Stapvoets voorwaarts

n.a.v. I.J. Brugmans, Stapvoets voorwaarts. Sociale geschiedenis in de negentiende eeuw, Haarlem 1970

De tijd van Willem I
Inleiding
Willem Bilderdijk schreef in 1811: ‘Holland groeit weêr, Holland bloeit weêr / Hollands naam is weêr hersteld.’ Er was veel veranderd in Nederland sinds de oude Republiek te gronde was gegaan. Gewestelijke soevereiniteit had plaats gemaakt voor nationale. Er was eenheid gekomen in het stelsel van munten, maten en gewichten. Er was een einde gemaakt aan de achterstelling van katholieken, Joden en protestantse dissenters. Van een enigszins ruime deelneming van de burgerij aan het bestuur was geen sprake. Rechtstreekse verkiezingen bestonden niet.

De twee standen
Er werd wel gezegd dat Nederland niet één natie was, maar twee. De maatschappij was namelijk verdeeld in twee standen, die zich duidelijk van elkaar onderscheidden. Daar was enerzijds de bovenlaag, die men aanduidde als de ‘aanzienlijken’, de ‘heren’, of wel de ‘deftige’, ‘betere’ of ‘fatsoenlijke’ stand. Aan de andere kant stond de grote massa, die werd aangemerkt als ‘het volk’ of ‘de armen’. In de marxistische terminologie zou men spreken over bourgeoisie en proletariaat. Da Costa zei: ‘God wilde ’t onderscheid van gaven, rijkdom, rangen’. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen vond de zucht bij kinderen ‘om zich boven den stand hunner ouders te verheffen’ een ‘zorgwekkend verschijnsel’. Was er dan geen middenstand in het toenmalige Nederland? Hun aantal was gering, of wel de beoefenaars van deze beroepen hadden een dermate karig bestaan, dat zij tot de stand der ‘armen’ moesten worden gerekend.

De winkeliers
Er waren talrijke dag- en weekmarkten. Er waren geen meubelwinkels, maar alleen meubelmakers die de goederen op bestelling leverden. Zo ging het ook bij kleding: de confectie was nog onbekend. Het gezin was nog een productiecentrum. Het boerenbedrijf was in geïsoleerde gebieden een gesloten huishouding, waar vrijwel alle benodigdheden van bedrijf en gezin werden vervaardigd buiten enig ruilverkeer.

De ambachtsbazen
In de eerste helft van de 19e eeuw, toen het kapitalisme nog nauwelijks in de Nederlandse industrie was doorgedrongen, was het aantal ambachtelijke bedrijven uiteraard groot. De ondernemer verrichtte zijn arbeid samen met zijn knechten in dezelfde werkplaats, en wanneer deze laatsten bij hem inwoonden (wat vaak het geval was) waren ook beider levensomstandigheden hetzelfde. Belangrijk is dat het inkomen van de ‘baas’ weinig hoger was dan dat van zijn arbeiders.

De boeren
De boer werd als een inferieur lid van de maatschappij beschouwd, hoezeer ook de dichters ‘het leven des gerusten landmans’ mochten verheerlijken. De Groningse boeren hadden gewoonlijk drie of vier inwonende knechten en twee inwonende ‘meiden’. Deze boeren werden ‘herenboeren’ genoemd. Zij speelden een overheersende rol. De eigenlijke boeren bleven daarbuiten. Ze stonden wantrouwend, zo niet afwijzend, tegenover de denkbeelden van de deftige landbouwcommissies. Jacob van Lennep beschreef de Drentse boeren als volgt: ‘Onverschil voor het vreemde, gehechtheid aan den ouden sleur, tegenzin in het beproeven van iets nieuws’.

De witte-boordwerkers
Met deze ‘nieuwe middenstand’ duidt men gewoonlijk het administratief en technisch personeel aan. Deze groep ontbrak in Nederland vóór het midden van de 19e eeuw. De eigenaars van de fabrieksbedrijven verrichtten eerst zelf de administratie. Wat betreft de ambtenaren was het gewoonlijk onder koning Willem I dat de hogere ambtenaren hun zoons en neven voor een plaatsing in ’s lands dienst mochten aanbevelen. Er waren in 1849 slechts 1,6 procent ambtenaren op de totale beroepsbevolking. Technisch personeel moest men later uit het buitenland aantrekken.

Stad en land
Dwars door de indeling in standen ging een geografische, die sociale gevolgen had: de scheiding tussen stad en platteland, iets wat tegenwoordig bijna vervaagd is. De grondwet van 1815 gaf aan de steden een geheel eigen bestuursvorm ten opzichte van het platteland. De leden van de gemeenteraad hadden zitting voor hun leven. Het stedelijk bestuur bleef in handen van de aristocraten. Bij plattelandsgemeenten benoemde het provinciaal bestuur de leden van de plaatselijke raden. De geslotenheid van de stad was niet alleen staatsrechtelijk. Veel steden waren door grachten en wallen omsloten. De poortwachters en boomsluiters werden in 1865 afgeschaft. Er was een geringe ontwikkeling van het personen- en goederenverkeer. In 1821 was in Overijssel nog geen enkele straatweg te vinden. De kosten van openbaar vervoer waren uitzonderlijk hoog. De welgestelden gebruikten bij voorkeur eigen vervoersmiddelen. Het goederenverkeer vond meestentijds per water plaats. Levenspeil, levensgewoonten en cultuur waren in de steden fundamenteel verschillend van die op het land.

De deftige stand in de steden
Nederland kende in de eerste helft van de 19e eeuw slechts één grote stad: Amsterdam. Veel kleine steden vertoonden duidelijke symptomen van verval, zo zei men van Stavoren: ‘Het gras groeit er over de straten’. Bekende leerstof was Anslijn’s De brave Hendrik (1823). Nicolaas Beets noemde dit ‘uitmuntende kinderlectuur’. Beleefdheid, zedigheid en braafheid golden als de hoogste deugden. Er heerste in Nederland een muntchaos: zilveren rijders, achtentwintigen, zilveren dukaten, halve dukaten, dertienhalven, zilveren rijksdaalders, vijfstuiverstukken, daalders en zevendehalfjes: er kwam geen einde aan. Huisonderwijs droeg ertoe bij, de aristocratie van de gewone mens gescheiden te houden. Van middelbaar onderwijs was in de eerste helft van de 19e eeuw nog geen sprake. Er waren Latijnse en Franse scholen. Het levenstempo van de volwassenen onder de aristocratie was rustig, of met een toenmaals vaak gebuikt woord: bedaard. Ieder was tevreden met de plaats, die hij in de maatschappij verworven. Men geloofde in vooruitgang, maar oordeelde dat deze vanzelf kwam.

Reclame werd onnodig geacht: aanbeveling voor een product was niet dat het nieuw was, maar juist omgekeerd, dat het uit een ‘van ouds bekende winkel’ kwam. De winkelier hield zijn beste waren op zolder en poogde niet door fraaie etalages kopers te trekken. Het enige artikel waarvoor reclame werd gemaakt was: het boek. Slechts op één gebied heeft de bovenlaag van de maatschappij vóór 1850 beweging vertoond in plaats van rust: de godsdienst. Daar was de Afscheiding van 1834, het Reveil en de vrijzinnigheid. Voor laatstgenoemden waren de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek belangrijk voor hun godsdienstige opvattingen. Er werd gezegd: ‘Niet de leer, maar de Heer’. Verdraagzaamheid en optimisme waren sleutelwoorden.

De adel
In de Republiek der Verenigde Nederlanden vertegenwoordigde de adel in de gewestelijke statenvergaderingen het platteland. Vooral Thorbecke heeft de positie van de adel aan een scherpe kritiek onderworpen. De grondwet van 1848 maakte een einde aan de privileges van de adel, maar dit betekende niet het einde van hun invloed. De overheidssalarissen waren in die dagen zo laag, dat alleen bezitters van eigen vermogen voor een aanstelling beschikbaar waren.

Cultuurbeleving
De krant speelde een minder grote rol dan men wellicht zou verwachten. De verschijning van twee of drie maal per week scheen voldoende. Het eerste dagblad kwam in 1830, toen het Algemeen Handelsblad tot dagelijks verschijnen besloot. Het aantal abonnees van de kranten was zeer gering. De grote massa van het volk las eenvoudig niets. Ook was de prijs van een krant hoog door de zegelbelasting. Het beroep van journalist was nog weinig gezien. In de meer gegoede kringen werd veel gelezen, zeker in een land als Nederland, waar het ‘huiszittend leven’ overheerste en het leven op straat of in café’s gering was. De predikant-dichter was een veel voorkomende figuur. Stichtelijke lectuur vond in brede kringen aandacht. Het toneel stond over het algemeen op een laag peil. Met de muziek was het nauwelijks beter gesteld.

Veel afleiding gaven altijd de talrijke visites van vrienden en vooral familieleden. De stad was veelal nog een gesloten sociale eenheid in die zin, dat de families van geslacht op geslacht daar bleven wonen en verhuizing naar elders of huwelijk met een niet-stadgenoot uitzonderlijk was. Toerisme was nagenoeg onbekend. Van sportbeoefening was ook geen sprake. De enige vorm van lichaamsbeoefening waaraan vrouwen deelnamen was het schaatsenrijden. Heel wat activiteit die thans tot sport is geworden was toenmaals slechts spel. Men beoefent sport om te winnen, spel om te spelen. Vooral de fraaie inrichting van de woning had grote aandacht. In de studeerkamer was zelden een schrijfbureau te vinden; men stond achter een lessenaar of behielp zich met een op een tafel geplaatste schrijfcassette. Verwarming en verlichting waren gebrekkig. In de slaapkamers trof men voorwerpen aan die thans onbekend zijn: veren bed, slaapmuts, de bedstede. Deze laatste werd langzamerhand vervangen door het met gordijnen omgeven ledikant. De Franse mode was toonaangevend, zij het dat deze als regel op een afstand van twintig of dertig jaren werd gevolgd.

De armen
Het arbeidsvraagstuk bestond niet. Beter gezegd: het bestond wel, maar men zag het niet. Het sociale vraagstuk was bij uitstek de armoede, of, zoals men toentertijd veelal zei, het pauperisme. Men besefte niet dat de talrijke loonarbeiders te lage lonen ontvingen, overmatig lange werktijden hadden, in dikwijls ongezonde fabrieken en werkplaatsen hun arbeid moesten verrichten, in erbarmelijke woningen leefden en niet zelden ter verhoging van de gezinsinkomsten genoodzaakt waren, hun vrouwen en kinderen in loondienst te laten gaan. Met andere woorden: men zag de arbeider als een (behoeftig) consument, niet als afgebeuld producent. Liefdadigheid was nodig om ze te helpen. Bedelarij en landloperij kwamen veelvuldig voor.

De arbeider in het bedrijf
In 1869 werd constateert dat de arbeider de weinig verdiende om te leven, en te veel om te sterven. Vakverenigingen ontbraken. Kinderarbeid kwam echter minder voor dan in Engeland. De baas die kinderen in dienst nam werd beschouwd als een filantroop, die de rondzwervende jeugd (er was geen leerplicht) aan orde en discipline wende en een welkome vermeerdering van de gezinsinkomsten bewerkstelligde. Willem de Clercq was bijna tot tranen geroerd als hij kinderen zo ordelijk zag spinnen en wenste de exploitant Gods zegen op zijn onderneming toe. In de Friese klei-industrie werd gewerkt van ’s morgens 2 tot ’s avonds 10. Hier ging het wel om seizoensarbeid, dat bij slechte weersgesteldheid stagnatie ondervond. In de Twentse katoenspinnerijen werkte men 12 uur per dag. In de winter placht korter gewerkt te worden dan in de zomer wegens de gebrekkigheid van het kunstlicht. Er werd gewerkt ‘zo lang het dag is’. Nachtarbeid kwam weinig voor. Vrouwenarbeid kwam in Nederland weinig voor door de heersende gewoonte dat de vrouw bij het huwelijk haar werk opgeeft.

De arbeider thuis
Koffie werd algemeen gebruikt. Bier was een weelde-artikel dat niet kon worden aangeschaft door de gewone man. Drankmisbruik kwam vooral daar voor waar een leeg gevoel in de maag door onvoldoende voeding was, of waar slechte woningtoestanden en de afwezigheid van mogelijkheden tot recreatie de arbeider naar de kroeg dreef. Gebrek aan hygiëne was een belangrijke oorzaak van de hoge sterfte, vooral in de steden. Vooral in mindere buurten waren er gewoon nog mesthopen te vinden. Men gebruikt het water uit de grachten, waarin de riolen loosden, als drinkwater zonder over zuiveringsmiddelen te beschikken. Cholera-epidemieën teisterden ons land daarom veelvuldig. Halverwege de 19e eeuw stierf 18 procent van de levend geborenen vóór het voltooien van het eerste levensjaar. Nederland vertoonde toen in demografisch gebied hetzelfde beeld als de huidige onderontwikkelde gebieden met hun hoge geboorte- en sterftecijfers.

Niet alle medici hadden een volledige universitaire opleiding genoten. Ziekenhuizen waren uitsluitend voor de minst draagkrachtigen bestemd; de meer gegoeden bleven ziek thuis. Veiligheidstoezicht van overheidswege was onbekend. Er vonden veel ongelukken plaats en bedrijfshygiëne ontbrak. Er was ook het euvel van ongeregeld schoolbezoek: in 1847 komt uit Gelderland het bericht dat de kinderen slechts gedurende vier maanden per jaar de school onafgebroken bezoeken. Vakonderwijs was vrijwel onbekend. Iemand zei: ‘Het vervloekte gemeene vee trouwt vóór hun achttiende jaar, vreet aardappelen, maakt teringachtige kinderen, komt aan de armenkas en gaat bedelen’.

Stakingen kwamen niet voor. Het peil van de godsdienstige beleving was laag; er was bij de onontwikkelde massa veel bijgeloof en heidendom. Er kwamen veel gedwongen huwelijken voor. Er waren weinig vermaken. In Salland werden het kaartspel en de stroperij in 1853 tot de schadelijke gewoonten van de arbeiders gerekend. Op kermissen ging het er vaak ruw toe. Lectuur was meestal laag bij de gronds en bestond uit romans. Menig gezin telde slechts één enkel boek: de Bijbel. ‘Het is onmogelijk te schatten, hoeveel volkskracht en zedelijk besef uit de lezing daarvan is voortgekomen.’

Wat was de omvang van de criminaliteit? In hoofdzaak kwamen de minder bedeelden met de strafrechter in aanraking. Gevangenissen waren vaak een toeristische attractie. Pas in 1824 werd er een einde gemaakt aan het gebruik om tijdens kermissen en andere festiviteiten de gevangenen tegen betaling te komen bekijken. Er was, omdat de ondernemingen toen nog niet omvangrijk waren, iets van een persoonlijke band tussen ‘patroon’ of ‘baas’ en ‘werkman’ of ‘knecht’. De onpersoonlijking van de verhouding, zichtbaar in de woorden ‘werkgever’ en ‘werknemer’ zou eerst veel later optreden.

Verhoudingen op het platteland
Nederland wordt dikwijls het stedenland bij uitnemendheid genoemd. Maar toch was in 1850 nog 44 procent van de bevolking in de landbouw en veeteelt werkzaam. De afstand tussen boer en landarbeider was minder groot dan die tussen de stedelijke ondernemer en zijn werklieden. In de kleistreken langs de zeekust werd landbouw en veeteelt bedreven en geproduceerd voor de markt. In de zandstreken in het oosten en zuiden bleef de boer buiten het ruilverkeer en produceerde alleen wat nodig was voor eigen gezin. Het vee werd in hoofdzaak voor de mest gehouden en gold als een noodzakelijk kwaad. De Zeeuwse boer in die dagen droeg een duidelijk stempel van conservatisme. Voor nieuwe ideeën omtrent bemesting, vruchtopvolging en aanwending van verbeterde werktuigen stond hij niet open. Als regel had hij een redelijk bestaan.

Jacob Cats was nog altijd een geliefd auteur. De levenswijze was sober; van ontspanning en vermaak was weinig sprake. De jaarlijkse oogstfeesten brachten vertier in een overigens eentonig leven. Landarbeiders moesten in de wintermaanden zien rond te komen van het in de zomer overgespaarde geld; dikwijls was dit niet mogelijk en moesten diaconie of burgerlijk armbestuur bijspringen. Hoe de levensomstandigheden van de boerenknechten ook waren, aanvaardden ze hun lot zonder opstandigheid.

Aankoop van veevoer was niet nodig, het vee werd gevoederd met gras, hooi en roggestro uit eigen bedrijf. De onderwijzers genoten een karige bezoldiging en moesten daardoor allerlei bijbaantjes vervullen zoals grafdelver, koster, voorzanger, klokluider en kerkorganist. Door het ontbreken van een pensioensregeling kwamen ook hoogbejaarde leerkrachten voor. De lessen moesten volgens de schoolorde van 1806 met een ‘kort en gepast christelijk gebed’ worden geopend.

Nederland onderontwikkeld gebied
Nederland was in de eerste helft van de 19e eeuw een onderontwikkeld land. De toeneming van de bevolking bracht werkloosheid. Het belastingstelsel, dat onevenredig zwaar op de minder gegoeden drukte, was asociaal. De kleding van de mannen werd steeds donkerder en soberder. De rijkdom werd voornamelijk binnenshuis besteed. De dichters en prozaschrijvers werden niet moe er op te wijzen, dat rijkdom geen geluk behoefde te brengen, en dat de arme in zijn schamele woning dikwijls meer tevreden was dan de rijkaard in zijn paleis. De Zeeuwse arbeider had volgens Hasebroek dagelijks een heerlijk feestmaal: ‘Aardappelen door eigen hand geteeld, overgoten met een saus die honger heet’. Opklimming op de maatschappelijke ladder was vrijwel onmogelijk. Slechts langs enkele wegen konden leden van het gewone volk zich naar een hogere stand opwerken: door onderwijzer of bedienaar van Gods Woord te worden, door ‘naar zee’ te gaan of naar Indië. Maar die wegen waren smal en moeilijk begaanbaar.

De tijd van Thorbecke
Limietpaal 1848
De geschiedenis is een rivier die gestaag blijft stromen, nu eens traag, dan weer in versnelde beweging. De leden van de Tweede Kamer, de provinciale staten en de gemeenteraden werden nu rechtstreeks gekozen. Alleen in de waterschappen had men deze ervaring. Ook de Ned.Herv.Kerk begon in 1867 met algemeen stemrecht. Er kwam een einde aan de toestaan dat er alleen edelen en patriciërs in de Eerste Kamer zitting hadden. Er kwam ook opheffing van het onderscheid tussen stad en platteland; het rijk kende nu alleen nog ‘gemeenten’ die op uniforme wijze werden bestuurd. De ontwikkeling van het verkeer ging snel. Trekschuit verdween, spoorbanen kwamen. Het werd stiller in de trekvaarten en op de straatwegen. De stoomboot kwam ook op. Het Noordzeekanaal werd in 1876 geopend, wat de economie van het land een grote impuls gaf. Een verbreker van isolement is tenslotte ook de telegrafie geweest.

Industriële revolutie
In engere zin werd de nijverheid gemechaniseerd, in ruimere zin was de Industriële Revolutie de overgang van het vroegkapitalisme naar het moderne kapitalisme. De menselijke verhoudingen werden onpersoonlijker, werden verzakelijkt. De ondernemer werd onpersoonlijk met de opkomst van de ‘naamloze’ vennootschap (1850). De onleesbare handtekening, een insluipsel in de 20e eeuw, is niet alleen een symptoom van gewichtdoenerij, maar evenzeer van ontpersoonlijking van de bedrijven en beroepen. De Industriële Revolutie is lang vertekend door de associatie met rokende fabrieksschoorstenen, morsige straten, vieze woningen, afgebeulde en slecht betaalde arbeiders. Dit beeld is niet geheel onjuist. Maar de fabrieksomgeving was veelal uit een oogpunt van veiligheid en hygiëne beter dan de woning van de huisindustrieel of de werkplaats. De fabrikanten begonnen met de bouw van arbeidswoningen en met de oprichting van ziekenkassen voor hun personeel; ook fabrieksscholen werden gesticht. Er was één lichtpunt: men begon het arbeidersvraagstuk als het sociale vraagstuk bij uitnemendheid te zien. Niet langer zag men de arbeiders als ‘armen’. Het euvel van de kinderarbeid ging aandacht krijgen. Men begon belangstelling te tonen voor de slechte voedingstoestand van de arbeiders en de schadelijke inrichting van fabrieken en werkplaatsen. De volkshuisvesting begon een vraagstuk te worden. Van initiatief uit de kring van de arbeiders was in de jaren van Thorbecke nauwelijks sprake.

Opkomst van de middenstand
In Nederland komt na 1850 de middenstand op, dit in tegenstelling tot wat Karl Marx verwachtte. De winkelier werd verkoper van fabrieksgoederen. Het goederenassortiment van de kruidenier onderging een grote verruiming. Boeren gingen er steeds meer toe over hun producten aan handelaren af te leveren in plaats van aan consumenten; zo ontstonden de groentewinkels en de melkslijterijen. Op het platteland bleven de oude verhoudingen langer gehandhaafd; maar naarmate het urbanisatieproces voortschreed verschenen ook in de dorpen de winkelbedrijven. Voor de boeren is de periode 1850-1870 een tijd van welvarendheid geweest. De ‘nieuwe middenstand’, de middengroep van administratief en technisch personeel, die vrijwel afwezig was in de eerste helft van de 19e eeuw, kwam ook op, maar deze groei moeten we niet spectaculair voorstellen. Ook de ambtenarij vertoonde geen aanwas, want het liberalisme vierde hoogtij, met zijn gedachten van staatsonthouding.

Veranderend onderwijs
In 1857 werd de schoolwet van 1806 vervangen: de wet-Van der Brugghen. De sfeer in de lagere school veranderde: het onderwijs verloor zijn ethisch-moralistisch karakter en ging in esthetische richting koersen. De gedachte dat vroomheid en naarstigheid de grootste deugden zijn, en dat de deugd altijd wordt beloond en de zonde gestraft, deze gedachten verloren aan invloed. Wel werd het toegestaan om bijzondere scholen op te richten, hoewel door zichzelf bekostigd. De vereniging van Christelijk Nationaal onderwijs werd in 1859 opgericht. In 1863 kwam er de ‘burgerschool’ en de ‘hogere burgerschool’. We kunnen spreken over scholen voor de opkomende middenstand. Er kwam een handelsschool, technische school en ambachtsschool. De standsverschillen vervaagden en in de barrière tussen rijken en armen ontstonden bressen. Tevoren waren er voor de kinderen uit arme gezinnen slechts enkele smalle wegen die hogerop konden voeren, zoals de kweekschool voor onderwijzers en voor de zeevaart. Thans boden de (hogere) burgerscholen en de in aantal toenemende vakscholen een ruime gelegenheid op de maatschappelijke ladder omhoog te klimmen. Dit heeft ertoe geleid dat de maatschappij het statische karakter verloor.

Katholieke herleving
In de praktijk viel het menig protestant moeilijk deze gelijkstelling te aanvaarden. De Nederlandse regering heeft ertoe bijgedragen, de emancipatie van de katholieken te bevorderen. Het kabinet-Thorbecke viel naar aanleiding van het anti-papisme. De zondagse preek was toentertijd een algemeen onderwerp van gesprek. Nederland kende een echte ‘domineescultuur’, dus een katholieke emancipatie was heel ongewoon. Het duurde uiteindelijk lang voordat de katholieke gemeenschap, sterk in het geloof samen gebonden, een geïntegreerd deel van de Nederlandse samenleving kon worden.

Godsdienst en kerken
Het aantal protestanten nam sterker toe dan de katholieken. De kiemen van onkerkelijkheid werden echter gelegd. De ‘moderne’ richting in de Ned.Herv.Kerk werd geleid door Kuenen en Scholten. Zij gingen het bovennatuurlijke karakter van het christendom ontkennen. Men trok hiermee de gedachten van de Groninger School in uiterste consequentie door. Anderzijds zochten de leden van de Ned.Herv.Kerk niet zelden in een toenemende orthodoxie de steun. Talloze kleinere publicisten, die in de geest van Groen van Prinsterer schreven, vonden gretig aftrek.

Plattelandscultuur
Er kwam een evolutie op het platteland. Terwijl in de steden het rigide standsverschil tussen rijken en armen begon te verflauwen ten gevolge van de opkomst van de middenstand, had op het land juist het omgekeerde plaats. Er kwam scheiding tussen de landbouwers en veetelers en hun personeel. Er kwam een einde aan de vroegere toestand dat de boer met zijn inwonend personeel één grote gezin vormde waar de leden gezamenlijk tafelden en de avonden doorbrachten. Het dienstpersoneel kwam na het midden van de eeuw niet meer in de woonkamer, maar bleef vertoeven in het achterhuis. In Groningen en Friesland was dit vooral duidelijk. De inwonende knechten konden een behoorlijk bestaan leiden, de uitwonende arbeiders daarentegen bleven in ongunstige omstandigheden verkeren. Het grootste euvel was de winterwerkloosheid.

De ‘jonker’ of ‘baron’ heerste op een gemoedelijke wijze in het dorp. Maar dit veranderde. De Groningse jonkergeslachten begonnen uit te sterven In Friesland evenzo. Het land kwam dan dikwijls in handen van gefortuneerde stedelingen, die het beheer aan notarissen of administrateurs overlieten. De verhouding tussen eigenaars en pachters, te voren in sterke mate patriarchaal, werd nu meer en meer verzakelijkt.

Onderlinge bijstand bij geboorte, ziekte en dood, bij huwelijk en verhuizing, bij het bouwen van een woning of het binnenhalen van een oogst, was nog regel in deze jaren. Het boerenbestaan verkreeg daardoor een zekere kleurigheid, die de eentonigheid van het dorpsleven doorbrak. Wel was er regelmatig drankmisbruik bij deze hoogtijdagen.

De geestelijke ontwikkeling op het land bewoog zich op laag niveau. Het analfabetisme bleef omvangrijk. Het peil van het onderwijs in de dorpsscholen bleef laag; de karig bezoldigde onderwijzers in Drenthe hadden soms de gewoonte, bij de leerlingen thuis om beurten de maaltijd te gebruiken. Het zedelijke leven stond ook op een laag peil. In Salland was de zondagse kerkgang gewoonte en geen uiting van godsdienstzin; er heerste daar veel geloof in heksen, tovenaars en spoken. In Drenthe kwamen de volksgerichten voor. Een graadmeter voor het culturele peil in stad of streek is altijd de woning geweest. De huisjes van de landarbeiders waren hoogst eenvoudig: zij bestonden uit één kamer, met een voorportaaltje dat vaak als keuken werd gebruikt. De behuizing was primitief, maar niet zo erbarmelijke als in de steden, waar menig arbeider in een kelder, op een zolder of in een woonkazerne verbleef met onvoldoende verlichting en luchtverversing.

De Groningse herenboeren stonden aan de top: het tegen de schuur aangebouwde woonhuis had het voorkomen van een villa. In Drenthe, Twente en Gelderland vond men veelal de ‘lösse hoes’, waar de woon- en stalruimte niet van elkaar gescheiden waren. Algemeen gold, dat slaapkamers ontbraken (men sliep in bedsteden, die zich in de woonvertrekken bevonden). De leunstoel, als deze al voorkwam, was voor de heer des huizes bestemd. Het platteland onderscheidde zich ook van de stad door de klederdracht. De onderscheiding tussen zomer- en winterkleding was nog onbekend. De voeding van de landarbeider was karig en monotoon. Vlees en spek waren bij de Groningse landarbeiders onbekend.

De boeren profiteerden van de gestegen prijzen en werden rijker; zij pasten soms ook verbeteringen toe, maar meestal bleven ze vasthouden aan de traditionele werkwijzen. Van een behoorlijke boekhouding was nog bij weinigen sprake. De algemene ontwikkeling van de boeren was niet groot. Dorpsverenigingen bestonden niet. De positie van de landarbeiders bleef hetzelfde, dus ongunstig.

Emancipatie van de vrouw
De boerin heeft van oudsher een belangrijke plaats ingenomen in het agrarische bedrijf, zonder dat van enige achteruitgang sprake was. De meeste boerenbedrijven waren gezinsbedrijven. Vrouwenarbeid in de nijverheid was ook een gewoon verschijnsel. Er was één factor die de industriële vrouwenarbeid beperkte: de gewoonte dat de gehuwde vrouw haar beroep neerlegde. Kiesrecht was er, behalve in sommige waterschappen, voor vrouwen niet. Ook kon zij niet optreden als getuige bij notariële akten en akten van de burgerlijke stand. Toen Aletta Jacobs zich in 1871 als studente in Groningen wilde laten inschrijven, bleken er geen bepalingen te bestaan die aan de vervulling van haar wens in de weg stonden. De vrouw als onderwijzeres was geen uitzondering meer. In het gezinsleven was de invloed van de vrouw groot. Zonder dienstboden kon dit alles niet worden bewerkstelligd. Ze was dus eigenlijk leidster van een klein bedrijf. Het was nog niet gewoon om het ‘verschrikkelijk druk’ te hebben en ook de avonduren aan het werk voor zaken of beroep te besteden. De ‘avondjes’ die de Camera Obscura beschrijft, waren in Thorbecke’s tijd nog gebruikelijk. Zo bleef de gezinsband hecht. De ontbindende krachten zouden later pas optreden.

Geestelijke ontwikkeling
‘Zeg mij wat gij leest, en ik zal u zeggen wie gij zijt’. Historische romans waren zeer in trek. Ook Indische romans waren er. Jacob Cats was nog steeds een veelgelezen auteur. Ook werden er veel dichters gelezen als Ten Kate en Beets. De Nederlander had tijd om te lezen en hij gebruikte zijn tijd daarvoor. Het levenstempo lag in de hogere lagen van de samenleving langzaam. In de periode van de trekschuit had men meer tijd voor lezen, voor gesprek en bespiegeling dan in de periode van het vliegtuig. Het probleem van de vrijetijdsbesteding bestond nog niet. De betekenis van de krant als bron van informatie en ontwikkeling was in Thorbecke’s tijd weinig groter dan in de voorafgegane periode. Partijbladen ontbraken, want er waren nog geen politieke partijen. De afschaffing van het dagbladzegel in 1869 heeft de weg tot verbetering opengesteld.

De colleges werden nog steeds in dicteervorm en in het Latijn gegeven. Opzoomer (Utrecht) was de eerste hoogleraar die het waagde zijn inaugurele oratie in het Nederlands te houden. (1846). De afstand tussen de deftige hoogleraren en de studenten was groot, ondanks het geringe aantal van de laatsten. Sommige professoren verschenen altijd in rok en witte das. In deze tijd werden de opvattingen van de mensen ook humaner. Men begon in te zien dat de misstanden niet vanzelf overgingen, maar dat er actie ondernomen moest worden. Een bekend persoon was O.G. Heldring: De jenever erger dan cholera (1838). ‘Hij bouwde geen tuchtscholen maar tehuizen, waar de kracht van het evangelie de harten moest doordringen.’ Er kwam meer oog voor kinderarbeid en de veiligheid en gezondheid in fabrieken en werkplaatsen. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen bood tegen een zeer lage entreeprijs de ‘volksvoordrachten’. De overheid bleef bij dit alles afzijdig. De tijd van bemoeiingen en subsidies was nog ver weg.

Humanisering kwam vooral op in het strafstelsel. Willem had weer oude strafvormen ingevoerd, zoals lijfstraffen van geseling en brandmerken. Ook de schavotstraffen van tepronkstelling en zwaaien met het zwaard boven het hoofd werden in ere hersteld. In 1854 werd dit ‘gesel- en worgbesluit’ van 1813 afgeschaft. De doodstraf (onthoofding of ophanging voor mannen, onthoofding of worging voor vrouwen) verdween in 1870, nadat vanaf 1860 de doodstraf niet meer werd uitgevoerd door de verlening van gratie. Het regime in de gevangenissen werd ook milder. Een belangrijke verandering was ook de invoering van de celstraf in 1851. De stijging van de volksontwikkeling heeft ongetwijfeld bijgedragen tot de vermindering van de criminaliteit.

Levenswijze van rijk en arm
Het demografisch patroon bleef dat van een onderontwikkeld land: hoge geboorte- en sterftecijfers. Slechts de helft van het aantal geboren jongens bereikte de leeftijd van 35 jaar. De oorzaken: onvoldoende hygiëne, slecht drinkwater, karige en ondoelmatige voeding, optreden van epidemieën, slechte arbeids- en woningtoestanden; ook onvoldoende zorg voor zuigelingen, waardoor twintig procent van de geborenen in het eerste levensjaar kwam te overlijden. Op Zuid-Beverland kregen de zuigelingen van twee maanden reeds koffie toegediend. De steden kenden meestal geen geboorte-, maar een sterfteoverschot. Ziekten als mazelen, influenza en malaria hadden vaak een epidemisch karakter en maaiden vele stadsbewoners weg. De boerenhuizen hadden vaak te kleine ramen, het slapen in bedsteden was nadelig voor de gezondheid. Vooral in de steden droegen de woontoestanden tot schade aan de gezondheid bij.

De woningen van de meer gegoeden onder de stedelijke bewoners kenden dergelijke euvelen natuurlijk niet. Echter hier waren ook slechte gewoonten, zoals het weren van zonlicht en frisse lucht. Waar eerst strakke rechtlijnigheid de boventoon voerden, kwamen er geleidelijk vloeiende vormen en donkere kleuren van de romantiek. In de slaapkamers bleven de bedgordijnen gehandhaafd ter wering van koude en tocht; de slaapmuts werd daarom ook onmisbaar geacht. In de huizen van de hogere klassen was veel praal, maar toch weinig comfort. Er ontbrak leidingwater. Amsterdam en Haarlem waren de eerste steden die over een waterleiding beschikten.

Het voedsel van de mindere man waren aardappelen en brood. Het boter- en kaasgebruik was gering. Vlees kwam in menig gezin zelden op tafel. Vis was ook weinig populair. Het eten van fruit was ongebruikelijk, ook bij de hogere standen. Het gebruik van sterke drank was abnormaal hoog bij het lagere volk. Qua kleding begon de scheiding tussen de standen te vervagen. Mannen uit de ‘betere’ standen gingen afzien van gekleurde jassen, vesten en broeken. Thorbecke’s portret laat een geheel in het zwart geklede man zien. Ook kwam de confectiekleding op. In 1841 werd de naaimachine door de Amerikaan Howe uitgevonden. Bij de vrouwenkleding bleef het verschil nog even groot. De hoepelrok accentueerde dat de draagster geen betaalde arbeid hoefde te verrichten en aanspraak kon maken op de titel ‘mevrouw’ of ‘juffrouw’.

Hoe zat het met de vrije tijd? De zondagsrust bleef nog redelijk gehandhaafd. Er was de gebruikelijke kerkgang, die nog niet onder kritiek werd gesteld. De aanleg van parken werd nog niet als overheidstaak gezien. Goedkope vervoermiddelen, die de arbeider ‘naar buiten’ konden brengen, ontbraken. Een wandeling in de stad was mogelijk. Lectuur was voor velen niet weggelegd, door het analfabetisme. De kroeg werd daardoor één van de enige mogelijkheden van vrije tijd. Ook was er de sport, maar dat werd beperkt tot de hogere standen. Het wedstrijdkarakter ontbrak meestal, dus men kon niet naar wedstrijden gaan kijken. De tijd van de excessieve belangstelling voor de zondagse voetbalwedstrijden was nog ver weg.

Het leven tussen 1850 en 1875 werd langer, veiliger en gerieflijker, maar ook prozaïscher, ernstiger, zonder humor. Er heerste een puritanisme, dat kenmerkend is voor de Victoriaanse periode. Het cultuurleven stond op een laag peil. De 19e eeuw was de eeuw van de verscheurdheid, die kloven schiep tussen kerk en staat, tussen kapitaal en arbeid, tussen geloof en wetenschap, tussen kunst en techniek.

Op de eeuwgrens
Bevolkingsgroei
Van een ‘breukvlak’ tussen de 19e en 20e eeuw is in Nederland geen sprake geweest. Pas de Eerste Wereldoorlog heeft een definitieve afsluiting van een tijdperk gebracht. De steden, eeuwen lang beperkt gebleven tot haar historische afgepaalde territoir, ondergingen na 1900 een spectaculaire uitbreiding; buiten de oude steden verrezen nieuwe wijken, meestal van een naargeestige uniformiteit. Het aantal inwoners steeg van 3 miljoen in 1850 tot 5 miljoen in 1900. Bij de eeuwwisseling waren er drie steden met meer dan 100.000 zielen. Er trad een vermindering van het sterftecijfer op. De betere levensomstandigheden op het platteland en de toenemende proletarisering in de steden leidden tot stijging van het aantal geboorten, terwijl de Rationalisierung des Sexuallebens, die in de laatste kwart van de eeuw in de bovenlagen van de maatschappij ingang begon te vinden, tot verkleining van de gezinsomvang leidde.

De geneeskundige wetten van 1865 brachten het monopolie van de universitair opgeleide artsen en maakten een eind aan de examens voor halfbevoegden als plattelandsheelmeesters en dergelijken. Epidemieën konden steeds meer worden beteugeld. Het sterftecijfers begon in de meer geïndustrialiseerde westen en noorden des lands. De steden gingen nu juist het omgekeerde beeld vertonen en kregen een lager sterftecijfer dan de agrarische gebieden, die nog lang van hygiënische voorzieningen als bijvoorbeeld de waterleiding verstoken bleven. De gemiddelde levensduur steeg scherp.

Welvaartsstijging
In de steden verdwenen de talrijke koren-, pel- en zaagmolens, die hoog op de wallen hun wieken lieten draaien. In plaats daarvan kwamen er overal rokende fabrieksschoorstenen. De mechanisatie van de nijverheid heeft veel meer betekend dan alleen een verandering van het technische productieproces. Zij heeft teweeggebracht, dat de huisindustrie en het ambachtsbedrijf hun overheersende positie moesten afstaan vaan de fabriek. Numeriek nam de nijverheid toe. Nederland was bij de eeuwwisseling niet langer een agrarisch-commercieel land; het was tevens een industrieland geworden. De industrialisatie ging gepaard met een stijging van het welvaartsniveau. Het goederenpakket werd niet alleen groter, maar ook gevarieerder. Petroleum, gas en elektriciteit werden gemeengoed en vereisten de aankoop van nieuwe apparaten. Het gas was tot dan toe hoofdzakelijk voor straatverlichting. Reclame ging ook steeds meer opkomen.

Verkeersgroei
De grootste verandering op het gebied van het waterverkeer is de overgang van de zeilvaart naar de stroomvaart geweest. Er kwamen stoomvaartmaatschappijen die tot exploitatie van speciaal voor reizigersvervoer ingerichte vaartuigen overgingen. Het spoorwegnet was omstreeks 1880 in hoofdlijnen voltooid. Toen werd ook een begin gemaakt met de uitbouw van het waterwegnet, in die zin dat de verschillende waterwegenstelsels aan elkaar werden verbonden, zodat één Nederlands net van vaarwegen tot stand kwam. De stoomtram maakte vanaf 1880 een einde aan het isolement van het platteland. Omstreeks 1900 was er nog weinig noodzaak voor de aanleg van wegen. Driekwart van het verkeer ging nog over water. Door de ontwikkelingen in de infrastructuur konden nu bezoeken worden gebracht, vergaderingen worden bijgewoond, die te voren wegens de te lange reisduur achterwege moesten blijven. Plezierreizen over grotere afstanden konden nu worden gemaakt. De ruimere mogelijkheid van uitwisseling van gedachten vergrootte de volksontwikkeling. In deze tijd werden vele schilderachtige grachten gedempt, vele fraaie loopbruggen door gietijzeren overspanningen vervangen en de straten verbreed, vele huizen gesloopt. De ‘eredienst van de slopershouweel’ is pas in de 20e eeuw verlaten. In 1881 kwam de telefoon.

Sportbeoefening en reizen
Men hield zich vooral bezig met roeien, zeilen, harddraverij, kaatsen, kolven en schaatsenrijden. Maar een essentieel element in het volksleven was de sport niet; de beoefening bleef plaatselijk en miste veelal het wedstrijdkarakter, en ook was zij beperkt tot de hogere lagen van de maatschappij. De invoering van de gymnastiek als verplicht leervak in 1863 gold alleen voor de (hogere) burgerscholen. Op de lagere scholen bleef het facultatief. In Haarlem begon de voetbalsport een kleur te krijgen. Daar werd in 1879 de Haarlemse Football Club (HFC) opgericht. Sportbeoefening was bij de hogere standen van de jeugd niet populair, ze gedroegen zich liever als deftige dames en heren. Er werden zelfs stemmen gehoord die zich tegen de sportbeoefening verklaarden. Nederland telde in 1891 12 voetbalclubs, in 1951 al 3099. In 1918 schreef iemand: ‘Was vroeger de kroeg de voornaamste vijand van het huiselijk leven, thans werd het vergadermanie naast de soms bandeloze sportmanie, die de huizen van arm en rijk verlaagde tot eet- en slaapgelegenheden, zonder veel meer.’ De collectieve bindingen begonnen eind 19e eeuw te overheersen na een korte periode van individualisme. Het ‘ik’ van de 19e eeuw werd vervangen door het ‘wij’. De beter gesitueerden bezaten gewoonlijk een buitenhuis waar zij de zomermaanden doorbrachten. De Zwitserse bergen begonnen ook te trekken. De vissersplaatsen aan de kust ontwikkelden zich tot badplaatsen. De arbeiders profiteerden hier nog weinig van: zij hadden nooit vakantie.

De toestand van de arbeidende klasse
De sociale groep, die tussen 1850 en 1900 het sterkst is veranderd, is wel de klasse van de loonarbeiders geweest. Het arbeidsvraagstuk werd het sociale vraagstuk bij uitnemendheid. De grote katalysator van Nederlands welvaart is de industrialisatie geweest. De huisindustrie verdween grotendeels. Voor de arbeiders betekende dit een verbetering. Vooral de teruggang van de huisindustrie met haar gewoonlijk karige lonen en regelmatige werkopdrachten was belangrijk. Er ontstonden talrijke fabrieken. Aan de structurele werkloosheid was een einde gekomen, waarmee een eind was gekomen aan een oud euvel. Vooral het verbruik van voedingsmiddelen liet een verbetering van de welvaart zien.

De Nederlandse werkman had het niet breed; wel was er een verbetering in zijn bestaan opgetreden. Er kwam ook een grotere zorg van de werkgevers voor ziekte, ongeval of invaliditeit van zijn arbeiders. Overmatige arbeidsdagen kwamen veelvuldig voor. Ook de arbeid van vrouwen en kinderen bleef een euvel. Een Maastrichtse arts noemde de kinderen in de fabrieken ‘levende skeletten’. Van toegenomen levensgeluk was vooralsnog geen sprake. De eertijds heersende opvatting van het ‘laissez faire’, de gedachte dat de overheid het spel van de economische krachten vrij moest laten, was overboord gezet. In 1874 kwam het ‘kinderwetje’ van Van Houten. In 1899 kwam de Arbeidswet, wat de arbeidsduur van ‘jeugdige personen’ beperkte. De volwassen mannen (16+) bleven buiten enige bescherming; de onderliggende gedachte was, dat zij voldoende ‘mans’ waren om zelf voor hun belangen op te komen en niet tot de economische zwakken konden worden gerekend.

In 1895 kwam de Veiligheidswet. Op het gebied van de arbeidersverzekering ging de overheidsbemoeienis zich uitstrekken. Naar voorbeeld van Duitsland, waar Bismarck een indrukwekkende reeks wetten tot stand had gebracht die de arbeiders moesten schadeloos stellen voor de geldelijke gevolgen van ziekte, ongeval, invaliditeit en ouderdom, stelde de Ongevallenwet van 1901 de arbeiders in een groot aantal ondernemingen na een bedrijfsongeval in het genot van een rente, die tot 70 procent van het loon kon oplopen. De huisvesting van de arbeiders stond nog altijd op een laag peil. Vooral in Limburg en Brabant waren veel éénkamerwoningen. Ook op dit gebied ging de overheid ingrijpen. In 1901 kwam de Woningwet tot stand; hiermee kwam de mogelijkheid van onbewoonbaarverklaring van woningen. Drie dingen zorgden voor verbetering voor de arbeiders: de stijging van de lonen, het ingrijpen van de overheid én de opkomst van de vakbeweging.

De arbeidersbeweging
Vaste voet kreeg het socialisme in Nederland pas in 1878. Ferdinand Domela Nieuwenhuis, ex-predikant, evolueerde langzamerhand in anarchistische richting en ging het parlementarisme verwerpen, en verloog hierdoor de arbeidersmassa. In 1894 werd de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) opgericht. De verruiming van het kiesrecht, door de Kieswet van 1896 gebracht, had deze ontwikkeling mogelijk gemaakt. De georganiseerde werkstakingen waren een symptoom van de ontwakende arbeidende klasse. De arbeiders gingen de voordelen van organisatie inzien. Sinds 1877, met de oprichting van Patrimonium, kwam er een christelijke beweging op dit gebied. De paus vaardigde rond de eeuwwisseling de encycliek Rerum novarum uit. In 1909 werd het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) opgericht. Het kon nu niet anders meer of de werkgevers moesten wel een tegenwicht vormen ten opzichte van de vakbeweging. Zo ontstonden ook verenigingen voor werkgevers. De vele openbare nutsbedrijven (gas- en elektriciteitsvoorziening, tram en telefoon) gingen uit handen van particulieren naar die van de overheid.

De vrouw in de maatschappij
Een vrouwenvraagstuk bestond er nog niet, dit gebeurde pas rond de eeuwwisseling bij vrouwen uit de hogere lagen, die hun rechten gingen opeisen. Het duidelijkst kwam dit aan de dag bij het lager onderwijs. De laagste klassen werden ‘bij voorkeur’ aan een onderwijzeres opgedragen. Toen in 1894 de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht werd opgericht werd de ‘emancipatie van de vrouw’ tot een leuze. Het ‘feminisme’ was geboren. Kleding veranderde ook: er kwam een voetvrije rok. De fiets, van sportobject tot vervoermiddel evoluerend, werkte deze kledingrevolutie in de hand. Een damesrijwielschool was een spectaculaire nieuwigheid voor vooruitstrevende dames. Kiesrecht voor vrouwen kwam pas na de Eerste Wereldoorlog. Niet alle mannen bezagen de nieuwe vrouwenemancipatie met instemming. Vrouwenstudie werd door menigeen verwerpelijk geacht. Dit was een ‘moorddadige inval’. ‘Zotteklap! Een vrouw debiteerende in een politieke vergadering…dat is een godslastering!’

Onderwijs en volksontwikkeling
In 1900 kwam de Leerplichtwet, die schoolbezoek van de kinderen gedurende zes jaren verplicht stelde. Sinds 1889 werd subsidiering van de bijzondere scholen mogelijk, al was de befaamde ‘schoolstrijd’ nog niet beëindigd. De 20e eeuw is wel ‘de eeuw van het kind’ genoemd. Men ging zich in de psychologie van het kind verdiepen. Er verschenen nu ook echte kinderboeken. Ook de gewoonte om kinderen te kleden als kleine volwassenen begon te tanen, al plachten de jongens op de betere scholen nog in het begin van de 20e eeuw het befaamde matrozenpak dragen. In 1876 werd de rijkslandbouwschool te Wageningen opgericht. De school was niet de enige motor van de volksontwikkeling: er kwamen volksbibliotheken. De pers breidde ook uit. In 1869 waren er 9 dagbladen, in 1899 al 62. De grote dagbladen gingen er toe over om naast de avondeditie een ochtendblad te laten verschijnen. De inhoud werd ook veelzijdiger: van louter nieuwsbladen werden zij tot voorlichtingsmedia. Hiermee hangt de ontwikkeling van het partijwezen samen. Het blad De Standaard (1872) was het eerste partijorgaan (van de in 1878 opgerichte Antirevolutionaire Partij, de eerste politieke organisatie van Nederland).

Staatsburgerschap
Nederland was na 1848 snel gedemocratiseerd. Het aantal kiezers bedroeg in 1853 83.000, in 1896 302.000. In dat jaar, 1896, kwam er een kieswet tot stand, waardoor er opeens 577.000 kiesgerechtigden waren. Ook de ‘gezeten werkman’ viel er nu onder. Aan invoering van algemeen kiesrecht werd nog niet gedacht. In 1884 ontstond de liberale partij, in datzelfde jaar de SDAP. Binnen de ARP ontstond een scheuring: A.F. de Savornin de Lohman vormde in 1898 de Christelijk-Historische Unie. De rooms-katholieken richtten in 1904 ook hun partij op. De volksvertegenwoordigers bleven echter uit de hogere standen komen. Onder de kamerleden waren veel juristen; niet ten onrechte is gezegd dat Nederland van domineesland tot advocatenland was geworden. We moeten bedenken dat het leven van de individuele burger toen nog weinig werd beïnvloed door maatregelen van overheidswege. De belastingdruk was nog laag en weinig voelbaar, omdat de accijnzen het leeuwendeel van de staatsinkomsten opleverden (40 procent in 1880). In 1892 betaalde men slechts 2,5 procent inkomstenbelasting!

Comsumptiepatroon
De bestedingsvrijheid van de consument was dus groot. Maar ook bleven de inkomensverschillen groot en dus de comsumptiepatronen. De coupé’s van de eerste en tweede klasse droeg het opschrift ‘dames’, en de derde klasse ‘vrouwen’. De woningen bleven ruim. De romantiek was op haar retour, en de woning was niet langer ‘een toonkamer van luxe-objecten’. Winkels waren, behalve op zondag, altijd geopend, veelal ook ’s avonds, want gemeentelijke winkelsluitingsverordeningen waren onbekend. De winkelier miste zelfs de ‘Engelse zaterdag’, de vrije zaterdagmiddag die in deze jaren in sommige fabrieken in zwang kwam. De boerenstand had onder de agrarische depressie (1877-1895) zwaar geleden. Door de komst van nieuwsbladen kwam een eind aan de ‘kerkespraak’, de gewoonte dat de schoolmeester-koster-voorzanger na de godsdienstoefening mededeling deed van huwelijk, begrafenissen, vestiging en vertrek, boeldagen en verkopingen van vast goed. Er waren in deze tijd nog streken waar nog altijd de economische en sociale verhoudingen welhaast middeleeuws mochten heten.

Onkerkelijkheid
In 1850 was dit verschijnsel nog nauwelijks bekend. In 1879 verklaarden 12.253 personen niet tot enig kerkgenootschap te behoren, in 1899 was dit tot 115.179 gestegen. Één van de oorzaken was de spectaculaire groei van de natuurwetenschappen, het veldwinnende socialisme, de grotere welvaart en de verstedelijking van de samenleving. Het loslaten van de binding met de kerk vertoonde zich bij de protestanten eerder dan bij de katholieken.

Humanitair werk
Dat verminderde kerkelijkheid niet hoeft samen te gaan met afwending van de christelijke levenswijze en moraal, kan blijken uit de talrijke organisaties, die in deze tijd geestelijke en zedelijke verheffing beoogden. Men begon in te zien dat er andere sociale euvelen waren als broodgebrek: drankbestrijding begon de aandacht te krijgen. Ook ziekenverpleging werd ter hand genomen. Armenzorg evolueerde tot maatschappelijk werk.

Fin de siècle
Er was bij de intrede van de 20e eeuw een socialisatie van de samenleving tot stand gekomen, die zich nadien in versneld tempo zou voortzetten. De gedachte, dat de grootst mogelijk individuele vrijheid het meeste maatschappelijke heil zou brengen, was voorgoed verlaten, ook door de liberalen. Het blijmoedig vertrouwen in de macht van de rede ging in het laatste kwart van de 19e eeuw verdwijnen. Men begon de invloed te ondergaan van pessimistische schrijvers als Kierkegaard en Nietzsche.

Gepubliceerd in september 2007

Advertenties