Vrede over Israël

n.a.v. L.A. Nieuwenhuijse, Vrede over Israël, Alblasserdam 2005

Franse Revolutie
‘Wie nooit vervolgd is, is geen Jood.’ De Franse Revolutie maakte pas een einde aan de eeuwenlange achterstelling van de Joden in Europa. Maar in de tweede helft van de 19e eeuw nam het antisemitisme opnieuw in hevigheid toe. Vele Joden dachten eraan dat de ‘trek naar Sion’ de enige oplossing was. De opkomst van het zionisme: Theodor Herzl.

Nog geen problemen
In de periode 1900-1948 vestigden zich steeds meer Joodse immigranten in Palestina. Palestina was in 1900 een uithoek in de Arabische wereld en telde nauwelijks mee. Het land was voornamelijk in handen van grootgrondbezitters, die elders woonden en hun landgoederen lieten bewerken door arme boeren. In het verleden waren er regelmatig Joden uit de diaspora naar Palestina teruggekeerd. Het ging altijd om kleine aantallen en dat gaf nooit problemen.

Immigratiegolven
In de periode 1882-1939 onderscheiden we diverse aliyoth, immigratiegolven.
– Van 1882 tot 1903: ongeveer 10.000 Europese Joden; velen vestigden zich als boer. Ze werkten vaak samen in mosjaviem: samenwerkingsverband van zelfstandige boeren.
– Van 1904 tot 1914: voor het grootste gedeelte uit Rusland, waar veel pogroms plaatsvonden. Tel Aviv werd gebouwd als eerste moderne stad. Beïnvloed door het socialisme kwamen er op veel plaatsen kibboetsiem: land, huizen, werktuigen gemeenschappelijk bezit, zo veel mogelijk wordt samen gedaan. In 1913 woonden er ongeveer 85.000 Joden in Palestina, tegenover 600.000 Arabieren.
– Van 1919 tot 1923: voornamelijk uit Oost-Europa en De Sovjet-Unie. Dezen waren vaak vol idealen. Lang niet iedereen hield het vol; deze emigreerden door naar de Verenigde Staten.
– Vanaf 1923: het aantal immigranten nam enorm toe. Dat kwam doordat de Verenigde Staten steeds minder Europeanen wilde opnemen. Veel Poolse Joden die anders naar Amerika zouden zijn gegaan, kwamen naar Palestina. Deze immigranten waren vooral stedelingen. Dat kwam goed uit voor een evenwichtige opbouw van het land.
– Van 1933 tot 1939: Veel rijke immigranten uit Duitsland en Oostenrijk, die vluchtten voor Hitler. Hun kapitaal gaf het land een nieuwe impuls. Deze golf bevatte ook intellectuelen. Er kwam industrie. Het aantal Joden in Palestina aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog was 400.000.

Verhouding met de Arabieren
Naarmate er meer Joden kwamen, gingen de Arabieren zich onbehaaglijker voelen. Er is veel gediscussieerd over de verhouding met de Arabieren:
– De meerderheid van de Zionisten onder leiding van David Ben Goerion dacht dat de haat van de Arabieren van tijdelijke aard was; ze zouden later wel gaan inzien dat de komst van de Joden goed voor de economie was. Het uiteindelijke doel was een Joodse staat, maar dit was nog verre toekomst.
Revisionisten: Ze’ev Jabotinsky was van mening dat de Arabische tegenstand wel voortkwam uit nationalisme. Economische voortuigang zou het nationalisme niet doen afnemen. De Arabieren zullen pas onder dwang de Joodse aanwezigheid accepteren. De Joden moeten daarom militair getraind worden.
Binationalisten: overleg, gebaseerd op wederzijds respect. Geen geweld gebruiken. Chaim Weizmann: de eerste president van Israël.

Mandaatgebieden na WO I
De Arabische gebieden van het Ottomaanse Rijk kwamen na de Eerste Wereldoorlog onder Engels of Frans toezicht. Men negeerde het zelfbeschikkingsrecht van deze volken zoals de Amerikaanse president Wilson wilde. Men wilde haar invloed graag vergroten in dit gebied. Syrië, Libanon, Irak en Palestina werden uitgeroepen tot mandaatgebieden. Engeland en Frankrijk zouden ze opvoeden tot zelfstandigheid. De Arabische nationalisten waren niet blij met deze gang van zaken. Engeland had namelijk in de Eerste Wereldoorlog beloofd dat deze gebieden zelfstandig mochten worden. De Arabieren voelden zich verraden door hun Engelse bondgenoot. Het mandaatgebied over Palestina is voor Engeland een lijdensweg geworden. Om zich in de oorlog van de Joodse steun te verzekeren hadden ze ook door middel van de Balfour-verklaring (1917) de Joden beloofd een ‘National Home’ in Palestina te geven (de Engelse minister Balfour was afkomstig uit puriteinse kring). De Engelse regering stond voor de onmogelijke taak het zowel de Arabieren als de Joden naar het zin te maken.

Engeland tussen twee vuren
Na 1918 werden de Arabieren erg wantrouwen tegenover de Joodse immigratie. Ze vormden echter geen eenheid. Nog steeds verkochten Arabieren grond aan de Joden voor vaak astronomische bedragen. Van 1936 tot 1939 brak er een volkwoede, een opstand plaats van de Arabieren. Moesten de Arabieren dan maar verplaatst worden naar Trans-Jordanië? Want dat was een gebied voor Arabieren bestemd. Er kwam een splitsing van Palestina: de Joden zouden een ministaat krijgen in de noordelijke kuststrook, het gebied rond Haifa en delen van Galilea. De Joden aanvaardden dit, de Arabieren niet. De Engelsen werden toegeeflijker naar de Arabieren, omdat ze die steun nodig hadden voor de Tweede Wereldoorlog. Er zouden zich nog maar maximaal 75.000 Joden mogen vestigen in Palestina. De Joden voelden zich nu verraden. Maar in de oorlog konden de Joden ook niet anders dan Engeland steunen, tegen de holocaust die onder het Derde Rijk plaatsvond. De Joden organiseerden illegale immigratie om de Engelse restrictie te omzeilen. De Arabieren kozen echter openlijk partij voor Hitler!

Pro-Joodse opinie na WO II
Na het Joodse lijden in de Tweede Wereldoorlog kwam er een pro-Joodse opinie in de wereld. Bovendien was Engeland geen wereldleider meer, maar waren dat nu de Amerika en De Sovjet-Unie. De Verenigde Naties bedachten een plan, de Joden bewilligden, maar de Arabieren werkten niet mee: zij hanteerden de ‘alles-of-niets’-strategie. Er zouden twee staten komen in Palestina; het land zou dus verdeeld worden. Engeland stemde blanco op dit plan. De Joden moesten nu accepteren dat hun land niet groot zou zijn.

EERSTE OORLOG: Onafhankelijkheidsoorlog (1948-1949)
Op 14 mei 1948 werd de staat Israël uitgeroepen door David Ben Goerion. De Palestijnen hadden niets ondernomen om een eigen staat in het leven te roepen. Dit was niet het einde van de onrust, maar het begin. Een dag daarna, op 15 mei, vielen Egypte, Jordanië, Irak, Libanon en Syrië Israël binnen. De Onafhankelijkheidsoorlog (1948-1949) maakte duidelijk dat de Arabische Liga was mislukt; het Israëlische leger was de hele oorlog groter dan de Arabische troepenmacht. Israël importeerde massaal wapens uit Tsjecho-Slowakije. Egypte ging het eerst door de knieën in sloot in februari 1949 een wapenstilstand. Libanon, Jordanië en Syrië volgden de maanden daarop. Irak trok zijn leger terug maar weigerde een wapenstilstand te sluiten. (In Irak kwam op zionisme de doodstraf te staan.) De Arabische mislukking kwam door de slechte voorbereiding.

Vluchtelingenstroom
De oorlog bracht een nieuw vluchtelingenstroom op gang. De meeste Palestijnen vluchtten uit vrees voor het oorlogsgeweld en ook uit angst voor Joods terreur. De in totaal 700.000 Palestijnse vluchtelingen werden ondergebracht in kampen in de Gazastrook, op de Westelijke Jordaanoever of in Jordanië, Syrië en Libanon. Slechts enkele tienduizenden vluchtelingen konden na de oorlog in het kader van familiehereniging naar Israël terug. Het overgrote deel van de vluchtelingen mocht Israël niet meer. (Ook moesten tussen 1948-1956 ongeveer 850.000 Joden gedwongen uit Arabische landen vertrekken, hoewel sommige Joden daar al meer dan 3.000 jaar woonden!)

Arabieren helpen Palestijnen nauwelijks, Israël wel
De Arabische landen waarnaar de vluchtelingen toegingen deden niet zoveel voor hun (‘Een schandaal zoals men onze arme Palestijnse broeders in de steek laat’). Eigenlijk was het voor de Israëlische regering een opluchting dat zoveel Palestijnen nu vertrokken waren. (Overigens bestaat er een speciaal Israëlisch register met verlaten Arabische goederen, dat in de toekomst voor een compensatieregeling kan worden gebruikt!) Palestijnen in Israël kregen actief en passief kiesrecht. Ze stonden wel onder militair toezicht omwille van de veiligheid. Ze hadden een beperkte bewegingsvrijheid. Ook werden ze ongelijk behandeld op het punt van elektriciteit, waterleiding, riolering, telefoon. Wel profiteerden de Palestijnen van de welvaart in Israël.

TWEEDE OORLOG: De Suezcrisis (1956)
Vanaf 1951 kreeg Israël te maken met terreur vanuit de Gazastrook en Jordanië. De Israeli’s reageerden met harde vergeldingsacties in Egypte en Jordanië. De Israeli’s bekritiseerden terecht de VN, die wel de Israëlische represailles veroordeelden, maar zwegen over de Palestijnse terreur. President Nasser van Egypte bouwde met Russische wapens een sterk leger op; men bereidde een aanval op Israël voor. In een snelle verrassingsaanval werd het Egyptische leger in de Gaza-strook overrompeld en de Sinaï-woestijn ingedreven (29 oktober 1956). Binnen 100 uur veroverden ze de Sinaï en stonden voor het Suezkanaal en schakelden de Egyptische luchtmacht uit. Zware druk van Amerika en De Sovjet-Unie voorkwam een verdere Israëlische opmars. Enkele dagen hierna landden Engelse en Franse parachutisten in Noord-Egypte om het Suezkanaal weer in handen te krijgen. Deze actie verliep niet erg succesvol en riep internationaal veel weerstand op. Voorlopig hoefden de Israëli’s niet meer bang te zijn voor een Arabische aanval; ook de terreur hield voor even op. Men trok zich geleidelijk aan terug uit de Sinaï; hier kwamen VN-soldaten. De Egyptische president wilde één grote Arabisch rijk vormen om Israël te verslaan. Dat was zijn ideaal.

DERDE OORLOG: De Junioorlog of Zesdaagse oorlog (1967)
Vanaf 1964 nam de spanning opnieuw toe. Een Arabische topconferentie besloot Israël economisch te treffen. Men wilde bijvoorbeeld grote hoeveelheden Jordaanwater aftappen. Toen dat geprobeerd werd, heeft Israël met artillerievuur dat in de kiem gesmoord. Een nieuw opgerichte Palestijnse terreurgroep, El Fatah, onder leiding van Jasser Arafat kwam in deze tijd ook op. In 1966 sloten Egypte en Syrië een verbond tegen Israël. De Egyptische president eise terugtrekking van de VN-troepen uit de Sinaï en Egypte trok op naar de grens met Israël. Israël werd in het nauw gedreven en concludeerde dat oorlog onvermijdelijk was. Vanwege het militair overwicht van de Arabische legers besloot het Israëlitisch opperbevel, onder leiding van generaal Jitschak Rabin, het strategische recept van 1956 te herhalen: een verrassingsaanval. Het was opnieuw een groot succes. De luchtmacht en tanks werden snel uitgeschakeld. Toen Jordanië het Westelijk stadsdeel van Jeruzalem begon te beschieten, viel Israël de Oude Stad van Jeruzalem binnen en veroverde dit op de Jordaniërs. De minister van Defensie beloofde de soldaten bij de tempelmuur dit deel van Jeruzalem nooit meer prijs te geven.

Resultaat
De strijd duurde slechts 5 dagen (5-10 juni). Niet alleen de Sinaï, maar ook de Gaza-strook, de Golanhoogte en de Westoever van de Jordaan kwamen onder Israëlisch gezag. Israël besloot uit veiligheidsoverwegingen deze ‘bezette gebieden’ slechts in ruil voor vrede terug te geven. Jeruzalem werd echter uitgeroepen tot de ‘eeuwige’ hoofdstad van Israël. Voor het eerst na de tweede tempelperiode kwam Jeruzalem weer onder Joodse soevereiniteit te staan. ‘Dit is de eerste oorlog in de geschiedenis waar de overwinnaars na afloop smeekten om vrede en de overwonnenen een onvoorwaardelijke overgave eisten.’ Erkenning van de staat Israël in ruil voor teruggave van de veroverde gebieden moest toch mogelijk zijn. De Arabische staten stelden zich echter hard en onverzoenlijk op. President Nasser van Egypte moest echter wel een toontje lager gaan zingen: hij had weer gefaald. Er kwamen de drie nee’s: no peace, no negotiations, no recognition (geen vrede, geen onderhandelingen, geen erkenning).

De foto’s hierboven: het Yad Vashem-museum in Jeruzalem

Joodse nederzettingen
Met de verovering van de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever had Israël in één klap de zeggenschap gekregen over meer dan een miljoen Palestijnen. De Palestijnen profiteerden weer van de Israëlische welvaart. Om economische redenen kwam er behoefte om ook in deze bezette gebieden Joodse nederzettingen te stichten. Aanhangers van de Groot-Israël gedachte benadrukten dat Israël ook op deze gebieden recht heeft.

PLO
Door het falen van de Arabische wereld kwam onder de Palestijnen het besef zelf voor de ‘bevrijding van Palestina’ te zorgen: In 1964 werd de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) opgericht. Vanaf 1968 trad hier radicalisatie op door de deelname van El Fatah. Jordanië werd de thuisbasis voor de PLO. Toen de PLO in 1970 een staat-in-de-staat dreigde te worden, schakelde koning Hoessein het Jordaanse leger in om de Palestijnse guerrilla’s en milities het land uit te zetten. Arafat, inmiddels voorzitter van de PLO, verplaatste het hoofdkwartier naar Libanon.

VIERDE OORLOG: De Oktoberoorlog (=Jom Kippoeroorlog, 1973)
President Sadat (boven samen met Begin en Carter) was opvolger van de in 1970 overleden Nasser. Egypte wilde de Sinaï weer in Egyptische handen krijgen, en dat kon alleen door oorlog. Op 6 oktober 1973 (op de Grote Verzoendag, de heiligste dag van het Joodse jaar, waarop de Joden niet mogen eten, geen werk verrichten, geen radio luisteren of televisie kijken en al helemaal niet vechten!) vielen de legers van Egypte en Syrië Israël aan. Israël zag dit als een hernieuwde poging de staat Israël te vernietigen. Aanvankelijk leed Israël grote verliezen. Amerika verschafte toen Israël op grote schaal oorlogsmaterieel. Nog nooit had Amerika sinds het bestaan van de Joodse staat zo duidelijk partij gekozen. Nederland leverde reserveonderdelen voor tanks. Israël wist na enkele dagen alles terug te drijven en zelfs terreinwinst te boeken.

Amerika tegenover de Sovjet-Unie
Toen de Sovjet-Unie aankondigde Egypte te hulp te komen, dreigde er een botsing tussen de twee wereldmachten. Amerikaans minister van buitenlandse zaken Kissinger slaagde erin een escalatie te voorkomen door Israël onder druk te zetten om een staakt-het-vuren te accepteren. Israël kwam verzwakt uit de oorlog. Daar kwam nog bij dat de olieproducerende landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika een olieboycot toepasten op landen die pro-Israël waren. Zo kwam Israël in een politiek isolement. In 1975 nam de VN zelfs een resolutie aan, waarin het zionisme werd veroordeeld als een vorm van racisme! Deze resolutie is in 1991 formeel weer ingetrokken.

Egypte wil vrede
Sadat begreep dat verdere militaire inspanningen Egypte zouden ruïneren en nam het initiatief tot vredesonderhandelingen met Israël. Zelfs reisde hij in 1977 af naar Jeruzalem om in de Knesset zijn vredesvoorstellen toe te lichten! Egypte erkende Israël als staat en Israël beloofde gefraseerde terugtrekking uit de Sinaï. Sadat en de Israëlische premier Begin werden hiervoor beloond met de Nobelprijs voor de vrede. De Arabische wereld was verontwaardigd; Egypte werd uit de Arabische Liga gezet. Sadat werd in 1981 vermoord door fundamentalistische moslims.


De Israëlische premier Golda Meir en de Amerikaanse president Richard Nixon

Libanon
In Israël was in 1977 voor het eerst een niet-socialistische regering aangetreden. De rechtse Likoed kabinetten onder leiding van Begin stimuleerden de opbouw van Joodse nederzettingen in de bezette gebieden, vooral op de Westelijke Jordaanoever. Op die manier zouden die gebieden een onlosmakelijk deel van Israël gaan vormen. Vanuit Libanon verhevigde de PLO de terreuracties; reeds in 1978 hield het Israëlische leger een schoonmaakactie in Libanon om de Palestijnse bases te vernietigen. In 1982 besloot de regering de PLO in Libanon uit te schakelen. Drie jaar lang hield Israël een deel van Zuid-Libanon als veiligheidszone beet. Veel kritiek kwam hierop. Libanese christenen werden door de PLO vernederd, hun vrouwen geschonden en hun kinderen getraumatiseerd. Hun leider werd gedood door een bomaanslag. Milities richtten ware slachtpartijen aan in kampen. Dit gebeurde uiteindelijk onder verantwoordelijkheid van het Israëlische leger.

Intifada 1987
Vanaf eind 1987 brak de Intifada uit (=Palestijnse opstand in de bezette gebieden). De vaak nog jonge opstandelingen blokkeerden wegen, gooiden stenen naar soldaten, staken akkers in brand en gingen niet meer naar hun werk. Israël verloor door de Intifada in de wereld veel sympathie. Eenzijdige journalistiek beeldde het Israëlische leger af als harde onderdrukker en de Palestijnse jongeren als slachtoffers.

De Golfoorlog (1990-1991)
De Irakese leider Saddam Houssein vuurde Scudraketten op Tel Aviv en anderen Israëlische doelen af in de hoop dat Israël zou terugslaan. Door de Israëlische terughoudendheid mislukte dit plan. Saddam Houssein probeerde de Arabische staten achter zich te krijgen. Dat de Palestijnen partij kozen voor Saddam Houssein, werd kwalijk genomen door zowel Israël als de Arabische landen. Het heeft nadelige economische gevolgen gehad: zo’n 300.000 Palestijnse Arabieren werden uit de Golfstaten gezet. Dit leidde tot hoge werkloosheid en grote armoede op de Westoever en in de Gazastrook.


Clinton probeert Rabin en Arafat tot elkaar te brengen

Het Oslo-I akkoord (1993)
In 1989 was de Sovjet-Unie ingestort en had de PLO een bondgenoot verloren. Toen de PLO financieel aan de grond zat en haar aanhang onder de Palestijnen verminderde door de opkomst van het moslimfundamentalisme, speelde Arafat zijn laatste troef uit: erkenning van Israël! Arafat ondertekende in 1993 het Oslo-I akkoord. Rabin en Arafat ontvingen de Nobelprijs voor de vrede. In 1994 is met Jordanië een officiële vrede gesloten. Marokko en Tunesië knoopten weer diplomatieke banden aan en de Golfstaten hielden niet zich niet langer aan de Arabische boycot van Israëlische producten. Kortom: de relatie tussen Israël en diverse Arabische landen verbeterde.

Terroristische organisaties
In Israël echter was veel weerstand tegen het Oslo-akkoord. In orthodoxe kringen wilde men de bijbelse kerngebieden Judea en Samaria niet opgeven en de kolonisten voelden er niets voor de Westelijke Jordaanoever te verlaten. Zouden de Palestijnen op de langere termijn wel genoegen nemen met slechts een deel van Palestina? Ook veel Palestijnen konden zich niet in het Oslo-akkoord vinden. Organisaties van fundamentalistische moslims, zoals de Hamas, de Islamitische Jihad en de seculiere Brigade van de Al Agsa Martelaren voerden zelfmoordaanslagen en andere terroristische activiteiten uit. Hierop kwamen – soms harde – vergeldingsacties.

Het Oslo-II akkoord (1995)
In 1995 werd het Oslo-II akkoord gesloten weer tussen Rabin en Arafat. Anderhalf maand later werd Rabin vermoord door een rechts-extreme Israëli (4 november). De regering Netanyahu (1996-1999) stond zeer geresereerd tegenover de voortgang van het vredesproces en legde sterk de nadruk op de behoefte aan veiligheid. Het lukt Arafat niet om een vertrouwenwekkend bestuur op te bouwen. Integendeel, zijn regime kenmerkte zich door dictatuur, corruptie en verdeel-en-heers-politiek. Arafat hield zich niet aan de afspraken. Hij kon en wilde de Palestijnse terreur niet beteugelen, ja hij heeft het zelfs gefinancierd! Hij stond toe dat in de media de bevolking stelselmatig tegen Israël werd opgehitst.


Rumsfeld en Peres

Bezette gebieden gesloten, kolonisatie gaat door
Door de zelfmoordacties van Palestijnen sloot Israël de bezette gebieden zodat velen niet meer naar hun werk konden. Het werkloosheidspercentage bedroeg nu 50 procent. Ook de aanleg van snelwegen in de Palestijnse gebieden ging gewoon door. Van 1993-2003 hebben zich meer Joodse kolonisten in de Westoever gevestigd dan in de 25 jaar vóór het Oslo-akkoord.

Arafat weigert
Ehud Barak, die in 1999 premier werd, probeerde op een topontmoeting met Arafat in Camp David (juli 2000) met een vergaand voorstel het vastgelopen vredesproces uit de slop te halen: er zou een Palestijnse staat mogen komen die 95 procent van de Westoever (Israëlische nederzettingen zouden de Westoever in nagenoeg drie losse stukken splitsen en de Palestijnse hoofdstad van de andere gebieden scheiden) en de hele Gazastrook zou bevatten, Oost-Jeruzalem als hoofdstad, de Tempelberg onder Palestijns toezicht en financiële compensatie voor Palestijnse vluchtelingen. Arafat wees de voorstellen af! Arafat liet een unieke kans liggen.

Tweede Intifada (2000)
Zo brak in oktober 2000 een tweede Intifada uit. De aanleiding was een demonstratief bezoek van Likoedleider Sharon aan de Tempelberg, waar zich onder andere de Al-Aqsa moskee bevindt. Opnieuw werd Israël getroffen door een golf van terreur. De meeste Israëli’s geloofden niet meer in onderhandelingen voor vrede. Sharon haalde in 2001 een historische overwinning. Hij was het die het ‘veiligheidshek’ voorstelde.


Een jonge Ariël Sharon, links

Gepubliceerd in augustus 2006