Toon mij nu Uw heerlijkheid!

n.a.v. David Martyn Lloyd-Jones, Toon mij nu Uw heerlijkheid! De noodzaak van opwekking, Leiden 1992 (uitgesproken in 1959)

Het stellen van de juiste diagnose
“En als Hij in huis gegaan was, vroegen Zijn discipelen Hem alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? En Hij zei tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan dan door bidden en vasten” (Markus 9:28-29).

Er is een schreeuwende behoefte aan een opwekking.

Vroeger zorgde men zelf voor zijn ontspanning, maar nu moeten radio en televisie ons vermaak en plezier verschaffen. Deze neiging is zelfs in de christelijke kerk doorgedrongen: steeds vaker zien we dat vele mensen aan de zijlijn zitten en dat zij alles van een paar mensen verwachten.

In het rijk der duisternis bestaan gradaties; lagere geesten konden de discipelen wel uitwerpen maar hier hebben ze te maken met een grotere macht. Dit geslacht, dit soort geest, is totaal anders en het levert dan ook een veel groter probleem op. Het probleem van de discipelen was, dat zij meteen met de behandeling waren begonnen, zonder dat zij de aard van het probleem werkelijk begrepen.

Er is een groot verschil met nu en een paar honderd jaar geleden. Toen verkeerden veel kerkmensen in een staat van lusteloosheid, ze waren min of meer in slaap gevallen. Ze leidden niet een daadwerkelijk christelijk leven, ze hingen er zo’n beetje tegen aan. Het enige wat je eigenlijk moest doen, was hen weer zien wakker te krijgen. De nood waarvoor wij nú staan, is veel dieper en wanhopiger dan die waarmee de kerk diverse eeuwen geleden te maken had. Het lijkt wel of er geen enkel bewustzijn van het geestelijke meer is, ja zelfs een ontkenning van dit alles. De Bijbel wordt beschouwd als een gewoon boek. De fundamentele waarheden worden niet langer meer geloofd. In de kranten lezen we maar al te vaak een verdediging van het immorele.

Wat de Heere hier tot Zijn discipelen zegt, kan als volgt geformuleerd worden: “In dit bijzondere geval heb je gefaald, omdat de kracht die je bezat en die voldoende en toereikend was voor die andere gevallen, hier niet toereikend is en geen waarde heeft”.

Wat een opwinding kan er onder ons zijn als een ongelovige hoogleraar opeens zegt dat er uiteindelijk misschien toch wel een God was, Die in het begin alles geschapen heeft. Deze reactie van ons is tekenend voor de deerniswekkende toestand waarin we gekomen zijn. We zouden in plaats daarvan tegen hem moeten zeggen: waarom heeft hij er jaren over gedaan om tot zo’n vage conclusie te komen? Het is tekenend voor onze hele houding dat we ons vastklampen aan dit soort mensen.

Of de neiging om zich aan iedere archeologische strohalm vast te grijpen zodra er iets gevonden wordt waarvan men denkt dat het de Bijbel kan bewijzen. Dit ís niet de manier om aan te tonen dat het christendom echt waar is. Dit geslacht kan door dit alles niet uitgedreven worden!

Hoe tragisch is het om te zien dat mensen hun geloof baseren op bepaalde methoden. Één ervan is het enthousiasme over nieuwe bijbelvertalingen. Ze denken dat de hedendaagse mens de Bijbel dan weer gaat lezen.

Dit geslacht kan slechts uitgaan door bidden en vasten. De discipelen dachten het wel even te kunnen doen, maar verkeken zich op het verschil in kracht tussen de boze geesten. We kunnen nooit in staat zijn om dit geslacht uit te drijven, tenzij we God vragen om ons deze kracht te schenken.

We moeten absoluut en totaal overtuigd worden van onze nood. We moeten ermee ophouden om vertrouwen te stellen in onszelf, in onze methoden, in onze organisaties en in al onze handigheid. We moeten gaan beseffen dat we vervuld moeten worden door Gods Geest. Er is geen hoop, totdat we indringend en geconcentreerd beginnen te bidden.

Wat de geschiedenis ons leert
“Toen toog Izak vandaar; en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woonde aldaar. Als nu Izak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde hun namen naar de namen waarmee zijn vader die genoemd had” (Genesis 26:17-18).

Izak was niet op zoek naar een plaats die hij wel leuk vond of luxe zou vinden, maar hij was op zoek naar een plaats, waar hij díé dingen zou vinden die absoluut noodzakelijk zijn om te kunnen leven. Wij moeten ons ook bewust worden van de hopeloze situatie waarin we momenteel verkeren. Dat is doorslaggevend. Met andere woorden, het probleem van de kerk op het ogenblik, is dat zij niet schijnt te beseffen wat haar eerste en grootste nood is. Haar eerste behoefte is het leven zelf.

We zijn in een situatie beland die vergelijkbaar is met die van Izak. Het probleem waarmee we geconfronteerd worden, is de behoefte aan waarachtig leven. In het verleden is het voorgekomen dat het genoeg was om hier en daar in de kerk wat bij te stellen, maar vandaag de dag is dat niet mogelijk.

Wat deed Izak? Let erop dat hij geen landmeters, geen waterzoekers of andere deskundigen op het gebied van water laat komen. Nee, het woord luidt: “Hij groef die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, hadden begraven”. Waar we behoefte aan hebben, zegt men, is een boodschap die in dit atoomtijdperk past, een Evangelie dat past in onze huidige tijd. Daarom moeten we allemaal op zoek gaan naar de waarheid. Izak besefte dat zijn situatie zodanig was dat hij geen tijd voor experimenten had. Hij besefte dat als zij niet heel snel water zouden vinden, zij allen zouden omkomen.

Dit brengt ons bij ons uiteindelijke thema: het grote belang van het lezen van de kerkgeschiedenis en de bestudering van het verleden. God is nog steeds Dezelfde, maar de mens is ook niet veranderd. Wat zijn we toch oppervlakkige denkers. We nemen zo maar aan dat de mens, die nu in een vliegtuig kan reizen en het atoom kan splitsen, verschilt van zijn voorvaderen die deze dingen niet konden. Niets is zo misleidend als deze stilzwijgende veronderstelling van de hedendaagse mens (wat teruggaat op Darwin: alles in dit leven gaat in een opwaartse beweging).

Het verhaal van de kerk is geen rechte weg omhoog geweest, maar was er een met ups en downs. Heerlijke tijden van opwekking en herleving zijn dikwijls gevolgd op perioden van grote schraalheid, grote doodsheid, onverschilligheid en levensloosheid in de kerk. Iedere keer dat je zo’n grote, heerlijke en machtige periode tegenkomt, lijkt het erop dat men terugkeerde tot iets wat men in het verleden reeds verworven had. Het was een herontdekking, het vinden van een oude, reeds bestaande voorraad. Er is een grote hoeveelheid water beschikbaar. Het enige wat we hebben te doen is eropaf te gaan en het tot ons te nemen. Dat is de boodschap.

Het werk van de Filistijnen was dat zij de putten stopten en die vulden met zand. Hoewel het water daar nog steeds was, kon niemand het meer zien; het water was niet beschikbaar en niemand kon er gebruik van maken. Het water is er. Maar het probleem is, hoe kunnen we het te pakken krijgen? Wat is er eigenlijk gebeurd en wat is er verkeerd gegaan? Waarom kunnen we het water niet zien? Waarom kunnen we er onze emmers niet ingooien en het water naar boven halen? Dit is de verklaring voor de staat van Christus’ kerk op dit ogenblik: het is het werk van de Filistijnen.

Zelfs veel bijbelgetrouwe christenen willen de confrontatie niet aangaan. “Ik houd niet zo van een woordenstrijd”, zegt iemand. “Ik houd ervan om een positief Evangelie te brengen. We moeten vriendelijk en liefdevol zijn. We moeten vandaag de dag niet zo kritisch zijn. Als iemand zichzelf een christen noemt, laten we ons dan verenigen onder dezelfde paraplu”. Zolang we hieraan toegeven, zal het probleem van kwaad tot erger voortgaan. De oorzaak van het probleem is het werk van de Filistijnen en het is niets anders dan dat.

De problemen waarmee de kerk van nu te kampen heeft, zijn niet de nieuwe omstandigheden waarin wij ons bevinden. Dat wordt ons steeds meer weer opnieuw verteld. Het probleem is de radio, de televisie, de auto. Maar al die dingen, stuk voor stuk, zijn absoluut niet ter zake doende. Waarom zijn ze irrelevant? In een andere vorm zijn dit soort dingen er altijd geweest. Voor dat de opwekking tweehonderd jaar geleden plaatsvond, waren de kerken net zo leeg als ze vandaag zijn, misschien nog wel leger. De mensen kwamen niet meer naar de kerk om het Evangelie te horen prediken. Waarom niet? Omdat zij in andere dingen geïnteresseerd waren. “Maar”, zegt iemand, “ze hadden toen toch geen televisie!” Ja, maar zij hielden wel van hanengevechten en van kaartspelen, ze waren gek op gokken en drinken. Het tegenwoordige denken is verschrikkelijk oppervlakkig. Omdat de vorm van het vermaak veranderd is, denken we dat de hele situatie nieuw is. De hel en de duivel zijn altijd al tegen ons geweest. De wereld heeft de boodschap altijd gehaat.

Hoe zit het dan met al die nieuw verworven kennis? Er heeft inderdaad een enorme vooruitgang in onze wetenschappelijke kennis plaatsgevonden. Maar dat heeft niets, maar dan ook niets met ons probleem te maken. God heeft de aarde gemaakt. De mens is nog maar net begonnen te ontdekken wat God gedaan heeft en wat God nog doet. Daarom maakt het voor God geen verschil. En waar vindt je in de moderne wetenschap ook maar enige kennis over de verhouding tussen God en mens en over de relatie van de ziel van de mens en God? En over wie Christus is en wat Hij gedaan heeft? Wat heeft al die kennis daarmee te maken? Het heeft er helemaal niets mee te maken. Als je 250 jaar in de kerkgeschiedenis teruggaat, beland je in de periode van het deïsme. In die tijd gingen de mensen niet naar de kerk om God te aanbidden. Waarom niet? Omdat zij zoveel kennis meenden te bezitten. Zij zeiden toen precies hetzelfde als nu.

Een andere reden, naast de bijzondere tijdsomstandigheden en de wetenschappelijke kennis van tegenwoordig, die genoemd wordt is de verdeeldheid van de kerk. We moeten samengaan, we moeten allemaal in een grote organisatie samenkomen en dan zullen we in staat zijn om het probleem te lijf te gaan. Maar het is een leugen om te beweren dat de verdeeldheid van de kerk de enige reden zou zijn die zegen in de weg zou staan. Zo is het niet. De geschiedenis toont zeer duidelijk aan dat God Zijn zegen wil geven ondanks de verdeeldheid van de kerk. Een gevolg van opwekking is dat ondanks de verdeeldheid er een wonderlijke eenheid komt tussen gelovigen van verschillende denominaties. Een opwekking schept ook een nieuwe verdeeldheid: bijvoorbeeld de Reformatie en het Methodisme.

Het werk der Filistijnen
(Genesis 26:17-18)

De kerkgeschiedenis laat overduidelijk zien dat de moeilijkheden altijd te wijten zijn aan het feit dat de Filistijnen de waterputten hebben dichtgestopt en er allerlei rommel in hebben gegooid. Het verbergen en het veronachtzamen van bepaalde waarheden of aspecten daarvan is altijd de belangrijkste oorzaak geweest van en periode van neergang in de lange geschiedenis van de kerk. Bijvoorbeeld in de donkere middeleeuwen: toen was de waarheid van behoud door verzoening niet langer zichtbaar.

In de 18e eeuw was de toestand van de kerk op sterven na dood, zij had geen enkel nut meer. De meerderheid van het volk kwam helemaal niet meer in de kerk en van echt christelijk leven was nauwelijks nog iets te bespeuren. Hoe kwam dit allemaal? De heersende opvatting was het deïsme, het geloofssysteem dat God min of meer buitenspel zette, omdat Hij toch geen belangstelling voor het geschapene zou hebben. Het was deïsme en rationalisme wat de klok sloeg. Presbyteriaanse kerken omhelsden het Arianisme, ontkenden de godheid van Christus.

Het verbergen en verwaarlozen van bepaalde leerstellingen, die van levensbelang zijn, is altijd de voornaamste reden van de doodsheid en terugval in het leven van de kerk. Er komt in de hele kerkgeschiedenis nooit een opwekking voor als bepaalde essentiële waarheden werden ontkend of verwaarloosd. Daarom hebben we bijvoorbeeld nog nooit gehoord van een opwekking onder de Unitariërs. Het is zonder enige uitzondering de herontdekking van kardinale leerstellingen die uiteindelijk tot opwekking leidt. Altijd gaat er iets aan opwekking vooraf. Het werk van de Filistijnen moet ongedaan gemaakt worden.

De filosofie is altijd de vloek voor de kerk geweest. Met de pijp in de mond redeneren en praten zij over Hem alsof Hij een filosofisch begrip is, dat wel even behandeld en besproken kan worden. Onder dergelijke omstandigheden zal er nooit een opwekking plaatsgrijpen.

Belangrijke dogma’s zijn: de soevereiniteit van God, het gezag van de Bijbel en de verlorenheid van de mens. De natuurlijke mens verafschuwt dit laatste. Hij vindt dit beledigend. Het leerstuk van de zonde en het leerstuk over de toorn van God is nooit populair geweest. Met psychologische termen probeert de mens de zonde weg te redeneren. Bij een opwekking zien we echter mensen zuchten en klagen onder de overtuiging van zonde.

Jezus Christus en de Heilige Geest
(Genesis 26:17-18)

Als we op onze knieën gaan en wat woorden uiten, betekent dat nog niet dat we echt bidden. De hele Bijbel maakt ons duidelijk dat wij God slechts kunnen naderen als er aan bepaalde voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moeten we van de rommel van de Filistijnen af zien te komen. Dat is een pijnlijk proces. Waar we van af moeten is het in twijfel trekken of het ontkennen van leerstellingen van het geloof die van essentieel belang zijn. De Heere Jezus Christus moet in het middelpunt staan. Zo was dat ook in tijden van opwekking. Kijk bijvoorbeeld naar de liederen die tweehonderd jaar gelden geschreven werden: wat is het grote thema van de gezangen van onder anderen Charles Wesley, Philip Doddridge, Isaac Wats en William Williams? Het is de Heere Jezus Christus. Typerend zijn bijvoorbeeld de woorden: “Jezus, Die mijn ziel bemint…”

Het is dan ook overduidelijk, dat we geen recht hebben om uit te zien naar opwekking, als Christus in ons leven, in onze overdenkingen en in ons gebed geen centrale en cruciale plaats inneemt. Als we met mensen over de godsdienst willen praten, komen we tot de conclusie dat zij overal over willen praten, behalve over Hem. Er bestaat veel zogenaamd christendom dat niets met Christus van doen heeft. Dat is heel duidelijk het werk van de Filistijnen: alles wat op welke manier dan ook de Heere Jezus Christus aan het oog onttrekt, alles wat op enigerlei wijze Hem uit het centrum doet verdwijnen, is het werk van de Filistijnen. Over bepaalde zaken zouden we helemaal niet moeten discussiëren. Het eerste is Zijn unieke goddelijkheid, Zijn oorsprong van eeuwigheid. Ga maar na, tijdens een opwekking stonden deze zaken nooit ter discussie.

Tegenwoordig zijn er christelijke predikers die menen slim te zijn door deze ‘bloedtheologie’ belachelijk te maken. Maar tijdens opwekkingen verheerlijkt men het kruis en beroemt men zich in het bloed. “When I survey the wondrous cross…”

Ook zijn er dingen waarin veel bijbelgetrouwe christenen zich schuldig maken: er zijn nogal wat mensen die de Heilige Geest vergeten. Als we ernaar vragen, zeggen ze natuurlijk dat ze in Hem geloven, maar in de praktijk houden zij helemaal geen rekening met Hem. Het is de Filistijnen er altijd veel aan gelegen geweest om de persoon en het werk van de Heilige Geest te versluieren. Niets is meer beledigend dan iemands persoonlijkheid in twijfel trekken. Dat doen mensen nu juist ten aanzien van de Heilige Geest. Zij praten over ‘het’, ‘iets’, ‘een kracht of invloed’. Hem wordt niet de plaats gegeven, die Hem volgens het onderwijs van onze Heere in Johannes 14 en 16 toekomt.

Sommige mensen ontkennen een uitstorting van de Geest door het simpelweg een vorm van massahysterie te noemen. Dat is nu het werk van de Filistijnen. Ze zeggen: “Weet je, zoiets moeten we natuurlijk niet verwachten in een land als het onze, waar ontwikkelde en welopgevoede mensen wonen. Zoiets tref je alleen maar aan onder primitieve volkeren”. Anderen beweren dat we niet voor een uitstorting van de Geest en een opwekking moeten bidden: “We leven in het laatste der dagen. De komst van Christus staat voor de deur. De Heilige Geest heeft Zich teruggetrokken”. Wat al deze mensen betwisten, ontkennen en loochenen is het onmiddellijke en directe handelen van de Heilige Geest.

Is rechtzinnigheid voldoende?
(Genesis 26:17-18)

De hoofdzaak van de huidige situatie in de kerk is gelegen in de toenemende afval van de laatste honderd jaar. Het zal duidelijk zijn dat het leerstuk van de rechtvaardiging door het geloof zeer essentieel is. Dit leerstuk maakt een einde aan iedere gedachte over onze eigen goedheid. Een ander belangrijk leerstuk is dat van de wedergeboorte. Het herinnert ons eraan, dat niets anders dan alleen een wedergeboren mens aan zijn doel kan beantwoorden. Over deze leerstukken zou zelfs niet gediscussieerd moeten worden.

Een valstrik waar veel bijbelgetrouwe, rechtzinnige mensen in struikelen is dat het ons meer om de leer dan om de mensen gaat. We moeten niet vergeten dat een juiste leerstelligheid geen doel in zichzelf is. Er is ook verschil tussen rechtzinnige prediking en preken over rechtzinnigheid. In de praktijk is dode orthodoxie net zo erg als ketterij, want beide zijn uiteindelijk nutteloos.

Zingen gaat een steeds belangrijker onderdeel van de diensten worden. Veel christenen komen alleen nog maar bijeen om met elkaar te zingen. Zij zeggen: “Ook daarin is de verkondiging van het Woord”. Maar de hele toestand waarin de wereld momenteel verkeert, geeft geen enkele aanleiding tot zingen. Dit is geen tijd om te zingen, maar dit is een tijd om te prediken. Hoe zouden wij een lied des Heeren zingen in een vreemd land? Het is een tijd om na te denken, om te prediken en te overtuigen. De tijd voor zingen komt later. Is het niet eerder een tijd om te vasten, een tijd om in zak en as te zitten, en om in de nood van onze ziel, uit te zien naar God? Als een grote opwekking zal plaatsvinden, dan zal het tijd zijn om te zingen.

Heeft op dit ogenblik evangelisatie de hoogste prioriteit? Of gaat het om het leven van de kerk zelf? Alleen leven dat er is, maar dat kwijnt en terneergeslagen is, kan opgewekt worden. Het begint in de kerk en van daaruit verspreidt het zich.

Er is veel ontspoorde orthodoxie. Zo zijn er kleine kerken, die moeten worstelen om te blijven voortbestaan, maar de hele situatie wordt verziekt door onderling gekijf, kleingeestigheid, jaloezie, afgunst en zelfgenoegzaamheid.

Wat gebeurde er toen Robert Murray McCheyne in Dundee de kansel beklom? Nog voordat hij zijn mond opengedaan had, begonnen de mensen te huilen en zij werden verbroken. Hoe kwam dat? Dat kwam omdat deze man zoveel ernst uitstraalde. Hij kwam de preekstoel op nadat hij in Gods nabijheid had verkeerd. Hij sprong niet luchtig de preekstoel op en hij maakte niet een paar grappen om iedereen op zijn gemak te stellen en de sfeer wat te verlichten. Niets is zo kenmerkend voor een opwekking als een grote, diepe ernst ten aanzien van God en goddelijke zaken.

Zonder uitzondering kunnen we in de geschiedenis vinden dat daar waar opwekking plaatsvond, mensen diep overtuigd werden van zonde. In hun eigen waarneming is het zelfs onmogelijk dat God hen kan vergeven. Zij behoorden wel tot de kerk, maar ondanks dat leefden zij in zonden en hoewel zij dit wisten, hebben zij er niets aan gedaan. Als er een opwekking plaatsvindt, komen zij als het ware in de hel terecht en zij voelen zich ten dode toe verschrikt. Zij kunnen zich zo ellendig gaan voelen dat zij tenslotte opstaan en hun zonden gaan belijden.

Beproef de geesten
(Genesis 26:17-18)

Wat staat opwekking in de weg? Onder andere dode rechtzinnigheid, dat is: zelfgenoegzaamheid. Natuurlijk is het goed om rechtzinnig te zijn en het is verkeerd om vrijzinnig te zijn, maar de manier waarop wij onszelf zien, kan zeer bedroevend zijn. Als dit element van brave zelfvoldaanheid en zelfgenoegzaamheid bij ons postvat, kan het de juistheid van ons geloof vernietigen. Sommigen denken dat het enige dat we moeten doen is onze positie verdedigen. Men trekt zich dan terug en stelt een verdedigingsmechanisme op. De meeste tijd wordt in het schrijven van verweerschriften gestoken. Als een vooraanstaand persoon in de maatschappij ook maar een vage christelijke opmerking maakt, wordt onmiddellijk beslag op hem gelegd en wordt hij als een groot christen gezien.

Het zijn ‘de gerusten te Sion’. Dit zijn mensen die graag godsdienstig genoeg zijn om zich veilig te voelen, maar aan meer godsdienstigheid geen enkele behoefte hebben. Van deze mensen kunnen we zeggen dat zij de godsdienst zien als een soort parachute. Je kunt nooit weten, ongelukken komen overal voor. Daarom is het goed om zo’n ding bij de hand te hebben. Maar natuurlijk moet je niet je hele leven daaraan denken. Het volk riep de profeten toe: “Spreek ons van zachte dingen”. De godsdienst en de kerkgang van zulke mensen stellen niets voor. Zij verwachten niets, zij ontvangen niets en er gebeurt niets met hen. Zij gaan wel naar Gods huis, maar niet met de gedachte en de verwachting dat zij God daar zullen ontmoeten.

Een ander kenmerk van dode orthodoxie is een hekel hebben aan enthousiasme. We maken ons dan schuldig aan het uitdoven van de Geest. Het ontstaan van leven bréngt de problemen van uitbundigheid of buitensporige uitingen van ongecontroleerdheid met zich mee. Iedere poging om welbewust emotionaliteit op te roepen is verkeerd. De emoties moeten worden geraakt door het verstand, het begrip en de waarheid heen.

Hoe formeler de diensten worden, hoe minder de Geest eraan te pas komt. In een tijd van opwekking verdwijnt al het formele. De kerk gaat weer terug naar de eenvoud van het Nieuwe Testament. In de periode waarin geen opwekking plaatsvindt, wordt de nadruk gelegd op koren. De gemeente zelf behoeft niets anders te doen dan te zitten en te luisteren. Dat is het uitblussen van de Geest. De kerk heeft steeds meer de neiging om meer en meer met programma’s te gaan werken. Alles wordt, met de tijd erbij, op papier gezet. Waarom moet alles zo formeel? En wat, als de Geest dan eens plotseling zou neerdalen? Dit is voor Lloyd-Jones de belangrijkste reden om niet voor de radio te spreken. Op deze manier hebben wij de godsdienst onder controle in plaats van de godsdienst ons.

We kunnen ook zo bang zijn voor kunstmatige opwinding en schijnvreugde dat we de Geest uitblussen. Een dominee preekte eens over de tekst “De regenboog in de wolken”. Zijn hele preek ging echt over ingebeelde vreugde en ingebeelde rust. Het gevolg was dat zijn luisteraars niets anders te zien kregen dan die wolken en van die regenboog zag hij niets. Hij was zo benauwd voor het verkeerde dat hij daardoor de waarheid uitdoofde. We moeten niet in onze vrees voor emotionaliteit emoties helemaal afwijzen. Wanneer hebben we voor het laatst gehuild, omdat je zo ver van God af was? Er zijn mensen die het huilen verleerd hebben. Wanneer hebben we voor het laatst van vreugde gehuild, uit louter blijdschap vanwege Gods heerlijkheid?

Dode orthodoxie
(Genesis 26:17-18)

Een ander kenmerk van dode rechtzinnigheid is ons falen om de waarheid in praktijk te brengen. We zijn tevreden met het luisteren en het lezen van de waarheid, maar we passen deze nooit meer op onszelf toe. We zijn tevreden met wat oppervlakkige ontroering, maar we willen het probleem nooit echt onder ogen zien en onze situatie nooit eens diepgaand onderzoeken. Misschien worden we tijdens een kerkdienst wel aangesproken en misschien zeggen we wel: “Daar ga ik wat aan doen”. We zijn echter de kerk nog niet uit of we praten met mensen over heel andere dingen en wat we tijdens de dienst voelden, is weg en komt niet meer terug.

Bestaat niet de neiging om de kunst van het mediteren, van het nadenken over de dingen, helemaal te verwaarlozen? We hebben het te druk. Ons hele leven wordt in beslag genomen door zaken die er uiteindelijk helemaal niet toe doen. Een christelijk leven kan echter alleen maar bestaan door diep nadenken en meditatie.

Zelfonderzoek is tegenwoordig niet zo erg populair. “Nee”, zeggen sommigen, “je moet niet naar jezelf kijken, je moet naar de Heere kijken”. Als we echter onszelf niet onderzoeken, zullen we nooit echt gaan bidden en blijft ons leven aan oppervlakte. Praten we nog wel eens over het doden van het vlees, over het doden van onze leden die op de aarde zijn? We horen deze instructies van Paulus niet meer. Dat komt omdat we een verkeerd idee over de heiliging hebben en daarom zeggen we: “We richten ons op de Heere”. Dan wordt ons leven zeer oppervlakkig.

Er zijn ook mensen die zich schuldig maken aan een verkeerd zelfonderzoek. Het verlamt hen helemaal, eigenlijk zijn ze nutteloos omdat ze niets anders doen. Ieder christen die depressief en terneergeslagen is en maar steeds op zichzelf blijft staren, faalt in het toepassen van het leerstuk van de rechtvaardigmaking door het geloof alleen. Wees er zeker van dat u tenslotte in een toestand van dankzegging en lofprijzing zult geraken, in het besef dat uw zonden bedekt en uitgewist zijn.

Dode orthodoxie leidt ertoe dat we ons niet bewust zijn van de geweldige mogelijkheden die het christelijke leven biedt en daarom hebben we bijgevolg ook geen begrip van onze eigen armzaligheid. Als we werkelijk in Zijn tegenwoordigheid willen komen, zullen we ontdekken dat dit tijd gaat kosten. We zijn zo druk met onszelf, dat we aan Hem helemaal niet toe komen. De titel van een boek luidde: Het geheim van een gelukkig christelijk leven. We maken ons veel te druk over onszelf en over het feit dat we van onze probleempjes af willen komen. Maar: in hoeverre kennen we Hem? Kennen we de breedte, lengte, diepte en hoogte van Zijn liefde? Wat lijken we weinig op de apostel Paulus. Hij jaagt naar het doel.

Er is een gemis aan oprechte bewogenheid over de eer van God. Het gaat er niet om of we door de zonden van deze tijd geïrriteerd worden. Kenmerkend voor een christen is het verdriet, een hartelijke droefheid over het feit dat de mens God niet verheerlijkt. Niet dat de kerk mag groeien en bloeien, of dat de mensen weer naar de kerk zullen gaan. Nee, waar het in de eerste plaats om gaat is, dat Gods heerlijkheid weer openbaar mag worden. Dat is de eerste zorg. Dit leidt naar ons volgende punt: een gebrek aan oprechte bezorgdheid over de zielen die buiten zijn. Kennen we iets van wat onze vaderen een last voor zielen noemden? Als we echt geloven, dat deze mensen God onteren en dat zij naar de hel gaan, dan zou het wel een last moeten zijn. Een gebrek aan werkelijke bewogenheid met verloren zielen leidt tot een gebrek aan echt indringend gebedsleven. Mensen zijn altijd bereid om deel te nemen aan iets wat georganiseerd is. We vinden het in het algemeen wel makkelijk als ons verteld wordt, wat en hoe we iets moeten doen. Het is veel moeilijker om alleen tot God te gaan en dat vol te blijven houden.

We zijn tevreden met een oppervlakkige en voorlopige kennis van God, Zijn wezen en Zijn zaak. Als we daarmee tevreden zijn, gaat ons leven op in drukke activiteiten en komen we niet tot inkeer. De dorst naar God en het verlangen naar het openbaar worden van Zijn heerlijkheid zijn de wezenlijke voorwaarden die aan een opwekking voorafgaan.

Opgerichte tekenen
“En hij sprak tot de kinderen Israëls, zeggende: Wanneer uw kinderen morgen hun vaders vragen zullen, zeggende: Wat zijn deze stenen? Zo zult gij het uw kinderen te kennen geven, zeggende: Op het droge is Israël door deze Jordaan gegaan. Want de HEERE uw God heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat gij er waart doorgegaan; gelijk als de HEERE uw God aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daar doorgegaan waren; opdat alle volken der aarde de hand des HEEREN kennen zouden, dat zij sterk is; opdat gij de HEERE uw God vreest te allen dage” (Jozua 4:21-24).

Tot nu toe hebben we ons beziggehouden met de hindernissen en obstakels die een opwekking in de weg staan. Maar het probleem kan beslist ook niet door menselijke kracht verholpen worden.

Het grote probleem waarmee de kerk nu geconfronteerd wordt, is dat de grote meerderheid van de belijdende christenen niet overtuigd is van de realiteit en wenselijkheid van opwekkingen. Mensen hebben het zo druk met allerlei andere zaken.

We moeten gebruik maken van alles wat we ontdekken over dingen in de geschiedenis, op precies dezelfde manier als God dat bedoelde voor de kinderen Israëls. Zij moesten twaalf stenen midden uit de rivier de Jordaan halen en die oprichten in Gilgal.

Wat ons meteen opvalt, is dat dit buitengewone feit nodig was. De doortocht door de Rode Zee en de doortocht door de Jordaan zijn toch zulke buitengewone feiten, dat het niet nodig moet zijn het volk hieraan te herinneren door zichtbare, uiterlijke dingen als die stenen. Toch gaf God dit bevel, want Hij kent onze natuur. Hij weet hoe gemakkelijk en snel wij vergeten. Hoe komt het dat het mogelijk is, dat er een generatie opstaat die zelfs deze dingen vergeet? De belangrijkste reden is misschien wel het feit dat we alleen maar belangstelling hebben voor onszelf, voor onze tijd en onze eigen generatie. Het lijkt wel of we ons niet bewust zijn van het feit, dat ook vòòr ons, in de vervlogen eeuwen, mensen op deze wereld hebben gewoond, lang voordat wij hier waren.

Wat ons uiteindelijk het meest in de weg staat is dat enorme subjectivisme van ons. Dat subjectivisme vergiftigt zelfs ons lezen en bestuderen van de Bijbel. We zijn zo verschrikkelijk bezig met onszelf en met onze eigen problemen dat we de Bijbel alleen nog maar gebruiken voor het oplossen van onze eigen problemen. Hoe vaak lezen we de Bijbel met de gedachte: “Ik ga mijn Bijbel lezen om na te gaan wat God gedaan heeft”? De Bijbel is niet alleen maar een boek dat mijn vragen beantwoordt en dat mij dingen vertelt die ik graag wil weten. De Bijbel geeft een verslag over het handelen van God.

Veel bijbelgetrouwde, orthodoxe mensen lezen de Bijbel ook te devoot, te subjectief. Het geweldige panorama van de daden des Heeren is iets waar wij ons niet meer van bewust lijken te zijn. Het gevolg is, dat we weer herinnerd moeten worden aan datgene wat God heeft gedaan. De bedoeling van het Heilig Avondmaal is hetzelfde. Als gevolg van de zonde zijn we zo traag en dom geworden, dat we zelfs de dood van Gods zoon zouden vergeten.

We moeten aan feiten herinnerd worden. We leven in een tijd waarin een subtiele vorm van theologie wordt bedreven, die ons wil doen geloven dat we het wel zonder de feiten kunnen stellen en toch aan de leer vasthouden. Het is een leugen!

Wat is eigenlijk opwekking? We kunnen het omschrijven als een periode van ongebruikelijke zegen en werkzaamheid in het leven van de kerk. Opwekking betekent: uit de slaap doen ontwaken, herleven, het leven weer te voorschijn brengen. In eerste instantie gebeurt dat in Gods kerk en onder gelovigen en in tweede instantie beïnvloedt dit ook hen, die buiten staan.

Vaak worden een opwekking en een evangelisatiecampagne vereenzelvigd. Evangelisatie is echter een activiteit van de kerk, die besluit iets te gaan doen voor de mensen die buiten de kerk staan. Het is echter niet aan de kerk om te besluiten iets aan opwekking te gaan doen. Evangelisatie heeft grotendeels betrekking op hen die buiten de kerk staan, terwijl opwekking juist betekenis heeft voor de kerk zelf en haar leden.

Bij een opwekking daalt de Heilige Geest neer op een aantal mensen die bij elkaar zijn, op een kerk of een heel gebied. Het is een visitatie van de Heilige Geest, een uitstorting. Mensen worden zich bewust van iets wat hen plotseling is overkomen en wat hen ten diepste heeft aangeraakt. Bij een opwekking vinden we ontzag, eerbied, een heilige vrees, een zich bewust zijn van God majesteit, heerlijkheid en heiligheid en van Zijn volmaakte reinheid. Dit leidt onvermijdelijk tot een diepe overtuiging van zonde en schuld. Theoretisch had men het altijd al geloofd, maar er niets bij gevoeld. Het was nooit werkelijkheid voor hen geworden. Ze hadden nooit de kracht ervan gevoeld. Het wordt een individuele, persoonlijke zaak: er komt vrede in hun hart, vreugde neemt bezit van hen. Als zij iemand ontmoeten, spreken zij er onmiddellijk over. Iedereen praat erover. Het is het voornaamste gespreksonderwerp.

Opwekking brengt een goddelijke wanorde. Sommigen treuren en kermen onder hun zonden en anderen prijzen God voor Zijn grote verlossing. Dit alles leidt tot druk bezochte en langdurige bijeenkomsten. Opwekking betekent voor enige tijd: de hemel op aarde. Jonathan Edwards vertelt in 1735: “Er heerste grote vreugde in gezinnen over de verlossing die hen te beurt was gevallen. Ouders verheugden zich over hun kinderen, mannen over het behoud van hun vrouw en vrouwen over het behoud van hun man. Gods dag was een vreugde en met grote blijdschap kwamen de gemeenten samen. Hoe schoon waren onze openbare erediensten. Iedereen nam ten volle deel aan de erediensten. Tijdens de Woordverkondiging barstte de gemeente van tijd tot tijd in snikken uit”. Opwekking: God, Die Zijn volk bezoekt.

De hand des Heeren, die sterk is
“…Opdat alle volken der aarde de hand des HEEREN kennen zouden, dat zij sterk is…” (Jozua 4:21-24).

Mensen van allerlei maatschappelijke klasse worden beïnvloed; mensen van allerlei leeftijden, mensen met verschillende karakters, mensen van verschillend intellectueel niveau. Het is echter niet aan een bepaald type, het zogenaamde religieuze type, gebonden. Een opwekking komt plotseling op, duurt enige tijd en verdwijnt dan weer. Dit is van belang, omdat het onderstreept dat opwekking zeer duidelijk door God bewerkt wordt. De gevolgen van een opwekking zijn blijvend. Zelfs onbekeerde mensen worden erdoor beïnvloed. Een zekere soberheid komt het leven van de hele gemeenschap binnen.

Mensen worden niet alleen overtuigd van zonde, maar zij komen als het ware in een doodsstrijd door hun zonde. Wie herinnert zich niet John Bunyan, die vertelt in zijn boek Grace Abounding dat hij gedurende 18 maanden zó in zielestrijd en overtuiging verkeerde, dat hij zelfs jaloers was op de ganzen, die rustig op het veld graasden.

Finney heeft de kerk op het verkeerde been gezet door te zeggen dat we slechts een aantal dingen moeten doen om een opwekking te bewerkstelligen wanneer we maar willen. Mensen kunnen niet alleen geen opwekking tot stand brengen, maar zij kunnen een opwekking zelfs niet verklaren. Ook dit is zeer belangrijk. Als we een wonder kunnen verklaren, is het niet langer een wonder. Daarom is het nogal zielig dat we zien dat mensen helemaal opgewonden raken als er iemand een boek met de titel De Bijbel heeft toch gelijk publiceert. De schrijver gaat ons bewijzen dat de wonderen in het Oude Testament echt gebeurd zijn. Hoe doet hij dat dan wel? Hij zegt dat deze zaken op heel natuurlijke wijze en nog steeds regelmatig voorkomen, bijvoorbeeld dat Mozes op de rots sloeg en dat er toen water uitkwam; zoiets dergelijks gebeurde ook in deze tijd. Dus heeft de Bijbel gelijk. Is het niet aandoenlijk? Als je iets kunt verklaren, is het geen wonder meer.

We kunnen een opwekking ook niet beheersen. Het begint plotseling en eindigt plotseling.

De heerlijkheid des Heeren geopenbaard
“…Opdat alle volken der aarde de hand des HEEREN kennen zouden, dat zij sterk is…” (Jozua 4:21-24).

Waarom gebeurt opwekking eigenlijk? Waarom laat God dit van tijd tot tijd gebeuren? De kerk kwam in een krachteloze situatie, zozeer dat sommige mensen geloofden, dat het met de kerk afgelopen was. Dan plotseling stort God Zijn Geest opnieuw uit. De kerkgeschiedenis lijkt wel een grafiek met hoogte- en dieptepunten.

Alleen Israël vertegenwoordigde Gods heerlijkheid. Alle andere volken der aarde waren heidens. De andere volken keken naar hen en stonden altijd klaar om hen te bespotten en belachelijk te maken. Daarom is de eerste reden voor dit wonderlijke handelen: dat alle volken en naties “de hand des HEEREN kennen zouden, dat zij sterk is”. We moeten niet naar opwekking staan om zelf ervaringen op te doen. Het gaat in eerste instantie om Gods heerlijkheid, Zijn kracht, Zijn naam en Zijn eer. Laat dat volkomen duidelijk zijn.

De kerken lopen leeg, we leven in een godloze tijd, een tijd waarin de mens zo arrogant is, dat met sarcasme over God wordt gesproken. Dan is het toch ons verlangen dat Zijn heerlijkheid geopenbaard zal worden! Opwekkingen zorgden ervoor dat zij die buiten de kerk stonden en zij die vijandig ten aanzien van het christendom stonden, er aandacht aan moesten schenken. Wat we nodig hebben is een machtige demonstratie van Gods macht, een ingrijpen van de Almachtige, dat de mensen dwingt tot attentie, tot toezien en tot luisteren.

Het eerste dat een opwekking in de kerk teweegbrengt is een opmerkelijk bewustzijn van de aanwezigheid van Gods macht. De Israëlieten verkeerden voortdurend in angst en murmureerden. Dat is nu precies de grote nood van de kerk van vandaag, dat we ons niet realiseren dat de levende God in ons midden is. Mensen zien de kerk als een organisatie. De kerk is juist het lichaam waarin God woont. Tijdens een opwekking brengt Hij ons dat weer in herinnering.

De grootste verleiding, de overheersende zonde, voor iedere prediker is de gedachte dat, nadat je je preek voorbereid hebt, alles wel goed is. Maar dat is geen prediking! Dat kan volstrekt waardeloos zijn. Werkelijke prediking komt openbaar in een betoning van Geest en kracht. Iemand die zijn preek zeer goed heeft voorbereid, moet wel beseffen, dat alles van nul en generlei waarde is tenzij de kracht van de Geest over hem komt. Zowel de hoorders als de prediker moeten hiervoor bidden. Als er een opwekking plaatsvindt en Gods kracht geopenbaard wordt, is het niet nodig om mensen hiervan te overtuigen.

Bij een opwekking doet de mens een stapje terug, hij wordt tot de grond toe vernederd en God krijgt alle eer. De kerk is zo bang. Bang voor de aantrekkingskracht van de wereld. Kunnen we nog wel over wonderen spreken in dit televisietijdperk? Mensen geloven dat toch niet meer! Daarom korten we het Evangelie in. Alles goed en wel, maar als we op deze wijze voortgaan en op onszelf blijven vertrouwen, zijn we bij voorbaat al verslagen. Er is geen enkele reden om voor deze machten bang te zijn. Die machten zijn er altijd geweest. Die zijn niet nieuw. In haar beginfase moest de kerk de strijd aangaan met het Romeinse imperium. Dikwijls heeft de kerk gesidderd van angst, maar nooit tijdens een opwekking, want dan was zij zich bewust van het feit, dat God in haar midden was.

Het grote kenmerk van opwekking is altijd geweldige lofprijzing, verering, aanbidding en volle vreugde. God schijnt dit altijd te doen na een periode van grote beproeving en ontmoediging. Zij hadden zojuist de ervaring van de woestijn achter de rug. Wij zijn wel door een dorre, droge periode heengegaan. Een periode met vernietigende, intellectuele kritiek en het kwaad dat daardoor aangericht is, zowel op de preekstoel als in de kerkbanken. Mensen zijn het geloof in de levende God en in de verzoening door voldoening kwijtgeraakt. Zij hebben zich tot wijsheid, geleerdheid en filosofie gewend. We zijn door één van de meest dorre perioden van de lange kerkgeschiedenis heengegaan.

We kunnen wel veertig jaar in de woestijn gezeten hebben, maar alleen het feit dat we daar geweest zijn, levert geen opwekking op. Nee, niet alleen het verblijf in de wildernis, maar het feit dat we echt op het kritieke punt zijn beland. Het lijkt erop dat God dit doet als we vastlopen, en zó vastlopen dat we volkomen hopeloos en hulpeloos zijn. Als interessant detail wordt ons meegedeeld dat de rivier de Jordaan vol was al de dagen van de oogst aan al zijn oevers. Dat de kerk zich gezond, zelfgenoegzaam en zeker voelt, dat zij weer het één of ander moet organiseren en activeren laat zien dat ze nog niet tot de Schelfzee is gekomen.

Verschijnselen bij een opwekking
“En zij ontzetten zich allen en werden twijfelmoedig, zeggende de een tegen de ander: Wat wil toch dit zijn? En anderen spottende, zeiden: Zij zijn vol zoete wijn” (Handelingen 2:12-13).

Wat voor gevolg heeft een opwekking, speciaal voor hen die buiten staan? Ze zeggen: Wat mag toch dit zijn? Wat betekent dit? Verbazing, twijfeling, spotternij.

Een opwekking kent bijkomende verschijnselen, zoals de tendens tot emotionaliteit. Maar je kunt ook opwekking hebben zonder deze verschijnselen. Het zijn fysieke verschijnselen, zoals het letterlijk op de grond vallen door de overtuiging van zonden of het aangeslagen zijn, dat het net leek of iemand een klap op zijn hoofd had gekregen. Ook raakt men soms in vervoering. Er zijn ook mentale, geestelijke verschijnselen, bijvoorbeeld dat mensen de buitengewone gave van het woord krijgen of een bijzondere kennis ontvangen, of andere bekwaamheden zoals: de gave des onderscheids, de gave van kennis en de gave van organisatie.

Er zijn mensen die helemaal niets met een opwekking te maken willen hebben. Zonder dat zij het beseffen, maken zij zich schuldig aan het uitdoven van de Geest. Er zijn altijd psychologen die over hersenspoeling spreken, dat mensen geestelijke uitgeput worden en daardoor rare dingen gaan doen. Een verschil tussen opwekking en evangelisatiecampagnes is, dat bij eerstgenoemde geen sprake is van gebruik van technieken. Opwekking kan niet verklaard worden, bijvoorbeeld dat het in diverse landen op precies hetzelfde tijdstip plaatsvond, zoals in de 18e eeuw!

Anderen spreken kwaadwillend van massahysterie. Echter, medisch gezien kan een hysterie worden uitgesloten. De rooms-katholieke kerk van Noord-Ierland verklaarde de opwekkingsbeweging daar als duivels. Maar ook dit kan niet, immers een koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is kan niet bestaan? Zie Lukas 11:14-18. Wat is dan de juiste verklaring? Petrus zegt op de eerste Pinksterdag: deze mensen zijn niet dronken. Hij weerlegt dus eerst de valse verklaringen en maakt ze belachelijk: het is immers pas het derde uur van de dag. Zijn verklaring baseert hij op de profetie van Joël.

De Heilige Geest beïnvloedt de hele persoon. De mens bestaat uit lichaam, ziel en geest. Wie ooit wel eens naar een uitzending van sportevenementen heeft geluisterd hoort daar mensen die schreeuwen van opwinding. Als zoiets bij sportevenementen gebeurt, wordt dat helemaal niet als iets vreemds bezien, maar als het tijdens een opwekking gebeurt, zeggen de mensen: “Allemaal psychologisch”.

Oprecht berouw
“Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed, en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich” (Exodus 33:4).

Dit bijzondere hoofdstuk is één van de belangrijkste hoofdstukken van het Oude Testament. Dit verhaal is in vele opzichten weer één van die geweldige voorbeelden uit het Oude Testament van wat er gebeurt, als de kerk na een periode van droogte en armoede weer tot opwekking en herleving komt. Exodus 32 gaat over het gouden kalf, de ergste afval die ooit in de geschiedenis van Israël heeft plaatsgevonden. De kerk van nu heeft precies hetzelfde gedaan als wat Israël deed: het kiezen van een eigen god. De kritische Schriftbenadering is een exacte herhaling van de zonde van het volk Israël. De mens wil zich niet langer onderwerpen aan de ontvangen openbaring. En morele neergang is dan natuurlijk altijd het gevolg.

God strafte de Israëlieten op een verschrikkelijke manier. “Wie de HEERE toebehoort, kome tot mij!” (Ex. 32:26). Er voltrekt zich een scheiding in de kerk. Het is het enige onderscheid in de kerk dat we mogen erkennen: zij die zich willen onderwerpen aan het Woord van God en aan Zijn openbaring en onderwijs, en zij die dat niet willen.

Mozes treedt op als middelaar, waarbij hij een type van Christus wordt. Gods antwoord is: Ik ga niet met u mee, maar Ik zend u een Engel, die u helpen zal. Trek op.

Dat is dan de situatie. Wat uitermate belangrijk voor ons is, is de reactie van Mozes en van de kerk. Dat is altijd de eerste stap bij een opwekking. De eerste stap bij een opwekking is het vaststellen van de feiten. Ze waren zich enigszins bewust van de situatie waarin ze verkeerden. Als we ons hier niet van bewust zijn, is er geen hoop op een opwekking. Het is een bewustwording van de ernst van de situatie. Bespeuren we hier zelfs in het orthodoxe deel van de kerk niet weinig van?

“Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed, en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich”. Dat is wat er op volgt: berouw. Zoals in 2 Korinthe 7: bedroefd zijn tot bekering. De kinderen Israëls haatten zichzelf om wat zij verkeerd gedaan hadden. Dit is een zeer wezenlijk onderdeel van berouw. Een mens wordt zich bewust van wat hij gedaan heeft. Altijd zijn er bij een opwekking mensen geweest die, zeker aan het begin van de opwekking, oog kregen voor de heiligheid van God en het verschrikkelijke van de zonde, zodat zij zich geen raad meer wisten.

Niet de dreiging dat God hen zou kunnen vernielen, beangstigde hen, maar het feit dat God had gezegd: “Ik zal in uw midden niet optrekken. Ga maar alleen. Ik zal een Engel zenden, maar Zelf zal Ik niet meegaan”. Dit is een geweldige zaak, waar alles om draait; als mannen en vrouwen tijdens een opwekking gaan beseffen, dat niets belangrijker is dan de aanwezigheid van God. Het volk zegt: “Nee. Als Gij niet met ons mede optrekt, zullen wij niet van hier gaan”.

Er is een verschil tussen spijt en berouw. Berouw is niet iets wat zo weer over is. “Dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoe grote naarstigheid heeft het in u gewerkt”, zegt Paulus (2 Kor. 7). We hebben geen werkelijk berouw gekend voordat we dat in de één of andere vorm, in de praktijk gaan brengen. Dat betekent dat we de zonden nalaten en Zijn geboden gaan onderhouden. Ja, het waren deze sieraden geweest, die tot hun afval geleid hadden. Dat waren de dingen, waarvan zij het gouden kalf gemaakt hadden. Alleen al de gedachte daaraan haatten zij nu. We hoeven alleen maar de levensverhalen van christenen tijdens een opwekking te lezen: daarin is altijd sprake van dit afleggen. Mensen worden zich ervan bewust dat zij dingen gedaan hebben die zij niet hadden moeten doen. In ieders leven is wel één of ander versiersel dat afgelegd moet worden.

De tent buiten het leger
“En Mozes nam de tent en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de tent der samenkomst. En het geschiedde dat al wie de HEERE zocht, uitging tot de tent der samenkomst, die buiten het leger was. En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op en een ieder stelde zich in de deur van zijn tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was. En het geschiedde als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom nederwaarts en stond in de deur der tent; en Hij sprak met Mozes. Als al het volk de wolkkolom zag staan in de deur der tent, zo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in de deur van zijn tent. En de HEERE sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weder tot het leger, doch zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden der tent” (Exodus 33:7-11).

Er bestaan een aantal stappen en fasen in het proces van opwekking. De volgende fase die we zien is er een van gebed en voorbede. Onze voorvaderen plachten de plaats waar zij erediensten hielden, aan te duiden met ‘plaats van samenkomst’. Dat is een goede benaming. Het is niet zozeer een plaats waar mensen elkaar ontmoeten, hoewel ook dat, maar het is in eerste instantie een plaats waar men God ontmoette.

Het was een daad van Mozes zelf. Dit is een eerste stap, die uiteindelijk leidt tot een grote opwekking. Iemand, of een groep mensen, gaat plotseling de last voelen. Altijd blijkt dat opwekking begint met één man. Bijvoorbeeld die man die gebedssamenkomsten belegde in New York in 1857. Zoiets kan alleen maar in de kerk gebeuren, niet in de wereld. De wereld verwacht het alleen maar van haar leiders en grote mensen, maar Paulus spreekt van het dwaze der wereld om de wijzen te beschamen. Een betreurenswaardig misverstand is dat het gemiddelde kerklid denkt, dat hij of zij helemaal niets kan doen; in grote bijeenkomsten zitten zij op de achterbankjes en zij verwachten alles van twee of drie mensen, die alles moeten doen. In Gods handen kunnen we allemaal tot een kanaal gemaakt worden!

Natuurlijk moeten we berouw tonen, maar daar moeten we niet bij blijven staan. Er was Mozes alles aan gelegen dat God terug zou keren. Daarom maakte hij deze gebedsplaats. Het lijkt geen geweldige organisatie geweest te zijn. Ogenschijnlijk een weinig opvallende daad. Het gebeurde heel rustig, geen trompetgeschal.

Mozes spande de tent buiten het leger – ver van het kamp verwijderd. In de geschiedenis van de kerk is er nog nooit een opwekking geweest, die een officiële beweging binnen de kerk was. Het was altijd onofficieel en de kerkelijke autoriteiten konden het niet waarderen: Luther, de Puriteinen, de Methodisten.

Het heeft alles te maken met heiliging. Mozes voelde aan, dat dit niet midden in het kamp kon gebeuren. Het kamp was verontreinigd en weloverwogen verplaatste hij de tent zover mogelijk van het kamp vandaan. Dat is altijd Gods manier geweest. Een mens of een groepje mensen wordt zich plotseling bewust va het feit, dat zij zo ver van God af leven, alsof zij zich in een ver land bevinden. Hun eerste verlangen is om heilig te leven, omdat God heilig is. Een zekere afscheiding is dan natuurlijk onvermijdelijk. In een tijd van ernstige immoraliteit, goddeloosheid en ongodsdienstigheid, zoals hier, in een tijd dat de verdorvenheid hoogtij viert, dat men trots is op die verdorvenheid en het overal om ons heen te zien is: kennen wij iets van die oproep om ons van dit alles af te scheiden? Alledaags christendom is niet genoeg, er wordt meer gevraagd.

God erkent en bemoedigt deze handeling. Hij geeft blijken van Zijn welbehagen. De wolkkolom keert terug. Wat betekent dit? De eerste aanwijzing dat er een opwekking komt, is altijd dat er iets gaat gebeuren in de kerk. Er komen weer tekenen van leven. De diensten in de kerk worden warmer, er komt iets terug van wat verdwenen is. Mozes liet zijn dienaar Jozua achter in de tent totdat hij terug zou komen. Waarom deed hij dat? Wel, Mozes verwachtte, dat er nog meer zou komen en hij wilde er niets van missen. Toen hijzelf dus verslag uit ging brengen in het kamp, liet hij Jozua in de tent der samenkomst. Stel je voor, dat God nog iets ging doen! Zij verwachtten meer. Dit was slechts het begin. Dit zijn twee dingen waar het om gaan: heiligheid en voorbede voor de grote schare van mensen, terwijl we in Gods tegenwoordigheid verwachtingsvol uitzien naar meer.

Het kennen van God
“En Mozes zei tot de HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op; maar Gij laat mij niet weten wie Gij met mij zult zenden; daar Gij gezegd hebt: Ik ken u bij name; en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen. Nu dan, ik bid, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is. Hij dan zei: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen? Toen zei hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons vanhier niet optrekken. Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk dat op de aardbodem is. Toen zei de HEERE tot Mozes: Ook deze zelve zaak die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen en Ik u bij name ken” (Exodus 33:12-17).

Pas hier, op dit punt, begint het eigenlijke gebed om opwekking. Alles wat er tot nu toe gebeurd was, was een gebed om Gods aanwezigheid in hun midden. Misschien denken we dat er nu verder niets meer nodig is. Nee, met een opwekking bedoelen we niet, dat de kerk door God zo gezegend wordt dat zij zich bewust is van Zijn aanwezigheid en in staat gesteld wordt haar taak uit te voeren. Mozes voelde aan dat er in deze omstandigheden iets speciaals en buitengewoons nodig was. Daarom ging hij verder met bidden. Waar bad Mozes eigenlijk om? In de eerste plaats bad hij om persoonlijke verzekering. Mozes was er niet tevreden mee dat hij wist dat God hem geaccepteerd had en voor hem zorgde. Hij wilde meer. “Opdat ik U mocht kennen”. Hij wil iets buitengewoons, iets ongebruikelijks. Zoals William Williams dichtte:

Zeg dat Gij de mijne zijt, o Heiland
Geef mij daarvan duidelijk blijk…

Waar hij om vraagt is niet alleen maar dat we mogen zien dat de Heilige Geest in de kerk is, maar dat dit zo duidelijk zal blijken, dat alle twijfel daaraan zal verdwijnen. Het is een duidelijke, een ongewone manifestatie van liefde, die elke leegte opvult. We zijn net kinderen, die in de zee aan het pootje baden zijn. Wat weten we eigenlijk af van die geweldige oceaan met zijn onpeilbare diepten?

Tussen deze vraag en het maar aannemen dat God wel met ons mee zal gaan, bestaat alle verschil van de wereld. Een gebed voor opwekking betekent het niet tevreden zijn om maar van week tot week, van maand tot maand en van jaar tot jaar verder te gaan. Het is als bij een vader die heeft laten merken dat er iets staat te gebeuren. Zijn kind is wat ongeduldig geworden en zegt: Vertel me nou eens wat u gaat doen. Ik hoef er maar een klein beetje van te zien. Het kind kan niet wachten en het kijkt verlangend uit. Is dat verkeerd? Natuurlijk niet. Dat is de kinderlijke geest.

Dit was Gods antwoord aan Mozes: Hij zei tot hem: Ik zal met u meegaan. “Zou Mijn aangezicht moeten meegaan om u gerust te stellen”. Ik zal uw angst wegnemen. Ik zal u laten weten wat Ik van plan ben, zodat u zich geen zorgen hoeft te maken. God beantwoordde zijn gebed.

Mozes bidt ook om kracht: “Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken”. Hij besefte de grootte van het probleem. Bepaalde voorgangers, die God in het verleden gebruikt heeft, durfden de preekstoel niet op te gaan, totdat zij ervan verzekerd waren, dat de Heilige Geest met hen meeging en hun prediking zou bekrachtigen.

Ook bad hij voor een speciale bekrachtiging voor de kerk en haar opdracht. “Want waarin zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op de aardbodem is”. Het gebed voor een opwekking is een gebed dat de kerk weer in die positie mag komen: het unieke en afgezonderde volk van God. Dat is ook onze grootste behoefte. Wat is er met ons aan de hand? Wat verdwenen is, is het unieke van de kerk. De kerk lijkt zoveel op allerlei andere instellingen en verenigingen. We hebben ons unieke karakter verloren. Wat we nodig hebben is een bovennatuurlijke manifestatie, die in één keer duidelijk laat zien, dat die niet van de mens, maar van God afkomstig is.

Vrijmoedige toegang tot het heiligdom
“…En zie aan, dat deze natie Uw volk is…” (Exodus 33:12-17).

Mozes heeft gebeden om een persoonlijke verzekering; hij heeft om kracht gevraagd, kracht voor zichzelf en voor het volk. Bovendien heeft hij gevraagd of God de kerk en haar boodschap op buitengewone wijze wilde bevestigen. Waarom zouden we om een opwekking bidden? Om de verheerlijking van Gods naam! Mozes maakte zich zorgen over de naam en over de reputatie en de heerlijkheid van God. Dat doet hij hier weer. “Deze natie”, zegt hij, “is Uw volk”. Onze eerste zorg moet Gods eer zijn. Moeten we niet constateren dat dit nauwelijks meer genoemd wordt?

In de tweede plaats – nooit in de eerste plaats – moet het gaan om de eer van de kerk zelf. De man maakt zich zorgen over de staat van de hele kerk. Er is geen hoop op een opwekking totdat wij allen onszelf eens gaan vergeten en ons werkelijk zorgen gaan maken over de kerk. We moeten weer eens gaan leren om aan de kerk te denken. Het derde punt waar Mozes zich zorgen over maakt, is de laster van de heidenen.

Er is iets fout met ons als we er niet naar verlangen dat God zal opstaan en iets gaan doen om de monden van al die arrogante lasteraars van nu tot zwijgen te brengen. Deze lasteraars, deze zogenaamde filosofen, deze goddeloze en arrogante mensen spreken nu hun gekunstelde woorden op de radio en televisie. Maar wij verlangen er ook naar dat zij overtuigd mogen worden en dat zij de waarheid zullen gaan zien.

Bij Mozes zien we moed en vertrouwen, heilige stoutmoedigheid in zijn gebed tot God. Hij redeneert en argumenteert in het gebed, hij gaat met God in discussie: “Mozes zei tot de HEERE: Zie…” Hier spreekt niet iemand die onder de wet is tot de Wetgever. Nee, hier is een kind dat tot zijn Vader spreekt.

De verhoring van het gebed
“Toen zei de HEERE tot Mozes: Ook deze zelve zaak die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen en Ik u bij name ken” (Exodus 33:17).

God ziet nu in gunst en genade op de kerk neer en geeft haar Zijn zegen. Uiteindelijk is een opwekking niets anders, dan dat God het volk verhoort en hen antwoordt door Zijn heerlijkheid, sterkte en macht te openbaren. Het is een vaststaand feit, dat iedere godsdienstige opwekking die de kerk ooit gekend heeft, in zekere zin een herhaling is van wat er op de Pinksterdag gebeurde. Het Pinksterfeest is boven alles een feest voor de kerk. Is er een grotere tragedie denkbaar dan een kerk die niet inziet dat dit haar enige hoop is?

Wat gebeurt er als God ons geroep en onze smeekbede hoort en Hij ons gaat zegenen? Het eerste wat dan gebeurt, is dat de kerk zich bewust wordt van de aanwezigheid van kracht in haar midden. Soms fysiek, zoals in Handelingen 2 het geluid van een geweldig gedreven wind. Als gevolg van dit alles ontvangt de kerk grote zekerheid betreffende de waarheid. De kerk wordt ook vervuld van vreugde en lofprijzing. Zo hoort de kerk te zijn. Zien we niet in dat de kerk van nu daaraan behoefte heeft? Mensen blijven buiten staan, omdat zij vinden dat christenen er zo naargeestig uitzien.

De kerk die deze grote opleving ervaart, maakt zich nu ook zorgen over de wereld. Daar bidt zij voor. Zij predikt tot de wereld. De kerk is met het lot van de wereld begaan. Als we een grote menigte mensen in onze kerken willen krijgen, moeten we bidden om een opwekking. Want op dat moment stromen de mensen de kerk binnen, daar hoeven we niets voor te doen.

“Wat moeten we doen?” Dat is bij iedere opwekking het geval. Altijd is er sprake van interruptie, bijna van wanorde. Hoorders verkeren in zielestrijd en lijden onder diepe overtuiging van zonde. Bij een opwekking is het niet alleen maar een kwestie van een beslissing nemen, het is een tot inkeer komen, een hervorming. Het hele zedelijke leven verandert. Mensen drinken niet meer. Cafés worden zelfs gesloten. Honderd jaar geleden gebeurde er zoiets in Noord-Ierland. Daar kwam een kroegbaas tot bekering. Hij ging ook maar eens naar de bijeenkomst, want hij had geen klant meer overgehouden. Daar, in die dienst, werd hijzelf bekeerd en hij werd een prediker van het Evangelie.

Gods heerlijkheid
“Toen zei hij: Toon mij nu Uw heerlijkheid. Doch Hij zei: Ik zal al Mijn goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan en zal de Naam des HEEREN uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn wie Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal. Hij zei verder: Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien en leven. De HEERE zei verder: Zie, er is een plaats bij Mij; daar zult gij u op de steenrots stellen. En het zal geschieden wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof der steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn. En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mijn achterste delen zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden” (Exodus 33:18-23).

Het is één van de meest buitengewone verslagen die we in de Heilige Schrift vinden. Mozes doet een verzoek: “Toon mij nu Uw heerlijkheid”. Mozes is nog steeds niet tevreden. Ondanks wat God allemaal beloofd heeft en ondanks wat hij allemaal ontvangen heeft. We kunnen spreken van een zeer gewaagd verzoek, dat altijd met een groot geloof gepaard gaat. Kennen wij iets van deze steeds verder gaande verzoeken? Als we eens terugkijken in ons leven, zien we dan iets van dat van stap tot stap verdergaan? Weten we iets van deze toenemende stoutmoedigheid voor het aangezicht van God, van deze toenemende zekerheid en dat verlangen naar steeds meer? Of zijn we zelfgenoegzaam en hebben we het gevoel dat alles al bereikt is. We zijn bekeerd en het enige dat we moeten doen is onze positie behouden?

Een verlangen naar God en het kennen van Gods heerlijkheid is het toppunt van het geloof. We bidden allemaal voor persoonlijke zegeningen, maar kennen we iets van dat verlangen naar God Zelf? We zien hier het verlangen van mensen die onder de oudtestamentische bedeling leefden. Mozes en de psalmist keken eenvoudig uit naar de beloften van het Evangelie, die nog in het verschiet lagen. Wij leven in een nieuwe bedeling, wij kunnen terugkijken.

Het gebed om een opwekking is uiteindelijk een gebed, dat gebaseerd is op dit verlangen naar het openbaar worden van Gods heerlijkheid. Velen zijn echter tevreden met de zaken zoals zij nu zijn. Zij zeggen: “Waarom al dat gepraat over opwekking en over gebed erom? Alles gaat toch goed. Het gaat toch goed met de kerk, althans met het rechtzinnige deel daarvan?” Als we zo praten laten we zien dat we weinig van God weten. Opdat ik Hem kenne, zegt Paulus. Als er iemand was die Christus kende, dan was het Paulus wel. Maar hij was er niet tevreden mee. Omdat hij er zo veel van had mogen smaken, wil hij meer.

In Gods antwoord zien we iets partieels: het verzoek wordt ingewilligd, maar slechts ten dele. Mozes beseft niet helemaal wat hij vraagt. Daarom corrigeert en onderwijst God hem. Toen de discipelen op de berg der verheerlijking waren, vielen zij in een diepe slaap. Waarom? Dat gebeurde ook om hen te beschermen, want de heerlijkheid is zo bovenaards, zo verblindend en onbevattelijk voor ons.

Hier zien we iets van een juiste beschrijving van een opwekking: wij zien iets van die voorbijgaande heerlijkheid Gods. Dat is het. Een glimp van Zijn heerlijkheid. Dit alles is een voorsmaak van de hemel. Jonathan Edwards zegt: “Het noemen van slechts een enkel woord doet mijn hart soms in mij branden. De zoetste vreugde en verrukkingen die ik mocht ervaren, kwamen niet voort uit de hoop voor mijn eigen behoud, maar uit het rechtstreeks zien van de heerlijke dingen van het Evangelie”. En ergens anders: “Naar gewoonte was ik een eind gaan wandelen om over God na te denken en om te bidden. Ik kreeg een buitengewone ervaring. Ik zag iets van de heerlijkheid van de Zoon van God als Middelaar tussen God en mens. (…) Het duurde, voor zover ik kan nagaan, een uur. Al die tijd zat ik daar in een vloed van tranen en ik weende luid. (…) Verscheidene keren heb ik zo’n ervaring gehad”.

Spurgeon zegt: “Heeft Hij u geloof gegeven, vraag om verzekering. Als u verzekering ontvangen hebt, vraag om volle verzekerdheid. Als u volle verzekerdheid hebt ontvangen, vraag om vreugde. Als u vreugde ontvangen hebt, vraag naar Zijn heerlijkheid. Ter bestemder tijd zal Hij het u zeker geven”.

Het uitroepen van Zijn naam
“…Ik zal al Mijn goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan en zal de Naam des HEEREN uitroepen voor uw aangezicht…” (Exodus 33:18-23).

We hebben opwekking omschreven als een voorbijgaan van Gods heerlijkheid, als een manifestatie van die heerlijkheid. Als antwoord op Mozes’ gebed gaf God hem een gevoelsmatige ervaring van de aanwezigheid van Gods heerlijkheid.

Gods goedheid heeft alles te maken met Zijn karakter, met Zijn Persoon, en met Zijn eigenschappen. Het is uitermate belangrijk om het karakter van God te kennen. Al onze problemen in ons christelijke leven hebben te maken met het feit dat wij Gods karakter niet kennen.

“Toon mij nu Uw heerlijkheid”. Het lijkt dat Mozes hier een beetje al te zeer geïnteresseerd was in het spectaculaire. Dat is natuurlijk zeer menselijk. Dit verlangen is ons aangeboren. Dit heeft te maken met onze val en de zonde in ons. We willen iets zichtbaars. God gaat dan heel teder met hem om: Ik zal u iets laten zien. Wat echter veel belangrijker is: Ik zal al Mijn goedheid aan u voorbij laten gaan. Ik wil u een dieper inzicht geven, begrip van Mijzelf geven, van Mijn karakter en u tonen wie Ik werkelijk ben. Daar gaat het uiteindelijk om.

Onze grootste behoefte is om God te leren kennen en dat wordt ons mogelijk gemaakt door Zijn goedheid. De grootste zegen die de kerk in tijden van opwekking ten deel valt, is de diepere kennis van God in Zijn goedheid jegens ons. Hoe maakt God Zijn goedheid ons bekend? Het antwoord luidt: Hij doet dat in het uitroepen van Zijn naam. In Exodus 34 beschrijft God Zich: “HEERE, HEERE God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid (…) Die de schuldige geenszins onschuldig houdt”.

De Heere heeft als doel ons te verlossen, én Hij houdt de schuldige geenszins onschuldig. Het droevige is, dat wij deze twee dingen in Gods karakter zijn gaan scheiden. De huidige toestand van de kerk is te wijten aan één belangrijke factor. Men begon te zeggen: “God is liefde”, en daar hield het mee op. Men zei in feite: “God houdt de schuldige onschuldig. God is immers liefde. Het komt er niet op aan wat je doet. Je moet Hem gaan vertellen dat je er spijt van hebt. Als je om vergeving vraagt, is alles in orde”. Dat is een leugen. De wetteloosheid, die wij in de wereld en in de kerk om ons heen zien, komen uit die gedachte voort. Hij is ook een heilig God. Als Hij vergeeft, vergeeft Hij op een rechtvaardige manier. Dat is Gods openbaring en bij iedere opwekking komt dat naar voren: die wonderbaarlijke combinatie van al Gods deugden. Die moeten we nooit scheiden.

Nog iets anders komt uit Exodus 33 naar voren: “Ik zal genadig zijn, wie Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontfermen zal”. Dit, Gods soevereiniteit, is een wezenlijk onderdeel van de openbaring. Dit is evenzeer een deel van Gods openbaring en we moeten dat niet weglaten. Het betekent, dat ons behoud uitsluitend en helemaal berust op Gods genade. Nog voor zij geboren waren, heeft God gezegd: “Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat”. Hoe kan dat nu?, vraagt iemand. “Maar toch, o mens! wie zijt gij, die tegen God antwoordt?” Is het onbegrijpelijk? Natuurlijk. Hebben we ooit gedacht, dat onze beperkte hersenen deze eeuwige God zouden kunnen begrijpen? Hij is de Pottenbakker en ik ben het leem. Waarom heeft Hij ooit naar mij omgezien? Ik ben wel de laatste om te weten waarom. Het verbijstert mij in toenemende mate. Maar door Gods genade ben ik die ik ben. Dat is Zijn openbaring.

Tijdens opwekkingen komt geen van Gods eigenschappen zo duidelijk aan het licht als juist Gods soevereiniteit. Het was een tragische vergissing van Finney dat je op ieder willekeurig tijdstip een opwekking kunt hebben, als je maar bepaalde dingen deed en aan bepaalde voorwaarden voldeed. Dat is een totale ontkenning van de soevereiniteit Gods. Het is Gods soevereiniteit die bepaalt waar, wanneer en hoe een opwekking zal plaatsvinden.

Gods heerlijkheid in Christus
“…Zie, er is een plaats bij Mij; daar zult gij u op de steenrots stellen. En het zal geschieden wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof der steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn. En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mijn achterste delen zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden” (Exodus 33:18-23).

Merkt u op hoe buitengewoon gedetailleerd we hier worden geïnformeerd. Er zijn twee hoofdkenmerken. Het eerste is dat er sprake is van een combinatie van openbaring en verberging. Het tweede principe is dat Hij op één en hetzelfde ogenblik zowel zegent als beschermt.

Mozes verhaalt hier louter historische feiten. Het is echte geschiedenis, maar het is ook meer dan dat. Het is ook een soort profetie. We moeten eens nagaan op welke wijze dit een volmaakte profetie was van de dingen die sinds die tijd gebeurd zijn: “Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis der heerlijkheid Gods, in het aangezicht van Jezus Christus” (2 Korinthe 4:6).

Wie is een christen? Sommigen zeggen dat een christen een goed mens is. Anderen zeggen, dat een christen iemand is, die een geweldige ervaring heeft gehad. Volgens weer anderen is een christen iemand die een beslissing genomen heeft. Anderen beweren weer dat een christen iemand is, die één of ander visioen heeft gehad. Wat maakt een mens een christen? Dat is het besef, dat God Zijn heerlijkheid geopenbaard heeft in Jezus Christus. Een christen is iemand die dat gelooft. Een christen is iemand die dat tot op zekere hoogte ervaren heeft. Dit is het wat iemand een christen maakt. Niet een verandering in levensstijl of een verandering in gedrag of gewoonten.

“Toon mij nu Uw heerlijkheid”, zegt Mozes. Maar God bepaalt en beslist hoe dat gaat gebeuren. De hele Bijbel leert ons dat we God alleen maar kunnen leren kennen op Zijn wijze.

Paulus zegt: “Hij kwam in de gedaante van het zondige vlees”. Dit is die verberging. Zijn verschijning is verhuld. Hij wordt als kind in Bethlehems stal geboren. Dat is de verberging van Zijn heerlijkheid. En tenslotte stierf Hij aan het kruis. Ook dit is een versluiering van de heerlijkheid.

We zagen in Exodus 33 ook bescherming. Wat gebeurde er aan het kruis van Golgotha? We werden daar beschermd tegen Gods heerlijkheid en de heiligheid, de rechtvaardigheid en het oordeel en de toorn van God over de zonde. We kunnen het samenvatten in de beroemde woorden van Augustus Toplady:

Rock of Ages, cleft for me
Let me hide myself in Thee
Let the water and the blood
From Thy riven side which flowed
Be of sin the double cure
Save me from its guilt and power

In deze geschiedenis over Mozes is er niet alleen sprake van bescherming en verberging Waar uiteindelijk alles om draait, is de openbaring, het is te voorschijn komen van Gods heerlijkheid. Dat zien we ook in het leven van de Heere Jezus.

Wat is een opwekking? Opwekking is een periode in de geschiedenis der kerk, waarin de heilsfeiten de grootste realiteit worden in het leven van Gods volk. Tijdens iedere opwekking zien we dan ook dat de liederen en gebeden van de kerk vol zijn van dankzegging en lofprijzing van de heerlijkheid des Heeren en speciaal van Zijn kruisdood. Waar wij nu behoefte aan hebben, zowel individueel als collectief, is de kennis van Gods heerlijkheid in het aangezicht van Jezus Christus.

Zwijg niet stil voor Hem
“O Jeruzalem, Ik heb wachters op uw muren besteld, die gedurig heel de dag en heel de nacht niet zullen zwijgen. O gij die des HEEREN doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij u wezen. En zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevestige en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde” (Jesaja 62:6-7).

Het lijkt wel of de kerk overvallen is door een geest van moedeloosheid, of zij ingeslapen is. Zij doet buitenstaanders vermoeden dat zij de wanhoop nabij is. We hebben grote behoefte aan wat Jesaja ons vertelt in hoofdstuk 62 van zijn geweldige profetie. Hij heeft iets mogen schouwen en daarom profeteert hij de komst van de vijand, het leger der Chaldeeën, tegen Jeruzalem. Niet alleen dat werd getoond, maar ook de komende wederopbouw. De Heere Jezus Zelf heeft diverse kerken uit dit gedeelte van de profeet Jesaja geciteerd, waarmee Hij duidelijk aantoont dat het betrekking heeft op de kerk en op de tijd dat het Evangelie in de wereld verkondigd zou worden.

Het heeft geen enkele zin om onze huidige situatie in ogenschouw te nemen en om na te gaan hoe Gods Geest in het verleden gewerkt heeft, als het niet leidt tot de beslissing van onze kant om te handelen en iets te gaan doen aan de situatie waarin we ons bevinden.

Sion en Jeruzalem waren voor de profeet niet zo maar een paar namen. Het waren namen die een geweldige betekenis voor hem hadden. Omdat de profeet de werkelijke betekenis van deze namen kent, is hij diep bezorgd. Dit is dus het uitgangspunt: “Om Sions wil…, om Jeruzalems wil…” Het eerste dat nodig is, is een diepe bezorgdheid met de staat van de kerk. De profeten denken aan haar vroegere heerlijkheid en aan al haar grootsheid in het verleden. Zij zien hoe het nu met haar gesteld is. Dit grijpt hen aan en hierover maken zij zich ernstig zorgen. Kennen wij ook die bezorgdheid? Beseffen wij wat de kerk eigenlijk is? Weten wij nog dat zij de stad Gods is? In ons land waren eens steden en dorpen die gevuld waren met biddende, lofzingende en verheugde mensen. Nu komt de grote meerderheid niet meer in een kerk. De kerk is een klein en zwak overblijfsel geworden.

Jesaja ziet hoe Sion eruitziet en verlangt ernaar dat daar verandering in komt. Dit gebeurde met iedere man die God ooit gebruikt heeft om de kerk weer in beweging te brengen en tot een opwekking te leiden, zoals Luther, Whitefield en de Wesley’s.

Als we de toestand van de kerk van vandaag vergelijken met wat zij geweest is, dan kunnen we alleen maar tot de conclusie komen dat God om allerlei redenen niet meer in gunst op ons neerziet. De kerk is verlaten, zij verkeert in een troosteloze situatie.

“Ik zal geen rust vinden, totdat de heidenen Uw gerechtigheid zullen zien en de koningen Uw heerlijkheid”. Raakt ons dat niet? Voelen we dat diepe, brandende verlangen niet in ons, dat deze heidenen, deze “koningen” de kerk zullen zien in haar heerlijkheid? Daar gaat het Jesaja om. Hij ziet uit naar de dag dat de heidenen en de koningen hen zullen noemen Gods volk, het heilige volk, de verlosten des Heeren, een verkoren en niet verlaten stad. Hij zegt: “Ik zal niet zwijgen totdat Sion weer een stad is die men zoeken zal, de stad Gods, verheven boven alle naties en alle steden der wereld”.

Wat besloot de profeet in het licht van dit alles te gaan doen? “Ik zal niet zwijgen en ik zal niet stil zijn”. De staat van Sion is zijn enige zorg geworden, de passie van zijn leven. Zo beginnen opwekkingen altijd. God heeft een last op iemands ziel gelegd. Natuurlijk dachten veel mensen, dat hij gek geworden was. “Waarom val je ons lastig?” zeiden ze. “Alles gaat toch goed?” Er zijn nogal wat mensen die niets van een opwekking willen weten. Het zijn de gerusten te Sion, die helemaal tevreden zijn met Sion en de wereld zoals zij eruitzien.

Wat is de taak van deze wachters? Zij zijn natuurlijk aangesteld om te waken. Dat was de gewoonte in die steden van vroeger. Deze mannen waakten over het leven en de veiligheid van de stad. Die wachters zijn vandaag nog net zo hard nodig als vroeger. Altijd staat er een vijand klaar om aan te vallen. Wie zijn dat? Het zijn de vijanden, die de waarheid en de leerstellingen aanvallen. En het leven van de kerk, haar heiligheid, haar levenswijze en gedrag.

De taak van de wachter bestaat echter niet alleen uit het uitkijken naar vijanden. Als de stad belegerd was, moest de wachter zijn ogen op de horizon richten om uit te kijken naar een ontzettingsleger. Wachters op de muren, uitkijkend naar het goede nieuws, wachtend op de vredeboodschappers, komend over de heuvelen, uitroepend een dag van heil. Een wachter zoals Habakuk, die na gebeden te hebben op zijn wachttoren gat staan en uitziet naar Gods antwoord. We moeten wachten, uitzien en waken, en als we maar iets bespeuren van de fluistering van Gods Geest, moeten we verlangend bidden dat Zijn werk voortgang zal vinden en zal toenemen.

“Gij, die des HEEREN doet gedenken”. Hier zien we duidelijk de oproep tot gebed. “U, die zich de HEERE herinnert, – u moet God aan Zijn eigen beloften herinneren”. Totdat… Bestorm God, bestorm de hemel totdat er antwoord komt. Mozes zei: ik wil nog meer. En God zei: goed. En Mozes zei: ik wil nog meer. Jesaja doet hier hetzelfde. We moeten niet alleen maar zo nu en dan bidden, maar aanhoudend en indringend bidden. In Lukas 18 zien we hetzelfde. De gelijkenis van de onrechtvaardige rechter. Maar het zou beter genoemd kunnen worden: de gelijkenis van de vasthoudende weduwe.

Die voorttrekt in Zijn grote kracht
“Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van een die in de wijnpers treedt? Ik heb de pers alleen getreden en er was niemand van de volken met Mij, en Ik heb hen getreden in Mijn toorn en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid, en hun kracht is gesprengd op Mijn klederen en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld. Want de dag der wrake was in Mijn hart, en het jaar van Mijn verlosten was gekomen. En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid, die heeft Mij ondersteund. En Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid, en Ik heb hun kracht ter aarde doen nederdalen” (Jesaja 63:1-6).

Dit is één van Gods meest karakteristieke handelingen ten aanzien van Zijn volk. God ziet op hen neer en Hij ziet hoe zwak zij zijn en hoe zwaar de taak is waarvoor zij zich geplaatst zien. Hij geeft hen een bemoediging. Hij doet iets, wat hen in staat stelt om verder te gaan met bidden en de wacht houden. Hij doet dat van tijd tot tijd. Dat is de vertroosting der Schriften. Dit is Gods weg: eerst zien we het probleem, dan horen we de oproep tot gebed. Als we daarmee beginnen, ontvangen we die bemoediging.

Plotseling ziet de profeet een visioen van iemand die van Edom kwam, van Bozra, de hoofdstad van Edom. Zijn klederen zijn met bloed bevlekt. Hij is kennelijk in een groot gevecht verwikkeld geweest. Duidelijk is dat Hij daar als overwinnaar uit te voorschijn is gekomen. Edom wordt in de Bijbel altijd gebruikt om de machten die tegenover God en Zijn volk staan, aan te duiden. Edom betekent oorspronkelijk Ezau. Edomieten zijn typologisch Gods vijanden. Ze vertegenwoordigen ook de machten die de Heere Jezus Christus tegenstonden.

Zoals we eerder gezien hebben, verkeren we in dezelfde omstandigheden, als die door de profeet Jesaja beschreven worden: we zijn verlaten en troosteloos. In voorbijgegane eeuwen heeft de kerk vaak naar dit bijbelgedeelte teruggegrepen, als zij moest vechten voor haar bestaan en met uitroeiing bedreigd werd. Hier bevinden we ons in een hopeloze positie. En dan plotseling roept iemand: “Wie is dat?” Midden in de duisternis en de wanhoop en de hopeloosheid verschijnt plotseling deze Persoon. Laten we ophouden om naar de wereld om ons heen te kijken en laten we op Hem zien. Onze enige uitweg is, op Hem te zien. En wat zien we dan?

“Voorttrekt” betekent letterlijk “in grote luister”. “Deze, Die versierd is in Zijn gewaad, vol luister in de grootheid van Zijn kracht”. Maar Wie is Hij? De Koning der heerlijkheid, de Zoon van God! Hij heeft de pers alleen getreden. Niets is troostrijker dan dit. Zijn toorn en grimmigheid is gericht tegen de Edomieten. Daar stond Hij, alleen, om die vreselijke macht te bevechten. De gerechtigheid en de heerlijkheid Gods zijn Zijn passie. Het kwaad zal niet overwinnen. Hij heeft hen omgebracht, Hij heeft hen vernietigd en Hij heeft hen vertrapt. Hij heeft de pers alleen getreden. Dit is het grote feit, waar het bij de christelijke redding om draait. “Wie is waardig het boek te openen en zijn zegels open te breken?” (Openbaring 5). Alleen Christus.

De hele kerkgeschiedenis door, alle eeuwen door, heeft Hij hetzelfde gedaan. De kerk leek te sterven en het leek wel of het was afgelopen met haar. Maar plotseling verschijnt Hij en Zijn vijanden worden verstrooid. Er komt een grote, geweldige dag. Zie op uw vijanden en zie verachtelijk op hen neer. Lach hen uit. Zelfs de duivel. Weersta hem in de naam van Christus en hij zal van u vlieden. Wat een voorrecht om onderdaan van zo’n Koning te zijn. Wat een vreugde, troost en bemoediging om te weten dat Zijn victorie zeker is en dat Zijn overwinning totaal zal zijn.

Dit is de bemoediging die aan de profeet gegeven werd. Gode zij dank, wordt die ook ons nog geboden. Hebben we Hem gezien? Hebben we ooit gevraagd of vragen we nu: “Wie is Deze?” Mijn Heere, mijn God, mijn Heiland, mijn Verlosser, mijn Alles.

Drukt het lot van de ongelovigen ons niet zwaar op ons hart? Verontrust het ons niet? Bidden we niet voor hen? Vragen we God niet om Zijn dienaren kracht te geven? Bidden we niet om een opwekking? Zij gaan naar de hel, zij zullen onder Zijn voeten vertreden worden. Wordt het geen tijd dat we de last voor hun ziel gaan voelen?

Waar is Hij?
“Ik zal de goedertierenheden des HEEREN vermelden, den veelvoudige lof des HEEREN, naar alles wat de HEERE ons heeft bewezen, en de grote goedheid aan het huis Israëls, die Hij hun bewezen heeft naar Zijn barmhartigheden en naar de veelheid van Zijn goedertierenheden” (Jesaja 63:7).

We kunnen hieruit leren hoe we moeten bidden. In de gebeden die we in de Bijbel vinden, zien we altijd een bepaald schema. Hij begint met zichzelf te herinneren aan Gods karakter. Ieder gebed moet beginnen met een besef van God en van Zijn karakter, anders kan het ontaarden in een psychologisch te verklaren opluchting. Gebed betekent een persoonlijke omgang met de levende God. Daarom is het uitermate belangrijk, dat we ons Gods heerlijke karakter herinneren. Wat ons ook moet opvallen, is dat de profeet alles in het meervoud noemt: goedertierenheden, veelvoudige lof, grote goedheid, barmhartigheden.

Nadat hij zich de aard van Gods karakter te binnen gebracht heeft, overziet hij de geschiedenis van de kinderen Israëls. Hij doet dat vrij uitgebreid, van vers 8 tot 14:

“Want Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen die niet liegen zullen. Alzo is Hij hun geworden tot een Heiland. In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel Zijns aangezichts heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op en Hij droeg hen al de dagen vanouds. Maar zij zijn wederspannig geworden en zij hebben Zijn Heilige Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden. Nochtans dacht Hij aan de dagen vanouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij Die hen uit de zee opgebracht heeft met de herders van Zijn kudde? Waar is Hij Die Zijn Heilige Geest in het midden van hen stelde? Die de arm van Zijn heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; Die de wateren voor hun aangezichten kliefde, opdat Hij Zich een eeuwige Naam maakte? Die hen leidde door de afgronden? Als een paard in de woestijn, struikelden zij niet. Gelijk een beest dat afgaat in de valleien, heeft de Geest des HEEREN hun rust gegeven. Alzo hebt Gij Uw volk geleid, opdat Gij U een heerlijke Naam zoudt maken”.

In zo’n situatie kijkt hij zonder uitzondering terug naar het verleden, alsof hij tegen zichzelf wil zeggen: “Hoe komt het dat wij ons in zo’n situatie bevinden?” De moeilijkheid is dat we zo in beslag genomen worden door onze eigentijdse problemen, dat we falen om lering te trekken uit de lessen die de geschiedenis ons biedt. Die lessen zijn echter in grote hoeveelheid aanwezig. Mensen in onze tijd zijn neerslachtig omdat zij dat vergeten. Onze huidige situatie is helemaal niet nieuw. De kerk heeft vele, vele malen een dieptepunt bereikt.

Gods kerk is geen menselijke instelling. De kerk is het volk van God. Het hele ontstaan van de kerk is een gevolg van Gods plan. In al hun benauwdheden was Hij benauwd. Hij nam hen op en droeg hen al de dagen van ouds. Als de kerk terugkijkt naar haar oorsprong, ziet zij precies hetzelfde. Maar wat gebeurde er? Zij zijn weerspannig geworden, en hebben Zijn Heilige Geest smarten aangedaan. Daarom is Hij hun in een vijand verkeerd. Ook dit is iets dat we herhaaldelijk, als een bijna eindeloos thema, in de geschriften van het Oude Testament tegenkomen.

Waarom is de kerk vandaag de dag zoals zij is? Als Israël terneerligt en door de vijand verslagen wordt, is dat nooit door de kracht en de macht van de tegenstander. Als Israël verslagen wordt, is dat altijd een gevolg van haar weerspannigheid. Helaas is dit ook de diagnose voor vandaag. Het zijn niet die nieuwe vijanden, die tegen de kerk zijn opgetrokken. Die zijn er altijd. Wat er gebeurd is, is dat de kerk in haar onuitsprekelijke dwaasheid tegen God in opstand is gekomen en dat zij de Heilige Geest bedroefd heeft. De enige juiste verklaring voor de staat van het christendom en de staat van de kerk van tegenwoordig is dat de kerk Gods openbaring heeft verworpen. Dat heeft de kerk gedaan, niet de gewone mens. De kerk en haar eigen leiders begonnen het Boek te bekritiseren. Van haar predikers en dienaars werd niet langer gevraagd of zij vervuld waren met de Heilige Geest en of zij een levende omgang met God kenden, maar of zij wel voldoende cultuur bezaten.

Mensen kregen het gevoel dat de oude bijbelse levenswandel te bekrompen was. Dat was het woord: bekrompenheid. Zij wilden een bredere kijk op het leven en een ruimere manier van leven. Natuurlijk drong de vijand binnen. Het was aandoenlijk om te zien hoe de kerk probeerde allerlei dingen van de wereld binnen te dragen. Natuurlijk werkte het niet. De kerk kan dat niet. Het zijn wereldse zaken, die de wereld veel beter doet. De kerk heeft slechts één krachtbron en dat is de kracht Gods.

Voordat Hij de kinderen Israëls in het beloofde land bracht, waarschuwde God hen. “Wanneer gij horen zult naar de geboden van de HEERE, uw God, dan zal Ik u zegenen. Zo gij niet zult horen (…) zo zal Ik u vervloeken”.

In het Nieuwe Testament bestaat een prachtige tegenhanger van Jesaja 63: de gelijkenis van de verloren zoon. Tussen de varkens kwam hij plotseling tot zichzelf en zei: “Wat doe ik hier eigenlijk? Ik ben de zoon van mijn vader”.

“Waar is Hij…?” Waar is de God van Mozes? Waar is de God van Elia? Dat was hun gebed. Zij keerden terug, beleden hun zonden en zij zagen God. Zij zeiden: “Hij is nog steeds dezelfde God. We weten dat Hij bestaat. Waarom is het dan zo met ons gesteld?” Zij gaan de Heere ernstig zoeken. Laten we, ziende op onze opstand tegen God, onze dwaasheid, onze dwaze trots en onze schaamte, vol nederigheid tot onze Vader gaan.

Gij zijt onze Vader
“Zie van de hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel van Uw ingewand en Uw barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in. Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet; Gij, o HEERE, zijt onze Vader, onze Verlosser vanouds af is Uw Naam. HEERE, waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen? Waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen van Uw erfdeel. Uw heilig volk heeft het maar een weinig tijds bezeten; onze wederpartijders hebben Uw heiligdom vertreden. Wij zijn geworden als die over welke Gij vanouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd” (Jesaja 63:15-19).

Wat ons het eerste opvalt is de urgentie en indringendheid. Van halfslachtigheid en vaagheid is in dit gebed geen sprake. Dit is de situatie van Gods volk, hun steden liggen in puin en hun heiligdom is ontwijd. Christenen moeten zich weer bewust worden wie en wat zij zijn, dat zij God moeten dienen. We hebben het allemaal nodig om ons voor Gods aangezicht te vernederen, opdat wij niet door een complete ramp overvallen worden. Alleen als we ons daarvan bewust zullen zijn, zullen we met de grootste aandrang gaan bidden, zoals de profeet deed.

De profeet zet niet eerst al zijn smeekbeden op een rijtje om vervolgens de redenen daarvoor te geven. Nee, daar is de man te diep voor geroerd. Dat zien we altijd als de kerk een tijd van opwekking beleeft. Als Gods Geest op de kerk neerdaalt, worden vormen vergeten, liturgieën worden aan de kant gezet. Als iemand echt in grote aanvechtingen verkeert, valt hij terug op zekere fundamentele waarheden, waarvan hij absoluut zeker is. De sleutel tot krachtig gebed is een diepe kennis en een diep inzicht in het leerstuk van de genade.

“Zie…aanschouw”. De nood is de afwezigheid van God. Het lijkt wel of Hij ons de rug heeft toegekeerd. Waar het echt om gaat, is of we verlangen naar Gods glimlach, of we weten dat God in gunst op ons neerziet en dat Zijn ogen op ons leven en bewegen gericht zijn. Weten we het verschil tussen God Die in gunst op ons neerziet en God Die niet in gunst op ons neerziet?

We moeten nooit met onszelf beginnen, maar we moeten altijd met God beginnen. Als we tot God bidden, moeten we ons realiseren wie God is en waar God is. “Zie neer van de hemel”. Dat weten we allemaal wel, maar we beseffen het niet. “Onze Vader, Die in de hemelen zijt”. Hij zit er niet middenin, maar Hij staat boven die maalstroom. Denken we ook aan Gods heiligheid? We naderen tot een heilige Vader. Als we dat inzien, zien we ook onze zonde en onze onwaardigheid in. Dan vergeten we onze rechten en onze vragen en we werpen ons in aanbidding voor Hem neer.

“Waar is Uw ijver nu?” Waar is Uw macht nu, die U ons eens liet zien? “Waar zijn Uw mogendheden jegens mij?” Dit is geweldig, Gods almachtige sterkte, bekwaamheid en macht. “Waar is het gerommel van Uw ingewanden en Uw barmhartigheden?” Vroeger dacht men dat de ingewanden de zetel van de emoties waren. Waarom? Omdat iemand zijn ingewanden voelt bewegen, als hij door sterke emoties wordt aangegrepen.

“HEERE, waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen? Waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen?” De profeet zegt juist dat God dit veroorzaakt heeft. Hij heeft hen doen dwalen en heeft hun hart verstokt. Dat staat ook in Jesaja 6: “Maak het hart van dit volk vet, en maak hun oren zwaar en sluit hun ogen; opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere en Hij het geneze”. Het is voor Gods volk vreselijk gevaarlijk om ongehoorzaam te zijn. Want soms straft God onze ongehoorzaamheid door ons te laten dwalen. We kunnen niet denken: ik kan zondigen tegen God, dan kan ik natuurlijk berouw tonen en tot God teruggaan en ik kan Hem vinden waar ik wil. Dat moeten we eens proberen. Er kan een verschrikkelijke verharding over ons komen!

De pleitgrond is: “U bent toch onze Vader”. Het probleem van de Joden was, dat zij altijd maar praatten over Abraham als hun vader. Johannes de Doper wist dat goed: “En meent niet bij uzelf te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken” (Matth. 3:9). De profeet zegt: “Want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet: Gij, o HEERE, zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw naam”. Jesaja bedoelt hiermee wellicht het volgende: als Abraham en Jakob zouden kunnen terugkeren en ons zouden kunnen zien, zouden zij ons niet herkennen en zeggen: dat volk is niet van mij, dat kunnen mijn nakomelingen niet zijn.

Och, dat Gij de hemelen scheurdet
“Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten” (Jesaja 64:1).

Bidden is niet makkelijk. “Heere, leer ons bidden”, zo vroegen de discipelen. “Och”. Er is geen woord dat het verlangen beter tot uitdrukking brengt dan dit woord. Het drukt een diep verlangen uit. Het is de roep van een mens die aan het eind van zijn krachten gekomen is en die nu wacht en uitziet en verlangt naar God. “Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent”.

“Och, dat Gij de hemelen scheurdet”. Dit is het uiteindelijke, echte gebed om een opwekking. Nergens wordt dit beter onder woorden gebracht dan in dat gedicht van Cowper:

O, scheur de hemel, Heere, en kom,
Maak duizenden Uw eigendom

Alles wat God doet is schitterend en wonderbaarlijk en gaat ons hoogste voorstellingsvermogen te boven. God daalt neer. Dat zien we ook in de dagboeken van George Whitefield. Hij zei: “God, de Heere, daalde neer”. Wat betekent dit? We kunnen het als volgt omschrijven. Het is een zich bewust zijn van de letterlijke aanwezigheid van God de Heilige Geest onder Zijn volk. God verschijnt blinkende. Ongetwijfeld heeft de profeet teruggedacht aan de wetgeving op de berg Sinaï. “Gelijk een smeltvuur brandt, en het vuur de wateren doet opbobbelen, om Uw naam aan Uw wederpartijders bekend te maken! Laat alzo de heidenen voor Uw aangezicht beven. Toen Gij vreselijke dingen deed, die wij niet verwachtten; Gij kwaamt neder, van Uw aangezicht vervloten de bergen” (Jesaja 64:2-3).

Veel van onze gebedsmoeilijkheden komen voort uit het feit dat we ons niet bewust zijn van de grootheid van Gods macht. Hebben we een juist begrip van Gods macht? Beseffen wij Zijn onbegrensde macht? “Daal neer”, zegt hij, “opdat Uw tegenpartijders Uw naam zullen kennen”. Merk op, dat hij hen Gods vijanden noemt. De eerste reden dus om God te bidden neer te komen is om Zijn tegenstanders Zijn naam bekend te maken en hen tot erkenning van die naam te brengen. Dat is het probleem van deze wereld, zij kent God niet.

“Toen Gij vreselijke dingen deed…” Hij zegt eigenlijk: ik vraag U niet het onmogelijke, ik vraag U alleen maar te doen wat U in het verleden ook gedaan heeft. Het beste medicijn tegen een terneergeslagen geest is het lezen van de kerkgeschiedenis. Lees de kerkgeschiedenis, vrienden!

“Toen Gij vreselijke dingen deed, die wij niet verwachtten”. Tenslotte heeft Hij Zich in Zijn Zoon geopenbaard. Geboren uit een vrouw: dingen waaraan wij niet gedacht hadden en die wij niet verwacht hadden. De opstanding, pinksteren. Laten we God daaraan herinneren, want Hij is nog steeds Dezelfde.

There are no limits to Jesus’ power.
He helps the needy in their dark hour!
For all who touch Him in faith and love,
Receive a blessing from Him above.

“Gij ontmoet de vrolijke en die gerechtigheid doet, degenen die Uwer gedenken op Uw wegen; zie, Gij waart verbolgen, omdat wij gezondigd hebben; in dezelve is de eeuwigheid, opdat wij behouden werden”. Want betekent in dezelve is de eeuwigheid? Met deze uitdrukking verwijst Jesaja naar Gods belofte om te ontmoeten “de vrolijke en die gerechtigheid doet”. Gods toorn is om zo te zeggen tijdelijk, maar Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. “Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid”.

Gepubliceerd in juli 2010