Vrijheid in het verschiet

n.a.v. Hans Krabbendam, Vrijheid in het verschiet. Nederlandse emigratie naar Amerika 1840-1940, Hilversum 2006

Inleiding
Sloop van de oude kerkgebouwen
Anderhalve eeuw nadat de eerste Nederlanders zich in het Midden-Westen vestigden, vallen de gedenkplaten stuk voor stuk onder de slopershamer. De eisen die een hedendaags Amerikaans gemeenteleven aan een gebouw stelt, maken het bezit van de historische godshuizen eerder een last dan een lust. Tegelijkertijd rukt de bebouwing in West-Michigan op. Veel Latijns-Amerikanen komen er om werk te zoeken. De verwachting is dat binnen 20 jaar de landelijke streek met zelfstandige dorpen veranderd zal zijn in een conglomeratie van onderling inwisselbare buitenwijken.

Amerika immigratieland
Nog altijd raakt het debat over immigratie de kern van de Amerikaanse natie, net zoals dat in Nederland en de rest van Europa gebeurt. Waren het in de 18e eeuw vooral Engelsen, in de eerste helft van de 19e eeuw werden ze gevolgd door Europeanen uit het noorden en westen, en aan het eind van de eeuw door die uit het zuiden en oosten. Na de Tweede Wereldoorlog verschoof het zwaartepunt naar Aziatische vluchtelingen en werd de Latijns-Amerikaanse immigratie het meest omvangrijk. Maar relatief gezien waren er nooit zoveel nieuwkomers als in de jaren 1890 toen bijna 15 procent van de burgers in het buitenland was geboren.

De trots van de afgescheidenen
Tussen 1846 en 1914 maakten ruim 200.000 landgenoten de oversteek, later gevolgd door een naoorlogse golf tussen 1948 en 1960, toen ongeveer 100.000 Nederlanders de oceaan overstaken. Toen in 1934 het eeuwfeest van de Afscheiding werd gehouden, was men trots. Een nazaat van de afgescheidenen was minister-president (Hendrikus Colijn) en een kleinzoon van een afgescheiden emigrant was Amerikaans gezant voor Nederland (Gerrit Jan Diekema).

Romans van Risseeuw
Piet Risseeuw vond de geschiedenis van de Nederlandse emigranten zo interessant dat hij er een roman over heeft geschreven: het is een trilogie geworden, getiteld Landverhuizers. Drie delen verschenen er: Vrijheid en brood, De huilende wildernis en Ik worstel en ontkom. Dit allemaal eind jaren 40, begin jaren 50 van de 20e eeuw. Deze boeken hebben het beeld van de emigratie gevormd voor de naoorlogse generatie. In 1948 overwoog maar liefst een derde van de Nederlandse huishoudens om te emigreren. Zeeland heeft een bovenproportioneel aandeel in de emigratie naar Amerika gehad. De Nederlands-Amerikaanse groepscultuur bereikte in de eerste helft van de 20e eeuw zijn hoogtepunt.

Nederlanders hadden een goede naam
De Nederlandse emigranten kregen hetzelfde welkom in Amerika als veel Engelse immigranten. Als groep werden ze niet gediscrimineerd, zoals veel andere immigranten die uit exotischer streken naar Amerika kwamen. Drie uitspraken bevestigen dit: ‘A very interesting and valuable foreign population.’ ‘In social customs the Dutch show greater affinity to the English than to the Germans. They have been called the Englismen of the mainland. Like the English, the Dutch have been great colonizers.’ ‘They are a good breed (=veehouden); we can use them.’ De ‘Dutch-Americans’ hoefden dus geen weerstanden te overwinnen en hadden een gunstige uitgangspositie voor integratie. De afgescheidenen waren een verachte minderheid in Nederland en werden een toonaangevende groep in Amerika.

Midden-Westen
Dat men vooral in het Midden-Westen terechtkwam is geen toeval. De staten Michigan, Illinois, Iowa, Wisconsin, Minnesota en Noord- en Zuid-Dakota hadden veel ruimte voor groepsnederzettingen en landbouwbedrijven en boden vrijheid om zichzelf te blijven. Dat in deze geschiedenis protestantse immigranten prominent aanwezig zijn, is een gevolg van het feit dat zij, meer dan andere immigranten, voldeden aan de voorwaarden om als groep te overleven: een sterke identiteit, gedeelde ervaringen, geografische concentratie, interne en externe communicatiekanalen, een onderlinge discussie over de eigen identiteit en de drang om de identiteit aan volgende generaties door te geven.

Ontstaan van een emigratietraditie
Publieke discussie
‘Haast u toch om met Loth uit Sodom te gaan naar Amerika, dat ik als een Zoar ter behoudenis beschouw voor Zijn volk.’ Brieven van de emigranten uit Amerika hadden vaak zo’n emotionele toonzetting. In Nederland brak een publieke discussie los over de landverhuizing. De vrees voor een uittocht van burgers deed de overheid besluiten de landverhuizing nauwlettend in kaart te brengen. Er waren heel veel mensen met dezelfde situatie als degenen die wel emigreerden, maar die de stap toch niet maakten.

Verschillende meningen
Welgestelden die eens in Amerika een kijkje maakten, keerden met gemengde gevoelens naar de Nederlanden terug. Toen de verbinding met Amerika goedkoper werd en betaalbaar voor een grotere groep mensen, bleek het dat zíj een veel positievere blik hadden op het land. De ‘Mythe van het Westen’ voedde het vermoeden dat het bestaan in de Nieuwe Wereld beter zou zijn. Het 19e-eeuwse Europa leverde voldoende redenen om vrijheid te verlangen.

Uit Nederland relatief weinig emigranten
De term ‘landverhuizing’ komt van de meer dan 100.000 Duitse emigranten uit het Rijnland die tussen 1720 en 1770 via de grote rivieren en de haven van Rotterdam de overtocht naar Amerika maakten. De omvang van de Nederlandse emigratie haalde nooit het niveau van de andere West-Europese landen. Nederland zat op een gemiddelde van 3000 per jaar. Tussen 1846 en 1850 vertrokken slechts 12.000 Nederlanders, tegenover 450.000 Duitsers en 950.000 Ieren! Ook was er in deze jaren sprake van emigratie naar andere Europese landen, zoals Duitsland. Dit was vanwege (tijdelijk) werk in de grensgebieden. De emigratie uit Nederland betekende een trendbreuk. Nederland was zelf eeuwenlang een immigratieland geweest. De emigratie was dus een soort sociaal protest, vandaar dat de overheid deze beweging in de gaten ging houden. Amerika was absoluut koploper als immigratieland: 9 op de 10 Nederlandse emigranten gingen daar heen. Het land had een reputatie die tot ieders verbeelding sprak.

Waarom ging men weg uit Nederland?
– Kans op verbetering in verband met de deprimerende omstandigheden in Nederland. De economische stagnatie, misoogsten en de hoge staatsschuld. Het aantal behoeftigen was 0,5 miljoen op 3 miljoen mensen, 15 procent dus. Hoge belastingen.
– Strenge winters, waardoor de weerstand van de arbeiders afnam, wat extra vatbaarheid voor ziektes tot gevolg had.
– Politieke verlamming.
– Kortom: de opeenstapeling van economische stagnatie, sociale achteruitgang, kerkelijke onenigheid, toegenomen criminaliteit en het onvermogen van de politiek om de problemen van de bevolkingsgroei op te lossen stemden velen somber over de toekomst van Nederland.

Andere feiten over de emigratie
– In Zeeland had slechts 1/3 deel van de plattelandsbevolking voor het hele jaar vast werk. De bevolking werd zo onrustig dat stadsbesturen de nachtwacht extra lieten toezien op diefstal.
– Het waren niet de gegoede boeren en burgers, maar ook niet de allerarmsten die vertrokken. Men had geld nodig om de reis te bekostigen en de eerste periode te overbruggen. De kern van de emigratiestroom bestond uit landverhuizers met enig vermogen.
– Uit de drie kleiprovincies Zeeland, Groningen en Friesland was de uittocht het grootst.
– Isäac da Costa heeft in zijn dichtbundel Wachter! Wat is er van den nacht? emigratie naar Amerika aangemoedigd.
– Afgescheidenen beleefden het contrast tussen oude en nieuwe wereld intenser dan de meeste andere protestanten.
– De ervaring van een levensbedreigende ziekte maakte Van Raalte los van zijn omgeving, zodat de weg vrij was voor emigratie.
– Van Raalte vond dat gezonde mensen niet van de bedeling mochten leven; wanneer ze konden werken, moest dat ook gebeuren. Als dat niet in Nederland kon, dan maar ergens anders.
– Scholte was internationaal georiënteerd: hij rapporteerde in zijn tijdschrift De Reformatie religieuze voorvallen overal ter wereld, verbreedde de horizon van zijn lezers en maakte de stap naar een land niet alleen makkelijker, maar ook aantrekkelijker. Scholte vond de Amerikaanse verhouding tussen kerk en staat aantrekkelijk.
– De afgescheiden leiders vestigden zich bewust in staten zonder slavernij om dat probleem te ontlopen.

Twee misverstanden
Twee wijdverbreide misverstanden: dat ze wegvluchtten voor vervolgingen (die waren al opgehouden). Dat ze uiterst conservatief waren (maatschappelijke acceptatie van de afgescheidenen in Nederland liet nog minstens een halve eeuw op zich wachten, in Amerika echter was men bereid zich in Amerika aan te passen. Het meest behoudzuchtige deel bleef juist áchter in Nederland. Simon van Velzen zag met een zekere opluchting de dwarsliggers Van Raalte en Scholte vertrekken).

Overige
– Bij de rooms-katholieken uit Nederland gingen geestelijken met een missie voorop, later gevolgd door groepen leken die zich bij hen vestigden.
– Nederland had in de 19e eeuw nog grote delen onontgonnen land: heidevelden, zandduinen en moerassen. Bovendien kwamen er nieuwe polders als de Haarlemmermeer.
– De informatievoorziening was een onmisbare schakel in de emigratiecultuur. Niet iedereen was positief: ‘Och! Waarom toch pleegt ge uw moeder verraad?’ Een andere dichter herinnerde zijn publiek eraan dat Amerika geen sociaal vangnet kende.
– Het was volgens sommigen wel goed dat die afgescheidenen vertrokken, want ze wilden inenting verbieden, evenals bliksemafleiders! In Amerika zou men ook geen tijd hebben om ‘veel wetenschappelijks te leeren.’

Organisatie en emigratieklimaat
Emigratieverenigingen
Een gemeenschappelijke aanpak van de emigratie bood de landverhuizing de beste garantie voor continuïteit. Er kwam veel bij kijken: het boeken van de reis, het kiezen van een vestigingsplek, de aankoop van land en het treffen van gemeenschappelijke voorzieningen, zoals een kerk, een school, wegen en een arts. Scholte sloot alleen personen uit die duidelijk blijk gaven van immoreel of onmaatschappelijk gedrag, alsmede alle ‘Roomschgezinden’. Geen van de emigratieverenigingen hadden een exclusief afgescheiden karakter. De plannen van Brummelkamp en Van Raalte waren het gespreksonderwerp van de dag.

Aanvankelijk Van Raalte en Scholte samen
Aanvankelijk streefden Van Raalte en Scholte ernaar om één grote Nederlandse kolonie in het stroomgebied van de Mississippi te stichten. In Duitse reisverslagen had Scholte gelezen dat in Iowa vruchtbare landbouwgrond beschikbaar was. Van Raalte kwam met zijn gezelschap vanaf New York, Scholtes groep verkenners kwam via New Orleans. De groepen van Noord en Zuid zouden elkaar in St. Louis moeten treffen. Intussen liepen de zaken anders dan voorzien. Scholtes vrouw werd ziek en hij stelde zijn vertrek uit tot het voorjaar van 1847. Van Raalte werd ondertussen overgehaald naar Michigan te gaan.

Van Raalte naar Michigan
De bossen van Michigan waren voordelig voor armlastige landverhuizers. De grond was er goedkoper dan in de prairiestaten de bomen konden verwerkt tot timmerhout. Het klimaat was er redelijk en de verbindingen met het Oosten van het land door spoorwegen en over water van het Michiganmeer waren beter dan in Iowa of Missouri. Van Raalte hoopte de nijverheid te ontwikkelen op basis van landbouwproducten en met financiële hulp van zijn contacten. Scholte liet zich niet overhalen. Scholte lette meer op de bewezen kwaliteit van het land, Van Raalte zocht naar toekomstmogelijkheden.

Scholte naar Iowa
Scholte was ervan overtuigd dat Iowa een gezonder leefklimaat bood dan Michigan. Dit argument woog zwaar voor de 19e-eeuwers, die meenden dat vooral omgevingsfactoren de gezondheid bepaalden: hoog en droog was beter dan laag en nat. De kapitaalkrachtige Utrechtse groep van Scholte kon investeren in de duurdere prairiegrond, die grotendeels al ontgonnen was door Amerikanen.

Andere koloniën
– Jannes van der Luijster, die uit Zeeland emigreerde, was bijna door Scholte overgehaald naar Iowa te gaan. Hij had de treinkaartjes al gekocht. Toch bedacht hij zich. Hij stichtte in Michigan nabij Holland Zeeland.
– Ds. Marten A. Ypma kwam uit Friesland, ds. Seine Bolks uit Overijssel; zo noemden ze hun kolonies ook. Bentheimers noemden hun kolonie Graafschap.
– Wisconsin werd de plaats van vestiging van Rudolf Sleijster, die door Van Raalte als verkenner vooruit was gestuurd. In Milwaukee hadden ze hun plek gevonden, een stad waar de Duitsers de boventoon voerden. Predikant werd hier Pieter Zonne.
– Rooms-katholieken uit Nederland gingen vooral naar Wisconsin. Hun vertrek was economisch gemotiveerd. Ze verschilden van de protestanten in tijdstip (eerder), bestemming (steden) en verloop (meestal via Londen).
– Nederlandse Joden hadden een uitgebreid internationaal netwerk. Hun stedelijke achtergrond bracht hen vooral in New York, Boston, Philadelphia en New Orleans.

Vooral immigratie naar platteland gestimuleerd
De Westelijke staten stelden immigratiebeambten aan die in de havensteden de immigranten probeerden te overreden zich te vestigen in hun staat. De federale overheid stimuleerde immigratie naar het platteland. In 1862 nam het Congres de Homestead Act aan, die aan gezinshoofden en individuele personen boven de 21 jaar een stuk land van 160 acres (ongeveer 65 hectare) in bezit gaf als zij er 5 jaar gewoond en de grond hadden bewerkt. Als men niet zo lang wilde wachten, kon men het na 6 maanden al kopen voor 1,25 dollar per acre. De spoorwegen kregen grote stukken publiek land van de staat als subsidie voor de aanleg van spoorlijnen. Ook kregen universiteiten grond ter beschikking om hun kosten te dekken. Ook waren er speculanten die volop kans hadden om grond te verwerven.

Vrachtschepen als vervoersmiddel
Het immigrantenverkeer werd een winstgevende bedrijfstak. Landverhuizers ‘vulden’ de leemte bij gebrek aan Europese retourlading voor de schepen die met bulkgoederen zoals graan, tabak en katoen uit Amerika vertrokken en vaak in ballast terugkeerden. De eerste generatie landverhuizerschepen waren niet meer dan vrachtvaarders met wat tijdelijke voorzieningen. De zeilschepen deden er gemiddeld 30 dagen over, met uitschieters naar 60 dagen. In 1872 begon een voorloper van de Holland-Amerika Lijn: de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM, sommigen zeiden: ‘Neemt Alle Schurken Mee’). De reis werd steeds veiliger en voorspelbaarder. De gemiddelde reistijd werd door de overgang van zeil naar stoom 12 dagen, zelfs 9 dagen in 1914. De nieuwe schepen werden indrukwekkende zeekastelen.

Veiligheid op schepen aangescherpt en screening van nieuwe bewoners ingevoerd
In 1847 nam het Amerikaanse Congres een wet aan die voorschreef dat elke passagier minimaal 14 vierkante voet aan scheepsruimte moest krijgen. Dit om de veiligheid te vergroten, want er was kort daarvoor een schip in de haven aangekomen die 200 dode passagiers met zich mee bracht. Voor iedere passagier boven de 8 jaar die aan boord overleed moest de kapitein 10 dollar boete betalen. Vooral zijn deze wetten ingevoerd vanwege de schrijnende omstandigheden op Ierse schepen. Ellis Island, aan de kust van Manhatten, werd gebruikt om de nieuw ingekomen immigranten te ‘screenen’. Men moest minimaal 25 dollar bezitten, men mocht geen lichamelijke of mentale gebreken hebben. Als men geen bevredigende antwoorden kon geven of zich verdacht gedroeg kon men enkele dagen op het eiland blijven totdat alles helder was.

De overheid grijpt in op het immigratieproces
Na de Burgeroorlog versterkte de federale overheid de greep op het immigratieproces. De roep om selectie van immigranten werd steeds luider, uit vrees dat de noodlijdende nieuwkomers uit de publieke kas zouden moeten worden onderhouden. Er heerste angst voor de ongewenste gevolgen van de massale immigratie. Veel immigranten trokken niet meer naar het platteland, maar naar de steden, hierdoor ontstonden maatschappelijke problemen als verpaupering, criminaliteit, corruptie en arbeidsonrust. Vooral Chinezen waren gehaat. In 1882 schortte de overheid de immigratie uit China voor een periode van 10 jaar op. In 1918 vroeg Amerika aan ieder een paspoort als men Amerika wilde opzoeken, dit vanwege de oorlogsomstandigheden. In het Congres kregen in deze tijd eindelijk de voorstanders van inperking van de immigratie de overhand. Men wakkerde vrees aan voor buitenlandse radicalen en bolsjewieken. Het Congres besloot in 1921 tot een jaarlijks quotum van 3 procent. Hierdoor kromp de immigratie. Het Nederlandse aandeel mocht voortaan niet meer dan 3.106 personen per jaar bedragen! Tot 1964 zou deze wet van kracht blijven.

Overige
– De contactpersonen in New York hadden een beslissende invloed op de plaats van vestiging van de georganiseerde landverhuizers.
– Juist op het moment dat de Nederlandse groepen in Amerika aankwamen, waren de omstandigheden voor het stichten van landbouwgemeenschappen gunstig.
– Michigan werd in 1837 als 26e staat toegevoegd. In 1846 trad Iowa toe als 29e. Twee jaar later Wisconsin. Het zwaartepunt in de politiek verschoof zo steeds meer naar het Westen.
– Isaac N. Wyckoff uit Albany was één van de meest orthodoxe predikanten van zijn kerkgenootschap. Hij preekte nog zeer geregeld uit de Heidelbergse Catechismus.
– Niemand ondervond tegenwerking van de Nederlandse overheid. Nederland was in dit opzicht een uitzondering! Wel zag de overheid toe of het niet uit de hand zou lopen. Emigratie was een middel om werkloosheid te bestrijden, maar aan de andere kant gingen de beste en sterkste arbeidskrachten weg.
– New York werd door sommige Nederlandse immigranten ‘New Urk’ genoemd.
– In de jaren 1930 kwamen veel Nederlandse emigranten uit Amerika terug naar Nederland.

Vorming van een immigrantennetwerk
Holland en Zeeland als bruggenhoofd
Toen de groep van Van Raalte de kust van het Michiganmeer bereikten, betraden ze een haast maagdelijk gebied. Vanuit het plaatsje Holland kerfden ze tekens in bomen zodat er verbindingsroutes ontstonden tussen de landingsplaats bij het Michiganmeer en de dorpen. De plattegronden van de dorpen werden geschoeid op Amerikaanse leest. Ze herbouwden de Oude Wereld niet, maar pasten zich direct aan de Nieuw aan. In het begin kregen noodzakelijke voorzieningen, zoals een weg, een brug, een kerk, een schoolgebouw, een aanlegsteiger en een weeshuis voorrang. Ook kwam er een kerkklok. Aan contant geld bleef groot gebrek. Van Raalte spoorde iedereen aan om zelf aan de slag te gaan: ‘opdat men zijn eigen baas zij.’

Samen sterk
Ieder moest zich ook vrijwillig inzetten voor het algemeen belang, wat niet iedereen goed uitkwam. Van Raalte was de leider en onderhield contacten met politici en andere belangrijke personen. Van Raalte kreeg veel kritiek te verduren, als er iets fout was gegaan. In 1849 werden de Amerikaanse structuren ingevoerd. Met de 35 omringende townships vormde Holland een county waarvan het bestuurlijk centrum het stadje Allegan was. De acht Amerikanen die in de omgeving woonden bekleedden de publieke functies. In 1851 kreeg de eerste groep mannen officieel burgerstemrecht, nadat ze minstens 2,5 jaar in Amerika had gewoond. Hiermee waren ze hun Nederlandse landgenoten ruim een halve eeuw vooruit! Terwijl hun geestverwanten bezwaren hadden tegen algemeen kiesrecht, aanvaardden zij het enthousiast. Door het doorstaan van de kritieke eerste 5 jaar had Holland zijn bestaansrecht bewezen aan de kolonisten die op eigen kracht niet konden overleven.

Pella als springplank in Iowa
In Pella waren er al enkele boerderijen door Amerikanen gebouwd. Pella lag in een vruchtbaar gedeelte van Iowa. De Pellanen waren net zo gretig om de eed op de grondwet af te leggen als de ‘Hollanders’. In 1865 kreeg Pella een spoorwegverbinding met Des Moines. De meerderheid van de inwoners van Pella kwam uit Gelderland en Zuid-Holland. De Pellanen beschikten over een groter beginkapitaal. De vruchtbare grond leverde snelle winsten op. Het land bracht twee keer zoveel op als in Holland, Michigan! Vanaf 1880 stagneerde het inwoneraantal door de uitstroom naar meer westelijke vestigingen. Intussen bleef Holland doorgroeien! Tegen 1870 was er geen overheidsland meer te koop. Daarom trok een nieuwe generatie verder naar de westkant van de staat waar ze Orange City stichtten. Een ander dorp dat ontstond was Sioux Center.

Dochterkolonies
Orange City lag dus vlak bij Pella, maar hun instelling leek meer op hun landgenoten in Holland, Michigan. Het College was uitgesproken gereformeerd. Ook volgde men de Republikeinse partij, zoals de groep van Van Raalte ook deed; Pella bleef nog lang Democratisch. Sioux County kende veel tegenslagen: tussen 1873 en 1878 vraten sprinkhanen de oogsten op, terwijl hagelstormen de rest vernietigden. Tussen 1877 en 1887 ging het goed, maar de volgende 10 jaar kwam er een ernstige droogte, weer gevolgd op een natte (dus goede) periode van 1897 tot 1910. De omstandigheden in de dochterkolonies waren vaak veel zwaarder dan in de moederkolonies. Iowa was bedekt met een meters diepe vruchtbare laag, in de Dakota’s was het veel minder vruchtbaar. Men had daar 4 keer meer land nodig voor een bedrijf dan in Iowa en woonden daardoor verder van elkaar af; het leven was dus eenzamer. Behalve naar Noord- en Zuid-Dakota ging men ook naar Minnesota en Montana. Ondanks de sensationele verhalen in de pers bleven echte confrontaties met Indianen uit. Een Friese emigrant zegt: ‘Ik ben volstrekt niet bang voor haar. Zij doen geen kwaad als men haar maar goed behandelt.’

Scholte vervreemdt zich van zijn volgelingen
Scholte wilde geen puur Nederlandse kolonie stichten. Scholte moedigde Amerikanen aan zich in Pella te vestigen. Scholte streefde niet naar continuïteit, maar naar vernieuwing. Zijn onorthodoxe bezigheden in de politiek, de advocatuur, het zakenleven, de bankwereld en zijn verfijnde levensstijl vervreemdden hem van zijn landgenoten. Hij organiseerde een religieuze opwekkingsbijeenkomst en haalde een baptistisch College naar de stad. Omdat hij onbezoldigd predikant was, voelde hij zich onafhankelijk en was vaak afwezig. Ondoorzichtige landtransacties brachten spanningen. Scholte’s vrouw wekte ergernis door haar aristocratische levenswijze. In Pella ontstonden vele kerken, zoals baptisten, methodisten en presbyterianen.

Stadsgemeenschappen: Grand Rapids, Kalamazoo en Chicago
Er ontstonden ook stadsgemeenschappen met een Nederlandse signatuur. Sommigen legden contacten met nakomelingen van de 17e-eeuwse Nederlandse immigranten. Van alle steden met een Nederlands element werd Grand Rapids de onbetwiste koploper. Vooral Zeeuwen bevolkten deze stad. Toen het jaar 1851 een rampjaar voor de boeren bleek te zijn met misoogsten en epidemieën, kwamen veel jongeren uit Holland en Zeeland om in Grand Rapids werk te zoeken ter aanvulling van het gezinsinkomen. George Steketee werd in 1881 de eerste Nederlandse burgemeester in deze stad. Grand Rapids kende in 1890 al tramlijnen. Deze staat lag tot 1846 aan het eindpunt van de spoorlijn van Detroit naar het Westen. Veel landverhuizers vestigden zich daardoor hier. De lijn werd in 1852 doorgetrokken naar Chicago. Deze stad, in de staat Illinois, werd de ‘Windy City’ genoemd; in 1839 kwamen de eerste Nederlanders hier. De groep Amerikanen van Nederlandse afkomst in deze metropool zou uitgroeien tot een kwart miljoen in 1980. Tegenwoordig telt de metropool meer dan 9 miljoen inwoners (de stad bijna 3 miljoen).

Niet elk dorp bleef voortbestaan
Voor nieuwe kolonies gold: stagnatie van de toevoer van immigranten bracht het voortbestaan van kerk en school in gevaar, verschraalde het aanbod van huwelijkskandidaten en dwong de jongeren elders geld te verdienen. Het harde klimaat en de strenge winters in het Midden-Westen deed menig gezin besluiten verder te trekken naar het qua klimaat zoveel mildere Californië. Bij het stichten van een dorp nam men een risico; als namelijk de spoorlijn niet langs het dorp zou komen, dan was de groei in één klap afgelopen. Dit gebeurde Orange City ook, waar een spoorlijn het dorp op 8 kilometer passeerden. Toenmalig burgemeester Henry Hospers zorgde ervoor dat er een aftakking van de spoorlijn kwam, die 5 kilometer van het dorp verwijderd was. Hier werd een nieuw dorp gebouwd: Alton. Een ander voorbeeld is: Maurice, een dorp genoemd naar de Hollandse stadhouder in de 17e eeuw.

Overige
In Pella bleef het Nederlands langer bewaard dan in de andere Nederlandse gemeenschappen. De Nederlandse immigrantengroepen vielen op door hun uitzonderlijk hechte samenhang. Als in de omgeving onvoldoende landbouwgrond beschikbaar was, stichtten de kolonies dochterkolonies. Sommige boeren gingen zaterdagmiddag al op pad om de 30 kilometer naar de dichtstbijzijnde kerk af te leggen. Particuliere plannen vanuit Nederland om armen de kans te geven naar Amerika te gaan, werkten niet goed. Spoorwegmaatschappijen zetten hun eigen dorpen uit in het verre Westen.

Kerkelijk cement
Integratie
Religieuze stromingen uit Europa die de klemtoon legden op persoonlijke vroomheid konden makkelijker aansluiting vinden bij soortgelijke individualistische tradities in Amerika dan godsdienstige groepen die de inhoud van de eigen leer centraal stelden. De vroege afgescheiden immigranten stonden veel meer open voor Amerikaanse invloeden dan de latere. De landverhuizers met hun ontzag voor hiërarchie en gezag bevonden zich plots in een klimaat waar vrijheid, gelijkheid en individualisme aangemoedigd werden.

Meteen, geleidelijk, of niet?
Als organisatievorm bood de kerk de immigrant meer dan alleen geestelijke bijstand. Ook sociale, materiële en onderwijskundige ondersteuning bood de kerk aan. In Amerika was niet alles hetzelfde; zo waren er minder kerkelijke feestdagen. Zelfs degenen die zoveel mogelijk hun oude geloofsgemeenschap in stand wilden houden moesten nieuwe structuren bedenken, fondsen werven en reageren op andere tradities. Van de drie strategieën – snel integreren, zich geleidelijk aanpassen of zich zoveel mogelijk afzijdig houden – volgde Scholte de eerste optie. Gesteund door de kapitaalkrachtige kerken aan de Oostkust stichtte Van Raalte Hope College. Hij streefde naar geleidelijke aanpassing aan de Amerikaanse omgeving, maar met behoud van de traditionele gereformeerde kerkstructuur.

Kerkscheuring
Immigranten importeerden ook spanningen uit Nederland. Kwesties als de feestdagen, de vrijmetselarij en het zingen van gezangen waren aan de orde. In 1857 vond een kerkscheuring plaats: de Christian Reformed Church (CRC). Men wilde niet meer lid zijn van de ‘Dutch Misvormed’ kerk. 1/3 ging mee in de afscheiding. Opvallend feit: in beide kerken was de meerderheid van oorsprong hervormd. Zo moesten nieuwe immigranten kiezen tussen twee kerken. Na 1880 sloten meer immigranten zich aan bij de CRC dan bij de Reformed Church of America (RCA). Veel afgescheidenen van later datum hingen een exclusievere kerkopvatting aan. De neocalvinistische groep koos voor afzijdigheid van de Amerikaanse cultuur en voor een hechte gemeenschap, die veiligheid bood. Waar de eerste generatie nog zeer positief oordeelde over het land, zagen de latere immigranten vooral wat er in Amerika ontbrak (ze hadden in Nederland inmiddels rechten gekregen).

De concurrentie tussen RCA en CRC
In theologisch opzicht verschilden de RCA en de CRC niet veel van elkaar. De CRC legde de lat voor nieuwe leden hoger; dit kan de oorzaak zijn dat sommigen kozen voor de RCA, die minder hoge kenniseisen stelde. Het grote gros van de nieuwe immigranten ging echter naar de CRC. Deze kerk was aantrekkelijker dankzij een grotere mate van homogeniteit, degelijk onderwijs aan de jeugd en een nauwe betrokkenheid van de gemeente. Dankzij het zelfbestuur (zonder richtlijnen van de oostkust als bij de RCA) behield zij haar Nederlandse karakter. Tot 1914 bleef de CRC vooral naar binnen gericht: de eigen kerk zuiver houden. In 1891 hadden ze 100 gemeenten, in 1912 200, in 1940 300 en in 1952 400! In 1980 telde de kerk ruim 300.000 leden, tegenover 350.000 voor de RCA, die toch altijd de grootste bleef.

Amerikanisering
De overgang van een pionierssituatie naar een meer geordende samenleving bood ruimte voor variatie. Er kwamen Engelstalige gemeenten. Vooral na de allesverwoestende brand in 1871 en een windhoos in 1873 zette het proces van amerikanisering zich snel door. Een kerkkoor werd opgericht, dat gezangen in de dienst zong, er werd campagne tegen alcohol gevoerd, opwekkingsbijeenkomsten werden georganiseerd en het openbaar onderwijs gesteund: allemaal tekenen van amerikanisering. In 1896 werd het Nederlands in de diensten helemaal afgeschaft. In 1905 kreeg men de eerste dominee met auto.

Architectuur: sober naar Amerikaanse gewoonte
In de architectuur volgde men de standaard die in Amerika gold: eenvoudige houten constructies met een preekstoel of podium zonder uiterlijk vertoon en in gunstige gevallen een toren. Het meest opvallend was het ontbreken van ruimte voor een grote avondmaalstafel. Na 1900 gingen veel CRC-gemeenten over tot het doorgeven van beker door de rijen of het verstrekken van individuele glaasjes voor de avondmaalswijn. Deze nieuwe avondmaalsgewoonte was onomstreden; dit werd eerder goedgekeurd dan de invoering van een zangkoor!

Overige
– Na de Burgeroorlog liet men de aanduiding ‘Dutch’ in de naam vallen. Voortaan heette de kerk Reformed Church of America.
– Een gereformeerde immigrant: ‘…Weinig diepgang van vreeze Gods. (…) Heel de gejaagde stroom van het Amerikaansche leven werkt op mij nadelig.’
– Van Raalte was geregeld op pad om problemen elders op te lossen. Vaak lieten de predikanten, nadat ze de eigen dorpen stevig op poten gezet hadden, de eigen kolonie achter zich om verdergelegen gebieden te dienen.
– Zendingswerk werd ook ter hand genomen. Rond 1900 was de vanzelfsprekendheid van een christelijk Amerika verdwenen en maakte plaats voor de vrees dat Amerika teveel zou veranderen. Daarom zending. De methoden pasten precies in de Amerikaanse traditie om mensen op hun individuele verantwoordelijkheid aan te spreken.
– In 1879 stelde de synode van de CRC een predikant speciaal vrij om afgelegen gemeentes moed in te spreken.
– Heftige discussies over de vrijmetselarij deed de Pillar Church, Van Raalte’s kerk, besluiten over te gaan tot de CRC (1882).
– De kerkklokken begeleiden het ritme van de werkdag in dorpen: om 7, 12 en 18 uur werden ze geluid.
– Hoewel rooms-katholieken 40 procent van het Nederlandse volk uitmaakten, was hun aandeel in de immigratie slechts 18 procent.
– De kerkelijke hiërarchie ontmoedigde de vestiging in verafgelegen gebieden en zo kreeg de katholieke kerk steeds meer een stedelijk karakter.
– In het Westen was minder antipapisme dan aan de Oostkust (met name Ieren waren een mikpunt van spot).
– Slechts 1/3 van alle volwassen protestantse Nederlandse immigranten werden lid van een Nederlands-Amerikaanse kerk.

Immigrantengezinnen
Het wereldje is klein
In de Nederlands-Amerikaanse cultuur is er het verschijnsel ‘Dutch Bingo’. Dat houdt in: het moment waarop twee tot dan toe onbekende leden van de groep uit verschillende streken een gemeenschappelijke kennis of wederzijds familielid vinden. Wij zouden zeggen: ‘het wereldje is klein’. Broers trouwden met zussen uit een ander gezin en jongere generaties hadden gemeenschappelijke voorouders, zodat een hecht netwerk ontstond.

Positie vrouw in Amerika
De grotere mate van gelijkheid tussen man en vrouw in Amerika en de grotere inbreng van kinderen in het gezin boden de gezinsleden meer bewegingsvrijheid om eigen wegen in te slaan. De positie van de Nederlandse vrouwen in Amerika werd als een vooruitgang ervaren omdat ze er betaald werk kon vinden dat bijdroeg aan het gezinsinkomen. De hogere verdiensten voor mannen in Amerika stelden vrouwen echter vaker in staat om thuis voor de kinderen te zorgen in een woning die gezellig te maken viel. Dat vrouwen buitenshuis werkten, was dus maar van korte duur. In vergelijking met Nederland hadden vrouwen meer rechten in Amerika: ze hadden recht op eigen bezit en ook eerder kiesrecht in verschillende staten. Gelijk waren hun rechten echter nog niet, hun burgerrechten waren gekoppeld aan die van hun man. Als hun man Amerikaans staatsburger was, was zijn vrouw dat automatisch ook. Het gezin had in Amerika een sterkere positie dan in Nederland en vrouwen kregen er daardoor ook een betere positie.

Veel huwelijken
Opvallend in Amerika was het hoge aantal huwelijken. In Amerika trouwde bijna iedereen. In Amerika werden huwelijken sneller gesloten dan in Nederland. Er was een klein overschot aan Nederlandse mannen, waardoor vrouwen veel kans hadden te trouwen. In het dorpje Graafschap sloot een predikant gemiddeld maandelijks een huwelijk in een gemeente die 850 leden telde! Huwelijken waren geen individuele verbintenissen, maar een verbinding van twee families. Het uitzoeken van je levensgezellin was niet altijd zonder gevaar: wie op straat een meisje aansprak, liep het risico van een boete van 18 dollar als ze de politie riep. Alleen in de kerk kon je veilig toenadering zoeken! Ook probeerden sommigen via advertenties in de Nederlands-Amerikaanse pers aan een levensgezellin te komen. Bij de protestanten trouwde maar 13 procent buiten de eigen groep (dit moest ook wel, omdat er een klein tekort aan vrouwen was). Bij de Italiaanse immigranten waren veel meer mannen dan vrouwen (78 tegenover 22 procent!), waardoor het komen tot een huwelijk vaak moeilijk was.

Kinderen van groot belang voor ouders
De gezinnen van de eerste generatie Nederlandse immigranten telden vaak 7 tot 8 kinderen. De Amerikaanse gezinnen hadden er slechts 3 of 4. Hoe meer kinderen, des te meer arbeidskrachten, zo dachten veel mensen. Kinderen die als eerste goed Engels leerden spreken, waren een aanwinst voor het gezin. Er dreigde een generatiekloof als de kinderen niet mee wilden werken aan de verwezenlijking van de doelstelling van de ouders. Vooral op het platteland hielpen kinderen mee aan de continuïteit van de gemeenschap. In de pioniersfase waren kinderen een bijna onmisbare bron van inkomsten. Soms moesten kinderen in een dichtbijzijnde stad werken voor enkele maanden. Het besef dat het belangrijk was voor kinderen om tijd te hebben om te spelen groeide pas na de Eerste Wereldoorlog.

Modernisering huishouden
Dankzij de modernisering kregen de huishoudens meer comfort door apparaten die de vrouwen werk uit handen nam en het hun mogelijk maakten ook zonder dienstboden alle taken uit te voeren. Kleding en voedsel werden buitenshuis goedkoop geproduceerd. Het gevolg was dat de mannen minder in het huishouden hoefden te doen en dat het aandeel van de vrouwen steeds groter werd. De tijdsbesparing door de techniek werd tenietgedaan door de toenemende kwaliteitseisen (kleren schoner, eten gevarieerder). Vrouwen konden ook meer tijd en aandacht geven aan de opvoeding van de kinderen.

Luxeproducten eerder dan in Nederland
Regelmatig klonk in de brieven van orthodox-protestantse landverhuizers de waarschuwing om in hun voorspoed niet zelfvoldaan te worden. Luxeproducten kwamen eerder binnen het bereik van de immigranten dan van hun landgenoten in het oude vaderland. Muziekinstrumenten als orgels en piano’s en naaimachines werden de statussymbolen van de burgerij. De mensen kochten veel luêrtikelen zoals wasmachines en stofzuigers. Vanaf 1880 brachten catalogi van mailorderbedrijven Amerikaanse consumptiegoederen binnen bereik van elk huisgezin.

Voedsel en kleding
Aan betere maaltijden en nieuwe kleding was het duidelijkst en snelst te merken dat het gezin gedijde. Welvaartsstijging vertaalde zich in een toename van dierlijke producten in de maaltijd ten koste van het aandeel van granen en wortelen. Niet voor niets werden de brieven uit Amerika spekbrieven genoemd. Hoewel in de steden zo’n gevarieerd aanbod van eten was, zei een Nederlandse immigrant: ‘Wij leven nogal veel op zijn Hollandsch, daar wij dat allemaal liever hebben.’ Tijdens de Eerste Wereldoorlog veranderden de advertenties in de Nederlandstalige pers van traditionele jurken naar Amerikaanse mode. Sindsdien was het onderscheid met de Amerikanen uiterlijk niet meer zichtbaar.

Ze deden het allemaal voor het nageslacht
Het creëren van kansen voor de volgende generatie was het hoofdmotief voor emigratie. De toekomst van de kinderen bond de ouders aan Amerika. Voor hen werden scholen en bibliotheken gerealiseerd. Voor hen werd het Nederlands ingewisseld voor het Engels. De communicatie binnen de subcultuur werd voor een belangrijk deel door de belangen van de kinderen gestuurd.

Overige
– Meer dan andere Europeanen vertrokken de Nederlanders in gezinsverband. De gemiddelde leeftijd van de vader was 38 en de moeder 36 jaar op het moment van emigratie.
– Nederlandse immigranten spraken heel negatief over de Amerikaanse vrouw, die lui zou zijn. Maar het gaat hier om vrouwen uit de betere standen.
– Het enige waarover Amerikanen zich verbaasden was dat Nederlandse vrouwen schaatsten.
– Robert Schuller, de bekende predikant van Chrystal Cathedral, komt uit een Nederlands immigrantengezin in Iowa. Hij vertelt in zijn autobiografie over de gewoonten in het ouderlijk huis, zoals de gewoonte dat vader drie keer per dag uit de Bijbel voorlas.
– Voor een ongetrouwde vrouw bood Amerika meer ruimte dan Nederland om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Zo was er een vrouw die haar leven lang ongetrouwd bleef en zeer welgesteld werd.
– Over de omvang van de woonruimte hadden gezinnen niet te klagen.
– Echtscheiding kwam onder Amerikanen vaker voor dan onder Nederlanders: ‘Dat ze hier uit elkander gaan, is geen nieuwtje, daar hooren we zoo dikwijls van. De mensen kijken er niet eens van op.’
– Italianen en Grieken werkten vaak maandenlang in teamverband aan een project ver weg van huis.
– Pas na de Eerste Wereldoorlog doken de eerste tekenen van romantische liefde op in briefwisselingen.
– In 1914 keurde een Hollander de vrijgevochten levensstijl van de Amerikaanse vrouwen af. Die namen hun kleine kinderen overal mee naar toe, terwijl in Nederland vrouwen en kleine kinderen thuisbleven: ‘Hier willen de getrouwde vrouwtjes juist zoo genieten als toen zij nog niet getrouwd waren.’
– Predikanten die zelf geëmigreerd waren, verzetten zich tegen de Amerikaanse methodistische opvatting dat roken een teken van lichtzinnigheid was. In hun ogen bevorderden tabak en sigaren juist de huiselijkheid!
– Nederland had aan het eind van de 19e eeuw in West-Europa het laagste percentage vrouwen dat in loondienst werkte.
– Nieuw was het werken in fabrieken, dat voor vrouwen in Nederland nog een zeldzaamheid was. In de 20e eeuw wilden meisjes liever op de fabriek werken dan in het huishouden, omdat de verdiensten hoger waren en de werktijden plezieriger.

Werk en welvaart
Landbouw
De emigratiegolven uit Nederland gingen gelijk op met de economische cycli in Amerika. 2/3 van de Nederlandse immigranten veranderden van werkring in de 19e eeuw. De landbouw was de beste kans om economisch vooruit te komen. Gedurende de gehele 19e eeuw was de voornaamste aantrekkingskracht van Amerika gelegen in de beschikbaarheid van landbouwgronden. Het prototype van de Nederlandse agrariër was de landbouwer in het Midden-Westen, waar de prijs voor graan in de 19e eeuw zo hoog was dat sommige boeren niet eens aan wisselbouw deden.

Verschillen tussen Amerikaanse en Nederlandse boeren
‘De praktijk van vele amerikanen is zaaijen en maaijen zoo veel er op groeijen wil, maar doen niet graag veel werk aan hun land. (…) Als gij den Amerikaanschen boer leert kennen, dan besluit gij dadelijk dat hij zich al heel weinig aan netheid op zijne boerderij stoort, maar te meer bedacht is om veel dollars te maken. (…) Als ik dan ook paard of koe was, dan was ik liever in Nederland.’ Zagen de Hollanders de Amerikaanse boeren als gemakzuchtig, andersom vonden de boeren die zich hadden aangepast aan de nieuwe omstandigheden de Nederlandse landbouwers traag, behoudzuchtig en onnodig hardwerkend. Een arme Amerikaanse boer huurde machines om te dorsen of te hooien, een Nederlandse boer behielp zich ‘met de eenvoudigste en gebrekkigste gereedschappen en uit voorvaderlijke gewoonte grijpt hij naar den dorschvlegel, om zich gedurende ettelijke maanden af te beulen.’

Een Nederlander over cowboys
‘…Deze kudden horen aan maatschappijen, en worden gedreeven door een meenigte herders te paard. Dit zijn dikwijls van de ruwste en onverschilligste jonge lieden die hun leven niets achten, en koomen dikwijls slaags met de wilde volkstammen van amerika die het op hunnen kudden gemunt hebben. Dat is gevaarlijker baantje als schaapherder. (…) Maar die lui zouden het zeeker niet naar hun zin hebben achter een rustige schaapskudde.’ Ziehier een tekening van cowboys door een Nederlandse waarnemer.

Overige
– In beide landen was ook een proces van modernisering op gang gekomen.
– Vergeleken met andere Europese landen was de Nederlandse landbouw al marktgericht en geïntensiveerd.
– Boeren die in 1851 grond voor 15 dollar per acre hadden gekocht, verkochten het zes jaar later voor 62,5 dollar per acre!
– Bij tuinders waren kinderen een zeer welkome aanvulling m.b.t. het werk dat gedaan moest worden: ‘weer een onkruidtrekker erbij…’
– Voor de meeste boeren was veeteelt een nevenbedrijf, maar Friese immigranten maakten er hun hoofdbestaan van in Massachusetts en Californië. Daar vormden ze ook coöperaties om gezamenlijk inkopen te doen.
– Mobiliteit was één van de meest aantrekkelijke kanten van Amerika.
– Niet iedereen werd gelukkig in Amerika. Een voorbeeld is het gezin Huijser, een welvarend winkeliersgezin uit Barendrecht. Ze emigreerden naar Texas om een jongensdroom in vervulling te doen gaan. Ze waren echter verre van gelukkig. Alles ging mis.
– De meeste Hollanders in het Westen stemden niet op hun stamgenoot; Franklin Roosevelts New Deal viel bij hen niet in goede aarde.
– In de steden was het lastiger voor immigranten om een zelfstandige positie te verwerven dan op het platteland.
– Het zwaartepunt van de lokale economie in Holland, Michigan verschoof van landbouw naar nijverheid.
– Na 1880 verschoof de Nederlandse emigrantenstroom geleidelijk in de richting van de steden.
– De grootste concentratie Nederlanders in één industrietak was in de meubelindustrie van Grand Rapids, Michigan. De stad groeide snel. Oorzaken van het succes van deze industrie: bosrijke staat, gunstige locatie tussen Chicago en Detroit, waterkracht door waterwegen.
– De gezagsgetrouwe protestantse Nederlanders waren geen lid van een vakbond, omdat die als een geheim genootschap werd beschouwd. Bovendien sloten de Nederlandse kerken vakbondslidmaatschap uit.
– De meesten konden goed met paarden omgaan dankzij hun in Nederland opgedane ervaringen.
– Dankzij de kerken en scholen waren veel gezinnen aan elkaar verwant, wisten ze wie te vertrouwen was, hielpen ze elkaar aan werk en konden ze uitgaan van informele afspraken.
– In het verre Westen konden immigranten alleen overleven als ze verschillende functies combineerden.
– De Nederlandse immigrantengemeenschap werd welvarend.

Overdracht: taal en onderwijs
Engels op z’n Nederlands
De landverhuizers vertrokken met hooguit een Nederlands-Engels woordenlijstje op zak. Het boekje De Vlugge Engelschman wekte de suggestie dat Engels een eenvoudige taal was waarvan alleen de uitspraak lastig was. Een spraakoefening: ‘In emè’ikee theer aar oon-li toe klaasses’ (met betrekking tot de spoorwegen). In de 19e eeuw beheerste bijna niemand schriftelijk Engels. Die vaardigheid was zo tijdrovend dat ‘een Engelschen brief schrijven’ een uitdrukking werd voor het doen van een middagdutje. Er waren voldoende tussenpersonen aanwezig om te vertalen. Er waren twee soorten Engels door Nederlanders gesproken: een Amerikaanse variant van het Nederlands: daarin zaten naast Engelse elementen, onderdelen uit verschillende dialecten. Men wilde aan het Nederlands vasthouden. Het Yankee Dutch: immigranten die juist snel op het Engels wilden overgaan; men gebruikte de Engelse woorden in een Nederlandse grammatica en fonologie. Vooral tussenwerpingen als ‘you know’ en ‘see’ en voegwoorden als ‘but’ en ‘and’ werden veelvuldig door de Nederlandse immigranten gebruikt. Taalkundigen constateren dat Nederlandssprekenden verbazend weinig zelfstandige naamwoorden leenden uit het Engels vergeleken bij andere immigrantengroepen.

Verschil tussen vroege en latere immigranten
De mentaliteit van de immigranten bepaalde de snelheid waarmee het Engels het Nederlands, of een dialect verving. De ‘betere burgers’ die zich in Iowa vestigden, hadden zich op de nieuwe omgeving voorbereid door al in Nederland Engels te leren (bijvoorbeeld het gezin Wormser uit Amsterdam, die uiteindelijk toch niet ging). H.P. Scholte was voorstander van een snelle overgang naar het Engels. De latere immigranten wensten geen afstand te doen van het Nederlands omdat ze de kolonie uitkozen vanwege continuïteit met hun leven in Nederland.

Zelfs de vierde generatie: uitzonderlijk
In het stabiele en vrij geïsoleerde Pella bleef het Nederlands zo nog tot na de Tweede Wereldoorlog in gebruik. De gehechtheid aan het Nederlands was in Iowa zo groot dat deze taal het verbod tijdens de Eerste Wereldoorlog overleefde (de Amerikaanse overheid wilde toen de nationale veiligheid beschermen door andere talen (lees: het Duits) uit het openbare leven terug te dringen). In Pella bleef men tot in 1950 het Nederlands gebruiken. Binnenshuis zelfs tot eind jaren 80. Het gebeurde dus zelfs dat de vierde generatie nog Nederlands kon spreken. Dezen hadden vaak in hun jeugd intensief contact gehad met de oudere generatie, die hun nieuwsgierigheid naar het Nederlands had geprikkeld. Daarmee vormden ze een uitzondering op de regel dat een oorspronkelijke taal in een anderstalige omgeving na drie generaties verdwijnt.

Invloed van de kerken op de taal
Juist de protestantse kerken bevorderden aanvankelijk het behoud van het Nederlands. De geboorte van de Christian Reformed Church in 1857 versterkte het gebruik van het Nederlands door een combinatie van principiële en praktische argumenten. Het Nederlands was immers tegelijkertijd zowel symbool als instrument in de strijd tegen Angelsaksische opvattingen en praktijken in de kerk. Als gevolg hiervan kozen nieuwe golven immigranten massaal voor de CRC, juist omdat die de band met Nederland meer in stand hield. ‘Schaam je, jij met je Engels, en dat op een zondag!’ moet een moeder eens gezegd hebben tegen haar kind. Het Engels miste de Nederlandse nuanceringen voor gezagsrelaties. De nieuwe taal suggereerde meer gelijkheid, doordat het onderscheid tussen jij en u verdween.

Het belang van onderwijs
De trek naar het Westen maakte de ouders zelf verantwoordelijk voor het onderwijs, omdat er aan de frontier nog geen scholen waren. In dunbevolkte gebieden was continu onderwijs eigenlijk al een luxe. Het onderwijs was een cruciaal thema in de Amerikaanse politiek. Vooral met het oog op de immigranten werden de scholen ingezet als instrumenten om gewenst politiek gedrag (als Amerikaanse burgers) en een economische houding (functioneren in een vrije markteconomie) aan te leren en om ongewenst isolement te ontmoedigen.

Emigratie met het oog op komende generatie, dus onderwijs hoge prioriteit
Etnische groepen zoals de Grieken en Italianen wier intentie het was om slechts enkele jaren in Amerika te werken besteedden niet veel tijd aan onderwijs voor hun kinderen. De achtergrond van de Nederlandse emigratie was anders. Nederlanders gingen om te blijven en waren bovendien gewend aan een degelijk en uitvoerig onderwijssysteem. De sterke gerichtheid op de toekomst voor de kinderen als motief voor emigratie maakte dat aan het onderwijs een groot gewicht werd toegekend. Woningen voor een onderwijzer en een dokter hadden prioriteit. Aanvankelijk overlapten kerk en school elkaar: in de pioniersfase werd het kerkgebouw als school gebruik en andersom. Er waren drie redenen om eigen scholen te stichten: aanleren van basisvaardigheden voor het functioneren in Amerika, instandhouden van het Nederlands zolang het zinvol was en bieden van levensbeschouwelijke vorming.

Vorming CRC impuls vrije scholen
In 1857 stichtte A.C. van Raalte de eerste christelijke school in Holland. Na 5 jaar strandde deze poging, omdat het verschil met de openbare school te klein was. Er waren maar weinig verschillen tussen een aparte christelijke school en een openbare school. In laatstgenoemde werd net zo goed gebeden en bijbelonderricht gegeven door christelijke leraren. De RCA bleef daarom achter de openbare scholen staan. De vorming van de CRC in 1857 betekende wel een impuls tot vorming van eigen scholen. Christelijke scholen werden Dutch schools genoemd, omdat het Nederlands een centrale plaats had.


Komst neocalvinisme maakt Engels populairder
De protestantse immigranten die onder invloed van de ideeën van Abraham Kuyper meewerkten aan een cultureel offensief stroomden na 1890 vrij massaal Amerika binnen. Ze waren gemotiveerd om een eigen geluid te laten horen en bevorderden het gebruik van het Engels, omdat ze zonder goede kennis van die taal geen invloed in de cultuur konden uitoefenen.

Colleges en highschools
H.P. Scholte hielp een baptistisch college op te richten: Central College (1853). In 1916 ging een inmiddels aangepaste Central College officiële banden aan met de RCA. A.C. van Raalte ontving weinig steun voor een christelijke basisschool (zie boven). Daarom richtte hij zich op een vervolgopleiding, later geheten Hope College. Beide colleges werden geen volwaardige universiteiten. Via deze colleges ging wel de stimulans uit om een laag tussen basisschool en dit hoger onderwijs te vormen, de zogenaamde highschools.

Overige
– Het onderwijs was het terrein bij uitstek waar de identiteit aan de volgende generatie werd overgedragen.
– Een ander probleem was er ook: Zeeuwen en Drentenaren verstonden elkaar nauwelijks in hun dialect!
– Vrouwen hadden minder gemakkelijk toegang tot het leren van het Engels dan mannen.
– De Friezen in Dakota spraken 34 jaar na hun aankomst nog geen Engels, zo geïsoleerd en zelfstandig leefden ze.
– De eigen scholen zouden enerzijds de samenhang van de etnische groep versterken, maar anderzijds zou het dat later juist ondermijnen.
– Er werd lesgegeven volgens de drie R-en: Reading, wRiting and aRithmatic.
– Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog drong het Amerikaanse patriottisme de christelijke scholen binnen en kreeg de opvoeding tot goede burgers prioriteit.
– In 1910 was de helft van de kinderen in de grote steden in het buitenland geboren.
– Waar een deel van de protestanten het christelijk karakter van het openbaar onderwijs in Amerika te mager vond, vonden veel katholieken dit juist te expliciet protestants wegens het gebruik van de protestantse King James-bijbelvertaling. Men had een diepgewortelde vrees voor protestantisering.

Contact: brieven en kranten
Briefwisselingen
Door briefwisseling en door het toesturen van periodieken bleven immigranten en achterblijvers deel uit maken van een subcultuur en versterkten ze de immigratietraditie. De massale emigratie tussen 1840 en 1920 viel samen met een revolutie in communicatie. De portokosten daalden van 1,20 gulden in 1843 naar 12,5 cent in 1875. De frequentie van de bezorging schoot omhoog. De tijd die gemoeid was met de postbezorging, kromp van 3 maanden naar 2 weken. Ook kwamen vanaf 1920 telegrammen op. De brievenstromen heen en weer hielden elkaar redelijk in evenwicht, met een klein overschot van de brieven uit Nederland. Verslechterende economische vooruitzichten in Amerika spoorden immigranten aan om hun vrienden en verwanten te adviseren hun overkomst uit te stellen (anders dan de meeste Ierse immigranten, die uit overlevingsdrang kwamen, konden de meeste Nederlandse immigranten hun tijdstip van aankomst plannen, wat hun kansen op succes vergrootte).

Emotioneel
Potentiële emigranten vroegen voor hun vertrek aan familie en bekenden hoe de vooruitzichten in Amerika waren en hoe ze de reis het beste konden organiseren. Menig immigrant liep rond met een schuldgevoel ten opzichte van de achtergebleven familie en probeerde door de brieven iets vast te houden van de familiecultuur. Dit maakte de briefwisseling tot een intensieve emotionele ervaring. De mogelijkheid om portretten mee te sturen was populair. Het tijdstip van schrijven was vaak in het weekend en vooral op zondag.

Abraham Kuyper’s bezoek aan Amerika
Tot het laatste kwart van de 19e eeuw kon alleen iemand met genoeg tijd en geld voor zijn plezier een reis over de Atlantische Oceaan maken. In de herfst van 1890 kondigde de NASM een ‘Hollandse excursie’ aan tegen sterk gereduceerde prijzen. Een bezoekje van geslaagde emigranten aan Nederland kon grote advertentiewaarde hebben. Ook andersom kwamen landgenoten hun familieleden in Amerika opzoeken, meestal voor een paar weken. Vergeleken met hun mede-immigranten uit andere Europese landen waren de Nederlanders maar half zo reislustig. De Nederlandse kerken waren niet echt in hun Amerikaanse zusterkerken geïnteresseerd. Deze geringe belangstelling paste bij een houding van superioriteit. Abraham Kuyper doorkruiste in de zomer van 1898 Amerika om aan de Princeton University zijn beroemd geworden Stone Lectures uit te spreken. Het gevolg van zijn optreden was dat meer Nederlandse theologen naar Amerika trokken om eens kritisch rond te kijken, inspiratie op te doen en Europa weer te leren waarderen.

(Gebrek aan) boeken en (overvloed aan) tijdschriften
Amsterdamse en Leidse boekhandelaren voorzagen de groeiende wetenschappelijke wereld in Amerika van antieke teksten en studiemateriaal. De pioniers konden maar een paar boeken meenemen. Ik vergelijk twee predikanten: Cornelis van der Meulen had bij zijn dood in 1876 een collectie van 113 boeken, Roelof T. Kuiper had bij zijn dood in 1894 al aanzienlijk meer: 500 boeken. De bloeitijd van de Nederlandse pers was in het decennium voor de Eerste Wereldoorlog toen er 1300 titels in omloop waren. De eerste Nederlandstalige krant was de Sheboygan Nieuwsbode. Elke krant besteedde aandacht aan religieuze zaken. De meeste continuïteit hadden de kerkelijke bladen, die op hun beurt ook veel wereldlijk nieuws bevatten. Henry Beets was van 1903 tot 1924 de spreekbuis en hoofdredacteur van het kerkblad The Banner, nog steeds het officiële CRC-orgaan.

Overige
– De behoefte aan informatie over het oude vaderland was onverzadigbaar. Omdat Amerikaanse kranten bijna niets over Nederland schreven, vonden Nederlandse kranten hun weg over de oceaan.
– Van Raalte bezocht Nederland in 1866. Van der Meulen werd in 1869 door de synode uitgezonden, ook als beloning voor zijn trouwe dienst en om te herstellen van de emotionele klap die hij door de dood van zijn vrouw had opgelopen. Hij moest geruchten dat de RCA vrijzinnig was geworden weerleggen!
– Typerend voor de Nederlanders als een burgerlijke gemeenschap was het ontbreken van een blad voor de arbeiders, zoals de andere West-Europese groepen dat wel hadden.

Politiek
Bewondering en verbijstering
De Nederlandse immigranten koesterden positieve verwachtingen van Amerika, ook al hadden ze bij sommige ontwikkelingen bedenkingen. Ze hadden oprechte bewondering voor het Amerikaanse politieke systeem, dat gunstig afstak tegen de beperkingen van de Europese stelsels (vooral voor de emigranten die vóór de grondwetswijziging van 1848 het land verlieten was het contrast groot). Juist het contrast met Nederland leverde het Amerikaanse stelsel veel krediet op waardoor het makkelijk de constante kritiek op de spectaculaire verkiezingstaferelen kon doorstaan. De verkiezingscircus bleef immigranten verbijsteren.

Niet opvallend actief
Vergeleken met andere immigrantengroepen vielen de Nederlandse immigranten op politiek terrein niet op. Hun migratie kwam niet voort uit politieke motieven zoals die van de Duitsers, die in 1849 in grote getale hun land verlieten uit teleurstelling over het mislukken van politieke hervormingen, en zich actief in de Amerikaanse politiek zouden blijven mengen. De drang om het staatsburgerschap aan te vragen nam in de loop van de 19e eeuw af, omdat de lokale zaken toen al geregeld waren.

Rol van kerkenraden in de begintijd
Kerkenraden waren in het begin heel belangrijk voor de burgerlijke gemeenschap. Men zag bijvoorbeeld toe op naleving van de zondagsrust. Zo moesten de winkeliers de goederen op zondag uit de etalage halen om de kerkgangers niet in de verleiding te brengen door hun begeerte op te wekken. Pas in 1859 verklaarde de kerkenraad van Holland, Michigan zich niet meer met burgerlijke zaken bezig te houden.

Aanvankelijk Democratisch
Aanvankelijk voelden de landverhuizers zich het meest thuis in de Democratische Partij vanwege haar immigrantvriendelijke houding. De politieke tegenstanders, de Whigs, probeerden de immigratie te beperken. Toen de Republikeinse partij de anti-immigrantenmaatregelen uit haar partijprogram verwijderde werd deze partij aantrekkelijk voor immigranten. Alleen H.P. Scholte voelde zich aanvankelijk bij de Whigs thuis, omdat ze beter opgeleid waren, een gezonder economisch beleid nastreefden en in zijn ogen de eenheid van het land bevorderden. Hij verdedigde het standpunt dat de staten over slavernij moesten beslissen en niet de federale overheid. Scholte dacht dat het Amerikaanse experiment alleen zou slagen als de meerderheid van goede wil was. Toen de Whigs zich echter lieten kennen als anti-nieuwkomers en voorstanders bleken van drastische maatregelen tegen alcohol, bekoelde zijn liefde. Hij werd Democraat, omdat hij nog weinig vertrouwen had in de stabiliteit van de nieuwe Republikeinse partij.

Al voor de Burgeroorlog overgang naar Republikeinen
Na de Burgeroorlog gaven de protestantse immigranten hun steun aan de Republikeinen en stelden ze zich steeds behoudender op. Aanvankelijk was trouwens de Republikeinse partij vooruitstrevender dan de Democratische partij. De Democratische partij toonde weinig inzet voor investeringen ten behoeve van de gemeenschappen en de Republikeinse partij vertoonde meer stabiliteit. Zowel wat betreft personen als wat betreft programma was de Republikeinse partij aantrekkelijker voor Nederlandse immigranten. De overgang werd voorbereid door de nauwe banden met de geloofsgenoten aan de Oostkust. Het aantrekkelijke van de Republikeinse traditie was dat die aansloot bij de godsdienstige overtuiging van veel Nederlandse immigranten dat de menselijke boosheid beteugeld moest worden. De Republikeinse plannen om de zondagsrust te garanderen en de alcoholconsumptie te beperken scoorden goed bij de gelovige Hollanders.

Met vrouw en macht tegen de drankduivel
Er was wel een verschil tussen Van Raalte en Scholte op dit laatste punt: Van Raalte weerde aanvankelijk kroegen (saloons) terwijl Scholte pleitte voor een brouwerij. Beiden waren wel gekant tegen sterke drank, maar verschilden van mening over de effecten van strikte wetgeving. Prohibitie, de beteugeling van het drankprobleem, was een moreel thema dat politiek en religie bij elkaar bracht. De drankduivel was een groeiende bedreiging die met vrouw en macht uit de samenleving verbannen diende te worden.

Amerikaanse feesten worden meteen meegevierd
Vanaf hun aankomst deden de Hollanders met grote inzet mee aan de festiviteiten rondom The Fourth of July, de nationale feestdag. Het dorp Zeeland vierde het bijvoorbeeld op godsdienstige wijze met een feestrede door de predikant. Ook werd Thanksgiving gevierd (de 4e donderdag van november).

Scholte en Diekema in de politiek
H.P. Scholte probeerde in maart 1861 zijn inspanningen voor de Republikeinse partij te verzilveren door te solliciteren naar het gezantschap in Den Haag of Brussel. Scholte’s oog voor nationale belangen en zijn persoonlijk ambitie kwamen steeds meer op gespannen voet te staan met de lokale belangen van zijn mede-immigranten en bevorderde de verwijdering tussen leiders en volgelingen. Ook Van Raalte voelde die spanning ontstaan, maar bleef als gemeentepredikant dichter bij zijn mensen staan en was democratischer en consistenter dan Scholte. De doorbraak naar de landelijke politiek stond op naam van Gerrit J. Diekema (1859-1930) uit Holland, Michigan. Hij diende één termijn in het Huis van Afgevaardigden in Washington. In 1929 beloonde president Herbert Hoover hem met het gezantschap naar Nederland. Hij overleed echter plotseling en heeft zo slechts 16 maanden gediend.

Geen steun aan Franklin D. Roosevelt
Een deel van de Hollanders stemde in 1932 uit onvrede met Hoover op Franklin D. Roosevelt, maar trok die steun in toen die het land een (overdadig) menu van overheidsprogramma’s voorzette. De meeste Hollanders waren tegen belastingverhogingen en vonden dat particuliere organisaties zoals kerken steun moesten bieden. Ze bestempelden Roosevelt’s plannen als socialisme. Dat hij zijn Nederlandse wortels met trots toonde, bracht hen niet op andere gedachten.

Overige
– Scholte kwam nooit los van Nederland: ‘Mijn hart is er niet aan gehecht en Amerika kan voor mij nooit Nederland worden.’ Scholte onderhield contact met het koningshuis in de persoon van koning Willem II.
– Scholte kwam zelfs naar Michigan om voor presidentskandidaat Buchanan te spreken. Zijn optreden in het verkiezingscircus riep nogal wat weerstand op.
– De Nederlandse katholieken bleven hun Democratische partij steeds trouw. Protestanten en katholieken negeerden elkaar volledig. Ze waren het alleen eens in hun afwijzen van het vrouwenkiesrecht.
– Ten tijde van de Burgeroorlog woonden nog geen duizend Nederlanders in de Zuidelijke staten.
– De motieven van de vrijwilligers om mee te vechten in de oorlog liepen uiteen van idealistische voorstellingen om de eenheid van het land te redden tot verwachtingen van eer en beloning.
– Alleen staatsburgers hadden dienstplicht (d.m.v. een loting werd een groep aangewezen als er niet genoeg vrijwilligers in een staat waren). Je kon dit wel afkopen, maar daar moest je 600 dollar voor neertellen. Naar schatting 1/5 deel van beide legers bestond uit immigranten.
– De heftige emoties die de Eerste Wereldoorlog opriep, de sterke geruchtenstromen over verraders en complotten wakkerden een enorm patriottisme aan dat afwijkend gedrag meteen als verdacht bestempelde.
– De vroegste feministische golf met als inzet het vrouwenkiesrecht in de jaren 1870 ging aan de Nederlandse gemeenschap voorbij.
– ‘Onzen Hollanders zijn ten deele een betere natie, deels zediger en deels godsdienstiger, ofschoon er ook veel onder zijn die de natie geen eer aan doen.’
– ‘Met het republikeinsche regeringsstelsel zal ik wel nooit worden verzoend. (…) Het moge heeten bij misleiders en misleidden dat het Volk regeert; maar eigenlijk zijn het eer volksmenners en postjeszoekers.’
– Van Raalte maakte de overgang tot de Republikeinse partij al vóór de Burgeroorlog. Scholte al eerder.
– Slechts een enkeling overzag de nationale politieke consequenties, met Scholte als beste voorbeeld.

Gepubliceerd in december 2006

Advertenties