Theologie op de drempel van 2000

n.a.v. Wessel Stoker en Henk C. van der Sar (red.), Theologie op de drempel van 2000. Terugblik op 100 jaar Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, Kampen 1999

Geschiedenis van het GTT
– In 1900 startte Lucas Lindeboom een tijdschrift met de naam ‘Wat zegt de Schrift?’ en met als ondertitel: ‘Maandblad tot bevordering van het rechte lezen en uitlegen van Gods Woord’. De Bijbel stond in hoog aanzien. Bijbelkritiek, vooral van de kant van vrijzinnige theologen, wordt verworpen. Intussen: de prioriteit ligt niet bij de apologetiek, maar bij de bevordering van een vroomheid, die door de Bijbel wordt gedragen en gevoed. We komen hier in aanraking met het spirituele klimaat, dat voor de Afscheidingstraditie kenmerkend was: gereformeerde vroomheid in de geest van Calvijn met een bevindelijke inslag, maar zonder de lijdelijkheid van wat later genoemd werd ‘de zwarte kousen kerken’.
– Met ingang van de 8e jaargang krijgt het maandblad een andere ondertitel: ‘Gereformeerd Tijschrift’. En de inhoud wordt verbreed. Hiermee wordt een stap gezet in de richting van een theologisch tijdschrift. De medewerkers komen uit de A-kring.
– L. Lindeboom was moedig, nam nooit een blad voor de mond en verdedigde soms standpunten, die in die tijd binnen zijn eigen kring heel progressief waren Zo was hij een warm pleitbezorger van de toekenning van het actieve stemrecht aan de vrouwelijke lidmaten der gemeente. Hij maakte zich ook sterk voor het nieuwtestamentische kerklied naast de psalmbundel.
– Vanaf de 13e jaargang heette het blad Gereformeerd Theologisch Tijdschrift. De redactie werd uitgebreid met VU-leerlingen. B komt nu dus ook aan bod. L. Lindeboom was in heel deze ontwikkeling een sleutelfiguur. Hij besefte dat een theologisch tijdschrift in zijn kring op den duur het hoofd nooit boven water zou kunnen houden zonder de daadwerkelijke belangstelling en steun van de predikanten alsook van de andere ambtsdragers en de kerkenraden. En het is zijn grote verdienste geweest, dat hij er metterdaad in slaagde die steun te verkrijgen. Lindeboom was de ‘stamvader’ van het GTT. Dit is een verrassend feit; het blijft opmerkelijk dat juist hij – en niet bijvoorbeeld iemand als Herman Bavinck – deze rol heeft vervuld. Dat kan alleen verklaard worden uit de voor Lindeboom typerende combinatie van visie en praktische zin, van idealisme en realisme.
– Men kan niet zeggen, dat in het GTT een bepaalde richting of persoon de boventoon gevoerd heeft. Over het geheel genomen kan men zeggen dat het GTT het theologisch en spiritueel leven binnen de gereformeerde kerken weerspiegelde. Met de nieuwe opzet deed ook de kroniek haar intrede. Onder andere J.C. Rullmann, T. Ferwerda, J. Waterink, P. van Dijk, K. Sietsma, J. van den Berg, H.M. Kuitert, G.Th. Rothuizen en Okke Jager hebben met hun kronieken aan het GTT actualiteit en fleur gegeven. De kronieken zijn een uitstekende bron voor de kennis van het gereformeerde leven, als zodanig tot dusver nog te weinig aangeboord!
– Andere gereformeerde tijdschriften waren: De Heraut, De Bazuin, Belijden en Beleven, De Reformatie, Calvinistisch Weekblad, Gereformeerd Weekblad, Centraal Weekblad en Philosophia Reformata. In de ontwikkelingen en woelingen van het gereformeerde leven was het GTT niet een typische trendsetter, maar eerder een registrator en commentator van wat er gaande was. Inhoudelijk gezien het specifieke van het GTT was de theologische reflectie op wat er binnen en buiten de eigen gereformeerde kring leefde. In de eerste plaats het nadenken over de Schrift en de Schriftbeschouwing. Men streefde welbewust naar een eigen gereformeerde visie op het bestaan, het verstaan en het gezag van de Bijbel. In de tweede plaats het nadenken over de eigen positie van de gereformeerde kerken. Schrift en kerk – dat zijn de beide elementen, de beide thema’s, die functioneren als de twee brandpunten van de ellips, die het terrein van het gereformeerde kerkelijke leven vormde. Assen 1926 en de jaren kort voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog waren gewichtige momenten.
– De gereformeerden namen in die tijd goede nota van de moderne positie. Toen sommigen het neo-calvinisme ervan betichtten dat het onder de schijn van handhaving van de oude beginselen in feite tot de nieuwe wereldbeschouwing was overgegaan werden de gereformeerden gedrongen tot nadere verantwoording. Toen iemand zei: ‘Wij, modernen, zijn de mannen van straks!’ stelde het GTT daartegenover: ‘Wij, gereformeerden, gelooven dat onze overtuiging, die ten opzichte van de Schriftbeschouwing diametraal tegenover die der modernen staat, de waarheid is.’
– De jongere generatie van gereformeerden was intensief bezig de wetenschappelijke status te claimen voor een theologiebeoefening vanuit het eigen beginsel. Instructief daarvoor is het artikel van G.Ch. Aalders ‘Kan de Heilige Schrift voorwerp van wetenschappelijk onderzoek zijn voor hem, die zich ook voor mijn wetenschappelijk denken volstrekt aan haar oordeel onderwerpt?’
– Kuypers conceptie van de pluriformiteit stuitte op verzet bij vertegenwoordigers van oud-A. Vooral G. Doekes maakte herhaaldelijk zijn bezwaren kenbaar, bijvoorbeeld zijn artikel met de duidelijke titel ‘Niet de meest zuivere, maar de ware kerk’. De belijdenis spreekt zijns inziens geen onderscheiding van meer of minder zuivere kerken, maar spreekt van de ware kerk in onderscheiding zowel van de valse kerk als van de sekten.
– Algemeen oordeelde men kritisch over de situatie van de Ned.Herv.Kerk en speciaal over hervormde woordvoerders, die vanuit hun eigen kerkelijke positie de gereformeerde kerken op de korrel namen. Intussen bleven de gereformeerden bepaald niet ongevoelig voor het probleem dat in de Ned.Herv.Kerk vele gereformeerden – zo noemde de kerkelijk-gereformeerden hen ook! – achtergebleven waren. Waarom waren zij ook niet lid van de GKN geworden? Ds. C.B. Bavinck (broer van Herman en vader van J.H.) zei daarover: ‘De gereformeerden in de hervormde kerk horen ter plaatste de gereformeerde waarheid van gereformeerde predikers. Verder reikt hun blik niet. Waarom zouden zij dan zulk een kerk verlaten (…) Die oude, massieve, schilderachtige gebouwen (…) zij wekken sterke emoties. Wij, die van jongsaf in de Gereformeerde kerken zijn opgegroeid, wij kennen zulke emoties niet (…) dergelijke emoties (…) spelen vaak een veel grootere rol dan de zuiverste redeneeringen uit beginselen (…) Die gehele Ned.Herv.Kerk is een wonderlijk ding. Men staat er soms versteld van, wat al soorten visschen in dien eenen vijver zwemmen kunnen’.
– Men kan voor de productiviteit van de GTT-mensen alleen maar bewondering hebben. Denk aan de reeks ‘Korte Verklaring’ en de Bottenburg-commentaar op het Nieuwe Testament. Juist omdat zij zo zeker van hun zaak waren, konden ze veel aan. Greijdanus bespreekt telkens de successief verschijnende afleveringen van Kittels Theologische Wörterbuch zum Neuen Testament aan de hand van citaten. Hij las ze kennelijk van a tot z door!
– In het gereformeerde kerkhuis gonsde het van de discussies en polemieken. Waar stond het GTT temidden van al die turbulenties? Enerzijds is men niet blij met de toon van Hepps Dreigende Deformatie, anderzijds had iemand als J. Ridderbos zelf ernstige bedenkingen tegen de meeste opvattingen, die in de vernieuwingsbeweging naar voren kwam.
– K. Sietsma was chroniquer in zware tijden. Hij was een kundig theoloog met een gevoelig hart en een fijne antenne voor wat er in de lucht zat. Zijn zoekende schrijfstijl verraadt, hoezeer hij innerlijk met de problemen van zijn tijd – religieus, kerkelijk, theologisch, cultureel-wetenschappelijk en politiek – bezig was. Al schrijvend probeerde hij steeds door te stoten naar een verheldering, naar een perspectief, naar een oplossing. Daarbij had hij een drievoudige optie: de bedreigde interne eenheid, de relatie tot de Ned.Herv.Kerk of de oecumene en de opdracht van kerk en christen in de situatie van oorlog en bezetting.
– Vanaf 1947 verscheen het GTT niet langer maandelijks maar eenmaal per kwartaal. Gaandeweg ging zich in de tijd daarna inhoudelijk een wending aftekenen. Men wilde bewust gereformeerd zijn en was dat ook. Maar toch veranderde er iets in de attitude. Men zou kunnen zeggen: vroeger keek men door de vensters naar buiten, maar de ramen zelf waren veelszins gesloten. Nu werden de ramen voorzichtig opengezet. De geuren van buiten kwamen het huis binnen. Ook de winden, later zelfs de rukwinden. Dit proces verliep geleidelijk, maar onstuitbaar. Een gewichtige factor in dit proces was de aflossing van de wacht, die in de jaren 1950-1955 plaats greep. Greijdanus was in 1943 al opgevolgd door Herman Ridderbos; daar kwamen nog drie nieuwe exegeten bij: N.H. Ridderbos, R. Schippers en J.L. Koole. In 1950 volgde Berkouwer Hepp op, A.D.R. Polman was de opvolger van Schilder. Al deze mannen hadden een aandeel in het veranderingsproces.
– N.H. Ridderbos bijvoorbeeld ziet het zeven dagen-schema van Genesis 1 als inkleding; het biedt geen informatie over de volgorde der scheppingsdagen. Daarmee bood hij een opening voor het vastgelopen gesprek tussen theologen en beoefenaren van de natuurwetenschappen. N.H. Ridderbos was de opvolger van Aalders. W.H. Gispen had in 1945 Van Gelderen opgevolgd. Tevoren was de oriëntalist-oudtestamenticus Van Gelderen meer ‘strikt’ en die van Aalders meer ‘open’. Gispen volgde in zijn benadering van de vraagstukken het voetspoor van Aalders en stond kritisch tegenover de veranderingen. Intussen was Gispen met zijn spreekwoordelijke humor loyaal ten opzichte van zijn collega’s en in zoverre was ook hij veranderd: zijn tolerantie zou eerst geen haalbare kaart zijn geweest. Gispens opvolger M.J. Mulder spreekt over de vrijheid, die Gispen de ander liet voor de inbrengt van zijn eigen ideeën, over zijn ‘weldadige liberaliteit en gevoel voor de relativiteit van al hetgeen de mens onder de zon doet’. Dit oordeel van Mulder is veelzeggend, omdat hij zelf de kritische methoden overnam en dus een andere weg ging dan zijn voorganger. In Kampen bewandelde J.L. Koole nieuwe wegen.
– In heel deze gang van zaken is de invloed van Herman Ridderbos en van Berkouwer een belangrijke factor geweest. Berkouwer kwam op de weg van continue intensieve bezinning tot een herwaardering van de theologie van Karl Barth en tot een andere kijk op alles, wat met de inspiratie en het gezag van de Bijbel samenhangt. Instructief voor Berkouwers latere visie op de vragen met betrekking tot de omgang met de Bijbel is zijn artikel ‘Non liquet’, waarin hij met Gispen in discussie treedt. In vroeger tijd poogde men gegevens, die als tegenstrijdig werden ervaren, te harmoniseren; lukte dat niet, dan concludeerde men tot een ‘non liquet’, ‘het is niet duidelijk’. Ook Gispen nam daartoe nog zijn toevlucht. Berkouwer zet daar vraagtekens bij. Men hanteert het ‘non liquet’ niet op legitieme wijze wanneer het tot een ‘asylum ignorantiae’ wordt, waarmee men zich problemen van het lijf houdt.
– Heel instructief voor de verschuivingen blijft het debat tussen M.J. Arntzen en Tj. Baarda. Arntzen had met de nieuwe ontwikkelingen grote moeite. Hij uitte zijn bedenkingen in een brochure getiteld De crisis in de gereformeerde kerken (1965). Zij lokte in het GTT een discussie uit tussen hem en Baarda. Het was een faire discussie. Interessant is, dat Baarda met instemming een uitlating van Van der Vaart Smit citeert: ‘Het is zeer te betreuren, dat de ontwikkeling van het gereformeerde leven gedrukt wordt door een conflict als nu in de quaestie-Geelkerken zich over onze kerken heeft uitgebreid. De drang tot voortgaande ontwikkeling wordt door zulke conflicten zoo al niet weggenomen, maar dan toch zeer belemmerd. – Niets doet meer schade aan de drang tot voortgaande ontwikkeling dan de dupeering van de ontwikkelingsdrang, die men in dergelijke conflicten beleeft. Men wordt er met den dag conservatiever van’.
– Het is volgens Baarda niet juist – ook uit pastoraal oogpunt – het gezag van de Schrift onverbiddelijk te koppelen met historische betrouwbaarheid en autoriteit. Volgens Arntzen betreffen de moeilijkheden slechts details. In grote treken zijn de evangeliën historisch betrouwbaar. Arntzen uit de zorg dat een beginsel wordt ingevoerd, ‘waardoor ook geschiedenissen, die van fundamenteel belang zijn voor ons geloof, op losse schroeven worden gezet (schepping, zondeval, wonderen van Jezus)’.
– De verschuivingen treden in het GTT op verschillende manier aan het licht, bijvoorbeeld in de recensies. Vroeger werd bij de beoordeling vaak de maatstaf van de confessionaliteit gehanteerd. Dat wordt nu veel minder. En de themata van de artikelen waaieren breed uit. De horizont wordt wijder.
– Een niet gelovige professor zei in 1909: ‘Wij ook, als ongeloovigen, zullen moeten toegeven, dat de verzwakking van het godsdienstige leven in onze tijd zeer ernstige gevaren met zich medebrengt’.

Oude Testament in het GTT
– De Schriftbeschouwing kwam in grote lijnen hierop neer. Dat het Woord van God in de Schrift te vinden zou zijn, maar daarmee niet samenvalt, is een opvatting die gereformeerden graag aan de ‘ethischen’ toeschreven maar zelf afwezen. De Schrift is betrouwbaar in alles waarover zij zich uitlaat. Zo kon bijvoorbeeld het bestaan van zoiets als een ‘bijbels wereldbeeld’ ronduit worden bestreden. Zo’n gedateerd wereldbeeld zou hebben betekend dat bepaalde mededelingen in de Bijbel niet normatief zijn. Deze benadering stimuleerde niet tot ernstige kennisname van de culturen van het oude Nabije Oosten waartussen Israël leefde.
– J. RIDDERBOS, die van 1913 tot 1960 redactielid van het GTT was (een zittingsduur waaraan niemand anders heeft kunnen tippen) wijdde vooral veel aandacht aan het bijbels kerugma, met name aan thema’s uit de profetische literatuur. Hoewel zijn Schriftopvatting die van Aalders maar weinig ontliep, had hij wel iets meer oog voor de betekenis van het eigen ontstaansmilieu van de Bijbel en daarmee voor de zogenaamde menselijke factor.
– G.Ch. AALDERS werd volgens sommigen aangesteld om C. van Gelderen te bewaken, die zelf echter blij was met zijn komst en die ook later op kritieke momenten steeds solidair bleef met het kerkelijk milieu waaruit hij was voortgekomen. Aalders heeft de besluiten van Assen steeds met overtuiging verdedigd. Onverschrokken richtte hij gedurende vele jaren zijn apologetische pijlen op de Wellhausiaanse bronnentheorie. Al achtte hij de Pentateuch niet van Mozes zelf afkomstig, wel vond hij daarin veel Mozaïsch materiaal. Waar het Nieuwe Testament zich duidelijk uitspreek over het auteurschap van een oudtestamentisch citaat, beschouwde hij dit als gezaghebbende historische informatie. Vergeleken met Van Gelderen, J. Ridderbos en A. Noordtzij was hij behoudender.
– N.H. RIDDERBOS onderscheidde zich van zijn voorganger Aalders door veel meer aandacht te schenken aan wat Israël deelde met zijn omgeving, om zo het ‘eigene’ van het Oude Testament des te beter te doen uitkomen. Voor veel gereformeerden in de jaren vijftig was zijn ‘kader-theorie’ (het schema van 6+1 dagen in Gen. 1 is slechts een literair kader) een verademing. Aan vragen van historische betrouwbaarheid waagde hij zich slechts met tegenzin. Het psalmenonderzoek werd zijn meest geliefde specialisme en bood hem in dit opzicht een ‘gevarenvrije zone’. Ridderbos verdedigd de stelling: ‘Omdat de Oudtestamentische openbaring een historisch karakter draagt, is het geen onschuldig bedrijf de historische juistheid van het O.T. in twijfel te trekken’. Durf en schroom streden bij deze Ridderbos nogal eens om de voorrang.
– Zijn opvolger J.L. KOOLE was vindingrijker dan de voorzichtige Ridderbos, die nooit meer wilde zeggen dan hij kon verantwoorden. Koole had er een olijk plezier in zo nu en dan een originele gedachte te lanceren. Hij was het, die van de GTT-oudtestamentici het meeste tot het gereformeerde afscheid van de Asser Schriftuitleg heeft bijgedragen (in 1967 was dit op synodaal niveau een feit). Koole gaat de oud-oosterse parallellen na en benadrukte de grote verschillen met de bijbelse oorsprongsverhalen. Hij concludeert ‘dat de geschiedenis van paradijs en zondevel symbolische trekken bevatten kan’. Volgens hem hangt de mate van betrouwbaarheid van een bijbels geschiedverhaal af van het genre.
– Zoals gezegd hief men in 1967 de binding aan de leeruitspraak van Assen op. Toen daarop bleek dat H.M. KUITERT niet slechts de zintuiglijke waarneembaarheid maar ook de historiciteit van de zondeval ontkende, constateerde de synode van Sneek, dat dit niet strookte met de uitspraak van haar voorgangster. Toch werd van correctieve maatregelen afgezien, omdat in gesprekken met Kuitert geen meningsverschil was gebleken over de goedheid van Gods schepping en de menselijke ongehoorzaamheid als antwoord daarop.
– In 1970 werd W.H. Gispen aan de VU opgevolgd door M.J. MULDER. Groter verschil in wetenschappelijke stijl dan tussen die twee kan men zich binnen één faculteit moeilijk voorstellen. Waar de één maar zelden een congres bezocht, koos de ander bij voorkeur het internationale forum voor de vruchten van zijn onderzoek. Met Mulder zet een trend in die eerst niet bepaald was aangemoedigd: internationalisering. Met Gispens Schriftbeschouwing had Mulder nog maar weinig innerlijke affiniteit.
– Henk Leene (auteur van dit artikel) zegt: ‘Ik vraag me af of Aalders en Gispen bij deze verdwaalde nazaten [hun opvolgers en de opvolgers daarvan] nog bekende trekken ontwaard zouden hebben, of liever: ik weet haast wel zeker van niet. De afstand is zo adembenemend, dat één artikel van twintig pagina’s hem nauwelijks kan overbruggen’. Toch kan men kan zich volgens Leene ‘verwant voelen met iemand en met zijn wereld, ook zonder zich verwant te voelen met zijn ideeën. Men kan de vragen van ouders en grootouders herkennen, zonder de meeste antwoorden nog te kunnen delen’. De auteur bekent zelf ook ‘waarschijnlijk afscheid [te hebben] genomen’ van de gereformeerde Schriftbeschouwing. Ook hij ziet geen tegengestelde belangen tussen de kerk en een historisch-kritische exegese.

Nieuwe Testament in het GTT
– Abraham Kuyper hield in 1881 een rede onder de titel De hedendaagsche Schriftcritiek in haar bedenkelijke strekking voor de gemeente des levenden Gods. De Schriftkritiek heeft volgens hem een verderfelijke invloed op de gemeente. Hij noemt daarvoor drie redenen: (1) De afbraak van de scheidsmuur tussen heilig en profaan: de Schriftkritiek heft de theologie van de gemeente op. (2) Ondermijning van het gezag van de Schrift: de Schriftkritiek ontrooft de gemeente haar Bijbel. De Heilige Geest heeft dan wel alle verworvenheden van de individuele bijbelschrijvers in Zijn dienst gesteld, echter niet Mozes en Johannes spreekt tot ons, maar God Zelf. ‘Geen gebeuzel over den onderscheiden stijl der schrijvers of het eigen karakter van hun gedachtenkring en wat dies meer zij, behoeft ons dus op te houden’. Kuyper zegt zich niet te keren tegen de ‘historisch-critische inleidingsstudieën’ als zodanig, maar alleen tegen de uitwassen daarvan. De apologetiek heeft de taak de ‘schijnbare tegenstellingen’ van de Heilige Schrift in hun wezenlijke harmonie te doen uitkomen. Mochten er nog cruses interpretum overblijven, dan kiest Kuyper ervoor liever de eigen onwetendheid te belijden en onbevredigd van dit vraagstuk weg te gaan dan de onfeilbaarheid der Schriften te verwerpen. (3) Intellectueel clericalisme: de Schriftkritiek randt het recht van de gemeente op de vrijheid in Christus aan en werpt haar in de armen van ‘het ergerlijkst, wijl intellectueel, clericalisme’.
– In zijn Schriftbeschouwing is het Kuyper om absolute zekerheid te doen. Opvallend is dat Kuyper over deze gemeente niet spreekt als over een mondige, maar over een ‘arme gemeente’, die ‘her- en derwaarts dolen’, over een ‘gejaagde ziel’, die ‘dorst naar zekerheid’. C. Augustijn denkt dat Kuyper zelf ‘een flink stuk angst voor de problematiek als zodanig’ had en zich daarom heeft ‘teruggetrokken op een pasklaar systeem’.
– Voor F.W. GROSHEIDE (1880-1972) geldt aan de ene kant een apriori van dogmatisch karakter, aan de andere kant wil hij de vrijheid van de exegese in ere houden. ‘We staan in de Schrift voor een wondere twee-eenheid, een Goddelijken en een menschelijken factor’. Ook hier sluit hij de mogelijkheid van kritiek niet geheel uit. Wat hun inhoud betreft, zijn de nieuwtestamentische geschriften onfeilbaar. In zaken van wetenschappelijke aard is wel kritiek mogelijk, omdat de Schrift zich hier op het gewone menselijke standpunt plaatst. De Schrift is geen wetenschappelijk handboek, maar wil de weg der zaligheid prediken. Inspiratie betekent niet onfeilbaar onderwijs in taal- of sterrenkunde. Anders is het wanneer het om de historie gaat. Tegenstrijdigheden in de Schrift rekent Grosheide weliswaar tot die punten waarbij kritiek kan worden geoefend, maar tegelijk zegt volgens hem het dogmatisch apriori dat nooit de ene plaats met de andere strijden kan. In moeilijke gevallen geldt het ‘non liquet’ (het blijft onopgelost).
– Omdat de openbaring van Gods Woord niet alleen de inhoud, maar ook de vorm betreft, staat kritiek ten opzichte hiervan niet vrij. Dat wil niet zeggen dat onze kritiek hier helemaal moet zwijgen. In 1916 rekent Grosheide taal, dispositie, wijze van redenering, beelden, enz. nog tot de menselijke factor; in 1929 al heel wat minder (mogelijk heeft de synode van Assen in 1926 daarbij een rol gespeeld). Bij de vraag naar de authenticiteit van een geschrift kan alleen van kritisch onderzoek sprake zijn voorzover de naam van de schrijver niet in een tekstkrititisch onaanvechtbaar gedeelte vermeld wordt. De meeste ruimte voor kritiek is er bij de overlevering van de tekst.
– Voor Grosheide staat vast dat de waarheid Gods in alle tijden dezelfde is. Het probleem van de tijdgebondenheid van de bijbelse boodschap lijkt voor hem niet te bestaan. Het eigen karakter van de Schriftuitleg brengt met zich mee dat een goede uitleg alleen mogelijk is door een bijzondere verlichting van de Heilige Geest.
– Volgens Grosheide moet de wetenschap enerzijds haar uitgangspunt in het geloof hebben, maar kan zij zich anderzijds niet bewegen op een terrein vol met bordjes: verboden toegang. ‘Men kan niet met een methode beginnen, doch halverwege ophouden. Wie principieel en konsekwent is, staat sterk, wie halfslachtig is, heeft het aan zichzelf te wijten, als straks zijn leerlingen of misschien ook hij zelf, toch het verboden terrein betreden en in het andere uiterste vallen’. Dat waren profetische woorden: zijn leerlingen en opvolgers gingen onvermijdelijk langzaam maar zeker het verboden terrein verkennen!
– Het werk van R. SCHIPPERS (1907-1989) gaat geleidelijk aan een andere geest ademen dan dat van zijn voorgangers. De beperkingen en krampachtigheden van de gereformeerde traditie wilde hij doorbreken. Hij heeft het isolement van de ‘gereformeerde exegese’ doorbroken. Het onderzoek naar de bronnen van de evangeliën, de traditiekritiek en de redactiekritiek werden door hem zonder voorbehoud als legitieme methoden geaccepteerd. Wel geschiedt het historisch onderzoek ‘in een besef van grote verantwoordelijkheid voor de belijdenis der kerk en het geloofsleven der gemeente’, maar die verantwoordelijkheid leidt niet tot expliciete bordjes ‘verboden toegang’. Het gaat daarbij eerder om ‘een combinatie van voorzichtigheid en eerlijkheid’. Arntzen vatte de positie van Schippers als volgt samen: ‘De historicus mag dus twijfelen. En de historische kritiek mag zich ook tot de openbaring uitbreiden. (…) Kan prof. Schippers duidelijk maken, waarvoor we op zijn standpunt nog een Vrije Universiteit nodig hebben?’
– Tj. BAARDA (1932) kwam tot de conclusie: de in gereformeerde kringen met zoveel ijver verdedigde stelling ‘wat geschreven werd is ook aldus geschied’ blijkt ‘absoluut onhoudbaar’. ‘Van historische betrouwbaarheid in de onder ons gangbare zin (is) geen sprake’. In de gereformeerde kring heeft men volgens Baarda lang de neiging gehad de oneffenheden en tegenstrijdigheden te bagatelliseren.
– Dit alles hoeft volgens Baarda geen aantasting van het gezag van het Woord van God in te houden. Heeft de exegeet in het tot spreken brengen van het Woord Gods in deze tijd ook een specifieke functie? Baarda is in dit opzicht zeer terughoudend. In zijn cahier over de betrouwbaarheid van de evangeliën brengt hij een scheiding aan tussen het werk van de exegeet en dat van de verkondiger. ‘Men kan over de betrouwbaarheid in deze zin alleen maar getuigen of preken’. H.N. Ridderbos besprak dit boek kritisch. De historicus Baarda benaderde de Bijbel met dezelfde vooronderstellingen en methoden als elk ander boek.
– Baarda’s cahier lokte een stroom van reacties uit. Naast lof was er heftige kritiek. Hij was bezig ‘de vrijzinnigheid met vlag en wimpel binnen te halen’. Zijn overgang van de kennis die men als historicus kan verwerven naar de belijdenis van de gelovige betitelde H.N. Ridderbos als ‘een merkwaardige knik’ in het verhaal van Baarda. Qua uitgangspunt was er geen verschil meer tussen de VU en andere universiteiten.
– Dit laatste wordt bevestigd in Baarda’s verdere werk: (a) De Bijbel is evenals andere ‘heilige boeken’ van betekenis als collectie van literaire, culturele en religieuze teksten, welke ons historisch inzicht geven in religieuze speurtochten naar het geheim van het bestaan, welke ons uitingen geven van diepe vroomheid en die ons in de geschiedenissen en verhalen op het spoor kunnen zetten van onze relatie tot God. (b) De bijbelschrijvers waren in cultureel en religieus opzicht kinderen van hun tijd. (c) De bijbelschrijvers zijn niet gelijk in hun opvattingen. (d) Het is een eerste vereiste op de Schrift dezelfde historische en literaire methoden toe te passen als op elk ander document. (e) Het besef van de historiciteit van de bijbelse woorden en verhalen leidt noodzakelijkherwijze tot het besef van hun relativiteit. Dus op alle wezenlijke punten wijkt deze nieuwe Schriftbeschouwing af van Kuypers rede uit 1881!
– Voor S.J. NOORDA (1945) is de historisch-kritische methode een vanzelfsprekend uitgangspunt. Hij signaleert echter beperkingen: zij laat ons in de kou staan, ze is een methode zonder hermeneutiek geworden. De ommezwaai van de objectiviteit van het onfeilbare Woord van God naar de ‘objectiviteit’ van het wetenschappelijk onderzoek beschouwt hij als een typische reactie-benadering. Noorda zoekt zijn heil in een grotere aandacht voor de werking van de tekst op de lezers, de interactie van de tekst en de lezers. Daarom heeft hij belangstelling voor nieuwere methoden van uitleg als de materialistische, feministische en narratieve exegese.
– De historische reconstructie van de auteursintentie en het nagaan van de receptiegeschiedenis van de tekst in de handen van latere lezers zijn onmisbare voorwaarden. Slechts een kritische verwerking van beide kan leiden tot een adequaat eigentijds verstaan. Noorda wil niet zijn toevlucht nemen tot een speciale hermeneutiek van de Bijbel. De gereformeerde leer wijst hij met beslistheid af: wie een speciale hermeneutiek van bepaalde teksten of bepaalde lezers claimt en zijn toevlucht neemt tot esoterische leesregels, verbreekt de communicatie met andersdenkenden en mag niet op begrip rekenen. De uitgangspunten en methoden die Noorda gebruikt, zijn de in de profane literatuurwetenschappen gangbare.
– Tot zover de Amsterdamse professoren. Samenvattend zien we een mengeling van respect en kritische instelling; men heeft bij de uitleg niet alleen kerkelijke lezers voor ogen, maar evenzeer niet-kerkelijke lezers die op kritische informatie uit zijn. De uitgangspunten en belangen van de kerkelijke en profane wetenschap zijn in hoge mate strijdig met elkaar, maar in de praktijk zijn er allerlei vormen van samenwerking mogelijk.
– Dan nu Kampen. De ontwikkelingen hier liepen inhoudelijk parallel met die in Amsterdam: men startte niet alleen aan het begin van de 20e eeuw bij eenzelfde punt, men eindigde na honderd jaar ook bij eenzelfde punt. Deze ontwikkeling was geen toeval; de aan de gereformeerde Schriftbeschouwing inherente problemen vroegen om een oplossing in deze richting.
– L. LINDEBOOM (1845-1933) was de vader van het GTT. ‘Zijn hart drong hem tot spreken tegen de Moderne, Groninger en Ethische theologie, tegen de sociaal-democratie, tegen allerlei uitingen des ongeloofs en tegen het schenden van Gods geboden’. Lindeboom was strijdbaar. Zo wenst hij ‘dat de echte krijgsmansgeest meer onder ons gezien wierde’. De godgeleerden hebben ‘den strijd des Heeren te oorlogen’ tegen elke valse leer. Voor hem was het gereformeerd ‘niets te leeren, niets te willen, dan wat de Schrift zegt’. Onwrikbaar uitgangspunt is: ‘De Schrift, het Woord, is de waarheid: zonder één enkel onwaar of twijfelachtig woord’. Men mag aan de menselijke wetenschap geen enkele concessie doen. ‘Al waren de moeielijkheden en onbeantwoorde vragen van canoniek en tekstcritiek, en exegese enz., nog tienmaal meer in getal en gewicht, geene van die raakt het wezen der Christelijke Godgeleerdheid, de waarheid der Schrift’.
– Voor de uitleg van de Schrift gelden bijzondere regels. De exegeet mag alleen ‘Schriftuurlijk licht’ gebruiken, want de Heilige Schrift is haar eigen souvereine uitlegger. Wie de Schrift niet als Gods Woord gelooft en niet onderwezen is door de Heilige Geest, legt de Schrift uit ‘volgens de duistere wijsheid en Gode vijandige gezindheid van den natuurlijken mensch, die dwaas en gruwelijk zijn in de ogen van God’. De auteur van dit artikel kraakt Lindeboom op de volgende manier af: ‘Lindeboom mag dan met “open vizier” gestreden hebben, hij deed het wel met gesloten ogen. Hij kon het zwaard alleen zo fier hanteren doordat hij zich blind stelde voor de werkelijke problemen en elk gebruik der rede dat niet in zijn systeem paste naar het rijk der duisternis verwees’.
– S. GREIJDANUS (1871-1948) ziet de Heilige Schrift ook als het onfeilbare, met absoluut gezag beklede en door de Heilige Geest geïnspireerde Woord van God. De onfeilbaarheid betreft zowel de inhoud als de vorm. Voor Schriftkritiek is hier geen enkele plaats. Een poging zoals Grosheide die in zijn vroege periode ondernam om een zeer beperkte vorm van Schriftkritiek toe te staan en deze mogelijkheid te relateren aan de onderscheiding tussen de goddelijke en de menselijke factor is bij Greijdanus ondenkbaar.
– Volgens het gereformeerde Schriftgeloof is uiteindelijk niet de ‘oorspronkelijke zin’ belangrijk – als men daarmee bedoelt wat de auctor secundarius in zijn specifieke historische situatie wilde zeggen –, maar uitsluitend de waarheid Gods voor alle eeuwen, de ‘diepe zin’. De Schrift kan zichzelf in haar diverse delen niet tegenspreken. ‘Zonder dat Woord ben ik niets, heb ik niets, weet ik niets. Ik heb altijd gevoeld: als de Schrift niet het woord van God is, dan ben ik verloren en dan is ook mijn werk niets’.
– Uit een in memoriam: ‘Hoe kon hij toornen en ijveren tegen de critiek dergenen, die de Schrift niet als het onfeilbare Woord Gods aanvaardden! (…) [de weerlegging] was voor hem een levensovertuiging, een geloofszaak, een strijd, dien hij strijden moest en dien hij streed als tegen de aanranders van het heiligdom’. De schoten die Greijdanus op het historisch-kritisch onderzoek afvuurde, waren vaak raak. Feilloos haalde hij ongefundeerde hypotheses onderuit.
– Herman RIDDERBOS (1909) ‘bracht ons in zijn boeiende colleges tot aan de grens van de historische kritiek, maar nog niet er over heen’, aldus en leerling. Kenmerkend voor zijn vele bijdragen over de Schriftbeschouwing is het ‘enerzijds – anderzijds’ en de worsteling zich in de daaruit voortvloeiende conflictzones staande te houden. Volgens Ridderbos is de Bijbel ‘in allerlei opzicht een zeer menselijk en historisch bepaald boek’.
– Wat de historische betrouwbaarheid betreft moet men zeggen dat de evangeliën ‘in meer dan één opzicht de precieze toedracht van het gebeurde niet hebben bewaard’. Van de harmonistiek zoals Ridderbos die op de colleges van Greijdanus leerde kennen, neemt hij uitdrukkelijk afstand. Het is onbetwistbaar dat de bijbelse auteurs in veel opzichten kinderen van hun tijd waren.
– Tegelijk wil Ridderbos vasthouden aan de gereformeerde Schriftbeschouwing die de onfeilbaarheid en autoriteit van de Schrift leert en die een verband van identiteit legt tussen het Woord Gods en de geschreven Bijbel. Hij meent met stelligheid te mogen zeggen ‘dat in de handhaving van dit Schrift-beginsel (…) altijd de grondslag van de gereformeerde Schriftbeschouwing heeft gelegen (…) en ook zal moeten blijven liggen, wil zij niet alleen gereformeerd, maar ook haar bijbels karakter niet willen prijsgeven’.
– De vorm van de Schrift is haar inhoud en niet slechts het omhulsel van de inhoud. In de visie van Ridderbos vindt de canon zijn oorsprong in het hart van de heilsgeschiedenis. Het feit dat de Schrift een zeer menselijk en historisch bepaald boek is, betekent niet dat zij haar gezaghebbend en normatief karakter verliest. Spreken slechts mensen over God óf spreekt God Zelf? Voor de gereformeerde theologie komt uitsluitend de laatste mogelijkheid in aanmerking.
– Ridderbos’ visie op de exegese beweegt zich tussen twee polen: de ene is die van de wetenschappelijke vrijheid, de ander die van de kerkelijke en confessionele binding. Wat het eerste betreft laat Ridderbos geen misverstand bestaan: de wetenschappelijke vrijheid is een zaak waaraan men zijn hart moet verpanden. Tegelijk echter geldt: ‘Vrijheid van exegese (…) is geen axioma, dat de exegese in een soevereine vrijheid kan stellen tegenover de kerk’. De kerk heeft tot de wetenschap een profetisch woord te spreken met betrekking tot de Heilige Schrift. De Bijbel is anders dan alle menselijke historieboeken. Iedere methode, die van het bijzondere karakter van de Schrift afziet, is dan ook a priori gedoemd te mislukken.
– Enerzijds geldt dat we in de Schrift te doen hebben met een taal, uitdrukkingswijze, voorstellingswereld die voor ons geheel of ten dele verleden tijd zijn geworden. Anderzijds kan de taak van de hermeneutiek niet daarin bestaan ‘dat wij het woord Gods in de werkelijkheid van de hedendaagse mens een plaats moeten trachten te geven’. Het gaat er juist om ‘dat omgekeerd de mens (…) naar de werkelijkheid van het Woord Gods moet worden gebracht’. Dan hoeven wij ‘noch de menselijke geboorte, noch de opstanding van Christus, noch de dag der dagen eerste te gaan “ontmythologiseren”. Want in het gezicht van de werkelijkheid Gods bezwijken onze onfeilbaar geachte werkelijkheidsconcepties’.
– ‘Wij zijn enerzijds opgevoed bij een onaantastbare eerbied voor de Heilige Schrift (…) en dat wij anderzijds weten, dat zo spoedig wij ons met de leer aangaande de Heilige Schrift bezig houden, wij op allerlei vragen en verschijnselen stuiten, die het ons moeilijk, zo niet onmogelijk maken tot een afgeronde beschouwing te komen, die in alle opzichten bevredigend is’.
– Wanneer Ridderbos een oplossing voor deze problemen probeert te zoeken, kan men niet zeggen dat hij voor de lezer altijd voldoende duidelijkheid schept. Impliciet maakt Ridderbos herhaaldelijk gebruik van het schema ‘vorm – zaak’, met name dan, wanneer hij beklemtoont dat alle verschillen en tegenstrijdigheden in de evangelieverhalen niets afdoen aan de zakelijke betrouwbaarheid’. Op eenzelfde wijze gebruikt Ridderbos de onderscheiding ‘centrum – periferie’ of die tussen hoofdweg en zijwegen of binnenpaden. Het centrum van de Schrift is het soteriologische doel. Al het perifere ontvangt volgens Ridderbos zijn betekenis uit zijn betrokkenheid op dit doel. Los van dit centrum verliest het zijn betekenis. Hij geeft toe dat het niet altijd gemakkelijk is de grenzen te vinden tussen het centrum en de periferie, of de verhouding tussen het goddelijke en het menselijke aspect van de Schrift helder te krijgen. Hij vindt een uitweg in het beroep op de Heilige Geest. De onophefbare verbinding tussen het geschreven mensenwoord en het Woord Gods is een wonder. ‘Maar de aard en de weg van dit wonder is niet onze zaak, maar de zaak van de Geest’.
– Ridderbos heeft dus duidelijk afstand genomen van de ‘alles of niets’-theorie van Lindeboom en Greijdanus. Grosheide heeft met een scherp oog opgemerkt dat men niet met een methode kan beginnen en dan halverwege ophouden. Zodra men de ene benadering met de andere wil combineren, zij het ook op beperkt gebied, leidt dit onvermijdelijk tot conflicten en impasses. Wat er gebeurt wanneer men dat toch doet kan men bij Ridderbos waarnemen. Enerzijds wil hij kanalen graven naar het open water en anderzijds wil hij tegen ditzelfde water een dam opwerpen. Dat het water uiteindelijk langs de dam zijn gebied binnenstroomt, is dan ook niet verwonderlijk. Hoezeer Ridderbos zich verzet tegen een dualistische inspiratieleer, in de praktijk komt hij niet zonder zo’n leer – in wat voor beperkte vorm ook – uit.
– H. BAARLINK (1927) geeft ruimte voor historische kritiek op bepaalde punten, voor literair-historisch, vormkritisch en redactiekritisch onderzoek, mits dit maar binnen bepaalde grenzen blijft. Bijvoorbeeld: men mag niet alle bijbelse mededelingen van historische aard met het onfeilbaar gezag van Gods openbaring bekleden. De woorden van Jezus in de evangeliën zijn niet zonder meer gelijk aan de ipsissima verba van Jezus. Ander voorbeeld: men mag de bijbelse gegevens niet met de maatstaf van een eigen wereldbeeld of een niet aan de Bijbel ontleende opvatting van de geschiedenis beoordelen. Zo mag een uitlegger van de Bijbel niet uitgaan van een wereldbeeld dat een gesloten, causaal karakter heeft en dat alle gebeurtenissen uit immanente oorzaken wil verklaren.
– Een synoptische lezing brengt volgens Baarlink wel bepaalde spanningen, maar nooit tegenstrijdigheden aan het licht. Door hun theologische waakzaamheid hebben de evangelisten eerder verwarring voorkomen dan veroorzaakt.
– Baarlink realiseert zich dat sommigen bij het opheffen van het taboe op de historisch-kritische methode de vraag zullen stellen: ‘Waar blijven we dan?’ Baarlinks richtlijn is dat men elk deel van de Schrift naar zijn eigen karakter moet uitleggen en dat we ons de normen daarvoor door de Schrift zelf moeten laten geven. Tegelijk met die normen ontvangen we dan een stuk vrijheid in ons eerbiedig omgaan met de Schrift.
– Aan Baarlinks Schriftbeschouwing kan men duidelijk zien tot welk conflict men komt, wanneer men tegelijkertijd van de traditioneel-gereformeerde en van de historisch-kritische wal wil eten. Daar waar het hermeneutische probleem nijpend wordt, redt Baarlink zich traditiegetrouw met een beroep op de leiding van de Heilige Geest.
– C.J. DEN HEYER (1942) was de eerste van het docentenkorps in Kampen die gedecideerd de Rubicon overtrok. De gereformeerde Schriftbeschouwing behoort voor hem definitief tot het verleden. ‘In deze traditionele visie op de bijbel kan ik mij niet meer vinden’. Gesteld voor het dilemma: de Bijbel als het unieke Woord van God of een boek van mensen, kiest hij eenduidig voor het laatste. De Bijbel komt niet ‘van boven’, maar ‘van beneden’. De Bijbel vormt ook geen eenheid: er is een veelheid aan tradities en herinterpretaties, een veelheid aan ‘theologieën’, er is stem en tegenstem. ‘De bijbel is geen boek waarin een heldere, eensluidende visie op God, mens en wereld kan worden aangetroffen’.
– Dit alles heeft ingrijpende consequenties. Het komt hier op neer: de Bijbel is een tijdgebonden boek. Wanneer men zoekt naar concrete aanwijzingen voor het leven van alledag kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat de Bijbel de plank meer dan eens misslaat. Uitspraken over het huwelijk, over de positie van vrouwen en slaven, over de joden irriteren ons niet alleen mateloos, een letterlijke interpretaties daarvan heeft in de geschiedenis ook veel kwaad aangericht. We hebben op alle mogelijke manieren met een zeer verouderd boek te maken. Soms staan er uitspraken in die we maar zo snel moelijk moeten vergeten. De kerk zal moeten leren leven met de wetenschap dat de Bijbel een onzeker fundament is, een boek dat meer vragen lijkt op te roepen dan te beantwoorden. Wat een onbeschaamde heiligschennis en verwerpelijk spreken is dit!
– Hoewel veel veranderd is, blijken we toch in de diepste levensvragen ‘tijdgenoten’ te zijn. Ook voor mensen die vele eeuwen later leven zijn veel verhalen herkenbaar. Zo is het ogenschijnlijk verouderde boek volgens Den Heyer toch Gods mensenboek. Het is actueel, ‘omdat het vertelt over een weg die in de duisternis van deze wereld een hoopvol perspectief biedt’.
– Evenals 30 jaar daarvoor bij Baarda lokte het werk van Den Heyer, met name zijn boekje over de verzoening, veel reacties uit. Een grote groep predikanten uit het Confessioneel Gereformeerd Beraad drong bij de synode aan op zijn ontslag.
– De auteur eindigt met de volgende conclusies: er zal een voortdurende conflicthaard blijven zolang men kerkelijke wetenschap met profane historisch-kritische wetenschap wil verbinden. Men kan niet met dezelfde vurige liefde in een profaan en in een kerkelijk bed slapen.

Kerkgeschiedenis in het GTT
– (Kerk-)geschiedenis was geen op zichzelf staand fenomeen, dat enkel wetenschappelijk bestudeerd kon worden, maar maakte deel uit van de binnen het geloof kenbare heilsgeschiedenis, waarvan de kennis door de openbaring bemiddeld werd.
– Wie de vaderlandse kerkgeschiedenis ernstig wilde bestuderen, kon onmogelijk voorbijgaan aan de kerkelijke veelkleurigheid waaruit die geschiedenis bestond (G. Keizer). Met het innemen van dit standpunt schoof hij ver op in de richting van de ‘jongeren’ in de GKN.
– Tussen bijbelse geschiedenis en kerkgeschiedenis bestaat een vloeiende grens. De beoefening van de bijbelse geschiedenis (inclusief de vroege kerkgeschiedenis in bijvoorbeeld het boek Handelingen) viel volgens de uitgangspunten van 1909 van het GTT onder de strikt aan de belijdenisgeschriften gebonden regels. Kerkgeschiedenis had ten opzichte daarvan meer speelruimte. Keizer beschouwde het vak kerkgeschiedenis als een instrument bij uitstek om op dit terrein te werken aan wederzijds begrip.
– Achteraf is het opmerkelijk dat KEIZER opvattingen als deze in het GTT kon uitdragen, zonder daardoor op hevige oppositie te stuiten. Ongetwijfeld had dit te maken met zijn wijze van argumenteren. Keizer schreef in een rustige stijl, zonder te polemiseren tegen auteurs die binnen de GKN een ander standpunt huldigden dan het zijne. Bovendien presenteerde hij zijn eigen visies vaak in haast terloopse terzijdes in het GTT, bijvoorbeeld in recensies. De relatief onderschikte positie die het vak kerkgeschiedenis in het GTT innam, was in dit opzicht ongetwijfeld een voordeel. De relatieve anonimiteit die daaruit voortkwam, gaf Keizer een relatief grote speelruimte.
– Toch was het de vraag of het ‘oecumenische’ standpunt van Keizer zich wel verdroeg met het ‘confessionele’ standpunt van Doekes, Greijdanus en Aalders. In de ogen van G. DOEKES was het onderscheid tussen bijbelse geschiedenis en kerkgeschiedenis – waar Keizer zo handig gebruik van maakte – eigenlijk artificieel. Doekes vond dat de geschiedenis in zijn eigen tijd niet minder door God geleid werd dan die in de bijbelse periode.
– De vervangingstheologie die ondermeer door het GTT werd aangehangen (Christus’ kerk was in de heilsgeschiedenis in de plaats gekomen van Israël) werd door Het Zoeklicht van Johannes de Heer afgewezen. In de kring van de redacteuren van het GTT werd de invloed van Joh. de Heer op het gereformeerde publiek met grote bezorgdheid gevolgd. G.Ch. Aalders vond de kwestie belangrijk genoeg om er een boek aan te wijden: Het herstel van Israël volgens het Oude Testament (1933). Aalders stelde zich daarin de opdracht om aan te tonen dat de gereformeerde theologie zich onvoorwaardelijk aan het gezag van de Schrift onderwierp, maar deze Schrift desondanks op een andere manier dan een ‘letterlijke’ las. Een ongewild resultaat van Aalders’ werk was dat hij daardoor genoodzaakt was de tijdgebondenheid van menige bijbeltekst te benadrukken. Een heilsbelofte als die in Micha 7:8-13 was al lang geleden vervuld, namelijk onder de heerschappij van de Perzische keizer Kores. In feite kwam Aalders’ standpunt neer op een desacralisering van de aardse geschiedenis. In het GTT achtte Greijdanus het gewenst om tegengas te bieden. Hij sprak een goed woord voor de chiliasten. ‘Ofschoon met velerlei dwalingen’ handhaafden de millennianisten terecht de waarheid van de zichtbare wederkomst van Christus op aarde, tegenover de positivistische loochening van een dergelijk toekomstbeeld door de moderne cultuur.
– De beoefening van het vak kerkgeschiedenis ging een toenemende pluriformiteit vertonen. Er trad een nieuwe generatie aan.
– D. NAUTA bood vakwerk: hij excelleerde in historische bronnenstudies, met een grote aandacht voor details en voor een vlekkeloos taalgebruik.
– C. AUGUSTIJN velde een hard oordeel: het zuiver formele spreken van de protestantse orthodoxie over de Schrift als Woord Gods was onhoudbaar gebleken. Achter Kuypers zoektocht naar een ‘absolute zekerheid, (…) een gezag dat zonder meer erkend wordt en waarin de mens kan rusten’ had een flink stuk angst voor de problematiek als zodanig gelegen.
– Volgens J. VAN DEN BERG was het de taak van de historicus niet om de absolute waarheid, maar om de tijdgebondenheid van de theologie aan te tonen. Dit vereiste een zorgvuldig onderzoek naar en respect voor het verleden. Historisch onderzoek leidde over het algemeen tot ondermijning van zekerheden. De benadering van Van den Berg kon de indruk wekken van relativisme, zowel van de geschiedenis als van onze kennis daarvan.
– Dat binnen dit kader creatief gewerkt kon worden werd aangetoond door A.J. JELSMA. De grenzen van wetenschap en literatuur vervloeiden bij hem. De feitenkennis van de kerkhistoricus en literaire zelfexpressie van de novellist Jelsma gingen naadloos in elkaar over. Inhoudelijk was het doel van Jelsma als dat van Van den Berg: oude beelden door nieuwe te vervangen. Jelsma wenste degenen voor wie in het bestaande beeld van de geschiedenis geen plaats was – met name de vrouwen – te rehabiliteren. Jelsma’s geschiedschrijving was een poging om recht te doen aan genegeerde mensen.
– Existentieel en persoonlijk was ook de benadering van G. PUCHINGER. Net als Jelsma beschouwde Puchinger de geschiedschrijving als een vorm van vertellen, waarin de levenservaring van de auteur werd opgenomen.
– In het Interbellum kreeg het vak kerkgeschiedenis in het GTT de positie van een vrijplaats. Op het terrein van de kerkgeschiedenis kon de gereformeerde theoloog onbevangener kennis nemen van de tradities van andere kerken dan mogelijk was op het terrein van de systematische vakken. Met name door toedoen van G. Keizer ontwikkelde de kerkgeschiedenis zich in het GTT relatief spoedig in een ‘oecumenische richting’. De gereformeerde Schriftbeschouwing maakte vooral door toedoen van Berkouwer een ingrijpende ontwikkeling door. Het vak werd meegezogen door een ontwikkeling die op het terrein van de dogmatiek was ingezet. De geschiedenis werd gedesacraliseerd: niet langer nam de theologie aan dat het feitelijk verloop van de historie door God werd voorbeschikt of geleid. Het afscheid van de klassieke gereformeerde Schriftbeschouwing betekende het verlies van een vast referentiepunt. Er kwam meer vrijheid om de persoonlijke invalshoek van de auteur te verwerken in het exposé. Zowel inhoudelijk als stilistisch nam de variatie binnen het genre toe. Kerkgeschiedenis biedt een uitgelezen mogelijkheid om met opschorting van eigen oordeel kennis te nemen van de tradities van andere kerkelijke denominaties.

Dogmatiek in het GTT
– Curieus was de rubriek ‘vragen en antwoorden’. Het overgrote deel van de vragen had te maken met de uitleg van de Bijbel en vooral met de (on)mogelijkheden van harmonisatie. De auteur van dit artikel zegt hierover: ‘We kunnen een glimlach niet onderdrukken’. GTT is de jaren door, en zeker in het begin, door de bijbelwetenschappers gedragen. Op dogmatisch gebied waren indrukwekkende lauweren behaald – het werd tijd dat ook op het terrein van de bijbelwetenschap te gaan doen. We krijgen inderdaad de indruk dat op dogmatisch terrein aanvankelijk op de behaalde lauweren voornamelijk werd gerust. De strijd, tegen modernen en ethischen, was gestreden. Kuyper en Bavinck hadden vastgesteld wat goed gereformeerd was.
– Theologische ontwikkelingen werden nauwlettend gevolgd. Maar het eind van het lied was nog steeds, dat theologen en bewegingen met de gereformeerde maat werden gemeten en tekort bevonden. Tekenend was de opmerking in een kroniek van Waterink waarin hij een toenemende interesse voor Kierkegaard signaleert. Hij wist niet veel van de Deense filosoof af, maar in elk geval wél dat hij niet gereformeerd was, dus een kritiekloze overname van zijn gedachten kan nooit goed zijn. Kuitert constateerde dat de gereformeerden voor en vlak na de oorlog alles aan het eigen standpunt afmaten, maar dat standpunt zelf nooit ter discussie stelden.
– Toch waren er een paar losse einden gebleven: zaken waarvan de interpretatie niet helemaal vaststond of zaken waarin misschien Bavinck en Kuyper al dan niet openlijk niet helemaal op één lijn stonden. Voorbeelden van zulke losse einden waren de ‘ordo salutis’, de verhouding van ‘gemeene gratie’ en ‘particuliere genade’ en de kwestie van de ‘organische inspiratie’. Uitgerekend op deze punten hebben zich de eerste, vooroorlogse, grote conflicten in de Gereformeerde Kerken voorgedaan.
– De auteur zegt: ‘Het zou wel eens kunnen zijn dat onder ons bijna elke fundamentele theologische discussie onmogelijk is geworden omdat we het over de rol van de Schrift (laat staan die van de confessie) niet eens zijn. De mannenbroeders konden [tenminste] met elkaar strijden om de waarheid, omdat ze wisten of dachten te weten dat die waarheid met Schrift en Belijdenis congruent moest zijn’.
– Over de heilsorde bestonden verschillen van inzicht (A en B!). Is de volgorde: verkiezing – wedergeboorte als inplanting van nieuw leven – roeping – geloof? Of: verkiezing – roeping – wedergeboorte – geloof? Door Kuyper was de eerste lijn uitgebreid uitgewerkt. Wedergeboorte (palingenesie) was voor hem de inplanting van een nieuw levensbeginsel die ergens in het allereerste begin (vlak na de geboorte of zelfs nog daarvoor) van een mensenleven plaatsvond. Alles wordt dus heel streng logisch uit een ook nog een supralapsarisch opgevatte predestinatiegedachte afgeleid. Deze gereformeerden hadden de behoefte alles in de eeuwigheid vast te leggen, en kwamen zo bijvoorbeeld tot de gedachte van een ‘rechtvaardigmaking’ van eeuwigheid. De meer bevindelijke gereformeerden vonden dat alles niet schriftuurlijk. Voor hen kwam de roeping vóór de wedergeboorte. Het evangelie wordt als het ware aan ‘doven’ gepredikt, niet aan reeds wedergeborenen. De mens wordt voor een keuze geplaatst. Natuurlijk weet ook deze groep van de verkiezing. Maar die functioneert meer aposteriori: de in geloof op de roeping antwoordende mens weet heel goed dat dat geloof in de (infralapsarisch opgevatte) verkiezing rust.
– In 1905 werd een compromisformule aanvaard. Maar de problemen zijn dan nog niet de wereld uit, gezien bijvoorbeeld de scherpe reactie van Lucas Lindeboom op de dissertatie van K. Dijk. In dit werk wordt gesuggereerd dat binnen de gereformeerde traditie supra en infra min of meer gelijkwaardige alternatieven zijn – en wordt niet vermeld dat ‘Utrecht 1905’ voor infra gekozen heeft! Tekenend voor de impasse is de uitspraak van J. Ridderbos: ‘Van een gedoopte die afvallig wordt kan evengoed worden gezegd dat hij het verbond verbroken heeft als dat hij er nooit toe heeft behoord’. Het is duidelijk dat met zo’n bezweringsformule de zaak niet gered kon worden. De trieste afloop van het conflict is bekend. Wat natuurlijk de lezer, terugblikkend na zoveel jaren, opvalt, is hoezeer in die discussies alles om het persoonlijk – eeuwig – heil van de gelovige draait.
– De enige die permanent negatief over Barth schrijft is Schilder. Diens ‘dagelijkse bestrijding’ van Barth en heftigheid daarin heeft als voornaamste oorzaak dat juist datgene waar Schilder voor stond: de kerstening van de cultuur, het blijven en het rusten van de genade in de wereld, in Barths theologie geen kans kreeg.
– Opvallend is dat beide zaken zich tegelijkertijd in de gereformeerde wereld voordoen: een langzaam veranderende houding ten opzichte van Barth en een langzaam veranderende houding ten opzichte van de Schrift.
– Kuitert laat weten dat hij ‘het heerlijk vindt om al die stormachtige theologische ontwikkelingen van vandaag mee te maken’ en dat het ‘een groot voorrecht is om er nu eens met de neus bovenop bij te staan en niet alles te hoeven hebben van horen zeggen’.
– De historische kritiek heeft korte metten gemaakt met het idee dat de Schrift een scopus zou hebben. De Schrift is een bundel heel uiteenlopende menselijke geschriften zonder meer geworden.

Godsdienstfilosofie in het GTT
– Kuypers en Bavincks opvatting over theologie hebben lange tijd godsdienstfilosofie het stempel opgedrukt van buitenbeentje te zijn. Zij behoort naar hun mening niet tot de theologie maar tot de filosofie. Ze heeft tot taak het wezen van de religie te verhelderen en de verbinding te laten zien met andere fenomenen van het psychische leven. Ook werpt ze licht op de historie van de religie.
– Kuyper sprak over de antithese tussen geloof en ongeloof. De zonde verduistert het verstand en daardoor is de wetenschap op een dwaalspoor geleid. Christelijke wetenschap is wetenschap der wedergeboorte. Hoezeer dit strijd met zich meebrengt geeft iemand als volgt aan: ‘Kuyper heeft ook, met het genie van den veldheer, gedragen door de bezieling des geloofs, een leger gevormd voor het voeren van den heiligen krijg; hij heeft als een richter Israëls de bazuin aan den mom gezet en de stammen opgeroepen tot den strijd des Heeren – ook op het gebied der wetenschap’. Er is geen verzoening mogelijk tussen christelijke en niet-christelijke wetenschap.
– Een nieuw geluid over religie horen we bij J.H. Bavinck. Hij brengt een levendige discussie teweeg over de vraag of kennis danwel het gevoel het centrale in de religie is. Voor de gereformeerde traditie is het noëtische aspect, de kennis van God, de kern van de religie. Bavinck zegt het anders. Hij omschreef religie als ‘verlangen naar Godsgemeenschap’. Psychologisch beschouwd ziet hij het wezenelijke van de religie als ‘het verlangen in de mensenziel naar Godsgemeenschap, de honger naar God die ook de zondige mens nooit loslaat, omdat hij buiten God nergens bevredigd wordt’. Hiermee is zijns inziens het kenniselement in de religie niet veronachtzaamd; de gemeenschap met God houdt een genietend kennen in, een bewonderende aanschouwing. In de discussie blijft onduidelijk wat met de term gevoel wordt bedoeld. Hoekstra en Waterink vatten het ten onrechte op als emotie, maar zo had Bavinck het niet gezegd en bedoeld. Het belang van de discussie is dat J.H. Bavinck breekt met een intellectualistische opvatting van religie die in gereformeerde kring was aan te treffen.
– Sommigen uit de gereformeerde kring loochenden de dichotomie van de mens, diens bestaan uit ziel en lichaam. Hepp meende dat zij hiermee tevens het geloof in de onsterfelijkheid loochenden. De namen van de bestredenen noemde hij in zijn Dreigende deformatie niet. Men kon vermoeden dat het ging om hoofdonderwijzer A. Janse en de hoogleraren Vollenhoven en Dooyeweerd. J. Ridderbos reageert hierop. Hepp is, zo schrijft hij, een man die brand roept maar bij loos alarm maakt men wel onnodig burengerucht. Hij verwijst Hepp ‘Consequenzmacherei’. Zo brengt het ontstaan van een christelijke filosofie (de Wijsbegeerte der Wetsidee) verdeeldheid in gereformeerde kring. Het is tragisch dat het zo slecht boterde tussen de theologen en de christelijke filosofen. Later zou Berkouwer recht doen aan hun motieven en zich distantiëren van de vroegere gereformeerde theologen over de scholastieke opvatting van een onsterfelijke ziel.
– Vanaf 1950 verandert er veel bij de gereformeerden. Aan de VU gaan steeds meer vakdisciplines zich oriënteren op wat er elders in het desbetreffende vak gebeurt. Buitenbeentje godsdienstfilosofie wordt een theologische vakdiscipline, waaronder ook apologetiek en encyclopedie vallen. In Kampen kreeg godsdienstfilosofie deze plaats niet.
– G.E. Meuleman, de eerste godsdienstfilosoof aan de VU, vat apologetiek vooral op als hulp aan de ongelovige met het oog op diens overwinning van zijn verzet tegen het Evangelie. Was volgens een recensent in 1927 Pascal er niet ‘om ons Geref. volk den weg te wijzen’, in 1964 krijgt Pascal juist deze functie wel toegewezen. Kuitert verruimt het aanknopingspunt tot het zogenaamde ‘antropologisch vloertje’ in zijn apologetische werken Zonder geloof vaart niemand wel en Wat heet geloven? (uit 1974 en 1977). De remonstrantse godsdienstfilosoof H.J. Heering ziet eerstgenoemd geschrift eerder binnen de geschiedenis van het modernisme functioneren dan binnen de gereformeerde traditie! Kuiterts voorstel voor de inzet bij een antropologisch vloertje is niet gevolgd. O.K. Zijlstra betwist dat er een algemeen terrein is waar kritiek op geloof van buitenaf en verantwoording naar buiten toe mogelijk zou zijn. Op zo’n neutraal terrein is God niet algemeen toegankelijk en ervaarbaar.
– Hepps opgestelde program van apologetiek wordt vandaag op imponerende wijze voortgezet door de gereformeerde Amerikaanse filosoof A. Plantinga. Uitgangspunt was voor Hepp niet natuurlijke theologie met haar godsbewijzen, maar het geloof. Plantinga heeft deze positie kentheoretisch weten te verantwoorden door het klassieke ‘funderingsdenken’ te verruimen.
– G.Th. Rothuizen signaleert een zwenking in de richting van Schleiermacher. Zette Kuyper bij God is, Schleiermacher zet in bij de geloofsgemeenschap. Schleiermachers model plaatst het christelijk geloof veel meer dan Kuypers model in de context van de geschiedenis, de historische situatie. Rothuizen vraagt zich af of we met Schleiermacher niet het paard van Troje binnen halen. Rothuizen contrasteert de twee benaderingen van theologie bij Kuyper en Schleiermacher als die van ‘boven’ en die van ‘beneden’. Ze komen, zo stelt hij, samen in Kuiterts theologie. Hier is immers met Schleiermacher het in-de-geschiedenis-zijn kenmerk van het ware. Maar Rothuizen acht het gevaar van dogmatisme groter dan dat van empirisme en historisme.
– J.H. Bavinck sprak van religieus besef als antwoord op de ‘spraakloze spraak van Gods zelf-manifestatie’. Andere religies zijn niet meer, zoals Kuyper, te typeren als pseudo-religies. Bij Bavinck komen dialoog en ontmoeting in de plaats van antithese.
– Overzien we de gegeven impressie van honderd jaar GTT, dan rijst de vraag of er wel continuïteit is als het gaat om het wijsgerig aspect van de theologie. Is er hier sprake van het einde van een traditie en een nieuw begin? ‘Een traditie wordt gekenmerkt door crises, breuken en door veranderingen waar nieuwe tijdsomstandigheden om vragen. Dat betekent geen einde van een traditie maar een dynamische voortzetting ervan’, aldus de auteur. Drie punten: (1) Objectiviteit en existentialiteit zijn de twee polen waarbinnen de gereformeerde theologie vanaf Kuyper en Bavinck is en wordt bedreven. Enerzijds zoekt men naar iets wat vast is en buiten ons bestaat, de openbaring van God. Anderzijds is het een zoeken vanuit de volle persoonlijke betrokkenheid omdat de waarheid ons in onze existentie raakt. Dankzij Berkouwers accent op de correlatie van geloof en openbaring kon de pas worden afgesneden aan alle speculatie en terug worden gegrepen niet op de na-reformatorische – maar op de reformatorische theologie. (2) Godsdienstfilosofie als gesprek met de cultuur. Bavinck ziet het als taak van de wijsbegeerte der openbaring om ‘de wijsheid, welke zij in de openbaring vond in verband te brengen met die welke haar uit de wereld toekomst’. Het is volgens de auteur onhoudbaar om het christelijk geloof op te vatten als een verklarende theorie voor de werkelijkheid in concurrentie met de wetenschap zoals in de eerste helft van de 20e eeuw gebeurde. (3) Kuypers inzicht in het niet-neutraal zijn van de wetenschap en levensbeschouwing is van blijvende betekenis.

Ethiek in het GTT
– De gereformeerde ethiek is lange tijd weinig anders dan bezinning op de eigen groepsmoraal geweest. Zowel de gereformeerde cultuur als haar ethiek, zoals zij ons tegemoet treedt uit de eerste jaargangen van het GTT is sterk georiënteerd op de Bijbel. ‘Tegenover Rome belijden wij de duidelijkheid van de Schrift’. Die duidelijkheid geldt leer en leven. De vragenrubriek, die elk nummer besluit, is illustratief.
– Het kerkelijk stemrecht van vrouwen is een voortdurend terugkerend onderwerp.
– De kloeke, zelfverzekerde toon van W. Geesinks Van ’s Heeren Ordinantiën en Gereformeerde Ethiek is tekenend voor het hechte en ongeschokte culturele zelfbewustzijn. Een jongere als G. Brillenburg Wurth tapte niet alleen uit andere theologische vaatjes maar sloeg ook een andere, minder robuuste toon aan.
– De koers in de richting van meer openheid voor de moderne cultuur, die R. Schippers behoedzaam en voorzichtig in De gereformeerde zede (1954) had uitgezet, werd radicaal doorgetrokken. Eerst in de jaren zestig worden deze verschuivingen pas goed in het GTT merkbaar. Er gaat een andere wind waaien als in 1963 beurtelings H.M. Kuitert en G.Th. Rothuizen de kroniek voor hun rekening nemen. Hier komen de vernieuwers aan het woord.
– ‘Niet dat het gereformeerde mij niet meer hoog zou zitten’, schrijft Rothuizen in zijn eerste kroniek waarin hij terugkijkt op 50 jaar kroniekschrijving, ‘als ik er maar niet voor behoef te applaudisseren (…) Nee, het mankeert mij geenszins aan piëteit tegenover het verleden – al was het alleen al, omdat het dubbel en dwars het mijne is’. Hij constateert het verschil in ‘marstempo’ van de gereformeerden en de illusie dat ‘gereformeerd = onveranderlijk’. Hij wil ‘samen verder, maar dan ook echt verder’. Hij kon echter niet verhinderen dat het ‘samen’ en het ‘verder’ steeds meer uiteen zouden komen te liggen.
– In 1980 concludeerde Rothuizen dat de gereformeerde zede niet meer bestaat, maar Kuitert zei dat al in 1966: ‘Er is geen gereformeerde wereld meer mogelijk, al zouden we nog zo graag willen; er is alleen nog maar een wereld, één wereld, waarin ook nog al dan niet overbodige gereformeerden zijn’.
– De auteur zegt: ‘De tijd dat de Gereformeerde Kerken een centraal geleide, homogene subcultuur vormde ligt inmiddels ver achter ons. Zij bestaan nu uit mondige individuen, die – en dat maakt hen tot kerk – gezamenlijk in het licht van een gedeelde godsdienstige traditie aan moreel beraad doen. De liberale samenleving, met individuele gewetensvrijheid als een centrale waarde, wordt niet meer belichaamd in een zuil tegenover, maar is verinnerlijkt door en maakt voortaan onderdeel uit van de identiteit van gereformeerden zelf’.
– Het vak ethiek is niet alleen de gereformeerde kerken uitgelopen, maar heeft zich ook nog eens van hun theologie ontdaan, zo lijkt het. Kuyper had de taak van de Theologische Ethiek programmatisch omschreven als ‘de systematische uiteenzetting van den ons geopenbaarden wil Gods, waaraan de mensch zich te conformeren heeft’.
– Ontzuiling en secularisatie grijpen diep in op de gereformeerde zede. Rothuizen maakt volop en actief deel uit van het veranderingsproces, door de wereld in zijn ethiek binnen te halen, zonder er zich geheel aan uit te willen leveren. Voor die strategie zoekt hij naar aanknopingspunten. Rothuizen voert een pleidooi voor de ‘demythologiserende’ taak van de ethiek. ‘Zij leert ons immers te breken met de mythe van het monopolie van het dogmatische, theologische en zelfs christelijke in de ethiek’. Hij zoekt voor hun ontkoppeling steun bij Schleiermacher. Rothuizen heeft de ruimte die de gereformeerde traditie voor het seculiere bood dankbaar benut, uitgebuit, tot brekens toe ook opgerekt voor zijn ethiek.
– Een Fremdkörper in het oeuvre van Kuitert is een artikel uit 1969, ‘Theologie en ethiek van de revolutie’, waarin hij zich ontpopt als voorstander van een ‘consequente horizontalisering’ van de theologie. ‘We moeten het christelijk geloof zo weergeven dat het de mensen niet buiten onze wereld en onze tijd verwijst om God en zijn heil te ontmoeten, maar juist naar onze wereld en onze tijd’. De revolutie wordt geloofszaak. ‘Niets bij het oude laten wordt dan typisch christelijk’. Gods heil is aards heil. Dit ineenschuiven van ethiek en theologie via de constructie van ‘messiaans heil’ zal Kuitert op den duur voor gezien houden. Het is hem een doodlopende weg gebleken.
– De overdreven rol van het Schriftberoep in de ethiek, dat zo makkelijk ontaardt in biblicisme, berust eigenlijk op een vergissing, aldus Kuitert. Zij is het gevolg van een ‘ontwikkeling, die pas langzamerhand in het protestantisme wortel schoot’. Van huis uit ‘was heel de reformatorische ethiek een natuurlijke ethiek’. Om eerlijk te zijn, zegt Kuitert, in het dagelijks handwerk van de ethiek blijkt ook dat we eigenlijk niks aan de bijbel hebben. Als we alleen op de bijbel willen koersen bij de vraag hoe te handelen, verstikken we ons in hermeneutische dubbelzinnigheden en tegenspraken. En bovendien, we moeten godsdienst niet met moraal verwarren. Dit alles ontlokt aan Kuitert het inmiddels gevleugelde woord: ‘Heeft de bijbel dan nog wel betekenis voor het moraal? Ik waag de stelling: De bijbel is er niet voor de moraal, maar voor het verhaal’.
– L. Lindeboom zei in nummer 1 van het GTT: ‘Het is immers juist kenmerkend-Gereformeerd, niets te leren, niets te willen, dan wat de Schrift zegt’. Kuitert lijkt een kleine eeuw later zo ongeveer het omgekeerde te schrijven. Voor de ethiek is het zijns inziens ‘juist kenmerkend-gereformeerd’ om dat niet te doen. Twee ethici uit de school van Kuitert beëindigden in 1980 een GTT-artikel over ‘kernbewapening en ethiek’ dan ook zonder een woord theologie. Dat is wel even wennen in gereformeerde kring.
– De gereformeerde ethiek, moet men concluderen, heeft de honderd jaar niet vol kunnen maken. En: het afscheid van de gereformeerde ethiek heeft zich voltrokken met behulp van gereformeerde middelen.
– G. Manenschijn schreef: ‘Zolang de liberale moraal niet in staat is een humanistisch of atheïstisch alternatief voor ‘beeld Gods’ te ontwikkelen dat even onvoorwaardelijk, radicaal en gezaghebbend is, heeft de christelijke theologie een niet in te halen voorsprong op humanistische en atheïstische filosofie’.
– S. Hauerwas vindt de universaliteit van het Verlichtingsdenken, dat de ethiek op een universele rationaliteit wil grondvesten, een gevaarlijke fictie. De afwending van de universaliteit van Kant gaat gepaard met een toewending naar Aristoteles, een beweging van plicht en principe-, naar deugdethiek: een ethiek die meer op morele identiteit dan op de morele kwaliteit van afzonderlijke handelingen is gericht. Voor Hauerwas is dat zijn identiteit als christen.

Zendingstheologie in het GTT
– De gereformeerden hebben altijd geweten dat deze wereld bedoeld is als theatrum gloriae dei. Kuyper was de architect van het invloedrijke rapport inzake de zending (1896). In dat rapport werd de zending op een Voetiaanse, gereformeerde leest geschoeid. De ere Gods, de gehoorzaamheid aan Gods bevel, de kerk als zendende instantie, de noodzaak van academisch opgeleide zendelingen zijn enkele van de trefwoorden in dit rapport dat wel het ‘magna charta’ van de gereformeerde zending is genoemd. Einddoel van de zending is de verheerlijking Gods, zending geschiedt niet op eigen initiatief, maar op grond van gehoorzaamheid aan Gods opdracht. Medische en educatieve dienst is van belang maar behoort niet tot het eigenlijke zendingswerk.
– ‘Het Amerikaanse fundamentalisme heeft altijd een sterke aantrekkingskracht uitgeoefend op de Nederlandse gereformeerde theologie’.
– De vooroorlogse periode was een doortrekken van de lijn van Kuyper, maar zonder diens hartstocht voor de ‘werkelijkheid’. Men hield aan Kuypers visie en de daaruit afgeleide beginselen vast omdat zij zekerheid boden. Pas in de Tweede Wereldoorlog zouden die zekerheden geschokt worden, de betrouwbaarheid van de eigen waarneming en de wijze waarop de waarneming geïnterpreteerd moest worden. Het wachten was op een generatie theologen die in de oorlog tot volwassenheid gekomen waren. Pas in het begin van de jaren zestig kwamen zij aan het woord.
– De kronieken en een aantal artikelen uit de jaren zestig geven een voortreffelijk beeld van wat het was waarnaar de belangstelling uitging van de jonge gereformeerde theologen. Die belangstelling verraadt dat er iets aan het verschuiven was in de gereformeerde theologie. Men theologiseerde niet meer aan de strakke leiband van de gereformeerde beginselen, maar onbevangen en met grote nieuwsgierigheid naar de wereld en de humaniteit, in toenemende mate onafhankelijk van wat daarover ‘behoorde’ gedacht te worden.
– Rothuizen bleef zich overigens zijn leven lang en met trots beschouwen als kuyperiaan. In een interview met Berkhof riep deze uit: ‘U bent anders nog een der weinige kuyperianen, dat is interessant, u bent een neo-neo-calvinist’, waarop Rothuizen antwoordde: ‘Af-en-toe zelfs ’n ouderwetse, hoewel, ouderwets? Je kunt via Kuyper een prachtig uitzicht op de secularisatie krijgen. Die kun je dan honoreren en nakomen. Hij was ook een bijzonder werelds mens’.
– Bij J.H. Bavinck verscheen de algemene openbaring als categorie van persoonlijke ontmoeting. Anders dan de hem voorafgaande gereformeerde theologie was Bavinck niet geïnteresseerd in de religie op zich, of als systeem, noch in de algemene openbaring als bron van kennis, maar richtte hij alle aandacht op de mens in zijn of haar religieuze overtuiging. Het concrete menselijke bestaan, van elk mensenbestaan, beschouwde hij als het resultaat van een ‘tweegesprek’ tussen God en mens. Overigens ging hij nog niet zover zich geheel los te maken van het kuyperiaanse gedachtengoed. Bavincks leerling J. Blauw ging verder en betoogde dat religies beschouwd moeten worden als tekenen van Gods goedheid. Dat was in feite een breuk met de kuyperiaanse opvatting van pseudo-religie.
– D.C. Mulder introduceerde het denken van de Indiaanse theoloog en filosoof Raymond Panikkar, die beweerde dat Christus in het hindoeïsme bekend en aanwezig was. ‘Christus is niet alleen het pleroma van het jodendom maar van elke religie. Het mysterie van het christelijke Pasen is niet alleen de bekroning van het joodse Paasfeest maar ook van de vedische offers, van de boeddhistische ascese, van de offers van de Afrikaanse religies, van de Chinese cultus, van het opofferen van de eigen persoonlijkheid door de muzelman en van de riten in alle Amerikaanse landen’. Hij onderschrijft ook de gedachten van C.S. Song. Volgens hem kan men het niet volhouden dat datgene wat aan miljoenen mensen gedurende duizenden jaren troost, vreugde en inspiratie geboden heeft, geen betekenis heeft en geen heil van Godswege zou zijn geweest. Het is, zei hij, niet alleen onzinnig, het is misschien nog meer ontrouw aan God die de hemel en de aarde geschapen heeft met alles wat daarin is, culturen en godsdiensten inbegrepen.
– De auteur besluit het artikel als volgt: ‘Het lijkt mij een prachtig uitgangspunt voor christelijke theologie in de komende eeuw: de theologische verwerking van wat er in andere culturen en godsdiensten sacrament is voor de grote dankzegging (eucharistie)’.

Overige
– Wie op het onderwerp ‘vrouw en kerk’ de jaargangen van het GTT doorploegt, vindt slechts een klein aantal afleveringen waarin expliciet over deze thematiek wordt nagedacht. Dat bevreemdt, waar toch zich ingrijpende ontwikkelingen hebben voorgedaan op het gebied van de positie van de vrouw in de kerk. Het GTT, zo moet wel worden geconcludeerd, is in gebreke gebleven deze ontwikkeling te registreren, in kaart te brengen en van een eigen commentaar te voorzien.
– Waarom eigenlijk niet? Het is een veelzeggend gegeven, dat het predikantsambt voor vrouwen werd opengesteld nadat een verschuiving was ontstaan in het denken over wat ‘heersen’ in de kerk nu eigenlijk in de kern betekent: regeren is dienen. Zo leken alle angstige opmerkingen uit de discussie van voor de Tweede Wereldoorlog inzake de regeermacht van vrouwen in de kerk bezworen.
– Vanaf 1952 krijgen kerken synodale toestemming om het vrouwenstemrecht in te voeren.
– Al lang voordat vrouwen in de GKN tot de ambten werden toegelaten, waren ze actief in allerlei kerkelijk werk: pastoraat, diaconaat, catechese, toerusting en zending. Er waren bijvoorbeeld ‘zendingszusters’, wier werk geen ‘ambtelijke arbeid’ mocht heten, zelfs niet wanneer zij een kandidaatsexamen in de theologie hadden afgelegd. Een bijzonder geval was ‘mejuffrouw’ J.C. Schreuder. In 1946 uitgezonden naar het toenmalige Nederlands Indië verving zij predikanten en deed in een moeilijke situatie al het werk dat een predikant doet, behalve het bedienen van de sacramenten, zulks tot ongenoegen van haar gereformeerde achterban in Nederland.
– Het meest intensief werd in de GKN over de pluriformiteitsleer gediscussieerd in de jaren twintig en dertig en in de jaren zeventig en tachtig.
– C. Augustijn: ‘Ik herinner me heel goed, hoe ik 25 jaar geleden in een gereformeerde kerk in Friesland de geloofsbelijdenis van Nicea hoorde voorlezen. Op dat moment dacht ik bij mijzelf: nooit hebben de concilievaders van Constantinopel, nu bijna 1600 jaar geleden, kunnen denken dat in een uithoek van de wereld, in een streek waarvan zijn ooit gehoord hadden en die toen nauwelijks bestond, in een taal waarvan zij het latere bestaan niet konden dromen, de door hen geformuleerde woorden zouden klinken: “God uit God, licht uit licht”. Een dergelijke ervaring is: KERK’.
– Pas toen de aanvankelijk christocentrische belijdenis in New Delhi 1961 door toedoen van de oosters-orthodoxen tot een trinitarische grondslag was uitgebreid, groeide langzaam maar zeker de sympathie voor de Wereldraad.
– De bekende evangelicale voorman John Stott stelde aan de Wereldraad een wezenlijke vraag: ‘This assembly is listening with great sensivity to the cry of the oppressed; but are we also listening to the cry of the lost?’
– In gereformeerde kring werden vanaf het begin bezwaren tegen de naam ‘praktische theologie’ ingebracht. Men zag in deze naam een theologie die uitgaat van het menselijk subject en niet van het object dat alle vakgebieden verbindt, de Heilige Schrift. Bovendien suggereert de naam een onderscheid tussen theoretische vakken en praktische vakken, terwijl alle vakken binnen de simplex ordo zich richten op de geloofspraxis. Liever sprak men daarom van diaconiologie of ambtelijke vakken. Schleiermacher wordt algemeen als ‘de vader’ beschouwd. Het vak is ontstaan in reactie op de Verlichting en het moderniseringsproces. Om de groeiende kloof tussen christelijke traditie en modern bewustzijn te overbruggen onderscheidde Schleiermacher naast de historische en filosofische theologie een derde vakgebied, de praktische theologie.
– Tegenover een godsdienstwetenschappelijke, antropologische benadering, zoals bij Scheiermacher, benadrukt Bavinck de Schrift als het principium cognoscendi van de theologie.
– Geen mens kan het mysterie van bekering en wedergeboorte doorgronden. ‘Toch blijft het de roeping van de psychologie der religie dit heilig mysterie zo dicht mogelijk te benaderen’, aldus T. Hoekstra.
– Volgens overlevering stond K. Dijk wekelijks op de kansel en was hij met zijn preekvoorbereiding het kerkelijk jaar een half jaar vooruit, zodat hij hartje zomer zijn kerstpreken maakte.
– Terwijl referaten als regel veel tegenstemmen opriepen, werd het indrukwekkende referaat van K. Fernhout op de predikantenconferentie van 1927 over ‘De eigen zielzorg van den pastor’ ‘in diepe stilte aangehoord’ en blijven kritische reacties uit. Dit raakt ieder persoonlijk.
– In 1928 heeft een boeiende discussie plaats rond het boek van J.H. Bavinck, Inleiding in de zielkunde. Zowel Hoekstra als Waterink verwijten Bavinck een afwijken van de gereformeerde traditie. In de religie staat namelijk het kennen centraal, terwijl Bavinck alle nadruk lijkt te leggen op het emotionele element in de religie.
– Wat opvalt is dat in de jaren zestig de taal van gereformeerde theologen verandert: van polemiek naar dialoog.
– H. Bavinck verschoof zijn aandacht in zijn latere jaren naar de psychologie en de pedagogiek. Over het onderwerp ‘Psychologie der religie’ hield hij in 1906 een voordracht voor de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Volgens hem moet de godsdienstpsychologie noodzakelijk aangevuld worden met de gezichtspunten der dogmatiek. Godsdienstpsychologie ‘leert ons wel, althans tot zekere hoogte, wat de religie is, hoe zij wortelt in en samenhangt met heel de menschelijke natuur, maar zij zegt ons niets over haar inhoud, over haar waarheid en haar recht. (…) En om waarheid is het toch ten slotte in elke, ook in den wetenschap van den godsdienst, te doen’. Bavinck vertrouwt de godsdienstpsychologie dus niet helemaal. Want: ‘Wat bekering is en wezen moet, dat kan geen psychologie der religie ons leren’. Voor Bavinck rook de hele godsdienstpsychologie naar 19e-eeuws antropocentrisme en positivisme. J. Waterink, die aan de VU de voorman van de psychologie en de pedagogie werd, zag niets in de godsdienstpsychologie, achtte haar zelfs eigenlijk een onmogelijkheid.
– In de jaren zestig kwam een sociologisch bewustzijn op. Voorheen schitterde de godsdienstsociologie in het GTT door vrijwel volstrekte afwezigheid – gereformeerde theologen lieten zich door sociaal-wetenschappers niet de les lezen. Kuitert zoekt zeer bewust toenadering tot de sociale wetenschappers in de strijd voor een andere samenleving. ‘De theoloog is op de sociale wetenschappen aangewezen als het om kennis van de samenleving gaat. Hoe zal hij één zinnig woord in ethisch verband over de samenleving kunnen zeggen als hij niet eerst heeft geluisterd naar de analyses van de sociologie?’

Gepubliceerd in oktober 2009

Advertenties