich tegen de constitutionele kerk keren. Er kwam een groeiende tendens van burgerlijk ritueel zonder kerkelijke steun.

Het begin van een nieuwe Reformatie leek zich aan te dienen, waarin het christendom zelf doelwit was. Het burgerlijke huwelijk werd geïntroduceerd: de eerste stap naar een seculiere staat was gemaakt. De Revolutie beleefde haar meest radicale fase in de tweede helft van 1793, toen men een complete breuk met het verleden wilde. In oktober werd bijvoorbeeld een nieuwe kalender geïntroduceerd en een programma van geforceerde ontkerstening begon. Praktiserende christenen werden voortaan ‘fanatiekelingen’ genoemd. Men wilde de versplinterde nationale eenheid herbouwen door haar katholieke tradities te verwoesten.

De nieuwe focus op authentiek religieus en moreel gevoel kwam in de cultus van de Rede en de Vrijheid. In heel Frankrijk werden kerken Tempels van de Rede, en mooie tienermeisjes uit goede republikeinse families acteerden als godin van de Rede of van de Vrijheid. Grote druk werd uitgeoefend op de constitutionele geestelijkheid om af te treden. Velen deden dat, inclusief de helft van de bisschoppen. Sommigen bleven in hun parochies en voerden katholieke rituelen uit op verzoek van hun parochianen.

Verlichting kwam er door de coup van 27 juli 1794, toen de dominantie van de gemiddelde bourgeoisie hersteld werd. Hun oplossing voor het religieuze probleem was de formele scheiding tussen kerk en staat, en de vrijheid van godsdienstoefening achter gesloten deuren – maar niet het klokkenluiden en processies door de straten. Langzaam gingen de kerken weer open en kwamen de priesters terug uit hun ballingschap. In 1796 lijken delen van Frankrijk een religieuze revival door te maken. Illegale processies en pelgrimages begonnen weer. In 1795 en 1796 werd er veel honger geleden en was men vermoeid van de Revolutie en had men het gevoel dat het lijden van het volk misschien een straf was voor hun verwerping van de kerk; dit gaf weer een nieuwe impuls aan het katholicisme. Ergens werd gezegd: ‘Toen God hier was hadden we brood’. Klokken werden weer geluid (de wet ten spijt), crucifixen weer gedragen en broederschappen geconstitueerd.

II. Geforceerde ontkerstening faalde want de miljoenen Franse ‘fanatiekelingen’ konden niet gespeend worden van hun ‘bijgeloof’. Het werkte zelfs contraproductief. Het maakte religieuze verschillen doorzichtig die allang bestonden maar dan onder de oppervlakte. De gewelddadige verwerping van katholicisme was vooral een stedelijk fenomeen. Het eerste teken van de diepe verschillen in religieus Frankrijk was dat niet alle geestelijken de eed van loyaliteit wilden afleggen. In steden waren eedweigeraars vaak in de meerderheid, maar op het platteland varieerde de proportie van eedafleggers enorm. Extreem was de Var, nu ongeveer de minst devote provincie van Frankrijk, waar 96 procent de eed aflegde. In het nog steeds solide katholieke Morbihan was dat slechts 10 procent.

De eedweigerende bolwerken zijn gebieden waar nu de katholieke praxis het hoogst is, terwijl in de eedafleggende gebieden de kerk nu zwak is. Het lijkt erop dat enthousiasme voor de Revolutie het sterkste was in die sociale klassen en regio’s waar de greep van de katholieke kerk relatief zwak was. De gebeurtenissen van de Revolutie verscherpte deze tendens doordat patriotten steeds meer vervreemden van de kerk, en versterkte de katholieke loyaliteit van hen die de Revolutie als een regime van honger, terreur en oorlog zagen.

De groep die het meest voor de Revolutie was, de bourgeoisie, was vaak lauw in haar katholicisme, terwijl de meest devote klasse, de boeren, er het minst mee hadden. De handwerkslieden neigden óf naar ultra-radicalisme óf tegen-revolutie, en de armste delen van de bevolking waren grotendeels geïsoleerd van zowel de kerk als de politiek.

De Burgerlijke Grondwet sloot de geestelijkheid uit van veel publieke ambten, en verplaatste sommige van hun bevoegdheden naar lokale autoriteiten, gedomineerd door een vaak antiklerikale bourgeoisie, die de geestelijkheid als rivalen zag. De vele dorpsgemeenschappen die hun priester als burgemeester hadden gekozen gaf de voorkeur aan een leider die ze vertrouwden, de armere leden van de bevolking vreesde dat de secularisatie van liefdadigheid minder liefdadigheid zou gaan betekenen. Waar de eedweigerende priesters uit hun parochie werden gezet, bleven de kerken leeg, terwijl grote scharen samenkwamen in op zichzelf staande kapellen of in de open lucht voor diensten die geleid werden door hun oude priesters.

De Revolutie heeft de trend naar religieuze onverschilligheid in sommige delen van Frankrijk verhaast. In grote steden, sommige dorpen en kleine steden, de Bourdeaux-regio, het gebied ten zuiden van Parijs en de kustgebieden van Languedoc is er duidelijk sprake van verval gedurende de 18e eeuw. Dit waren allemaal gebieden die gekenmerkt werden door katholieke zwakte en soms vergevorderde ontkerstening in de 19e eeuw. Het waren ook gebieden die in de jaren 1790 werden overheerst door de constitutionele kerk. De langdurige sluiting van kerken en absentie van priesters zorgden voor het verlies van de gewoonte van kerkgaan bij sommigen en anderen waren ziek van het bittere conflict tussen de constitutionele en roomse geestelijkheid en besloten neutraal te blijven. Maar ondertussen groeiden hun kinderen op zonder instructie, confessie en eerste communie en trouwden niet in de kerk.

Niet alleen opende de Revolutie voor velen de weg naar religieuze onverschilligheid, het initieerde ook een grote oorlog tussen katholiek en antiklerikaal (inclusief een invloedrijke minderheid van protestanten!) Frankrijk. Dit zou in de 19e eeuw plaatsvinden. De gewelddadige ontkerstening van het Jaar 2 bracht twee verschillende antikatholieke gevoelens samen: de filosofie van de 18e-eeuwse Verlichting en de traditie van populair antiklerikalisme. De verbindende draad tussen hen was het geloof dat het christendom de krachten van politieke reactie voedde.

De filosofie van de 18e eeuw hield in dat mensen alleen door het gebruik van de rede de wereld konden begrijpen en leefregels formuleren. De basisbron van ’s mensen ellende ligt niet in de erfzonde, maar in onwetendheid, en door rede, wetenschap en onderwijs kan de meeste narigheid worden tenietgedaan. Tegelijk met de rede, was de andere veilige geleide voor de mens de natuur: de natuur beveelt dat aards geluk moet worden nagestreefd. We moeten genieten van de goede dingen van het leven. Het beste middel tot een goed leven was hedonisme noch ascetisme, maar het zijn van een goed burger. De geliberaliseerde religie van Rousseau geloofde in een welwillende Schepper, die zichzelf openbaarde in de natuur, en wiens geboden in volkomen harmonie met de menselijke rede zijn.

Er is bewijs genoeg voor de toenemende secularisatie in vele gebieden van het Franse leven tussen 1750 en 1789, een periode die begint met de Encyclopaedia, en samenvalt met de tijd dat de prestige van de Franse filosofen op z’n hoogst was. Het is echter onwaarschijnlijk dat filosofie de voornaamste verklaring van het verval kan zijn. Er is geen twijfel over dat de ideeën van de Verlichting de religieuze politiek van de revolutionaire vergaderingen vanaf 1789 beïnvloedde, maar zonder twijfel noemden de meeste leden van de Constitutionele Vergadering zich katholiek, en alleen in 1792 durfden sommigen zich ‘ongelovigen’ te noemen. Maar de religie van veel bourgeois katholieken was in sommige belangrijke opzichten anders dan de meerderheid van de geestelijkheid.

De Constitutionele Vergadering werd geleid door utilitarische overwegingen in de hervormingsplannen van de kerk. De kerk bestond in hun visie voor het dienen van het volk; onnodige elementen zoals monniken en nonnen moesten verdwijnen en de structuur van de kerk moest worden gerationaliseerd. Het kerkvolk moest haar eigen pastors kunnen selecteren. Kandidaten voor deze functie hoefden geen religieuze toets te ondergaan. Men was totaal niet ontvankelijk voor de gevoelens van de geestelijkheid, de Burgerlijke Constitutie was immers een fait accompli, de kerk kreeg zelfs niet de minste autonomie die het gehad had onder het oude regime. De Constitutionele Vergadering probeerde – en faalde – de kerk te moderniseren. Bijvoorbeeld Couthon, die dichtbij Robespierre stond: hij geloofde dat de mens goed is geboren, maar corrupt wordt door slechte instituties, zoals de kerk. Hij bestreed fel het priesterschap en zei dat God geen altaar maar het hart nodig heeft, geen tempel, maar de wereld waarvan Hij Architect is.

In 1793-94 waren het vooral mannen die de leiding namen kerken te sluiten, en het waren vaak vrouwen die ze open probeerden te houden. Aanvallen op de kerk waren voor een deel een aanval op een wereld waarin vrouwen vluchtten van de directe controle van hun echtgenoten, en aanvallen op de geestelijkheid waren voor een deel een product van mannelijke jalousie. In een tijd waarin religie de contrarevolutie leek te voeden was deze gedeeltelijke onafhankelijkheid van vrouwen dubbel zo gevaarlijk.

De nieuwe factor in de jaren 1790 was het geloof dat een algemene emancipatie van de katholieke kerk, en van elke vorm van christendom, mogelijk was, en de idealen van de Revolutie verstrekte een compleet programma voor de herleving van de menselijkheid. De geestelijken moesten dus twee heren dienen: God en Revolutie. Katholieke processies werden vervangen door processies met beelden van de revolutie-martelaars. Republikeinse slachtoffers van de contrarevolutie werden heiligen, en de plaatsen van hun dood werden gemarkeerd door heiligdommen, waar frequent mirakelen gebeurden.

Het grootste gevaar was het verbond van fanatiekelingen tegen de rede. Het moest afgelopen zijn dat de ‘horror van fanatisme’ elke zondag gepreekt kon worden. Religieus onderwijs aan scholen moest aan banden, in plaats daarvan studie van de Rechten van de Mens (een document waarop vele ‘fanatiekelingen’ tevergeefs een beroep deden) en de Grondwet van 1793. De werkweek werd 9 dagen in plaats van 6, en de zondag werd nu genoemd décadi. Napoleon draaide dit allemaal weer terug, inclusief de nieuwe namen voor de maanden, zoals venôse en germinal. Begraafplaatsen werden geseculariseerd, wat een katholiek deed uitroepen: ‘Ze leggen een lichaam in het graf zonder ervoor te bidden (…) net als een Hugenoot’.

III. Het Concordaat dat Napoleon en de paus maakten (1802) zorgde voor een effectief systeem van staatscontrole over de katholieke kerk; bisschoppen werden voortaan door de regering benoemd. Napoleon wilde ook een complete integratie van de voormalige eedafleggers en eedweigeraars in de gereorganiseerde kerk; dit was een hele klus gezien de vijandschap die er tussen die twee groepen bestond. De rechtervleugel critici van het Concordaat vormde hun eigen afgescheiden organisaties, de ‘Petite Eglise’, andere onverzoende constituties hoopten op reïntegratie in de nationale kerk. In de volgende decennia vond op verscheidene plaatsen verzoening plaats; andere leiders stierven en hadden geen opvolgers. Ze lieten wel krachtige herinneringen na en sommige studies laten zien dat gebieden met grote getallen van onverzoende constituties later bolwerken werden van het 19e-eeuwse antiklerikalisme.

De ervaringen van de jaren 1790 bevestigde de meeste eedweigerende geestelijken in hun haat op de Revolutie, en hun voorkeur voor de monarchie. In de late jaren van het ancien régime was religie onder aristocraten uit de mode, maar reeds in de late jaren 1790 zien we de eerste tekenen van terugkeer van de kerk. Onder de Restoratie werd de aristocratie sterk supporter van de katholieke kerk en de klerikale macht. In deze jaren kregen de slachtoffers van de Revolutie gelijk en overtuigden dat alleen de alliantie tussen troon, altaar en kasteel een tweede catastrofe kon afwenden.

IV. Aan de conservatieve kant werd orthodoxe religie de essentiële verbinding tussen traditionele elites en hun boeren of proletarische volgelingen – en dus, in de ogen van de radicalen, opium voor het volk. Tussen het tijdperk van de geforceerde religieuze eenheid tijdens het ancien régime en het pluralisme in de 20e eeuw ligt Europa’s eeuw van religieuze polarisatie. In Frankrijk waren tijdens de Restoratie alle liberalen, radicalen en socialisten scherp antiklerikaal. Religie was een essentieel punt tussen rechts en links. In de jaren 1930 reikte het conflict tussen klerikaal en anti-klerikaal tot een dramatische climax in de Spaanse Burgeroorlog, waar 0,5 procent van de nonnen, 12 procent van de monniken, 13 procent van de priesters en 20 procent van de bisschoppen geëxecuteerd werden door de Republikeinen. Na de overwinning door de Nationalisten zorgde de alliantie tussen Franco en de kerk ervoor dat de anti-klerikale obsessie bleef voortbestaan.

In Groot-Brittannië zien we dat een conservatieve gevestigde kerk moest opboksen tegen een variëteit van afgescheiden krachten, inclusief de katholieken en secularisten, maar met de protestantse sekten in de leidende rol. Hier was kerk tegen kapel een essentieel deel van de strijd tussen de oude orde en haar vijanden. De bijzondere betekenis van de jaren 1790 voor Engelands religieuze historie is tweevoudig: in deze jaren kwamen deïsme en atheïsme op, en belangrijker: er was een grote groei van protestantse dissenters. Er kwam een scheiding tussen een conservatieve staatskerk, liberale protestantse dissenters en een radicaal secularisme. Het conflict tussen kerk en kapel was het meest intens tussen de jaren 1830 en 1880. In een doorsnee stadje was alles gescheiden tussen anglicanen en nonconformisten.

Een ander patroon van politiek-religieus conflict is dat wat we vinden in Nederland (de verzuiling) en Duitsland. Het Duitse Keizerrijk, gesticht in 1871, was een veel complexere samenleving dan Nederland. Er was een katholieke minderheid van 35 procent en de politieke en economische macht was onevenredig geconcentreerd in protestantse handen. Een ander punt was dat de katholieke minderheid samenhangend was, en protestanten waren politiek en religieus verdeeld. In Duitsland was sektarisme minder wijdverspreid, en vóór 1945 verlieten heel veel protestanten formeel de kerk, en slechts een minderheid van de protestanten nam nog deel aan het kerkelijk leven. Een groot deel van de arbeidersklasse was socialist, en velen van de middenklasse waren religieus gezien sceptische liberalen.

De systemen van Duitsland en Nederland in de laat-19e eeuw waren gelijk, maar de resultaten zeer verschillend. In Nederland was het een vredevol hoewel onvriendelijke coëxistentie, in Duitsland probeerden leidende groepen hun eigen subcultuur als enige op te leggen terwijl anderen werden gedwarsboomd. Onder het relatief liberale Weimar-regime gebruikten de grote politieke groeperingen paramilitaire organisaties om hun opponenten af te dwingen. Onder de nazi’s werd de hele socialistische subcultuur vernietigd. In het Oost-Duitsland van na de oorlog was kerklidmaatschap een diskwalificatie voor een positie aan de staatsmacht. Onder de protestantse monarchie tussen 1871 en 1918 werden juist kerkgaande protestanten bevoorrecht voor staatsfuncties.

Ierland is uniek in West-Europa: een situatie waar religie de fundamentele basis voor identiteit is, niet voor een klasse of gemeenschap, maar voor een natie. Hier kreeg georganiseerd secularisme nooit zoveel support als elders.

2. Sociale splijting
I. In de 19e eeuw was religie een belangrijke bron van conflict in West-Europese samenlevingen. Het bracht ook een coalitie tot stand met mensen uit verschillende sociale klassen. Ingrijpend was de grote bevolkingstoename en de honger die daarmee gepaard ging, bijvoorbeeld in Ierland. De kerk had dus twee problemen: hoe is de groei op te vangen (het bouwen van nieuwe kerken en scholen), en: hoe om te gaan met het groeiende aantal armen. De Bourgeoisie maakte in deze tijd een opmars. Ze wilde alle beperkingen voor de vrije markt weg hebben. In katholieke landen werden veel kerklanderijen verkocht.

In alle steden was een polarisatie te zien tussen de grote bezitsloze arbeidersklasse en een kleine elite van grootgrondbezitters. Daartussen zat dan de middenklasse, die vrij talrijk was maar zonder macht. De grenzen tussen de verschillende klassen werden steeds scherper en men vervreemdde van elkaar. De armen verwachtten dat de geestelijken zich aan hun kant zouden scharen. Sommigen deden dit, maar de meesten niet. Daardoor werd de officiële geestelijkheid steeds meer geïdentificeerd met de bezittende klasse. Vooral in Engeland was dit in de vroeg-19e eeuw het geval. Het was een slechte zaak dat de geestelijkheid in deze tijd rijker werd terwijl de armen steeds armer werden (tienden geven).

Het slechtst van alles was dat de geestelijkheid in het overheidsapparaat terecht kwam, in een tijd dat de wet hardvochtiger werd en een bepaalde klasse bevoordeelde. In Frankrijk was dit ook het geval. Hier was de reactie van de kerken op het sociale probleem gegrond op de afkeer van de ideeën van de Revolutie eind 18e eeuw. Men wilde graag de monarchie en aristocratie helpen tegenover de liberale dreiging. Zelfregering was een illusie, ongelijkheid en lijden waren nodig voor de mens. De geestelijkheid was niet op de hoogte van wat de arbeiders moesten doorstaan, bijvoorbeeld in de mijnen. Ze zagen democratie en socialisme dus niet als antwoord, maar een soort van paternalisme.

Het sociale radicalisme van sommige Engelse geestelijken in de laat-19e eeuw was er om de schade nog te herstellen, maar het hek was allang van de dam: een groeiend aantal arbeiders kwam buiten de kerk te staan, braken ermee, vervreemdden ervan. Of ze zochten aansluiting bij een sekte. In grote delen van Frankrijk en Spanje ging de rijke katholiek naar de mis terwijl de arme thuisbleef. Arbeidersklasse-protestanten verlieten ook vaak de staatskerk en gingen naar de vrije kerken.

II. Een belangrijker verschil dan tussen verschillende sociale klassen is het verschil van geslacht. Vrouwen zijn in ieder geval vanaf eind 18e eeuw vroom en kerkgeoriënteerd, terwijl mannen te druk zijn met het leven en onverschillig in godsdienstige vragen en zijn geneigd niet meer religieus te zijn dan nodig is. Er zijn vele cijfers om te onderbouwen dat bovenstaande waar is. In sommige gebieden in Frankrijk nam niet één man deel aan de mis. Het cijfer van nonnen steeg in de 19e eeuw fors, monniken daarentegen waren er steeds minder. Het lijkt erop dat mannen helemaal niet spreken met hun vrouwen en dochters over het geloof.

Antiklerikale liberalen geven de geestelijkheid de schuld en zien ze als vijanden. De wortel van het probleem ligt volgens hen in de klerikale controle over het onderwijs van meisjes. We moeten echter wel bedenken dat de meeste mannen het accepteerden of juist verwelkomden dat hun vrouwen en dochters zo religieus waren. Ze konden zelfs trots zijn op de door hun vrouwen gepraktiseerde godsdienst en de eerste communie van hun kinderen zonder zelf godsdienstig te zijn. Ze stonden er niet vijandig tegenover en zagen religie in het kader van het thema ‘de vrouw is en zwakkere geslacht’. En religie was nodig om de jeugd discipline bij te brengen, zodat ze hun ouders zouden gehoorzamen.

In Frankrijk werden in de 19e eeuw veel meer meisjes dan jongens opgeleid op een school dat geleid werd door een religieuze orde. Religie was niet alleen nodig om maagdelijke bruiden en betrouwbare vrouwen te produceren, maar hun lieflijkheid was ook een haven waarin de mannen toevlucht konden nemen temidden van de wrede wereld. En moeders leerde hun kinderen bidden, bijbellezen en zingen.

Door sommigen, zoals de goedopgeleide bourgeoisie van Duitsland, werd de kerk gezien als het domein van onopgeleide piëtisten en politieke conservatieven. Er waren devote vrouwen, zoals de moeder van Dietrich Bonhoeffer, die haar religie het liefst gewoon thuis uitoefende. Getrouwde vrouwen, die niet wilden drinken als hun mannen of dansen zoals hun dochters, hielden erg van kerkdiensten. Hun gebed was heel belangrijk voor ze, gezien de problemen waarmee ze te kampen hadden (bijvoorbeeld een dronken of gokkende man). De drinkplaatsen waren exclusief mannelijk terrein en daar vierden ook radicale en antiklerikale ideeën hoogtij.

Veel historici willen in de 19e eeuw iets zien van ‘feminisering’ van het christendom. Wat eind 18e eeuw er al was, werd gedurende de eeuw daarna alleen maar wijder: de kloof tussen man en vrouw wat betreft religie. Altijd bleef het percentage vrouwen groter dan het aantal mannen, of er nu sprake was van revival of verval. In rooms-katholieke landen vond een groei van religieuze ordes plaats, in protestantse landen was er een toename van liefdadigheidswerk door vrouwen. In Engeland waren er zelfs vrouwelijke evangelisten en profetessen. Denk met name aan het Leger des Heils. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de kloof tussen man en vrouw begint op de leeftijd van 13 tot 15 jaar. Al op die leeftijd wordt geloof geassocieerd met empathie en mededogen, en dat is meer iets voor meisjes dan voor jongens.

3. Drie soorten religie
I. In de gepolariseerde maatschappijen van de 19e eeuw gaf sectarisme aan veel mensen de sterkste basis voor hun sociale identiteit. Met name drie religieuze bewegingen: protestantisme, humanisme en ultramontaans-katholicisme. Al deze bewegingen deden absolute claims voor henzelf, combineerden agressieve evangelisatie met een poging de grenzen duidelijk aan te geven tussen hen en de wereld rondom. Dit alles ging gepaard met een heel netwerk van instituties en collectieve memories, heilige rituelen, strijdliederen, devoties en legendarische helden.

II. Het populaire protestantisme verspreidde zich door openlucht evangelisatie. De methodistische beweging in Engeland had in 1791 57.000 leden, in 1850 al 489.000. Ook in andere landen waren soortgelijke bewegingen, bijvoorbeeld het Reveil in Frankrijk. Men viel terug op de doctrines van de Reformatie en met name de bekeringservaring speelde een grote rol. En in hun kapellen kon een arme man dominee of zondagsschoolmeester worden. Een groot man als Abraham Kuyper bijvoorbeeld werd door een molenaarsdochter (Pietje Baltus) ingewonnen voor het traditionele calvinisme.

Het appel van deze beweging was tot het volk in z’n algemeen, niet zozeer naar de armsten onder hen. Het populaire evangelicalisme van deze jaren vulde ook de kloof tussen officiële religie en volksgeloof, dat verwijd was door de Reformatie en een nog grotere kloof geworden was in de 18e eeuw met haar rationalisme. De volkspredikers van deze jaren leefden ook in een wereld van dromen, visioenen en exorcisme. Het methodisme vertaalde de verschillende bijgelovigheden van de mijnwerkers en vissermannen in een religieus idioom.

Het 19e-eeuwse populaire protestantisme vond in alcohol het grote symbool van alles waar ze op tegen waren. Drankplaatsen waren in de 19e eeuw voor de arbeidersklasse van grote betekenis, het was dé vrijetijdsbesteding van mannen. Er was ook een beweging van ‘geheelonthouders’ die heel actief was. Beide groepen zagen in alcohol de grootste obstakel voor de verbeteringen waar ze op hoopten.

III. De religie van de humaniteit vinden we onder andere bij de vrijmetselarij. In veel katholieke landen werden ze het internationale gezicht van de revolutionaire middenklasse in haar strijd tegen feodale en religieuze instituties. Hun invloed in Frankrijk was disproportioneel groot. Er waren positivisten die geïnspireerd waren door de idee dat de vooruitgang van de mensheid meer betekenis aan het korte leven van het individu gaf. Positivisme had een grote invloed in de Franse Derde Republiek. Maar de grootste van de 19-eeuwse humaniteitsreligies, en de enige die de massa bereikte, was het socialisme.

Het was hun beider exclusivisme in hun claims, meer dan onenigheid over welk specifiek punt dan ook, dat christenen en socialisten in conflict brachten. Socialisme was niet zomaar een partij, maar een nieuwe conceptie van wereld en leven. Socialisme voldeed de dorst van de arbeider naar kennis, en voor een begrijpen van de maatschappij en zijn plaats erin.

IV. Alle vormen van protestantisme verloren terrein aan het socialisme. De katholieke kerk was meer succesvol in het bedenken van vormen van vroomheid die zowel volks als orthodox waren, en rivaliserende ideologieën op afstand hielden. Ultramontanisme komt van ‘voorbij de bergen’, oftewel: Rome. Het was een combinatie van hoog dogmatische en anti-rationele theologie met een warme emotionele piëteit. Het waren fervente gelovers in mirakels. Toen Frankrijk in de jaren 1870 een nederlaag tegen Pruisen moest verwerken, kwam er een golf van profetieën en mirakels over Jezus, Maria en de heiligen over het land. Met name de cultus rondom Maria nam grote vormen aan. Er kwamen internationale pelgrimages, bijvoorbeeld naar heilige plaatsen als Lourdes in de Franse Pyreneeën.

Misschien het meest belangrijk was de grote revival van religieuze orden. De vlucht naar het klooster was gegrond op de mening dat God niet in de wereld gevonden werd, maar gescheiden daarvan. Er werden ook mooiere en grotere kerken gebouwd, processies werden populairder, enzovoorts.

V. Ondanks hun optimisme over de lange termijn realiseerden katholieken en socialisten zich dat op korte termijn hun aanhangers moesten worden beschermd van te veel contact met de ongelovige wereld. De tweede helft van de 19e eeuw was een tijd van de Catholic ghettos, waarmee bedoeld wordt dat men zich net als de Verzuiling in Nederland apart ging organiseren: bijvoorbeeld eigen scholen en eigen dagbladen.

4. Het platteland
I. Hoe kon het gebeuren dat in sommige parochies de kerk haar autoriteit heeft behouden, terwijl in andere districten de ontkerstening heeft toegeslagen? In Spanje en Portugal was het devote noorden een wereld verschil met het antiklerikale zuiden, in Nederland zijn er grote regionale verschillen tussen de verschillende godsdienstige groepen. Dus ondanks de revolutionaire ontwikkelingen en de vele veranderingen in het agrarische en plattelandsleven blijven lokale tradities van grote invloed op het religieuze leven in West-Europa. Een onderzoek ergens in Engeland heeft uitgewezen dat op een gebied van 40×15 mijlen er 8 regio’s zijn te onderscheiden met elk hun eigen economisch, sociaal en soms ook religieus karakter. Het zijn dus allemaal ‘aparte werelden’, binnen zo’n klein gebied!

Één punt was algemeen: een bovennatuurlijke visie op de wereld, waarin religie en magie hand in hand gaan. De plattelandsbevolking van 19e-eeuws Europa leefde in een gevaarlijke wereld waarin bijvoorbeeld hagel en epidemie steeds dreigden. Er waren grote lokale verschillen in kerkgaande gewoonten. Ook de invloed van de kerk was overal anders. In Engeland waren kleine marktsteden en welvarende agrarische gebieden goed voorzien van kerken en geestelijken, terwijl de afgelegen gebieden vaak werden genegeerd, evenals de industriegebieden. Dáár kwamen dan ook veel evangelicale zendelingen.

Ook was het zo dat de kosten van de predikantenopleiding zodanig waren dat de meerderheid van de geestelijkheid van redelijk welgestelde afkomst was. Daarom waren er relatief weinig Welsh-sprekende dominees in de kerk van Wales, Gallisch sprekenden in de Schotse kerk, Iers sprekenden in de Ierse kerk en Bretons sprekenden in de Franse kerk. In Engeland was de Anglicaanse kerkgang het hoogste in parochies waar een landjonker zijn residentie had. Tegenover deze strak gecontroleerde gemeenschappen had je de vrijere en ruwere ‘open’ dorpen of geïsoleerde gehuchten waar dat veel minder was. Het lijkt dat de Anglicaanse kerk het platteland niet goed in zijn greep kon houden.

II. Protestantse landen verschillen van katholieke. Als eerst het voorkomen van sektarisme en ten tweede de andere relatie tussen religie en magie. In katholieke landen zijn die twee verbonden. Zo was er in bepaalde kerkvijandige gebieden in Portugal nog altijd een geloof in de genezende kracht van heiligen en elders waar men antiklerikaal was had men toch een complex van katholieke rituelen en symbolen behouden. Het katholicisme onderscheidt tussen het heilige en profane, dat wat betrekking heeft op het heilige, en dat wat met de alledaagse wereld te maken heeft.

De katholieke kerk werd vaak gebruik als ‘machine voor ceremonies’. Het was een curieuze paradox dat juist seculier links de kerk wilde voor publieke diensten (zoals begrafenissen). Processies en bedevaarten hadden meer een sociaal aspect dan strikt religieuze bedoelingen. Katholieken die de kerk als politiek instituut zagen en God als ver weg, vonden troost in Maria als de universele moeder, of konden zich identificeren met een lokale of persoonlijke patroonheilige.

In protestantse landen werd de Mariacultus verplaatst naar Jezus, en de massa van heilige dagen naar de ene ‘dag des Heeren’. Al bleef het nog wel even bestaan, in de 19e eeuw werden religie en magie losgekoppeld op het protestantse platteland (al kwam het in 1882 in Württemberg nog voor dat boeren na een hagelbui die hun oogst vernielde demonstratief de kerk boycotten). Een gevolg was dat mensen voor de afwending van gevaren hun hoop gingen stellen op iets buiten de kerk. De dominee kreeg concurrentie van de wijze man. Dus het protestantisme demystificeerde het christendom en liet de natuur over aan magische krachten. Protestantse boeren combineerden met alle gemak de officiële religie met het onofficiële bijgeloof, en zagen geen conflict tussen beide.

III. Een ander verschil tussen protestants en katholiek Europa ligt in de kracht van sektarisme in protestantse landen. Eerst nog even dit: het was voor plattelandsgemeenschappen een kwestie van trots om een eigen kerk en geestelijke te hebben – en hierop volgde niet dat men dan ook veel gebruik maakte van haar diensten. Hun bestaan alleen versterkte het gevoel van eigenwaarde van de mensen. Dezelfde identificatie tussen de gemeenschap en haar kerk is te zien in het klokkenluiden om stormen tot bedaren te brengen. Ook de parochiekerkhof was van belang voor een gemeenschap, omdat vorige geslachten daar lagen begraven.

Een andere expressie van hetzelfde gevoel van identificatie met de parochiekerk zien we in de soms bittere oppositie die Anglicaanse geestelijken in de 19e eeuw ontmoetten toen men meer rituele decoraties wilde introduceren, want dit ging ten koste van bestaande kerkkoren en organisten. Soms boycotten de musici de kerk en gingen over naar de methodisten. Nonconformisten gaven namelijk aan gewone dorpelingen de kans een rol te spelen in de dienst. Ook paapse innovaties, zoals gewaden en kandelaren op het altaar vonden hevige tegenstand in grote delen van Engeland. In sommige streken werd de kapel de facto de parochiekerk, zoals in het noordwesten van Schotland (de Free Church) of in Wales (baptisten, independenten en calvinistische methodisten).

IV. De processen van centralisatie en technologische vooruitgang hadden hun effect (al ging verandering langzaam), en ondermijnden lokale culturen, brachten nieuwe ideeën en beëindigden oude of verouderde gewoonten. Maar nog belangrijker was het proces van kerstening of herkerstening dat ook plaatsvond. Het was wellicht niet de revival of de destructie van het christendom dat het meest significant was, maar de verandering van karakter van religie en de sociale context waarin het staat.

Vooral gebieden waar de kerk weinig invloed had, oftewel: verwaarloosde parochies, waren terrein voor de opwekkingsbeweging. Reconstructie was het meest succesvol in Ierland, waar het katholieke leven bloeide; deelname aan de mis was heel hoog, het getal van priesters en nonnen steeg flink, er kwamen meer kerken, grotere kerken, mooier versierde kerken. In Frankrijk waren de effecten van de reconstructie veel gefragmentiseerder. De kerk consolideerde haar greep op gebieden zoals het Massif Central, waar het al sterk was. Aan de andere kant herstelde de kerkelijke machine in sommige departementen nooit van de Revolutie.

Lang voor het einde van de 19e eeuw waren krachten van ontkerstening aan het werk op het platteland. De massale vervreemding van de kerk begon in Engeland al in de vroeg-19e eeuw, in het noordoosten van Frankrijk in het midden van de eeuw en in Noord-Nederland in de jaren 1880. In al deze gebieden groeiden de grote boeren, de kleintjes werden arbeiders en de sociale afstand groeide. De meerderheid van (bijna-)landlozen wilde niet meer naast de door hun gehate werkgevers in de kerk zitten en werden onkerkelijk.

Een deel van de zwakheid van de kerk lag simpel in het over het hoofd zien en de vijandige effecten van een antiklerikale politiek. In Spanje en Portugal was het aantal priesters en aanhang al lange tijd veel slechter in het zuiden dan in het noorden, en daardoor moesten veel parochies lang vacant blijven. In deze landen werd de houding van de kerk sterk bepaald door de klasse, en bij de afgematte meerderheid was er vaak een positieve haat van de kerk. In Portugal kreeg de Communistische Partij veel support, waar de priesters op de hand waren van de kleine groep van grootgrondbezitters.

Toch bleef het geloof in de Maagd en de heiligen sterk, geloof in de kerk en de geestelijkheid was zwak, vooral bij mannen. De kerk werd vaak geassocieerd met politiek rechts. In veel gevallen, zoals in de Limousin, ging het verval van de kerk hand in hand met politiek radicalisme. Misschien kan een verklaring zijn dat dit gebied, evenals La Rochelle, voormalige protestantse bolwerken waren; het uitroeien van het protestantisme hier maakte op de lange termijn nog geen goede katholieken. Zo zien we zeer gevarieerde patronen per regio; gedetailleerd lokaal onderzoek is nodig dit stuk voor stuk te verklaren.

V. Technologische veranderingen mogen dan de aard van plattelandsreligie veranderd hebben en soms haar bereik verminderd hebben, maar het leidde niet direct tot massaverlating van de kerk zoals in het zuiden van Spanje. We moeten het niet te letterlijk nemen wat een Nederlander zei, dat ‘kunstmest atheïsten maakt’. Er zijn verschillende processen van religieus verval: het verval van de magie, het verval van de kerk en het verval van het christendom. En deze drie gaan niet noodzakelijk samen. Bijvoorbeeld: het verval van de kerk daar waar armen de kerk vaarwel zeiden vanwege hun onderdrukkers die daar ook zaten betekent nog niet meteen dat ze minder christelijk zijn geworden. Alleen wanneer men seculiere doctrines gaat aanhangen, zoals het socialisme, anarchisme en fascisme, kun je spreken van een algemeen verval van het christelijk geloof, al zeggen ze dan nog soms dat ze echt christelijk zijn. Waar haast geen kerkgang meer was kon men nog wel vastzitten aan allerlei rituelen zoals zegen vragen voor het koren, missen opdragen voor zieke varkens en kandelaren opsteken om bescherming tegen stormen.

Cruciaal was dat geïsoleerde agrarische gemeenschappen te maken kregen met de pluralistische maatschappij waarin de consensus was afgebroken en een variëteit van leefwijzen mogelijk was. De doorbreking van de dorpsisolatie werd gevolgd door de verzwakking van de kerkelijke invloed. Er zijn mooie studies naar gedaan, zoals Roger Thabaults Mon Village, een verhaal over Mazières-en-Gâtine rond 1860 en Eugen Weber’s studie naar de transformatie van het Franse platteland tussen 1871 en 1914.

De katholieke kerk slaagde er in meerdere gebieden in haar institutionele macht te behouden door de moderniserende krachten over te nemen. Zo waren er in Engeland priesters die de modernste dagbladen uitgaven en in Oostenrijk namen priesters deel aan de politiek. Toen platteland werd geïntegreerd in een wijder nationale gemeenschap was het vaak de kerk die de contactpunten onder controle had en het van symbolen en identiteit voorzag. In sommige plattelandsbolwerken drongen pas in de jaren 1960 de verschillende levensstijlen van de bredere cultuur in en bedreigden de invloed van de kerk.

5. Verstedelijking
I. In 1800 was de bevolking van elk West-Europees land overwegend ruraal. Nederland, met 30 procent levend in de stad, had het hoogste percentage urbanisatie. Londen was met 1 miljoen inwoners verreweg de grootste stad van Europa (Parijs had er iets meer dan een half miljoen). In Groot-Brittannië verdubbelde de stadsbevolking in de volgende 50 jaar, en Londen groeide tot 2,5 miljoen. In 1890 was Groot-Brittannië het land met de meeste stedelijke bevolking. Dit betekende ook dat de ruraal/urbaan-onderscheiding steeds minder relevant werd. De implicaties van deze omwentelingen voor religie zijn gevarieerd en tegenstrijdig. Het karakter van religie veranderde. Religie zorgde voor drie dingen: de behoefte aan identiteit en onderlinge steun, de behoefte aan morele orde te midden van de chaos, en de behoefte aan bescherming tegen een gevaarlijke omgeving.

II. Met de grote beweging van plattelandsmensen naar de steden en industriële zones kwam er een grote mix van bevolkingsgroepen. In deze situatie werden priesters en dominees belangrijke woordvoerders voor etnische gemeenschappen, en kerken waren vaak de hoofdbases voor het gemeenschappelijke leven van de immigranten en zijn besef van identiteit. De kerken namen initiatieven voor arbeidersorganisaties voor onderlinge support en gezelligheid. Katholiek, protestant of socialist zijn was niet alleen het geloof in bepaalde dogma’s, maar het was ook het behoren tot een bepaalde gemeenschap.

In het Ruhrgebied vochten protestantse kinderen met katholieke kinderen. Urbanisatie betekent dat twee groepen met lang historisch en wederzijds geweld achter hen naast elkaar komen te leven. In Nîmes bijvoorbeeld vielen aan beide kanten honderden doden. Religie speelt ook een belangrijke rol in het proces waarin een soort van morele orde gevestigd werd in de nieuwe arbeidersklasse-gemeenschappen. We zien in de steden en industriële zones een ineenstorting van sociale discipline: misdaad, dronkenschap en vrije liefde. In de jaren 1820 leek er al een morele revolutie aan te komen. De Engelse arbeidersklasse werd wijzer, beter, spaarzamer, eerlijker, respectabeler en deugdzamer dan er voor. Zachtheid en beleefdheid vervingen herrie en dronkenschap. Het was gedeeltelijk opgelegd van boven (striktere politie en fabrieksdiscipline), maar minstens zo belangrijk was de revolutie van onderop: de arbeidersklasse wilde vooruit.

Vanaf de jaren 1780 kwam de zondagsschoolbeweging, viendenclubs kwamen er vanaf de vroeg-19e eeuw, vanaf de jaren 1830 kwam de onthoudingsbeweging op, en dwars door deze periode ging een deel van de arbeidersklasse veel traditioneel vermaak verwerpen, zoals geweld, dronkenschap, gokken en wreedheid naar dieren. De verandering werd belichaamd in de democratisering van het concept ‘fatsoenlijkheid’ en het wijder worden van de kloof tussen een ‘fatsoenlijke’ en een ‘ruwe’ arbeidersklasse. Temidden van de straatgevechten, misdaad en sterke drank die het alledaagse leven kenmerkten waren ‘places of worship so clean that I often felt the desire to go into a local church’.

III. Acuut gevaar (bijvoorbeeld cholera) geeft religieuze vragen een plotselinge urgentie voor veel individuelen wier geloof de meeste tijd een randzaak in het leven is. Er waren sommige steden waar de hele bevolking de eeuwenoude rituelen van collectieve devotie en boetedoening weer oppakte. Sinds de jaren 1790 werden tekenen van religieuze crisis in veel Europese steden zichtbaar, hoewel de kerken een grote rol bleven spelen in de 19e eeuw, en ook nog tot in de 20e eeuw. Maar het werd duidelijk dat de steden centra van ontrouw aan de staatskerken werden en soms was er sprake van een algemeen scepticisme.

De groei van de uitgestrekte nieuwe industriële voorsteen geschiedde grotendeels zonder kerken en priesters. De arbeidersklasse vervreemdde steeds meer van de andere secties van de stadsbevolking. De scherpste tegenstelling tussen stad en platteland zien we in sommige delen van protestants Duitsland. Aan het eind van de 19e eeuw gaan heel weinig protestanten naar de kerk in d e steden, daarentegen zijn er veel landelijke gebieden waarvan gezegd wordt dat er op zondagmorgen geen huis is waar geen mensen van naar de kerk komen. In protestants Duitsland was een gebrek aan betrokkenheid met het kerkelijk leven een algemeen facet van de stadsbevolking.

Maar de echte scheiding was niet tussen stad en platteland, maar tussen de ene sociale groep die sterk aan de kerk verbonden bleef (de boeren) en die sociale groepen die sterk afstandelijk van de kerk werden (arbeiders, fabriekswerkers, professionals en de business class). In Engeland was het contrast tussen stad en platteland minder scherp, en het primaire belang van de klasse was duidelijker. In 1851 was de kerkgang in Engeland in de plattelandsgebieden 64,8 procent, in de steden 49,6 procent. In Frankrijk was de kerk zwak in veel van de grote steden, vooral Parijs. Maar ook hier was het verschil tussen stad en platteland minder significant dan die tussen de sociale klassen en tussen regio’s. In de eerste helft van de 19e eeuw was de klasse die het meest bevreemde van de kerk de bourgeoisie; in de tweede helft van de 19e eeuw de arbeidersklasse. En door de hele eeuw heen waren er ook regionale verschillen.

IV. De revolutiejaren in Frankrijk zien we frequent de patriottische steden tegenover de contrarevolutionaire, of gewoon onverschillige platteland staan. De middenklasse, die in de steden is geconcentreerd, was vaak supporter van de patriottische zaak en het was ook in de steden dat een massa van kranten en politieke clubs de ideeën van de Revolutie omarmde. Deze dingen vervingen het parochieleven. In Engeland werden antiklerikalisme en secularisme vooral gesteund door ambachtsmannen en kleine handelaren. In Londen waren er aan de ene kant veel arbeiders die ongelovig waren maar aan de nadere kant was de middenklasse en de upper classes heel godsdienstig. Als de bourgeoisie, zoals in Frankrijk en Duitsland, de kerk vaarwel zeiden, was dit vooral vanwege een gebrek aan interesse dan een gebrek aan gelegenheid.

De gemiddelde grootte van een parochie en het getal van mensen per priester verdubbelde. In Parijs groeide de bevolking van 546.000 in 1802 naar 2.537.000 in 1896, terwijl het getal van parochies steeg van 39 naar slechts 69. In 1802 waren er op elke priester 1600 parochianen, in 1906 was de ratio 1 op de 3681 in het stadscentrum, 1 op de 5760 in de binnenste voorsteden en 1 op de 4095 in de buitenste voorsteden. Hoe armer het district, hoe groter het probleem! De grootste parochie, Notre-Dame de Clignancourt in het noorden van Parijs, telde in 1906 maar liefst 121.634 parochianen. Het moge duidelijk zijn dat in deze omstandigheden religieuze gewoonten snel verbroken werden. Er waren veel te weinig kerken, de mensen konden worden genoemd: ‘A people without altars’.

De grote bevolkingsgroei in de steden moesten eigenlijk opgevangen worden door fondsenwerving om extra kerken te bouwen en priesters aan te stellen. Maar de staatskerken in de 19e eeuw waren geen slachtoffers van oncontroleerbare krachten; het waren menselijke beslissingen, de politiek van de regering die faalde. De Burgerlijke Grondwet van 1790 halveerde bijvoorbeeld het aantal parochies, en het Concordaat van 1801 stelde het aantal stedelijke geestelijken vast die door de staat zouden worden gesteund en dat was op een niveau ver onder wat vóór de Revolutie gebruikelijk was. Vanaf toen tot de scheiding tussen kerk en staat was het aantal afhankelijk van de prioriteiten van de opeenvolgende regeringen. Er mocht geen nieuwe parochie gevormd worden zonder toestemming.

Onder een pro-kerkelijk regime zoals het Tweede Keizerrijk werden nieuwe parochies gevormd en er was meer geld voor meer geestelijken, maar onder het Eerste Keizerrijk, de Juli Monarchie en de Derde Republiek werd nauwelijks toestemming hiervoor gegeven en werd het kerkbudget laag gehouden. In Engeland waren de hoofdobstakels van de kerkexpansie in de vroeg-19e eeuw een combinatie van belemmering door bestaande belangen en de apathie van de kerkleiding en overheid. Nog belangrijker dan de zwakheid van de kerkmachinerie in de armere districten van de steden was de groeiende scheur tussen de arbeidersklasse en de rest van de stadsbevolking, en de ontwikkeling van een onderscheiden arbeidersklasse-subcultuur, waarbij de geestelijkheid als onwelkome indringers werden gezien.

V. Dus in de meeste delen van West-Europa zien we in de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw een instorting van religieuze eenheid in de steden. Een algemeen fenomeen was een sociale segregatie die de bevolking sorteerde in relatief homogene buurten. In arbeidersklassegebieden bewoog men zich per voet. In zulke strak samengevlochten gemeenschappen begrensde de sociale druk de individuele vrijheid om te handelen in de meeste levensterreinen enorm. Zo zei iemand uit het Duitse textielcentrum van Barmen dat er geen werkterrein was dat het moeilijker was om jezelf christen te noemen als tussen die arbeiders. Uit angst voor de collega’s, en om te ontsnappen aan spot, gaven veel mensen het op om naar de kerk te gaan.

Niettemin kan men zeggen dat de groei van grote steden op zichzelf de invloed van religie verzwakte door voorwaarden te scheppen waarin een massa van nieuwe instituties de functies konden overnemen die voorheen de kerk vervuld had. In Duitsland was het de Vereine die velen van de bourgeoisie een alternatieve kerk bezorgden. ’s Zondags kwam men dan samen, onder kerktijd. In de meeste grote steden was de zondag als rustdag weinig realiteit; in de uren als er kerkdiensten waren waren winkels open, de bars deden hun werk en bands speelden in de parken. In Engeland zou echter tot in de 20e eeuw de ‘British Sunday’ nog in werking blijven. Hier leek de ontwikkeling van een alles verslindende vrijetijdsbestedingswereld meer een consequentie dan een oorzaak van het verval van de kerken.

VI. Maar misschien de grootste verandering in de sociale rol van religie dat urbanisatie en industrialisatie hebben gebracht is dat de meerderheid van het volk niet langer bovennatuurlijke hulp hoefden te zoeken voor hun werkleven. Een grotendeels gemechaniseerde economie dat afhankelijk was van menselijk controleerbare factoren behoefde niet langer gebeden voor regen. De wonder-werkende heilige of de geloofsgenezer is niet langer de eerste toevlucht voor de geteisterde, maar is vaak de laatste toevlucht. Toch is geloofsgenezing een belangrijk kenmerk van de pinksterkerken, die veel aanhang gewonnen heeft in delen van de arbeidersklasse in Europa in de 20e eeuw (hoewel niet zoveel als in steden van Brazilië en Chili).

In Engeland was de religieuze respons op de Eerste Wereldoorlog niet de terugkeer tot de kerken zoals sommigen hadden voorspeld, maar een wijdverspreide interesse in spiritualisme bij de thuisblijvers en een mix van fatalisme en magie bij het front. Het is verbazingwekkend hoe bijgeloof nog steeds zijn weg vind onder rationalisten in de 20e eeuw. Veel vrouwen lezen bijvoorbeeld elke week de horoscoop. Hoe wijdverspreid deze vormen van niet-christelijk bovennaturalisme in geïndustrialiseerde West-Europese gezelschappen is, en hoe grote rol het speelt in individuele levens, is grotendeels een kwestie van giswerk.

Dietrich Bonhoeffer zei in 1944 dat we een tijd van helemaal geen religie ingaan en vermeldt als illustratie het feit dat deze oorlog, anders dan andere ervoor, geen religieuze reactie zou oproepen. Voor Duitsland gold dit misschien, niet voor de Sovjet-Unie (waar de kerk in de jaren 1930 vervolgd was) en Frankrijk (opeens veel meer communicanten). De kerk was dan de enige sfeer waarin een bepaalde mate van onafhankelijkheid van een onderdrukkende omgeving kon worden geuit.

6. De stedelijke middenklasse
I. In 1882 deed Friedrich Nietzsche voor het eerst zijn beroemde aankondiging: ‘God is dood’. Hij schreef dat religieuze onverschilligheid typisch was voor de grote meerderheid van Duitse protestanten in de middenklasse, vooral in de grote industriële centra van handel en verkeer, en van de grote meerderheid van industriële geleerden en de hele universitaire wereld. Ze zijn geen vijanden van religieuze gewoonten; als dit nodig is, bijvoorbeeld voor de staat, doen ze wat nodig is, zoals ze zoveel doen met een lijdzame en bescheiden ernst en zonder veel nieuwsgierigheid en onbehagen.

Studies wijzen uit dat de professionele en commerciële middenklasse van de steden onkerkelijk werden sinds de tijd van de Verlichting en dat religieuze onverschilligheid van de middenklasse, met haar democratische idealen, en vrijdenkende ideeën geïnspireerd zijn door de moderne kennis. De geschoolde middenklasse in Berlijn was reeds afstandelijk van de kerk in de jaren 1830 en 1840. ‘Zij behoorden bij de kerk, maar ieder maakte z’n eigen religie’.

Er schijnen goede gronden te zijn voor de suggestie dat de combinatie van economische en sociale veranderingen, politieke omstandigheden en intellectuele vooruitgang resulteerde in het feit dat God inderdaad ‘dood’ was voor de geschoolde stadsbewoner van protestants Duitsland. De 18e-eeuwse relativering van het christendom bereikte z’n toppunt in de Duitse universiteiten in de jaren 1830 en 1840 in de meest geconcentreerde aanval op bestaande orthodoxie in de moderne geschiedenis van het geloof: het wetenschappelijke historische onderzoek naar de Schrift, Feuerbachs interpretatie van religie in puur symbolische termen, Strauss’ Leven van Jezus, dit alles lijkt te hebben bijgedragen aan de draai die veel lezers gemaakt hebben naar een compleet religieuze scepsis.

Er zijn in principe geen mysterieuze onberekenbare krachten meer die een rol spelen, maar ieder is meester over alle dingen. Dit betekent dat de wereld is ‘onttoverd’. Het geloof in het bovennatuurlijke ging geleidelijk aan achteruit. Dat versnelde in de 19e eeuw, met haar spoorwegen, stoomschepen, elektrische telegraaf en enorm gemachineerde fabrieken. In de jaren 1850 en 1860 verplaatste de elite zich van de stad naar de voorstedelijke villa’s, en begonnen ze een pronkzieke levensstijl aan te nemen, ze zetten zich aan meer van hun rijkdom te genieten en stopten om zich veel met kerkelijke zaken bezig te houden of in de stadsregering, en aan het einde van de eeuw gaven ze het kerkgaan helemaal op.

Er is ook een tendens van wijdverspreide vervreemding van de protestantse kerk om politieke redenen. In Pruisen werd systematisch staatscontrole op de kerk uitgeoefend. De alliantie tussen de aristocratische conservatieven en de piëtistische beweging die ontstond in Pruisen in deze jaren betekende dat theologische vrijzinnigen ipso facto verdacht waren. Na de mislukte revoluties van 1848-49, toen de protestantse predikanten algemeen de reactiekrachten steunden, neigden de vrijzinnigen tot verlies van al hun geloof in de kerk. De alliantie tussen de protestantse kerk en het politieke conservatisme duurde nog tot 1945.

De importantie van de politieke factor wordt duidelijk als we kijken naar het zeer gedifferentieerde sociale profiel van het Duitse stedelijke protestantisme. Terwijl de arbeidersklasse en de professionele en commerciële middenklasse de meest geseculariseerde delen van de bevolking waren, waren aristocraten, hogere ambtenaren en de lagere middenklasse veel meer kerkgeoriënteerd. De steunpilaar van de meeste stadsparochies waren die kleine Leute: zelfstandige ambachtslieden, lagere ambtenaren en kantoorbedienden. Deze groep hing haar overgeërfde protestantse cultuur aan, toen de arbeidersklasse en de bourgeoisie haar verlieten.

II. De jaren 1780-1846, de periode van de Franse oorlogen, worden wel gezien als de tijd waarin het bewustzijn van de middenklasse voor de politiek zich ontwikkelde. Dit gold voor zowel Engeland als Frankrijk. Maar de religieuze component van de middenklasse verschilde tussen beide landen heel erg. In Frankrijk was het belangrijkste religieuze referentiepunt voor de bourgeoisie de 18e-eeuwse Verlichting, in Engeland en Schotland was dit de evangelicale opwekking.

Over het algemeen was de mentaliteit van de Franse bourgeoisie rationalistisch, en de katholieke kerk werd gezien als een hoede voor aristocraten en ongeschoolden. In grote delen van Frankrijk leidden de gebeurtenissen van de jaren 1790 tot een uitkristalliseren van een vijandige houding naar de kerk in brede kringen van de bourgeoisie. In de jaren van het Keizerrijk en de Restauratie was ‘Voltairiaans’ het meest gebruikte woord om de benadering van religie door de bourgeoisie te omschrijven. ‘Ze zijn filosofen en zullen zich daar nooit voor schamen’. Advocaten, rechters, artsen en hoge ambtenaren in ruste werden vaak genoemd door de geestelijkheid als uitoefenend een verkeerde invloed op hun parochianen.

Het leitmotiv van de wereldvisie van de bourgeoisie was het geloof in de realiteit van keuze, en de mogelijkheid om omstandigheden te domineren. Het gebrek aan interesse in het katholieke geloof was te zien in het gebrek van religieuze objecten in hun huizen of vrome verwijzingen in hun testamenten. Ook werden weinigen uit de bourgeoisie priester of non. De hoofdmoot van deze antiklerikale baldadigheid bestond uit jonge mannen. De gemeenschappelijke factor die de verschillende vormen van de oppositie van de bourgeoisie tegen de kerk verenigde was antiklerikalisme – wantrouwen in de macht en de pretenties van de priesters, en vooral hun associatie met reactionaire politiek.

Een breed geaccepteerde positie was die van woordvoerders van de bourgeoisie die, zonder het christendom of religie te verwerpen, de slogans van vrijheid, vooruitgang en verlichting tegenover het despotisme en bijgeloof van de geestelijkheid stelden. Rebellen tegen de katholieke kerk in 19e-eeuws Frankrijk zagen henzelf vaak als exponenten van een meer authentiek christendom. Velen van hen waren vrijmetselaars. Men wilde een niet-dogmatisch ethisch christendom. Een groot deel van de klasse van de bourgeoisie keerde terug naar de kerk tijdens het Tweede Keizerrijk.

Er kon geen seculiere basis gevonden worden voor de wet van privé-bezit, en de enige grond waarop de armen tot hoogachting konden worden overtuigd was het geloof dat de wet van God diefstal verbiedt en dat zij die Gods wetten respecteren worden beloond in een ander leven. De relatie tussen de geestelijkheid en de industriëlen had voordelen voor beide partijen: de industriëlen verwelkomden de aanvallen van de kerk op het socialisme en de geestelijkheid had rijke beschermers nodig om het katholieke apparaat in beweging te houden. Maar het werd nooit zo’n innige relatie als eens bestaan had tussen geestelijkheid en aristocratie.

Nu een deel van de Franse bourgeoisie meer katholiek werd in de tweede helft van de 19e eeuw, werd het andere deel bitterder antiklerikaal. ‘Frankrijk wordt met de dag minder christelijk. Door wie? Door de artsen, juristen, journalisten en schoolmeesters die het platteland hebben bedorven’. Vanaf 1860 werd de midden- en lagere bourgeoisie de leiders van de oppositie tegen de kerk. De aristocraten en de bovenste middenklasse (de ‘Voltairianen’) van de eerdere jaren had vaak gevreesd om de vruchten van hun verlichting door te geven aan het volk, ervan overtuigd zijnde dat de massa de disciplines van de religie nodig had.

III. In Engeland en Schotland leidde de ontwikkeling van een zelfbewuste middenklasse in de 19e eeuw ook tot een wijdverspreide aanval op de macht en de privileges van de gevestigde kerk. Maar de karakteristieke vorm van deze revolte was religieus non-conformisme. De middenklasse, en dan vooral de bovenste laag ervan, was de groep die het meest beïnvloed was door de religieuze opwekking van de vroeg-19e eeuw. De middenklasse in Engeland had een evangelicaal protestantse manier van leven: hoe meer men kerkdiensten bijwoonde, hoe meer de wil om zich te hechten aan eerbiedige vormen, hoe nauwkeuriger de naleving van de sabbat publiek en huiselijk, hoe groter de ongenade en ontmoediging van profane of zelfs ijdele amusementen, hoe meer de verspreiding van religieuze literatuur en hoe meer men aan het gehele aspect van de samenleving een christelijke tint wilde geven.

Onder de oppervlakte van het religieuze conventionalisme waren er twee best verschillende vormen van religieuze opwekking aan het werk: de equivalent van het aristocratische piëtisme van Pruisen in diezelfde tijd, en: de overwegend nonconformistische. Die identificeerde de religieuze opwekking met de noodzak van sociale vooruitgang zoals begrepen door de liberale en radicale middenklasse. De conservatieve religieuze opwekking, eerst sterk evangelicaal, later vaak hoogkerkelijk, begon haar aanhang te verzamelen in de jaren 1780, maar het was niet tot na de eeuwwisseling dat een wijdverspreide verandering in de religieuze kijk van de leidende klasse duidelijk werd. Wat hier gebeurde leek veel op de ‘terugkeer tot de kerk’ in Frankrijk na 1848. In Parijs vertelde in dat jaar een geestelijke aan zijn bezorgde gehoor, bestaande uit de bourgeoisie, dat deïsme niet genoeg was, en alleen een diepgaand katholicisme de armen kon overtuigen in de revolutionaire eeuw hun armoede te accepteren.

Er is een contrast tussen Burke’s Reflections on the French Revolution (1790) met zijn veronderstelling van een ondogmatische en oncontroversiële staatsreligie, geaccepteerd door alle gematigde mannen, en het manifest van het nieuwe evangelicalisme, Wilberforce’s A Practical View of the Prevailing Religious System (1797), die beargumenteert dat de doorgaande levensvatbaarheid van een hiërarchische sociale orde een verandering van de harten van zowel rijken als armen vereiste, en de acceptatie door beiden van de tucht en troost van een in hoge mate dogmatische vorm van christendom. In 1804 kwamen de eerste parlementaire subsidies voor kerkbouw, en de Anglicaanse propaganda claimde dat de kerk was de hoofdbarrière tegen de krachten van de revolutie.

Er was dus een groot element van politieke berekening en sociaal conformisme in de opwekking van de conservatieve religie. Er waren verschillende klemtonen: de één legde de nadruk op sociale hiërarchie en de onderwerping aan autoriteit, de ander had een obsessie voor de sabbat en ook waren er die de juiste rentmeesterschap op de tijd najoegen. Wilberforce hield een exacte tabellering van hoe veel tijd hij had gespendeerd elke week bij, onder negen kopjes. Ledigheid was een favoriete term in het evangelicale vocabulaire en de vernietiging van porties van tijd was een favoriet concept. De etenstijden werden met precisie in acht genomen, en alle andere huiselijke dingen werden bestuurd met dezelfde principe van orde.

Het 19e-eeuwse liberalisme van de middenklasse had een tweevoudig karakter: het gaf veel nieuwe mogelijkheden van vrijheid en zelfgevoel aan het gewone volk, maar met grote overdrijving versterkte de omvang van deze mogelijkheden opnieuw de zelfbewondering van de succesvolle minderheid, en gaf aan de rijken nieuwe redenen om neerbuigend te doen naar de armen. De rijken waren vaak religieuze mensen, de armen niet. Religie kon makkelijk verbonden worden met dit schema van rechtvaardiging: de rijken waren rijk geworden vanwege hun superieure aard, een product van hun religieuze geloof, en de armen waren arm en verdienden zo te blijven omdat ze deze kwaliteiten ontbeerden.

Een belangrijk del van de 19e-eeuwse ideologie van de middenklasse in Groot-Brittannië was de democratisering van het concept van fatsoenlijkheid. Een nieuwe vorm van paternalisme werd onbestendig ingevoerd in veel fabrieksgemeenschappen in de welvarende jaren 1850 en 1860. Het was een deel van de theorie van dit paternalisme dat een echte kameraadschap mogelijk was tussen respectabele mensen uit verschillende sociale klassen op basis van hun gemeenschappelijke interesses in de welstand van hun onderneming, hun lidmaatschap van de lokale gemeenschap, en de gemeenschappelijke participatie in lokale instituties en bewegingen. Dit systeem was onbestendig omdat veel arbeiders niet werden aangetrokken door de idealen van de ‘fatsoenlijkheid’. In deze periode verschaften kerk en kapel vaak de arena waarin de ‘fatsoenlijke’ werkgever en de ‘fatsoenlijke’ werknemer elkaar ontmoetten.

IV. In de laat-19e eeuw verdween het economische kader voor de ethos van het puritanisme en fatsoenlijkheid. Religie was niet langer nodig als een gemeenschappelijke taal, want persoonlijke communicatie tussen mensen uit verschillende uiteinden van de economische hiërarchie stierf uit. Vanaf de jaren 1870 was een polarisatie van het electoraat op basis van klassen onderweg, en vanaf 1886 deden veel nonconformisten mee in de bestrijding van het ‘goed-te-doen’ van de liberale gelederen.

In dezelfde tijd lagen de heersende normen van de moraliteit en het religieuze geloof van de middenklasse onder vuur. Dit waren producten geweest van de wederzijdse doordringing van evangelicale theologie met een ethos uit de industrie, zelfdiscipline en prestatie. Daling van kerkbezoek lijkt te zijn begonnen op het terrein van de middenklasse in de jaren 1880, en het ledental van nonconformistische denominaties bleven niet op gelijke tred met de bevolkingsgroei. De liberale protestanten van deze jaren verwierpen het evangelicale evangelie van individuele zaligheid en namen vaak een soort ‘social gospel’ aan, zoals dat later in de Verenigde Staten genoemd werd. Een reden voor de stijgende populariteit van het anglo-katholicisme is haast niet te geven, misschien de afkeer van het puritanisme van de evangelicalen.

De grootste bedreiging voor de religieuze en morele consensus van midden-Victoriaans Engeland lag in de opstand tegen de heersende ethos van het puritanisme en zelfbedwang – een opstand die werd gevoed niet alleen door het verlangen naar grotere individuele vrijheid, maar ook door de walging over de hypocrisie en de cultus van het uiterlijk waartoe dit systeem vaak leidde. In 1894 verscheen een artikel van een Engelse journalist, getiteld ‘The New Hedonism’. Hij zegt hierin onder andere dat zelfontwikkeling beter is dan zelfverloochening en dat we allemaal moeten streven naar gezondheid, geschoold worden, geëmancipeerd zijn, vrij zijn, mooi zijn. Dan is een mens gelukkiger in zichzelf en nuttiger voor anderen. Dat is het centrale idee van het nieuwe hedonisme.

Schrijvers als deze gaven een logische vorm aan de wijdverspreide ontevredenheid met de bestaande moraliteit. Weinigen waren nog klaar voor zo’n verwerping van de oude standaards en voor de beweringen van de nieuwe beginselen, maar grote aantallen mensen van de middenklasse bewogen stapsgewijs in dezelfde richting. De praktische verandering van het meeste gewicht was de daling van de geboortecijfers in het laatste kwart van de eeuw. Tegelijkertijd verviel de ‘Victoriaanse’ zondag. Een sportmania nam bezit van een groot deel van de Britse middenklasse. Het leek erop dat sport een alternatieve emotionele focus werd voor de levens van velen die hun interesse voor religie verloren hadden. Deze jaren waren buitengewoon rijk in organisatie van oude spelen en de inventie van nieuwe. Paardenraces, fietsen, cricket, golf en tennis raakten ingeburgerd in het leven van de middenklasse.

V. Dus in de tijd van de Eerste Wereldoorlog waren de middenklassen in Frankrijk en protestants Duitsland diep verdeeld in hun benadering van religie. In beide landen waren religie en politiek dicht aan elkaar gerelateerd. De meer conservatieve delen van de middenklasse waren het dichtst bij de kerk. In beide landen was het geloof van de rationalisten redelijk wijdverspreid, en de middenklassemensen die niet naar de kerk gingen waren vaak sterk vijandig. Maar waar in protestants Duitsland het meest devote deel van de stadsbevolking in de lagere middenklasse zat, was dat in Frankrijk in de rijkere middenklasse. In Groot-Brittannië was de situatie nogal verschillend: ondanks het verval van de kerkgang in de middenklasse van heel hoge niveaus in het midden van de 19e eeuw, was militant ongeloof vrij zeldzaam. En ook waren er niet zulke grote verschillen tussen de verschillende delen van de middenklasse, hoewel in Engeland de lagere middenklasse vaker nonconformistisch was, en eerder niet-kerkgaand. De meesten hielden wel een verbinding met de kerk, maar interesse in religie was er steeds minder.

Het beeld is niet veel anders dan in de jaren 1950 (Oost-Duitsland is een uitzondering). In West-Duitsland was weinig veranderd, in Frankrijk was dezelfde contrast tussen de katholieke en de antiklerikale middenklasse, in Engeland ging het geleidelijke verval van de invloed van de kerken door, maar nog steeds was éénderde van de volwassenen van de middenklasse regulier kerkganger.

7. De arbeidersklasse
I. Aan het einde van de 19e eeuw was het bestaan van een arbeidersklasse een feit in elk West-Europees land. Elke stad had haar grote proletariërzones. De meesten waren lid van de kerk die dominant was in eigen land en men ging door met religieuze rites op de grote keermomenten van het leven, maar anders gingen ze zelden naar de kerk en velen van hen bejegenden de kerk en geestelijkheid met vijandschap. Typisch was de situatie in Zweden, waar het kerkbezoek in de Lutherse staatskerk scherp daalde in sommige arbeidersklasse-gemeenschappen in de jaren 1880.

De kritiek op de kerk kon leiden tot religieus sektarisme of secularisme. Sommigen hingen zelfs een dogmatisch atheïsme aan, waar ze met Darwin en Marx God ongeloofwaardig en onnodig vonden. Dit zag je bijvoorbeeld bij de sociaaldemocraten in Duitsland. Zelfs in 1906 gaf nog maar een kleine minderheid aan dat men redenen voor hun ongeloof in het christendom ontleenden aan moderne theorieën of de natuurwetenschap. De meerderheid bleef weg vanwege de onrechtvaardigheid van deze wereldorde.

II. Het is helder dat daar waar veel arbeidersklassegebieden zijn de kerken zich in de tweede helft van de 19e eeuw niet staande konden houden. Er waren zelfs hele zones op het Europese platteland waar de kerk nooit echt geworteld raakte, bijvoorbeeld Zuid-Portugal of waar het in het midden van de 19e eeuw uitgestorven was (zoals in veel départments rondom Parijs). Veel fabriekswerkers en kleine koopmannen werden gedwongen om op zondag te gaan werken, en zo verloren ze de gewoonte om naar de kerk te gaan. Veel arme mensen waren zo druk hun hoofden boven water te houden dat ze geen tijd, geld of energie meer hadden om naar de kerk te gaan. Veel migranten naar de steden waren eerst nog wel praktiserend, maar door het harde leven, de ontworteling, de onpersoonlijkheid, het tekort aan kerkgebouwen en priesters verlieten ze de religieuze praxis.

Militant ongeloof kwam veel meer voor bij mannen dan bij vrouwen. Zelfs in 1956 gaf 36 procent van de arbeidersklassemannen aan dat ze zonder religie waren, slechts 19 procent van de vrouwen zei dat. In Engeland lag de relatie tussen politiek radicalisme en christendom complex. Men zou denken dat je óf het één óf het ander bent, maar in Engeland konden arbeiders gerust communist en katholiek beide zijn. Het waren vaak niet heel betrokken kerkmensen, maar ook niet antireligieus. Hun religieuze ideeën waren tamelijk onsamenhangend. Het belangrijkste ding was om blijmoedig te blijven en te proberen genieten van het leven. Het Laatste Oordeel had geen plaats in hun conceptie van na-dit-leven, want ze zeiden ‘we hebben onze hel hier’ en de eeuwigheid zagen ze in termen van slaap of rust en verlichting.

Het hele schema van zonde, verzoening en genade zoals de evangelicalen en katholieken leerden had nauwelijks een plek in de religie van de meeste arbeidersklassemensen. Het christendom werd vaak gezien als essentieel voor fatsoenlijk gedrag, en Jezus is de hoogste morele leraar. Naar de kerk gaan helpt niet, en de supervromen waren over het algemeen hypocriet. Men was dus onverschillig wat betreft theologie. Men was sceptisch, fatalistisch en men had een overdreven wantrouwen in de idealisten. De ervaring van ondergeschiktheid leidde tot cynisme over de mogelijkheid van verandering.

III. In de meeste delen van Engeland nam de kerkelijke betrokkenheid in de laat-19e eeuw af, maar in sommige industriële gebieden in West-Europa bleef het gelijk. Dan spreken we over landen waar de katholieken een achtergestelde minderheid waren (Noord-Ierland, het Rijnland en Nederland) of waar het katholicisme alles te maken had met de identiteit van een achtergestelde taalgemeenschap (de Basken in Spanje, de Vlaams-sprekenden in België en Frankrijk). Tot de jaren 1950 en 1960 zou de kerk hier stabiel zijn.

De veronderstelling dat industrialisatie tot verzwakking van georganiseerde religie zou leiden moet betwijfeld worden als we kijken naar het voorbeeld van Zuid-Wales. Vanuit West-Engeland kwamen veel mijnwerkers en fabrieksarbeiders. Een grote hoeveelheid kleine nonconformistische kapellen werden gebouwd door deze immigranten en kregen veel aanhang. Er was ook wel een derde van de arbeidersklasse die nooit een kerk of kapel bezocht en de vrije uren in de pubs of clubs doorbracht, maar er waren ook heel wat actieve kerkleden, waarvan er velen lekenprediker of zondagsschoolmeester waren. De eigenaren en managers waren vaak Engels, en dus anglicaans, maar de conformisten bestond hoofdzakelijk uit de arbeidersklasse.

De basis voor het verval van ook deze kerken werd gelegd in de jaren na 1860 toen menig Welshman opklom tot een hogere functie. Daardoor kwam er verdeeldheid in de kapellen tussen de middenklasse-elite, zittend in een grote kerkbank, en de arbeidersklasse-mensen. Vanaf 1898 begon een periode van intens conflict in de mijnen; toen begon ook de eerste grote daling van kapelbezoek. Hoewel de opwekking van 1904-05 nog een tijdelijke terugkeer naar de kapellen betekende, kon dat het tij niet meer keren. De invloed van de Welsh-sprekende kapellen ging achteruit, samen met het algemene verval van de Welsh-cultuur onder de impact van de Engelse immigratie.

Een ander voorbeeld is de Ierse diaspora in Engeland vanaf de jaren 1790 en vooral vanaf de aardappelhongersnood van de jaren 1840. In de tweede helft van de 19e eeuw werden sterke katholieke parochies gevormd in de Ierse getto’s van Londen, Liverpool, Glasgow en de meeste andere grote steden. De parochiekerk en het hele netwerk van organisaties eromheen werd hét brandpunt in het leven van de immigranten. Natuurlijk waren er ook veel katholieke immigranten die zeer ongeregeld waren in hun geloofspraktijk.

De Anglicanen startten in de jaren 1840 ook een groot programma van kerkbouw in eerder verwaarloosde stadsparochies, maar het resultaat was een heleboel halflege kerken. De Ierse katholieken hadden als voordeel dat ze geen associatie met de staat hadden; de priesters konden alle krachten aanwenden om er voor hun kudde te zijn. De kerken zaten daar zo vol, dat een aantal armen nooit naar de mis konden gaan, omdat ze geen geld hadden om zitplaatsen in de kerk te kunnen betalen. Tussen priester en volk was er een semi-paternalistische relatie gebaseerd op liefde en vrees. Het verval kwam hier pas in de jaren 1920, toen herhuisvestingsplannen de oude Ierse getto’s afbraken, maar vooral in de jaren 1960 en 1970.

8. Fragmentatie
I. In 1945 lag Europa in puin na 6 jaren van oorlog. Het idealisme van deze jaren zien we in de ruime overwinning van Labour in Groot-Brittannië en de stijgende steun voor de communisten in Frankrijk en Italië. Even belangrijk was de opkomst van de Christen-Democraten als de sterkste politieke macht in West-Europa. Verschillende factoren speelden hierbij een rol, bijvoorbeeld de wijdverspreide hoop dat een vernieuwd christendom de basis kan leveren voor een samenleving waarin fascisme nooit meer een mogelijkheid zou kunnen zijn.

In Engeland geloofde men dat de oorlog een gevecht voor de christelijke beschaving tegen de heidense nazi’s was. Men wilde de spirituele basis voor die beschaving versterken door onder andere de Education Act van 1944, waarin religieus onderwijs een verplicht deel van de syllabus van alle staatsscholen werd en eiste dat iedere school de dag begon met een religieuze dagopening. In Spanje probeerde generaal Franco zijn land weer op te bouwen op een krachtig christelijke basis, maar in geen enkele zin democratisch.

Het rijzende publieke profiel van het christendom en de kerken in de naoorlogse jaren was gemeengoed in de meeste West-Europese landen. Alleen Ierland had een grote meerderheid van kerkgaande mensen, en Noord-Ierland was een goede tweede, maar in Oost-Duitsland verlieten veel mensen de kerken, en veel kerkgangers emigreerden naar West-Duitsland. In 1950 was 8 procent nog ‘zonder religie’, in 1964 al 32 procent. De meeste andere landen kunnen we in twee categorieën verdelen: ten eerste Engeland en de Scandinavische landen, waar het getal van actieve kerkgangers laag was evenals het aantal georganiseerde secularisten. Ten tweede landen als Frankrijk, Italië, België en Nederland, met machtige christelijke en seculiere subculturen, en met opvallende regionale concentraties van hoge of lage religieuze praxis. De sterke regionalisering van religieuze praktijk zien we ook in Spanje en Portugal, maar de antipathie tot de kerk, die wijdverspreid was in grote delen van het zuiden van beide landen, werd uitgesloten van openbare meningsuiting omdat beide landen werden geregeerd door katholieke dictators.

De allesomvattende wereldbeelden van het communisme en katholicisme die het leven in grote delen van Frankrijk domineerde, was nu en dan getint met nostalgie. Er waren veel parallellen tussen deze twee vormen van geloof. Beide zagen de wereld in sterk dualistische termen, beide hadden een sterk historisch besef en beide hadden hun plaatsen van pelgrimage (denk aan Lourdes, dat de meeste mensen ten minste één keer in hun leven hoopten te bezoeken). In Groot-Brittannië en de Scandinavische landen werden religieuze verbondenheden minder betwist. Religieuze issues waren geen onderwerp van politieke discussies. Religie was minder significant dan klasse. Reguliere kerkgang was lager dan in de meeste andere West-Europese landen, rond de 15 procent in Engeland, iets hoger in Wales en Schotland, lager in de Scandinavische landen.

De meeste Zweden waren namnkristna (naam-christenen): ze zeggen wel te geloven in God, maar accepteren niet de dogma’s die het christendom kenmerken; ze willen christelijk onderwijs behouden, maar gaan niet meer naar de kerk. Dopen, confirmatie, huwelijk en begrafenis – dit zijn de contacten die deze mensen hebben, niet met religie, maar alleen met de kerk.

II. In de jaren 1945-1960 ging religieuze verandering vrij langzaam en er was vooral veel continuïteit met de vooroorlogse jaren. Statistieken laten zien dat religieuze participatie en toewijding in sommige plaatsen iets achteruitging en in andere plaatsen iets vooruit. De opmerkelijkste religieuze innovatie was die van de Franse arbeiderspriester, die fulltime in fabrieken of bij bouwplaatsen ging werken. Ze werden helden in de ogen van een deel van de kerk en verraders bij het andere deel. Velen kregen communistische sympathieën. Het werk van deze priesters heeft misschien iets gedaan tegen de hevige vijandschap die wijdverspreid was in de Franse arbeidersklasse tegen de geestelijkheid.

Het grootste probleem voor de kerken was de religieuze vervreemding van grote delen van de arbeidersklasse. Maar in de jaren 1960 verminderde de religieuze betekenis van sociale klasse en begon religieuze vervreemding alle secties van de bevolking aan te tasten. In de vroege jaren 1960 begon het tempo van religieuze verandering te versnellen, en in de jaren 1965-1975 bereikte het een snelheid die sommigen overweldigen spannend volden en anderen angstaanjagend. In het latere deel van deze periode was er sprake van een dramatische daling in kerklidmaatschap en kerkbezoek.

Voor veel christenen was het een zeer opwindende tijd, toen oude orthodoxie en gevestigde hiërarchie werden uitgedaagd in de naam van nieuwe idealen van openheid, informaliteit, democratie en vrijheid. Heel belangrijk was het Tweede Vaticaanse Concilie, met haar aggiornamento (up to date brengen) van de kerk. De landstaal werd in de liturgie geïntroduceerd, in plaats van het Latijn, en het altaar werd verplaatst van uiterst oost (benadrukkend de scheiding tussen priesters en leken) naar het centrum van de kerk, en de leken kregen een meer actieve rol in de dienst (bijvoorbeeld het lezen van Bijbelgedeelten).

Vaticanum II had een serie van nieuwe concepten die potentieel explosief konden zijn. Men wilde continuïteit met het verleden én radicaal nieuwe wegen. De interpretatie van de documenten werden bitter bediscussieerd. Het snelst ging de verandering in Nederland. De Nederlandse bisschoppen en theologen op het concilie vormden de voorhoede tegen het Vaticaan dat verandering tot het minimum wilde beperken. Na het concilie organiseerde men in Nederland het Pastorale Concilie. De nieuwe Nederlandse Catechismus werd een internationale bestseller. Het was ook in Nederland dat de droom van een nieuw hervormd en gerevitaliseerd christendom voor het eerst begon te ontbinden. Van 1963 tot 1967 verloor de Katholieke Volkspartij een kwart van haar kiezers. De wekelijkse kerkgang, in de grote steden al in de jaren 1950 gedaald, verviel nationaal gezien van 64 procent in 1966 tot 35 procent in 1974!

Nergens waren de veranderingen in deze jaren zo dramatisch als in de katholieke gebieden in Nederland. Maar de algemene trends waren hetzelfde in protestantse, katholieke en confessioneel-gemixte landen. Vanaf ongeveer 1967 waren de kerken in de meeste delen van West-Europa in crisis. Zelfs in Groot-Brittannië, waar de kerken reeds relatief zwak waren, laten de jaren 1965-1970 zien een hoger percentage verval in kerklidmaatschap dan in welke vijfjaarlijkse periode in de 20e eeuw ook. Er is geen twijfel dat het verval in geloof en praktijk het grootst was bij de jongeren.

In katholieke kerken was één van de meest veelzeggende veranderingen in deze jaren de scherpe daling van het aantal priesters en nonnen. Er kwam een vloed van uittreding van het priesterschap, in de eerste helft van de jaren 1970 zelfs per jaar 3000 wereldwijd. Dat kwam doordat men wilde trouwen, teleurgesteld was door het trage tempo van de hervormingen na Vaticanum II of een identiteitscrisis van de geestelijkheid omdat andere professies veel van hun functies overnamen.

De jaren 1960 waren een tijd van grote sociale en culturele verandering, op de meeste terreinen van het leven. Het was een tijd van ongekende welvaart, voor de eerste keer ging een massa van de bevolking genieten van wat tot dan toe luxe was: televisie, auto, buitenlandse vakantie, koelkast en wasmachine. De jeugd werd assertiever, de veranderingen in levenswijzen en persoonlijke moraliteit werd gesymboliseerd in de opzettelijke onconventionele kleding en haarstijlen, het gebruik van drugs afwijkend seksueel gedrag.

Waar veel jonge mensen gewoonweg de kerk verlieten, gingen dezelfde gevechten door binnen de kerken. De culturele revolutie van de jaren 1960 was de eis voor grotere individuele vrijheid. Deze revolte had tenminste drie dimensies: een begeerte om de vruchten van de welvaart te plukken, een egalitair politiek radicalisme en een verlangen om te experimenteren. De periode van de jaren 1960 en 1970 lieten een rap verval van de plattelandsculturen zien. Het ondermijnde ook de vormen van religie of niet-religie die hun belangrijkste wortels had in het door sociale klasse gedefinieerde gemeenschapsleven. Een pluralistische religieuze en sociale orde kwam er in de meeste West-Europese landen. Uitzonderingen waren Oost-Duitsland, Spanje, Portugal en Noord-Ierland, waar de dominante gemeenschap de inrichting van religieuze privilege en discriminatie kon voortzetten.

De meeste socialistische en communistische partijen gaven hun aanval op religie op omdat het contraproductief was geweest. Engelse nonconformisten en Nederlandse katholieken bezweken onder hun eigen succes: het werden getto’s waar mensen zich claustrofobisch in begonnen te voelen. De roep naar individuele vrijheid en de verwerping van elk systeem dat op regels van moraliteit gebaseerd was van de jaren 1960 kon support vinden in één van de krachtigste tradities in de Europese literatuur van eind 19e eeuw (bijvoorbeeld Nietzsche). In de jaren 1890 waren deze beginselen al op grote schaal attractief, maar slechts een minderheid was voorbereid om die in praktijk te brengen; in de jaren 1960 werd ‘je eigen ding doen’ uiteindelijk een cliché.

Het verlangen naar grotere seksuele vrijheid was een belangrijk thema in deze literatuur. De seksuele revolutie van de jaren 1960 was een hoogtepunt van een lang proces, en haar nieuwheid moet niet worden overdreven. Bijvoorbeeld de scherpe stijging van stelletjes die kozen om samen te wonen vóór het trouwen of helemaal geen huwelijkse ceremonie ondergingen was in de arbeidersklasse van steden als Parijs al werkelijkheid in de 19e eeuw. Tegelijk hiermee konden de groeiende aantallen atheïsten en agnosten in de jaren 1960 en 1970 putten uit de lange tradities van intellectuele kritiek op religie, dat teruggaat tot de jaren 1860 en 1870 en verder.

III. In de jaren 1980 was de religieuze revolutie van de jaren 1960 nog niet compleet. In veel landen ging het verval in religieus geloof en praktijk nog door. Maar nu worden de contouren van de nieuwe religieuze orde wel zichtbaarder. Hier kwam de komst van immigranten van buiten Europa nog bij. In de vroege jaren 1990 waren er in Groot-Brittannië 1,1 miljoen moslims, 400.000 hindoes en ook 400.000 sikhs. Frankrijk telt 3 miljoen moslims, West-Duitsland 1,6 miljoen, Nederland 400.000.

In Engeland en Wales veranderde de Education Act van 1944 in de jaren 1970 in interreligieuze richting, en sommige scholen probeerden een interreligieuze dagopening te doen. De Education Act van 1988 probeerde de langdurige controverse op te lossen door te verordenen dat religieus onderwijs het feit zou weerspiegelen dat er meer religieuze tradities dan het christendom in Groot-Brittannië zijn.

In menig land vond ook een groei van meer conservatieve vormen van religie plaats en een groei van vormen van bovennatuurlijk geloof dat heel losjes of niet aan het christendom verbonden is. Er was een groeiend aantal mensen die niet meer in een ‘hokje’ geplaatst wilde worden. In een eeuw van individualisme voelden steeds meer mensen zich sterk genoeg om alleen te gaan. Nederland was in 1960 al tweede achter Oost-Duitsland wat betreft aantal mensen die verklaarden geen religie aan te hangen (18 procent – 1970: 28 procent; 1980: 47 procent). Wel bleven wezenlijke regionale verschillen bestaan: de Nederlandse ‘Bible Belt’.

Tot de jaren 1960 vertoonde Nederland hetzelfde patroon als Europa in het algemeen: de meerderheid van de kerkverlaters komen van de arbeidersklasse, en hun bezwaren waren meer ingegeven door sociale en politieke dan door theologische beschouwingen. Maar in 1985 was dit patroon omgekeerd: vooral hoogopgeleiden verlieten de kerk en de meesten van hen werden atheïst of agnost. Het aandeel van reguliere kerkgangers in de bevolking bleef veel hoger dan in Frankrijk, Engeland of de Scandinavische landen, en iets hoger dan in België of West-Duitsland, maar de gelegenheids-kerkgangers en nominale kerkleden verdwenen op grote schaal.

In Groot-Brittannië vervielen aansluiting en praxis veel sneller dan religieus geloof; dit leidde tot het fenomeen dat door Grace Davie wordt gedefinieerd als ‘Believing without Beloning’ (geloven zonder ergens bij te horen). De tendens dat marginale kerkleden met alles braken zien we in de grote neergang van het aantal gedoopten sinds 1950. In Zweden bleef het kerklidmaatschap heel hoog, terwijl het niveau van religieuze praktijk en geloof ongeveer het laagste is van heel Europa; deze situatie werd door Eva Hamberg omschreven als ‘Belonging without Believing’.

Het gevoel van marginalisatie van gelovigen in seculiere samenlevingen was een reden voor de groei van het religieuze conservatisme. In Groot-Brittannië bijvoorbeeld was het patroon van dalend ledenaantal in de grote denominaties juist omgekeerd in sommige kleine en theologisch conservatieve kerken (bijvoorbeeld pinkergemeenten). In Frankrijk was een manifestatie van religieus conservatisme de beweging van aartsbisschop Marcel Lefebvre, die Vaticanum II verwierp. Dit bracht hem in conflict met de katholieke autoriteiten en leidde uiteindelijk tot zijn excommunicatie in 1988. Een peiling gaf aan dat in 1976 maar liefst 26 procent van de praktiserende katholieken in Frankrijk achter hem stonden, hoewel maar een klein getal hem wilde vergezellen in een schisma.

In Nederland boden de meer conservatieve takken van het calvinisme de meeste weerstand tegen de secularisering. Conservatieve denominaties hadden het vermogen hun leden, en vooral hun kinderen, te isoleren van seculiere invloeden van de hen omringende samenleving. Ook heeft men vaak veel over voor evangelisatie. En voor mensen met strenge religieuze overtuigingen is een geloof die scherpe lijnen trekt tussen kerk en wereld en een onderscheiden religieuze levensstijl benadrukt aantrekkelijk.

Er was ook een groei van vormen van religie die grotendeels of geheel onafhankelijk was van traditioneel christendom. Het hindoeïsme en boeddhisme was populair bij Britse hoogopgeleiden, evenals de Church of Scientology (wijzer, gelukkiger en succesvoller worden). Ook is er een vaag gedefinieerde groep, dat een complex van ideeën, instituties en organisaties bevat, onder de noemer ‘New Age’.

IV. De fragmentatie van religieus geloof leidde tot een privatisering van religie; het publieke debat heeft een religieus neutrale taal aangenomen. Wetgevers proberen de individualistische en pluralistische maatschappijen, waarin geen consensus bestaat over ethische vragen, op hun wenken te bedienen. Winston Churchill was geen belijdend christen maar gebruikte wel een religieuze taal waarvan hij geloofde dat het betekenisvol zou zijn voor de meerderheid van zijn landgenoten, maar politici uit de jaren 1980, zoals Margaret Thatcher en John Smith, die wel toegewijde christenen waren, betoogden hun zaak in religieus neutrale termen. In Duitsland, België en Nederland is de retoriek van de christen-democraten in de meeste opzichten weinig anders dan dat van de meer seculiere partijen.

In de vroege jaren 1990 gaven 13 procent van de volwassen Britten aan kerkleden te zijn; bij de parlementsleden was dat veel meer. Religie blijft een belangrijke rol spelen in onderwijs en welzijn. In Duitsland hebben de kerken nog steeds een omvangrijke rol in de nationale gezondheids- en welzijnssystemen. In Engeland hebben de meeste belangrijke liefdadigheidsinitiatieven uit de periode sinds de Tweede Wereldoorlog een religieuze oorsprong en actieve kerkleden hebben een bovengemiddeld aandeel in vrijwilligersorganisaties. De doorgaande publieke rol van religie zelfs in pluralistische en relatief geseculariseerde samenlevingen zien we ook in de frequentie waarin christelijke kerken hebben geprobeerd om op te treden als een soort nationaal geweten, met een recht, en eigenlijk een plicht, de regeringspolitiek te onderwerpen aan morele toetsing. Zo ontving de regering-Thatcher van 1979 tot 1990 meer religieusgebaseerde kritiek dan enig andere regering in de 20e eeuw (het ging met name over de belastingdruk op de schouders van de armen in plaats van op de rijken).

Het opvallendste voorbeeld van de publieke rol van religie zien we in de protestantse kerken in Oost-Duitsland. De communistische overheid viel de kerk scherp aan, en zette lastige geestelijken in de gevangenis. De ultieme doelstelling van een maatschappij zonder religie verloor men nooit uit het oog. De protestantse kerk verzette zich er in het begin tegen, in de verwachting van een dreigende ineenstorting. Daarna een fase waarin overleven een eerste zorg was. De officiële positie die de kerkelijke leiding vanaf nu aannam was die van ‘kritische solidariteit’, waarin men een aanvaarding van de verklaard socialistische doelstellingen van de communistische overheid combineerde met een bereidheid om kritiek te leveren op de gebruikte middelen om deze te bereiken.

Zelfs één van de meest anti-communistische bisschoppen uit Oost-Duitsland zei dat het communistische Oost-Duitsland ‘een mogelijk systeem’ was, terwijl het Derde Rijk ‘iets onmenselijks’ was. Sinds de val van de Berlijnse Muur in 1989 en de hereniging van Duitsland in 1990 wordt over de rol van de protestantse kerk in Oost-Duitsland heftig gedebatteerd. Zij die het element van ‘bekritiseren’ benadrukken zien de Oost-Duitse protestanten vaak als een model van creatieve en moedige respons door christenen die leven onder een totalitaire staat, maar zij die het element van de ‘solidariteit’ accentueren beschuldigen hen van collaboratie. Ze leken gelijk te krijgen toen de archieven van de Stasi openging; hieruit bleek dat deze geheime politie succesvol geïnfiltreerd was in de verschillende kerkelijke lichamen, en er waren (soms hoge) geestelijken die bereid waren als informanten te fungeren. Daarentegen wordt dan weer gezegd dat de Stasi op elk gebied was geïnfiltreerd, en het is juist indrukwekkend dat maar zo weinig geestelijken en kerkelijke werkers ingingen op hun voorstellen.

Het christendom was één van de belangrijkste bronnen van alternatieve waarden in een totalitaire samenleving en kerkgebouwen en rituelen speelden een centrale rol in de gebeurtenissen van herfst 1989, die uitmondden in de val van de Berlijnse Muur. De demonstraties werden voorafgegaan door gebeden voor vrede in de kerken, voordat men de straat opging. De importantie van kerkgebouwen ligt vooral in het feit dat ze de enige publieke sferen waren die niet onder de controle van de regering vielen. En deelnemen aan religieuze rituelen zorgde voor kracht die nodig waren voor de actie die zeker riskant was en het eindresultaat kon niet worden doorzien.

Dus zelfs in één van Europa’s meest geseculariseerde maatschappijen bleven vooral oude kerkgebouwen immens krachtige symbolen, in staat de plechtigheid en heiligheid van ’s levens meest beslissende momenten en ’s mensen hoogste aspiraties uit te drukken – waar mensen moeilijk in staat zijn zich uit te drukken.

Waar de 19e en eerste helft van de 20e eeuw tijden van religieuze polarisatie waren, was de periode sinds de jaren 1960 een tijd van religieuze fragmentatie. De christelijke bolwerken die tot voor kort nog standhielden in grote delen van Europa zijn bijna allemaal verdwenen, en de vele pogingen in 20e-eeuws Europa om een seculiere utopia te stichten eindigden ook allemaal in een mislukking. Het is duidelijk dat gedurende de laatste dertig jaar alle West-Europese landen processen van secularisatie hebben ondergaan. Maar of ze kunnen benoemd worden als ‘seculiere staten’ is twijfelachtig. Dat zou een grotere graad van homogeniteit suggereren dan echt bestaat.

Maar zelfs in de ogenschijnlijk meest ‘seculiere’ of hedendaagse staten zijn er gebieden in de samenleving of het persoonlijke leven waar religieuze invloeden belangrijk blijven. De kerken lijken gebieden van toegewijde minderheden te worden, maar, zoals het geval van Oost-Duitsland laat zien, kunnen toegewijde minderheden een invloed uitoefenen die alle proporties van hun aantal te boven gaat.

Gepubliceerd in augustus 2009

Advertenties