Televisie als religie

Op zaterdagavond 4 januari 1964 zond de VARA een satirisch programma uit (door 4,5 Nederlanders bekeken), Zo is het toevallig ook nog ’s een keer. De programmamakers hadden genoeg van het fatsoen dat de omroeporganisaties vertoonden. Het volgende provocerende gedeelte kwam erin voor:

‘Er heerst een grote vreze dat de mensen steeds minder gelovig zouden zijn. Maar die vrees, lieve broeders en zusters, is ongegrond. Want er is een nieuwe oecumenische religie die alle gelovigen en ongelovigen heeft bekeerd tot een nieuw intens geloof. De gelovigen van deze religie belijden hun eredienst in miljoenen kerken en kapellen, in de grote en in de kleine steden, in de rijke en in de arme buurten, overal waar de zending komt, en de zending reikt verre; van alle kerken en kapellen wenkt blijmoedig verkondigend het kruis [in beeld komt een televisie-antenne]. Het kruis dat zegt tot de wereld: wie horen kan die hore, wie kijken kan die kijke. Hier is het licht, hier vindt gij de ontvangst, hier ziet gij het aanschijn van het beeld. Want het beeld is tot de mens gekomen en heeft de mens gevormd naar zijn evenbeeld.

Elke avond verzamelen zich de gelovigen rond de tabernakel en ontsteken het heilige beeld. Op zon- en feestdagen blijven ze bijna de gehele dag in devoot stilzwijgen bijeen. Het beeld zij geprezen dat er slechts weinigen zijn die hun plicht verzaken en in plaats van het beeld te dienen zich overgeven aan zondige bezigheden, als daar zijn lezen, spelen of zelfs praten. Nee, de miljoenen en miljoenen gelovigen kunnen niet genoeg krijgen van de blijde boodschap: in den beginne was het beeld en het beeld was goed en het beeld is goed. Komt allen tot het beeld, die belast en beladen zijt, want het beeld zal u rust geven.

En om dat aardse paradijs te verwerven volgen de gelovigen trouw de geboden die het beeld gegeven heeft: Gij zult geen ander tijdverdrijf kennen dan het kijkbedrijf, gij zult u geen afgodsbeelden maken dan de beelden van het beeld, gij zult niet naar uwe naasten kijken gelijk uwe naasten niet kijken naar u, maar bovenal: gij zult de knop geenszins omdraaien, want dit is het beeld een gruwel. En zo won dit machtig geloof elke dag nieuwe discipelen, die gelijk met hun broeders en zusters neerknielen voor het beeld, en bidden: geef ons heden ons dagelijks programma. Wees met ons, o beeld, want we weten niet wat we zonder u zouden moeten doen’.

Er brak een storm van kritiek los. De programmamakers hadden de ongeschreven regel gebroken dat de omroeporganisatie van een bepaalde subcultuur de leden van andere subculturen niet beledigt. Zelfs ministers spraken hun afkeur uit, op de dag erna al – op zondag dus, wat niet gebruikelijk was in die tijd. Maar… confessionele geestelijke leiders, zoals bisschop Bekkers en dominee Kuitert, maakten zich meer zorgen over hun schijnheilige kudde dan over het programma.

De VARA ontsnapte aan overheidsmaatregelen. Commentaren ontdekten al snel dat de ‘conservatieve’, protesterende Nederlanders aan de verliezende kant stonden in deze culturele strijd. Harry Mulisch schreef over God: ‘U bent te oud voor ons. Nog 25 jaar en u bent goddank uitgestorven’.

Advertenties