Vroege Kerk en Middeleeuwen

n.a.v. Otto J. de Jong, Geschiedenis der kerk, Nijkerk 1980

30-312
Het begrip ‘kerk’
Het woord ‘kerk’ komt van het Griekse ekklèsia, de bijeengeroepen groep. In de tijd van de apostelelen doelde het vooral op een plaatselijke gemeenschap. Spoedig verruimde de betekenis. In 381 spreekt de geloofsbelijdenis over de ‘ene, heilige, katholieke en apostolische kerk’. Paulus omschreef de kerk als ‘het lichaam van Christus’. Ons woord ‘kerk’ is pas laat opgekomen, als afleiding van oikia kyriakè, huis des Heeren. Het Griekse kyriakos betekent: wat van de Heere is.

Het Romeinse Rijk
De apostelen waren inwoners van het Romeinse Rijk, wat veel voordelen gaf voor de verspreiding van het Evangelie. De intellectuelen gaven hoog op van de pax romana. De beste waarborg voor eenheid was de keizerverering. De bovenlaag zocht naar nieuwe maatstaven voor hun handelen: filosofische scholen brachten sluitende stelsels. Paulus spreekt van de ‘volheid des tijds’, waarin Christus is gekomen. We concluderen dat het inderdaad zo was dat de eenheid van taal, de infrastructuur, de rust en de strakke maatschappelijke orde ertoe hebben bijgedragen dat het Evangelie snel verspreid kon worden. De eerste evangeliepredikers waren Joden. Achter Paulus’ zendingswerk zat geen plan, maar toch wist hij een groot gebied te bereiken. Het merendeel van de Joden leefde toen buiten Palestina in de diaspora. Vooral in handelssteden en garnizoensplaatsen waren ze te vinden. In Alexandrië maakten ze een derde van de bevolking uit en ook in Rome waren er velen. Philo gebruikte de filosofie als brug tussen Jodendom en hellenisme, door middel van de allegorese.

Christenen en Joden uit elkaar
De eerste gemeente kreeg duidelijk vorm op de pinksterdag, toen de Heilige Geest werd uitgestort. Het was oorspronkelijk een soort sekte binnen het Jodendom. Men had alles gemeenschappelijk: een vrijwillig communisme. Ze werden in Antiochië voor het eerst christianoi genoemd, aanhangers van de Gezalfde. Jeruzalem was de moedergemeente, maar de bekering van de Joden aldaar bleef uit. Bij de Joodse opstand verlieten de Joodse christenen Jeruzalem en trokken naar het overjordaanse, naar Pella. In de periode van 70 tot 140 maakte de kerk grote veranderingen door. Jeruzalem was verwoest, de groei van de kerk kwam nu uitsluitend door toetreding van de heidenen. Aanvankelijk hadden Jezus’ eigen leerlingen, de apostelen, het grootste gezag. Men kwam op zondag bijeen, eerst in de avonduren, later ’s morgens. De gemeenschappelijke maaltijd stond centraal. Al vroeg zag men Christus’ aanwezigheid in brood en wijn heel realistisch, zoals de mysteriereligies ook deden. Ze gingen het avondmaal beschouwen als een voortzetting van de dankoffers uit de tempeldienst. Het Evangelie gold als nieuwe wet. Men gaf veel aandacht aan menselijke liefdadigheidsdaden. Er werd veel moralisme gepreekt. Men lette haast alleen op het levensgedrag.

Christenen staan onder verdenking
Toen de Joden en christenen uit elkaar gingen, golden de vrijstellingen van de Joden voor de Romeinen ook niet meer. Omdat ze maar één God vereerden werden ze door hun heidense volksgenoten als ‘godlozen’ gezien. Er ontstonden vreemde verhalen over christelijke gebruiken, zoals de betiteling met ‘zuster’ en ‘broeder’ en de begroeting met een kus. Al snel werd gehoord: ‘De christenen voor de leeuwen!’ Hun weigering om voor de keizer te offeren werd als majesteitsschennis gezien. Hun spreken over een eigen koning en een nieuw rijk werd met argusogen bekeken. De eerste vervolgingen kwamen er onder keizer Nero, nadat Rome een felle brand had gehad. Christenen waren de schuld (64). Ook onder keizer Domitianus (81-96) waren er vervolgingen. Tijdens keizer Trajanus (98-117) volgde de overheid een andere koers. In een briefwisseling met stadhouder Plinius van Bithynie rees de vraag of de magistraat ook op anonieme verklikking moest ingaan. Trajanus vond van niet.

Martelaren en apologeten
Er ontstonden martyria, martelaarsgeschriften. Elke vervolging was propaganda voor de kerk. Tertullianus zei dat het bloed van de martelaren het zaad voor de kerk is. Na 100 probeerden enkele apologeten het christelijke geloof te verdedigen, zoals de brief aan Diognetius, Justinus Martyrs Apologie en Tertullianus’ Apologeticum. In zo’n apologie werden eerst de beschuldigingen ontzenuwd, daarna werd bewezen dat het christelijk geloof de ware godsdienst was en tenslotte vielen ze het heidendom aan. Ze lieten zien hoe zot en zedeloos ze waren. De apologeten brachten zo een theologische bezinning op gang. Celcus bestreed het christelijk geloof in zijn Ware leer. Hij ergerde zich aan het Evangelie.

Christendom en de gnosis
Het vroege christendom kwam in aanraking met vele stromingen, onder andere de gnosis (kennis, inzicht). Zij redeneerden dat een diep nadenkend mens kennis verwerft als bij ingeving, deze wijsheid gaf hem inzicht in de vergankelijkheid van de stoffelijke wereld en leidde hem naar de goddelijke werkelijkheid. De gnosis zag tegenstelling tussen het aardedonker en het hemellicht. Ze bedienden zich van uitdrukkingen uit de wijsbegeerte en mystieke uitdrukkingen uit de oosterse godenwereld. Gnosis en vroege kerk gingen grote aantrekkingskracht op elkaar uitoefenen. Het gnostisch christendom wilde het Evangelie opvatten als de meest verheven leer, een duidelijke oplossing voor de raadsels van het mensenbestaan, vooral dat van de vergankelijkheid. Men kende een verlangen om te ontkomen aan de druk van het lichamelijke, het stoffelijke. God had niets met de stoffelijke wereld te maken. Deze wereld was het werk van een lagere god. De mens heeft een deeltje meegekregen van de hoogste God zelf. God zond Christus om deze goddelijke deeltjes te verlossen. Christus liet ons zien dat de mens in staat is zich los te maken van de stoffelijkheid. Christus ontsluit de ware zelfkennis. De brieven van Paulus en Johannes laten al een polemiek zien tegen de gnostiek. Valentius, te Rome, beschreef de wording van de wereld in een verhaal over de voortplanting van godenparen.

Marcion en Montanus
Er was nog steeds geen algemeen geldende afspraak over welke geschriften gezaghebbend waren. Marcion (overleden in 160) had een eigen opvatting van het Evangelie, hij vormde een zelfstandige groep, een tegenkerk. Hij was getroffen door de onvolkomenheid van de wereld. Dat kon nooit de hemelse Vader hebben geschapen. Hij bedacht in plaats daarvan een onvolmaakte scheppergod. Die gaf zich te kennen in het Oude Testament. Jezus had een volkomen andere, onbekende God geopenbaard. Marcion vond dat de apostelen Jezus niet goed hadden begrepen. Hij had een eigen canon: het evangelie naar Lukas en tien brieven van Paulus. De geboorteverhalen sneed hij weg uit Lukas, want volgens hem was Jezus ineens in volwassen gedaante verschenen. Marcion was geen gnosticus, maar hij zag wel tegenstelling tussen geest en stof en een tweegodendom. Jezus had volgens hem een schijnmenselijke gedaante aangenomen, was niet echt mens geworden. Met deze gedachte was hij één van de eerste vertegenwoordigers van het ‘docetisme’ (dokè=schijn). Hij beoogde bevrijding van de ziel uit de binding aan de stof. Montanus ging een andere weg: die van de Geest. Hij uitte zich in tongentaal en verkondigde dat hij de door Jezus beloofde Parakleet was. Hij wilde een totale breuk met de samenleving. Het optreden van Montanus bracht de kerkelijke leiders ertoe, overleg met elkaar te gaan plegen in ‘synoden’. Ze stelden dat de tijd van openbaringen was afgesloten en dat het Evangelie niet tot een kleine groep volmaakten mag beperkt blijven.

De canon
De canon van Marcion vroeg om een antwoord. Er kwamen twee formele motieven voor opname in de vast te leggen canon: hoe verbreid een geschrift was en of het opgesteld was door een apostel of een leerling van hem. Een innerlijk motief was de overtuigingskracht van het geschrift. De 13 brieven van Paulus werden het eerst aanvaard. Omstreeks 150 stonden de vier evangeliën vast. Daarbij kwam ook de Handelingen der apostelen. In 200 stonden ook de twee brieven van Johannes op de lijst, een brief van Judas en de openbaring aan Johannes. Hebreeën beschouwden ze als geschrift van Paulus. Een brief van Athanasius uit 367 bevat een lijst met 27 geschriften. Het eerste synodebesluit die dit bekrachtigde was in 382. Bijna kwam de ‘Herder van Hermas’ ook op de lijst. Belangrijk is dat de hoofdzaak voor 200 al vaststond. De canon had dus eigenlijk zichzelf gevormd door de onweerstaanbare inhoud van de boeken.

Belijdenis en apostolische successie
De kerk had ook behoefte aan een korte samenvatting van het geloof. Zoiets bestond al bij de doop als nieuwelingen uitspraken wat ze beleden. De doopbelijdenis groeide uit tot ‘twaalf artikelen’. Hoe moest de canon en belijdenis bewaard blijven? Het gezag van de bisschoppen was hiervoor nodig. Deze bisschoppen moesten steeds opgevolgd worden en hadden zelf de apostelen opgevolgd: de apostolische successie. Met de drie normen van canon, belijdenis en apostolische successie bedoelde de kerk, de bijbelse boodschap te dienen en dwalingen af te wijzen.

De eredienst
We weten weinig over de eredienst in de vroege kerk. Wel weten we van Plinius, die in 113 aan keizer Trajanus schreef, dat christenen ‘gewoon waren op een vaste dag voor zonsopgang bijeen te komen en een lied beurtelings tot Christus als hun God te zingen.’ Later op de dag hielden ze een maaltijd. Deze dag was de zondag, Christus’ opstandingsdag. De maaltijd werd ergens voor 150 verplaatst naar de morgen. Daarnaast zetten de christenen het Joodse gebruik voort van gebedssamenkomsten ’s morgens en ’s avonds met lezing uit het Oude Testament of uit een apostolisch geschrift (=het Nieuwe Testament), met liederen en dankzeggende gebeden. Wie zich bij de kerk wilde voegen kreeg een paar dagen onderricht (katechesis). In de paasnacht werden de nieuwe lidmaten gedoopt en zwoeren ze de duivel af. Ze werden ondergedompeld en ontvingen een handoplegging en zalving en tenslotte namen ze deel aan de avondmaalsviering. De vrees om de doopgenade te verliezen brachten velen ertoe, de doop zo lang mogelijk uit te stellen.

Tucht en bisschoppen, Novatianus en Cyprianus
Met betrekking tot de tucht begon zich een scheidslijn af te tekenen: de strenge eisen bleven voor bisschoppen, priesters en andere dragers van een ambt, maar de gewone kerkleden mochten zich wel enigszins aan de samenleving aanpassen. Een vraagstuk was of berouwvolle afvalligen weer opgenomen mochten worden (251). Novatianus vond van niet en begon een tegenkerk met tegenbisschoppen. Hij wilde de kerk zuiveren (katharoi). Maar hoe hoger de maatstaf, hoe kleiner de kerk. Eredienst en tucht gaven de bisschop steeds meer gezag. Er ontstond een rangorde van wijdingen waaronder: priesters, subdiakenen, volgelingen, duivelbezweerders, voorlezers en deurwachters. De kerkelijke organisatie viel samen met die van het rijk. De gemeenten in de provinciale hoofdsteden waren het grootst. Die leverden dan ook de ‘aartsbisschop’. Bisschop Cyprianus van Carthago overtrof alle toenmalige bisschoppen in gezag, mede door zijn persoonlijkheid. Hij werkte in De unitate ecclesiae zijn gedachten uit: de eenheid van de kerk lag voor hem in de eenheid van alle bisschoppen. Ook zei hij: ‘Niemand kan God tot Vader hebben wie de kerk niet tot moeder heeft’. Zijn zienswijze ging de grondslag vormen voor het episcopalisme. Cyprianus werd een martelaar en werd in 258 onthoofd.

Het logos-begrip
De apologeten hielden in hun theologie vast aan de uitdrukkingen van de Bijbel. Wel kwamen er termen in sluipen met het doel om mensen voor Christus te winnen. Het begrip ‘logos’ was al eeuwen lang in gebruik om de algemene rede aan te duiden die de wereld leidde. Philo had hier al het scheppende woord van God in gezien. Johannes noemde Christus al de ‘logos’. De apologeten probeerden met dit begrip de redelijkheid van het christelijk geloof aan te tonen. Het begrip ‘logos’ is bijbels, maar het was geladen met een wijsgerige inhoud, met bespiegelingen over een tussenwezen dat het stoffelijke mensenbestaan verbond met de eeuwige en onstoffelijke: de Geest. Christus werd nu als de werkelijke logos gezien. Hier zwegen de apologeten over een verlossende of verzoenende betekenis van Christus: Hij is vooral leraar en voorbeeld.

Irenaeus en Tertullianus
Irenaeus van Lyon verstond de Bijbel op een heel eigen manier. Hij zag door heel de wereldgeschiedenis de vaste lijn van Gods bedoelingen lopen. Gods heilsplan zou uitlopen op een hereniging van de goddelijke en de menselijke wereld, ‘alles onder één hoofd, Christus, samenvatten’ (Ef. 1:10 recapitulatio). God werd mens, om aan de mensheid de onsterfelijkheid terug te geven. Christus’ komst op aarde staat centraal in Irenaeus’ theologie. Aan dit thema schonken voor de oosterse theologen aandacht aan: genade betekent verlossing van de vergankelijkheid. De westerse theologen dachten bij genade meer aan verzoening van schuld. Tertullianus van Carthago baande geen nieuwe wegen, maar kwam wel met eigen woorden als voldoening, erfzonde en drievuldigheid. Als jurist zag hij God en mens in rechtstermen. Christus’ sterven aan het kruis was een verzoenende daad. Hij zag de Zoon als beslist ondergeschikt aan de Vader. Terwijl Tertullianus beide naturen van Christus afzonderlijk besprak, lette Irenaeus meer op de eenheid in Christus’ persoon.

Clemens en het neo-plationisme
Clemens van Alexandrië was rond 200 leider van de catechetenschool die de verkondiging doordacht. Hij af aan de termen van gnostici een eigen inhoud. De logos droeg volgens hem alle redelijke en zedelijke krachten, was dus de bezieler van de wereld. De mensheid wordt opgevoed tot gemeenschap met God. De logos komt uiteindelijk in de persoon van Christus tot de volle betekenis, al ging de logos een weg door de geschiedenis. De wijsbegeerte werd in deze periode steeds religieuzer. De filosofie van Plato beleefde een herbloei. Het besef groeide dat de onzienlijke wereld de hoogste werkelijkheid vormde. Plotinus ging uit van het al-ene, waarvoor mensenwoorden te kort schieten en dat afdaalde via de onzichtbare wereld van de denkbeelden (ideeën) naar de zienlijke wereld van de bezielde stof. Hij is een vertegenwoordiger van het neo-platonisme.

Origines en zijn stelsel
Origines van Alexandrië (185-254) kreeg grote naam op wetenschappelijk gebied. Hij leefde ook zeer sober en ging in zijn ascese zover dat hij voortaan als ‘gesnedene’ door het leven ging. Hij wilde boven alles een bijbels theoloog zijn. Bij hem had de bijbeltekst drie betekenissen: de letterlijke (vleselijke), de zedelijke en de zinnebeeldige (allegorische), in volgorde van belangrijkheid, waarbij de laatste het belangrijkst was. Dus waar hij aan de ene kant de bijbelstekst aan een zorgvuldige exegese onderwierp, paste hij aan de andere kant een alles tenietdoende allegorese erop toe. De eeuwige Vader is bij hem de oorsprong en doel van het leven. Uit Hem komen de schepselen voort door een reeks eeuwige geboorten (emanaties). De eerstgeborene is de logos. Hij is uit God gezien een schepsel, maar vanuit de schepping gezien komt Hem de naam God toe. Uit de logos wordt de Heilige Geest zelfstandig. Nu volgen een reeks van lagere geestelijke wezens. Ze ontvingen een goddelijke natuur en vrije wil. Ze keerden zich van God af, en werden tot straf in lichamelijkheid gehuisvest. De minst-gevallenen, de engelen, kregen sterlichamen. De diepstgevallenen, de demonen, kwamen in de buitenste duisternis. Om de wereld te redden verbond de logos zich met de enige ziel die niet gevallen was: Hij kwam in menselijke gestalte op de aarde. Een mens kan door Hem vergoddelijkt worden. Wie de logos in het leven niet navolgde, komt in een louteringsplaats. Want alle geesten hebben deel aan de goddelijke natuur. Zo komt Origines uit op het ‘herstel van alle dingen’. De westerse theologie bespeurde in Origines’ stelsel het gnostisch-wijsgerig element. Officiële veroordelingen begonnen in 399 en werden afgerond in 553. Het oosten kwam niet van Origines los.

De houding van de kerk in het decadente rijk
De groei van de vroege kerk heeft meer oorzaken gehad dan alleen de goede organisatie en een overtuigende theologie. De levenswandel van de leden en hun persoonlijk getuigenis moeten anderen hebben gewonnen. Christenen vielen op door hun reinheid en eerlijkheid. De kerk bleek de enige gemeenschap die mensen tot ander gedrag wist te brengen. Het huwelijk stond in ere, maar sommigen waren van overtuiging dat het ongehuwd zijn bijbelser was. De vrouw bleef buiten de ambten, wel had ze een hulpverlenende taak. Echtscheiding was verboden. Het doel van het huwelijk was het stichten van een gezin. De opvoeding kreeg grote aandacht, waaraan ook de gemeente verantwoordelijkheid droeg. Tot de gemeente behoorden slaven en slavenhouders. Slaven werden binnen de gemeente gelijk behandeld als vrijen. Ook konden ze kerkelijke ambten bekleden, Christenen kochten soms slaven om ze vrij te laten. De vormen van de heidense religies beheersten nog volop het openbare leven. De soldatendienst werd door de kerk verboden, om het bloedvergieten en om de militaire plechtigheden die daaraan verbonden waren. De armenzorg maakte deel uit van de eredienst. Ook heidenen ontvingen soms hulp van de gemeente. Bijzondere aandacht vroegen de zieken. Hier hadden vooral de vrouwelijke gemeenteleden en weduwen een taak.

Vervolgingen
Rond 200 waren er in de grote plaatsen rondom de Middellandse Zee overal christelijke gemeenschappen. De groei zette zich in de volgende eeuw door. In het Romeinse Rijk was een leegte ontstaan wat ruimte bood voor deze nieuwe godsdienst. De tegenslagen binnen het Romeinse Rijk vormden de aanleiding om de christenen te gaan zien als mensen die de toorn van de goden hadden opgeroepen. In drie grote golven van centraal georganiseerde vervolging heft de staat geprobeerd het christendom te vernietigen. Onder keizer Decius (249-251) moest ieder een ‘libellus’ (boekje) als bewijs dat hij geofferd had hebben. Na deze golf van onderdrukking vroegen vele ‘libbellatici’ weer toegang tot de kerk (zij hadden toegegeven aan de wil van de keizer). De vervolging onder keizer Valerianus (257-258) richtte zich vooral op de leiders van de gemeenten. Onrust aan de grenzen dwong hem om op te houden. Diocletianus besloot tot afrekening van het christendom: vernietiging van de gebouwen, inlevering van de geschriften en gevangenneming van de geestelijken. Het begon in 303 en eindigde in 311. Galerius, zijn opvolger, beval op zijn sterfbed dat de vervolging moest ophouden.

De grote ommekeer met Constantijn
In de strijd om de opvolging kwam de nieuwe westerse heerser Constantinus naar voren. Deze versloeg zijn mededingen Maxentius in 312. Zijn zwager Licinius kreeg de macht in het oosten. Samen vaardigden ze in 313 het edict van Milaan uit: het christendom werd een toegelaten godsdienst. Constantijns persoonlijke overtuiging was, dat de verering van de enige ware God vrede in zijn rijk zou brengen. De bisschoppen beschouwden zijn optreden als een gebedsverhoring. Op vaandels, schilden en munten liet hij de tekens XP (chi-rho, de eerste twee Griekse letters van de naam van Christus) aanbrengen. Ook bekostigde hij de kerkbouw. In 337, op zijn sterfbed, liet hij zich dopen (hij had de doop dus uitgesteld om zeker te zijn dat alle zonden vergeven waren). In 380 proclameerde Theodosius de staatskerk. Het christendom verbond zijn lot aan de staat.

313-430
Vervolgd, toegelaten, bevoorrecht en alleenheersend
Binnen 70 jaar werd het christendom van een vervolgd tot een toegelaten geloof, en spoedig bevoorrecht en tenslotte alleenheersend. In 321 maakte Constantijn de zondag tot officiële rustdag, maar de naam van de dag bleef hetzelfde, maar nu werd het geïnterpreteerd als ‘Zon der gerechtigheid’. Omstreeks 330 kwam het Kerstfeest op, in plaats van het midwinterfeest. Onder de zoons van Constantijn moesten de tempels dicht (346) en werd openlijk offeren verboden. Onder Julianus (361-363) kwam er een tijdelijke terugslag. Hij werd genoemd ‘de afvallige’, omdat hij in zijn jeugd wel christelijk was geweest. Het edict van de westelijke keizer Gratianus en de oostelijke medekeizer Theodosius verplichtte haar onderdanen tot het geloof in de drie-eenheid. Christenen gingen nu aanvallen wagen op heidense priesters en zetten plunderingen op tempels op touw. Het meerkeizerstelsel maakte dat het rijk na de dood van Theodosius uiteenviel. Het westelijke deel kreeg te lijden van Germaanse legers. In 476 verdween het als zelfstandig keizerrijk. Het oostelijke deel werd minder belaagd en beleefde een bloeiperiode. Keizer Justinianus (527-565) liet tal van kerken bouwen.

Verwereldlijking van de kerk
De keizer werd na de omwenteling van Constantijn scheidsrechter in (theologische) conflicten. De geloofskeus van de keizer deed de kerk snel groeien. Christen-zijn werd voordelig. Kerkgang was een toegejuichte burgerplicht geworden. Bisschoppen werden hoogwaardigheidsbekleders. De westelijke kerk richtte zich op Rome, de oostelijken hadden Constantinopel, Alexandrië en Cappadocië als leidende kerken. Boven dit alles uit ging het gezag van Jeruzalem, waar vele pelgrims toestroomden. De toevloed van nieuwe christenen bracht de voorgangers ertoe de eredienst duidelijker te verdelen. Eerst was er een gedeelte voor iedereen toegankelijk: het bijbellezen en preken. Daarna werd het avondmaal gevierd; dit was een geheime aangelegenheid voor de lidmaten. Het uitbouwen van de eredienst gaf ook de ruimte om martelaars te gedenken en stoffelijke overblijfsel als kostbaar te zien. De kalender raakte vol gedenkdagen. Ook ging men Maria eren als ‘moeder van God’. De openlijke boetedoening raakte in onbruik, in plaats daarvan ging men biechten bij de priester, persoonlijk dus. De kerkelijke bestraffing kon nu ook maatschappelijke gevolgen hebben. Constantijn wilde een corpus christianum, een gekerstende gemeenschap, een christelijk lichaam. De keizer werd voor de kerk hoogste rechter en wetgever. In 325 riep Constantijn de bisschoppen uit zijn hele rijk samen in een ‘oecumenische concilie’.

Opkomst van het monnikwezen
Er waren ook mensen die de wereld wilden ontvluchten, als reactie op de verwereldlijking van de kerk. Ze trokken zich terug in ascese. Ze gingen uit de sfeer van het beschaafde en bewoonbare en gingen soms naar de woestijn. Als ‘eremieten’ of ‘anachoreten’ gingen ze als kluizenaars leven. De kerk hield de band met hun in stand. Wie in de wereld bleef beschouwde zichzelf als minder goed christen dan deze ‘monniken’ (monachoi, van monè, verblijfplaats, later ten onrechte afgeleid van monos, alleen). Het kloosterideaal werd populair. In het oosten droegen kloosters een wereldmijdend karakter en getuigden hun geschriften van een leven dichtbij God. De westelijke kloosters kregen de taak de resten van de cultuur te bewaren toen de staat omstreeks 400 uiteenviel. In hun gebouwen bevonden zich steevast een kleine voorraad geschreven boeken. In 529 stichtte Benedictus van Nursia een klooster in Midden-Italië, waarvoor hij een leefregel schreef. Het gezag over het klooster kreeg de ‘abt’ (abbas, vader). Alle kloosterlingen moesten gehoorzaamheid beloven en armoede en zuiverheid betrachten. Eerst was er een proeftijd. De dagindeling kende vaste ‘getijden’ voor gemeenschappelijk gebed en psalmlezing. In het oosten bleef men zich aan de leefregels van Basilius houden, in het westen werd Benedictus gemeengoed. Monniken en nonnen verrijkten het liturgische leven, zetten de theologische bezinning voort en hielpen zieken en armen.

De strijd om de drie-eenheid: homo-ousios
Er is geen vooruitgang in de theologie, wel beweging, verandering, verduidelijking en wijziging. Door het wegvallen van de vervolging werd een onbelemmerde discussie mogelijk. Een presbyter uit Alexandrië, Arius, kreeg in 318 een conflict met de bisschop om zijn uitspraken over Christus. Hij beleed dat er maar één God is, en dat Christus daarom een schepsel was. De Zoon was de eerste en hoogste schepsel. Als leraar en voorbeeld was Hij op aarde gekomen, en Hij had goddelijke eer gekregen als beloning voor Zijn vrijwillige gehoorzaamheid in dit aardse bestaan. Alexander, zijn bisschop, zag hierin een opheffen van het Evangelie. In 325 kwam een concilie bijeen in Nicea, omdat de keizer de vechtende partijen bij elkaar wilde brengen. Arius werd hier weliswaar afgewezen, maar de formulering was zo, dat bijna elk er het zijne van kon denken. Ze stemden ermee in, dat de Zoon ‘van hetzelfde wezen’ is met de Vader (homo-ousios). De keizer wilde hiermee alleen duidelijk maken dat de Zoon verwant is met de Vader. Deze uitleg zou voor Arius aanvaardbaar zijn geweest.

Het was ook een machtstrijd
Tegelijk met het theologisch debat was er ook een strijd om de macht van de patriarchen. Eusebius, leider van de origenisten, die bevriend bleef met Arius, bracht het tot bisschop van Constantinopel. Hij zag in de bisschop van Alexandrië een mededinger, en de tegenstelling verscherpte toen in 328 Alexander in deze plaats werd opgevolgd door Athanasius. Deze bestreed de eenheid van Vader en Zoon. Hij had niet veel op met de term homo-ousios. Eusebius wist Constantijn zover te krijgen dat Athanasius als onrustzaaier werd verbannen naar Trier. In totaal moest hij vijf maal in ballingschap gaan, want Constantijns opvolgers kozen allen Eusebius’ koers.

Één lettertje verschil: homoi-ousios
Tijdens de alleenheerschappij van Constantinus (353-361) kwamen de hoftheologen met het voorstel, te belijden dat de Zoon ‘gelijkend’ is op de Vader: homoios. Het was een bedachte term, net zoals die van de nieuw-arianen, die de omschrijving an-homoios (niet gelijkend op) prefereerden. Toen pas ontdekte Athanasius de waarde van de formulering van Nicea, maar dan wel strikt opgevat: de Zoon is één van wezen met de Vader, hun wezen is identiek. De bedoeling van Athanasius werd door sommige origenisten wel begrepen. Ook zij wilden het niet voorstellen alsof de Zoon geheel van de Vader gescheiden was en aan Hem ondergeschikt. Zij opperden de formulering homoi-ousios: ‘van gelijk wezen’. Elk is volkomen zelfstandig, maar ze zijn overeenkomstig van wezen. Het woord telde maar één letter verschil. Athanasius dacht vanuit de eenheid, terwijl de ‘nieuw-niceners’ vanuit de drieheid dachten.

Constantinopel 381 bekrachtigt de drie-eenheidsleer
Op een synode te Alexandrië in 362 kwam de overeenstemming tot stand. Naast de term ‘wezen’ (ousia in het Grieks, substantia in het Latijn) kwam als nadere omschrijving het woord ‘persoon’ (hypostasis, persona). Na de dood van Athanasius in 373 gingen drie theologen uit Cappadocie verder vijlen aan de formuleringen. Het waren Basilius van Caesarea, Gregorius van Nyssa en Gregorius van Nazianze (de drie cappadociërs). Deze kwamen tot de belijdenis dat de Vader, Zoon en de Heilige Geest één wezen vormden in drie personen ofwel zelfstandigheden. Men spande zich in de ariaanse groep terug te winnen voor hun homoi-ousios. In 381 kwam er een nieuw groot concilie bijeen in Constantinopel. Ze beleed dat de Zoon is ‘geboren, niet gemaakt, één van wezen (homo-ousios) met de Vader’ en dat de Heilige Geest ‘Heere is en levend maakt’ en ‘uitgaat van de Vader’. Hier werd de geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel opgesteld, die in de volksmond de ‘belijdenis van Athanasius’ ging heten. Het was een vergelijk tussen de athanasianen en de nieuw-niceners. Het arianisme werd veroordeeld, maar ver van de middelpunten van de theologische bezinning zouden nog bevolkingsgroepen ariaans blijven, zoals de Germaanse volken.

Begin van de strijd om de christologie: Apollinaris
Nu bleef de vraag over wat men bedoelde met een zinsnede uit de belijdenis van 381: ‘Vlees geworden door de Heilige Geest uit de maagd Maria’. Was hiermee alleen Jezus’ lichaam aangeduid? De theologen probeerden dit duidelijk te maken door te spreken over een goddelijke en een menselijke ‘natuur’ van Christus (fysis, natura). De discussie werd vertroebeld door de machtsstrijd tussen de patriarchen van Constantinopel en Alexandrië. Één van de eersten die aandacht vroegen over de vraag in hoeverre Christus werkelijk mens was geweest, was Apollinaris van Laodicea. Hij hanteerde het schema lichaam, ziel en geest. De menswording van Christus was dan het aannemen van een lichaam en ziel, maar de plaats van de menselijke geest werd bij Christus ingenomen door de logos, dit was Christus’ eigenlijke ‘Ik’. Consantinopel 381 verwierp deze zienswijze, want het wilde belijden dat Christus ‘om ons mensen en om onze verlossing is neergedaald uit de hemel en is vlees geworden’.

Nestorius en Cyrillus en de uitspraak van Chalcedon
Patriarch Nestorius van Constantinopel hield vast aan 381, en kreeg daardoor bezwaar tegen de betiteling van Maria als ‘moeder van God’. Hij vond dat als Christus helemaal God en tegelijk helemaal mens was, deze tweeheid niet als eenheid beschouwd mag worden. De logos woonde in de mens Jezus zoals in een tempel. Ze waren niet één van wezen, maar één van wil. Nestorius probeerde het volledige menszijn van Jezus te benadrukken, om de leer van de verlossing te redden. Patriarch Cyrillus van Alexandrië wilde de beide naturen als één zien, maar daarbij ging het goddelijke voorop. De Zoon van God heeft de menselijke natuur als een kledingstuk om zich heengeslagen., en de niet-persoonlijke menselijke natuur was opgegaan in de goddelijke natuur, zoals een melkdruppel verdwijnt in een oceaan. Te Efeze kwam in 431 het derde oecumenische concilie bijeen. Het ging er rumoerig aan toe. Nestorius’ leer werd veroordeeld en hij moest in ballingschap gaan. Maar Cyrillus deed toch de menselijke natuur te kort. Dat bleek toen abt Eutychus ging verkondigen dat Christus een enkele natuur had gehad, waarin het goddelijke zozeer overheerste, dat het menselijke haast niets meer gemeenschappelijk had met die van alle andere mensen. Eutychus kreeg steun van patriarch Dioscorus van Alexandrië. Op de ‘roverssynode’ van Efeze in 449 dwongen troepen gewapende monniken een beslissing in die zin af, dus aangaande de godmenselijke natuur. Dit ging bisschop Leo van Rome weer te ver. Hij verwierp deze synode en stuurde gedeelten uit zijn preken waarin hij de onoplosbaarheid van dit mysterie aanduidde. De politiek bracht een oplossing: een nieuwe keizer wilde de macht van Alexandrië neerslaan en de kerkelijke eenheid herstellen. In 451 kwamen zeshonderd bisschoppen te Chalcedon samen op het vierde oecumenische concilie. De belijdenis werd:

Twee naturen, in één persoon.
Die goddelijke en menselijke natuur zijn
ongemengd en onveranderd (tegen Eutychus),
ongedeeld en ongescheiden (tegen Nestorius).

Islamitische veroveringen doet nationale kerken ontstaan
De alexandrijnen vond deze beslissing te nestoriaans. Zij hield vast aan Cyrillus’ leer dat Christus een enkele natuur had gehad, het ‘monofysitisme’. Daarom braken ze de gemeenschap met Constantinopel, en dus ook met de westelijken. Er vormden zich monofysitisch-nationale kerken in Egypte, Ehiopië, Syrië en Armenië. Rome bleef aan Chalcedon vasthouden, Constantinopel verbrak daarom enige tijd de band met Rome. Het vijfde oecumenische, maar in feite sterk oostelijke, concilie van Constantinopel in 553 veroordeelde wat nestoriaans-schijnende geschriften, noemde Christus’ persoon ‘uit twee naturen één’, maar stelde Zijn menselijke natuur zo onpersoonlijk mogelijk voor. Toch kwamen de monofysitieten niet terug, ze waren al te zeer vervreemd van de staatskerk. Achter dogmatische bezwaren gingen nationale gevoelens en culturele verschillen schuil. De nestoriaanse kerk toonde grote zendingsijver, tot in China en India. In Constantinopel bleef het uitbouwen van de terminologie doorgaan: de theologen spraken over één godmenselijke werking (energie) en later over één wil van Christus. Inmiddels begonnen de mohammedanen een aanval op het Romeinse Rijk. De monofysieten zagen hen als bevrijders. In de islamitische landen raakten ze echter geïsoleerd, hielden zich stip aan het overgeleverde en ontwikkelden zich leerstellig en liturgisch verder niet. Pas in de 20e eeuw kwamen ze uit hun geïsoleerde positie. De keizers wilden, nu deze gebieden islamitisch geworden waren, de band met Rome weer herstellen. Het zesde oecumenische concilie te Constantinopel (680-681) verwierp de eenwilsleer en beleed dat Christus zowel een goddelijke als een menselijke wil bezat.

Hieronymus, Ambrosius en Augustinus
Door het wegvallen van de staatsmacht in het westen werd de kerk de enige die de klassieke cultuur bewaarde. Juist nu konden er eigen vormen van theologische bezinning ontstaan. Hieronymus (347-420) herzag de Latijnse bijbelvertaling (de Vulgata). Hij kon Hebreeuws en stond een kloosterleven voor. Ambrosius (339-397) bevorderde ook krachtig het monnikideaal. Zijn preken werden hooggewaardeerd. Hij was stadhouder in Milaan en werd daar later tot bisschop gekozen. Hij leerde de westerse kerk zingen. De lofzang ‘Te Deum Laudamus’ schrijft men aan hem toe. Boven de betekenis van Hieronymus en Ambrosius uit gaat die van Aurelius Augustinus. Zijn invloed is alleen te vergelijken met de apostel Paulus. Hij schreef zijn gedachten over leven en ontwikkeling in de vorm van een gebed tot God op, een geheel nieuwe methode: zijn Confessiones. In 354 werd hij geboren in Thagaste (Algerije) en verviel in zijn studententijd in het manicheïsme. Te Milaan hoorde hij Ambrosius preken, waaronder hij tot bekering kwam. Hij werd in 395 hulpbisschop en het volgende jaar bisschop.

Augustinus’ denken, kerkleer en genadeleer
Augustinus wilde wijsbegeerte en geloof met elkaar verbinden. Hij zag overal in de schepping sporen van de drie-eenheid. De wereld is veranderlijk, omdat ze een mengsel is van zijn en niet-zijn. De ziel is ook veranderlijk: haar wil is vrij om te kiezen. Als de ziel zich richt op het hoogste zijn, ontvangt ze volkomen geluk. Maar hoogmoed bracht hem ertoe zich af te keren van God. Ze zoekt het nu in het niet-zijnde. God blijft het hoogste zijn, de bron van gelukzaligheid. Alleen God kan het geluksverlangen van de ziel verzadigen. Augustinus moest ook tegen de donatisten strijden. Hij ontzegde hen de naam ‘katholiek’; ze stonden de vlekkeloosheid van haar ambtsdragers voor. Volgens Augustinus ontbrak bij hen de liefde. Het is volgens hem onvermijdelijk dat onkruid en tarwe samen opgroeien. Augustinus zag de kerk dus als ‘gemengd lichaam’. Met betrekking tot de genadeleer beschouwde hij het geloof als genadegave, niet als mensenwerk. Hij moest hier tegen Pelagius ingaan, die zonde niet als iets erfelijks zag en dacht dat mensen alleen zondigen als ze het voorbeeld van de eerste mens navolgen; hij beweerde dat de mens vrij was om te kunnen kiezen tussen goed en kwaad. Augustinus zag zonde als erfzonde waar niemand zich van kan bevrijden. Maar dit ontheft de mens niet van de verantwoordelijkheid voor eigen daden. Augustinus bedoelde met de genade niet zozeer een verhouding van God tot de mens, maar meer een geestelijke kracht die de sacramenten in de mens ingieten. Augustinus schreef ook over de uitverkiezing om zijn genadeleer af te ronden.

Semi-pelagianisme en De civitate Dei
Het stelsel van Augustinus riep vragen op, bijvoorbeeld wat de eigen verantwoordelijkheid van de mens was, of dat het heil mocht verkondigd worden aan mensen die toch al door God waren afgewezen. Monniken in Gallië zochten een tussenweg: ze beschouwden de mens niet als ‘dood’ of ‘gezond’, maar als ziek. De val van de mens verzwakte de wil. Het hangt van de vrije wil af of de mens de genade aanvaardt. Zaligheid is dus samenwerking tussen God en mens. Dit is het ‘semi-pelagianisme’. Een zeer actuele vraag was in die tijd toen Rome veroverd werd, of hierin een straf lag voor het prijsgeven van de staatsgoden. Augustinus schreef een verdediging: De civitate Dei (over de stad of staat van God). Hier werkte hij meer dan dertien jaar aan. Achter de uiterlijke gebeurtenissen gaat volgens Augustinus de strijd schuil tussen twee rijken, tussen Gods staat en de aardse staat (civitas terrena). De staat van God is de gemeenschap van engelen en gelovige mensen. Ze wordt vertegenwoordigd door de kerk. De aanwezigheid van de kerk betekent de redding voor de samenleving. De aardse staat was van de duivel, die haar vorm kreeg in staten als Assyrie, Babylon en tenslotte Rome, allemaal rijken van zelfzucht en hoogmoed. De verwoesting van deze staten was dus welverdiend. Toen de West-Goten, een ariaans christenvolk, Rome plunderden, spaarden ze de kerken, waar mensen veilig waren. Dit feit gaf geloofwaardigheid aan Augustinus’ bespiegelingen. De staat zou eigenlijk de gerechtigheid moeten gaan dienen, dan waren de tegenstellingen niet meer zo diep. Christelijke heersers werden opgeroepen tot vrede en recht. Augustinus wilde zo de gebeurtenissen van zijn tijd draaglijk en aanvaardbaar maken. Hierin lag ook een rechtvaardiging voor de latere gewoonte dat bisschoppen wereldlijke macht gingen uitoefenen. Augustinus overleed in 430. De invloed van Augustinus is ongekend: in de Middeleeuwen vooral met betrekking tot het vraagstuk van kerk en staat, in de Reformatie zijn genadeleer en in de 17e eeuw zijn mensbeschouwing.

430-1100
De volksverhuizing
Tussen 400 en 600 verloor het Romeinse Rijk zijn westelijke gebieden. Germaanse stammen waren er altijd al bij de grensstreken. Door de opdringing van een Aziatisch ruitervolk, de Hunnen, kwam er een volksverhuizing op gang: de Germanen staken massaal de grenzen over. De Romeinen waren hier niet tegen bestand. De Germaanse stammen waren overwegend ariaans. West-Gothen uit de Donaumonding vestigden zich in Spanje, de Vandalen uit Midden-Duitsland in Noord-Afrika, de Bourgondiers uit Noord-Duitsland in Zuid-Gallië en de Oost-Goten uit de kustlanden van de Zwarte Zee in Italië. De eenheid van het rijk was verbroken, handelscontacten verdwenen. De resten van de Romeinse cultuur waren in handen van de kerk. De kerkelijke organisatie hield stand. De bisschop van Rome werd als de hoogste gezagsdrager gezien. De synode van Sardica (343) had vastgesteld dat de bisschop van Rome de laatste beslissing mocht nemen over kwesties elders in het oude rijk. De algemene bisschopstitel ‘vader’ (papa), werd bij nu bij uitstek op die van Rome gevoerd: hij werd ‘paus’. Geheel Noord-Afrika werd ondergelopen door de mohammedanen. De Arabische profeet Mohammed (570-632) was de stichter van deze nieuwe godsdienst.

Gregorius de Grote
In het begin van de 6e eeuw veranderde de houding van de ariaanse veroveraars ten opzichte van de kerkelijke organisatie. Clovis, koning van de Franken, liet zich in 506 katholiek dopen. Tegen 600 leek de katholisering van het Frankenland voltooid. Nu kon ook de Germanisering van het christendom beginnen, zoals eens het christendom helleniseerde en latiniseerde. Gregorius de Grote (paus van 590-604) slaagde de Longobarden te winnen voor het katholicisme. Hij wist ook het landsbezit voor de kerk te vermeerderen. Zo ontstond, met Rome als kern, een wereldlijke staat met de paus aan het hoofd. Vanwege de vorm van ‘landskerken’ bleef Rome nog met weinig rechtsgezag. Gregorius’ naam bleef verbonden aan zijn reorganisatie van de eenstemmige kerkzang in een vrij ritme. Gregorius interpreteerde Augustinus zo, dat de mens ook na zijn dood een louteringstijd moet doormaken: de vagevuur. Dit is dus eigenlijk boetedoening na de dood. Hij kreeg de bijnaam ‘vader van bijgelovigheden’ omdat hij zich veel inliet met engelen en wonderen.

Verschillen tussen het oosten en westen
Bij de opkomst van het monnikendom, de drie-eenheidstrijd en de christologiestrijd bleken er duidelijk verschillen te zijn tussen de oosterse en westerse kerk. Het oosten kende een lange traditie van cultuur en denken, stond open voor allerlei stromingen, maar bleef politiek en maatschappelijk ongeschokt, voordat de islam kwam. Keizer en patriarch gaven een strakke leiding. Het westen had geen lange traditie van filosofie, miste leiding van de staat en raakte ontwricht door de volksverhuizing. In het westen stond de daad meer in het middelpunt, in het oosten de beschouwing. West zag heil als Gods daad, door Christus’ verzoenend sterven. Oost zag het heil als nieuwe vorm van zijn, door de menswording en opstanding van Christus. Hier bloeiden de ascese en een wijsgerige theologie.

Afsluiting oosterse theologie
De Oostelijke theologie was gefundeerd door Clemens en Origines en uitgewerkt door de drie Cappadociers. Basilius ging vooral uit van de schepping: alles heeft een begin, de daad van God. Gregorius van Nazianze vond dat de mens met zijn rede het bestaan van schepping en God kon concluderen, maar verder weet hij niets; de mens kan alleen in ontkenningen over God spreken. Gregorius van Nyssa maakte onderscheid tussen geloven en kennen. Het kwade lokaliseerde hij niet in de stof, maar in de wilsrichting van de mens. In het oosten werd vooral de ‘ikon’ (het beeld) populair. Verering van ikonen grondde men op Christus’ menswording. Hiertegen kwam verzet; men was bang zo de islamieten af te stoten. De ‘ikonoklasten’ (beeldbrekers) vonden beelden niet geoorloofd. Johannes Damascenus (675-749) wel. Hij vond dat Christus door Zijn menswording de stoffelijke wereld geheiligd heeft. In Nicea kwam in 787 het zevende oecumenische concilie samen (eigenlijk alleen van de oosterse kerk). Die legitimeerde de beeldverering. Hierna grepen de beeldbrekers een tijdje de macht, maar in 843 werd de beeldverering definitief toegestaan.

Engeland en Nederland
Het christelijke geloof was staatsreligie geworden in de nadagen van het Romeinse Rijk. Na het verdwijnen van dit rijk bleek het christendom de bevolking voor zich gewonnen te hebben. Voor verbreiding van het Evangelie was het nodig dat het zonder staatssteun gebeurde. Patrick (390-461), een Keltisch christen uit Brittannië, was zendeling in het stedenloze Ierland. Hier ontstond de ‘oorbiecht’ en werden er ‘boeteboeken’ samengesteld. In de Ierse kloosters ontstond na 550 een nieuwe vorm van toewijding aan God: het apostolisch zwerven ver van het eigen land. Naar Brittannië kwamen zendelingen uit Rome, met de opdracht de bestaande gewoonten van de Keltische kerk te ontzien en zich er zoveel mogelijk bij aan te sluiten. De kerk kwam hier tot grote bloei. Nu kwam er ook zendingswerk overzee. In 690 kwam de Angelsaksische monnik Willibrord met elf anderen aan de Rijnmond aan (het huidige Katwijk aan Zee) om de heidense Friezen te bekeren. Hij werd in 696 ‘aartsbisschop van de Friezen’. Hij bouwde kerkjes, waaronder in Utrecht en bleef trouw aan Rome. In 716 kwam Wynfrith onder de nieuwe naam Bonifatius, toen de Friese op z’n hoogtepunt was. Hij verkondigde de machtige Heere en maakte indruk met ceremonieel. Hij legde nadruk op de hemelse beloning en de dreiging van de hel. De Germanen waren ontvankelijk; de tijd van ‘godenschemering’ was aangebroken. Liudger (overleden in 809) stichtte het bisdom Munster en preekte vooral in het Groningerland.

De Frankische geloofsvorm
Onder Karel de Grote werd het christendom opgedrongen aan het Saksische volk in het huidige Noord-West-Duitsland. Hij was een Frank. Hij stelde de doodstraf op voortzetting van heidense gebruiken en op het ongedoopt blijven. Kerstenen kreeg vanaf nu de bijklank ‘met geweld tot de kerk dwingen’. De Romeinse geloofsvorm was er één van strakke formules en rechtsregels. Bij de Franken was men echter meer gewon te spreken in begrippen van eer, trouw en strijd. De doop kreeg het karakter van verbondssluiting met Christus, de bestrijder van de duivel. De bekendste uiting van het Germaanse christendom is de oud-Saksische evangeliënharmonie, de Heliand (omstreeks 830).

Kerstening van de rest van Europa
Rooftochten van vikingen brachten het zendingswerk in de 9e eeuw tot stilstand. Een eeuw later kon het werk pas weer opgepakt worden. In 960 werd de Deense koning gedoopt en werd het volk gekerstend, omstreeks 1000 Noorwegen, kort daarna Zweden ook. IJsland ging in 1000 na een besluit van de volksvergadering over tot het christendom. Scandinavië sloot zich aan bij de kerkorganisatie van Noord-Duitsland. Slavische stammen langs de Oostzee, in Midden-Europa en op de Balkan werden door zowel Rome als Constantinopel bearbeid. Hierbij moeten we denken aan Kroatië, Servië, Karinthië, Bohemen, Moravië en Polen. Langs de Oostzeekust ging evangelieverkondiging samen met Duitse bezetting of kolonisatie: Pommeren na 1100, Estland na 1200, Litouwen pas tegen 1400. Scandinaviërs preekten in Lapland en Finland. De Oosterse kerk won Rusland; zendelingen uit Constantinopel kwamen in Oekraïne, waar de vorst zich in Kiev liet dopen (955). De Slavische wereld was zowel organisatorisch als geestelijk in tweeën verdeeld geraakt.

Begin van heerschappij Karolingen: Pippijn II en III
In het gebied tussen de Moezel en de Maas was na 600 een familie (later de ‘Karolingen’ genoemd naar haar beroemdste afstammeling Karel) opgekomen die de Frankische koningsgoederen aldaar beheerde. Deze ‘hofmeiers’ kregen steeds meer invloed. De familie steunde de evangeliepredikers. Pippijn (II) de middelste regeerde het gehele Frankenrijk. Na zijn dood moest zijn bastaardzoon Karel Martel het familiegezag opnieuw bevestigen en het rijk beveiligen. Hij en zijn hofmeiers waren afhankelijk van de medewerking van de vrije landeigenaars, en de beloning kon alleen geschieden in de vorm van buit of grond. Karel Martel gaf kerkelijke goederen en benoemde hen als leken-abt met inkomsten. Hij was het ook die in 732 tussen Tours en Poitiers de binnendringende mohammedanen versloeg. Hij redde niet alleen het Frankenrijk, maar ook de rooms-katholieke kerk hiermee. Pippijn (III) de Korte volgde hem na zijn dood in 741 op, nadat zijn broer monnik werd, kreeg hij de alleenheerschappij. De positie van de kerk van Rome werd toen bedreigd door de Longobarden. Pippijn hielp in tegenstelling tot zijn vader de paus wel. Maar daar stond tegenover dat de paus goed moest keuren dat hij de Frankische koning, die in naam nog regeerde, opzijschoof en hem als erfelijk koning moest zalven. Na twee veldtochten was de klus geklaard. Toen de paus hem een oorkonde van Constantijn liet zien dat het keizers gezag over Rome en ook grotendeels over Italië aan de toenmalige paus was overgedragen, schonk Pippijn dit gebied in 756 aan de paus. Hij wist niet dat het vervalsingen waren (de pseudo-isidorische decretalen)! Pippijn voerde in zijn rijk veranderingen door: voortaan moest de bevolking een tiende aan de kerk geven. Ook stelde de ‘parochie’ in (paroikia, oorspronkelijk naar 1 Petr. 1:17 ‘vreemdelingschap op aarde’) of ook wel ‘kerspel’ (kerkspel, van spellen=plechtig verkondigen), waardoor in een samenleving zonder geld toch plaatselijke gemeenschappen rondom een door henzelf bekostigd kerkgebouwtje en eigen priester konden komen.

Karel de Grote aan de macht
Na de dood van deze Pippijn in 768 lag een deling van het rijk in zijn zoons Karel en een andere voor de hand. Die andere stierf echter al in 771 en Karel heerste sindsdien over het hele rijk. Zijn regering (768-814) gaf aan het kerngebied politiek en militair rust, en maakte daardoor culturele bloei mogelijk. De rijksgrenzen waren de Noordzee, de Elbe, de Donau, de pauselijke staat, de Middellandse Zee, de Ebro en de Atlantische Oceaan. Karel las graag Augustinus’ De civitate Dei en wilde die staat van harte dienen. Het werd een theocratie. Bij kloosters ontstonden scholen. De Engelsman Alcuïn (735-804) kreeg de leiding over een soort reizende paleisschool. Tours werd een wetenschappelijk centrum. Het onderwijsstelsel telde zeven ‘vrije kunsten’: grammatica, retorica, dialectica, aritmetica, geometria, astronomia en musica. De gelovigen moesten het ‘Onze Vader’ en de geloofsbelijdenis uit het hoofd kennen. Om de prediking te verbeteren liet Karel een bundel met modellen vervaardigen. Voor de eredienst vroeg hij de hulp van de paus. Hij wilde dat in het hele rijk de vorm van Rome zou worden gehouden.

Filioque toegevoegd
Karel hield zich ook met de theologie bezig. Elipandus van Toledo kwam met het ‘adoptianisme’: Christus was naar Zijn goddelijke natuur wezenlijk Gods Zoon, maar naar Zijn menselijke natuur was Hij dat door adoptie, niet door geboorte. De Frankische kerk handhaafde echter de officiële leer. In 807 voegden Frankische monniken één woord toe aan de geloofsbelijdenis: filioque. Augustinus had dit eerder al verdedigd. De oosterse kerk leerde dat de Geest uitgaat van de Vader door de Zoon, het westen vond dat het belijden van de drie-eenheid om deze invoeging vroeg. De synode van Aken in 809 besloot hiertoe. Rome stemde in. Na 1000 kwam dit woord pas echt in de tekst. Karel de Grote noemde zichzelf een ‘toegewijd verdediger van de heilige kerk en als haar verdediger in alles’. Paus Leo III gaf hem op Kerstdag 800 de keizerskroon op het hoofd, tot ieders verrassing. Zo werd de keizerskroning een uniek recht van de paus.

Het Frankische rijk wordt onderling verdeeld
Zijn jongste zoon volgde hem op: Lodewijk de Vrome. Zijn zonen eisten spoedig hun erfdeel op, zodra hun vader een zwak regeerder bleek. Ook de Noormannen begonnen in deze tijd het gebied aan te vallen. In 843 sloten Lodewijks drie zonen in Verdun een verdrag waarbij het rijk werd verdeeld: Frankrijk, Duitsland en het middengebied van Italië, Bourgondië, Lotharingen en de Lage Landen. In deze tijd was er nog de polemiek tussen Radbertus en Ratramnus over het avondmaal. Radbertus stelde dat Christus lichamelijk in het avondmaal aanwezig is, Ratramnus dacht aan Christus’ mystieke lichaam dat op geestelijke wijze werd ontvangen. De meeste bisschoppen steunden Ratramnus. Johannes Scottus Erigena vertaalde het werk van Dionysius de Areopagiet en sloot zich aan bij diens ietwat pantheïstisch mediterende werk, waar de natuur in sommige opzichten samenviel met God.

Het leenstelsel
Zichtbare herinnering aan de Karolingen waren enkele bouwwerken, zoals Karels paleis in Aken, maar ook het ‘leenstelsel’. Volgens dit systeem gaf de vorst landerijen, jacht- en visrechten in leen aan een zelfstandige onderdaan, die daartegenover beloofde hem met zijn manschappen trouw te zullen dienen. Dit stelsel bevorderde de bestuursinrichting van het platteland. Omstreeks 900 had de adel in Frankrijk alle rechten op de kerk ingepalmd: een nadeel van dit stelsel. In Duitsland was het koningschap door de stamhertogen nagenoeg machteloos gemaakt. In Rome was het pauselijke ambt door het wegvallen van de Karolingische steun verworden tot een plaatselijke merkwaardigheid waarover de adel naar believen en liefdeleven beschikte. De naam ‘pornografie’, later aan deze periode gegeven, laat zien dat allerlei jeugdige deugnieten zich het pausschap wisten toe te eigenen. De Joden werden in deze periode door geschriften van Agobard van Lyon opzij gezet. Het meest in de geest van Karel de Grote ontwikkelde zich in de 9e eeuw een land waarover hij niet geheerst had: Engeland. Koning Alfred (848-899) nam zelf de volksopvoeding ter hand. Hij vertaalde zelfs werk van Greogorius I en Augustinus in de volkstaal.

Bisschoppen worden wereldlijke gezagsdragers
Het pauselijke staatje rondom Rome telde omstreeks 900 nauwelijks mee. Vooralsnog bleef de kerk ingepast in de structuren uit de Karolinische periode. Dit invoegen van de kerk in het regeringsstelsel nam sterk toe onder de Duitse koning, later keizer, Otto I (936-973). Hij zag de schaduwzijden van het leenstelsel en zag dat het rijk was verbrokkeld door de te grote zelfstandigheid van de leenmannen. Hij slaagde erin het koninklijke gezag te herstellen. Intussen werd hij uitgeroepen tot koning over Italië, en werd hij zelfs gezalfd tot keizer. Hij benoemde niet alleen bisschoppen en abten zoals zijn voorgangers dat ook gedaan hadden, hij schakelde ze ook in bij het regeren door ze tot leenmannen te maken. Zo werden de bisschoppen hertogen of graven wat betreft hun grondgebied en wereldlijk gezag. Van hun kant moesten ze wel hun plichten als leenman nakomen. Otto had het goed gezien, want de macht van de bisschoppen kon door de onmogelijkheid van erfelijkheid door het celibaat nooit te groot worden. De ‘vorst-bisschoppen’ hadden dus eigenlijk twee bevoegdheden. Hoe konden die uit elkaar worden gehouden? Zinnebeelden drukten het uit: bij de ambtsaanvaarding ontving de bisschop van de keizer de ‘investituur’ (bekleding), die bestond in een ring voor zijn geestelijk werk en een staf voor zijn wereldlijke arbeid.

De cluniacenzische hervorming
In het Bourgondische abdij van Cluny begon een hervorming: Cluny werd geen ‘eigenklooster’ van een wereldlijke geestelijke, maar kwam rechtstreeks onder de paus, waardoor het zelfstandig was. Ze hielden zich aan de regel van Benedictus, maar breidden de liturgische gebeden zo uit, dat er voor werken met de handen geen tijd meer was. Het ideaal van Cluny was de sterke gerichtheid op de eredienst in het koor van de kloosterkerk. Naar dit voorbeeld ontstonden nieuwe kloosters. De ‘cluniacenzische hervorming’ leidde niet tot het ontstaan van een nieuwe kloosterorde, want de benedictijnse regel bleef ongewijzigd, maar er vormde zich een ‘congregatie’, een groep die extra afspraken nakwam. Op den duur vielen hier meer dan duizend kloosters onder, vooral in Frankrijk en Italië. De macht van de abt van Cluny was daardoor groter dan die van menige aartsbisschop. Cluny wees lekenzeggenschap over geestelijke benoemingen dus af. Ze noemden dit ‘simonie’, omdat intertijd Simon de tovenaar aan de apostelen geld had geboden voor de gave van de Heilige Geest. Met ‘nicolaïtisme’ bestempelden ze het huwelijk van priesters alsook het samenleven van een geestelijke met een vrouw; de term leidden ze af van de nicolaïeten uit Openbaring 2:6.

Herstel van het pauselijke aanzien
De Duitse keizer Hendrik III zette op de synode van Sutri in 1046 drie pausen tegelijk af en liet een betere kiezen. Dit was het begin van het herstel van het pausdom, dat zeer in verval was geraakt. Met name Leo IX (paus van 1048 tot 1054) herstelde het aanzien van het pausdom door streng de hand te houden aan de celibaatsplicht, simonie bestreed en het bestuur verbeterde door een college van kardinalen te vormen uit de priesters van 28 hoofdkerken van Rome, 7 diakenen van de stadsarmenzorg en 7 naburige bisschoppen. De oosterse patriarch, die in Constantinopel woonde, zag dit met lede ogen aan. Het griefde hem dat de paus opnieuw aanspraak maakte op het primaat over de gehele kerk. Verwijten van onrechtzinnigheid gingen over en weer, zoals over het filioque en het westelijke gebruik van ongezuurd brood bij het avondmaal. Een pauselijke gezant, op weg naar de keizer van Constantinopel, bedacht onderweg een pauselijke vervloeking te deponeren bij de patriarch. Het schisma was een feit (1054). In deze jaren werd de actie tegen simonie verbreed, wat ook een aanval betekende op de investituurpraktijk.

Gregorius VII contra Hendrik IV
In Rome kreeg kardinaal Hildebrand steeds meer invloed. Hij werd in 1073 paus, nadat hij bewerkt had dat de pauskeuze voortaan aan de kardinalen werd toegekend. De ‘investituurstrijd’ was niet meer te vermijden toen hij paus werd. Hij nam de naam Gregorius VII aan. Theocratie betekende volgens hem dat de paus absoluut heerst over de gehele kerk, dat de paus van geen enkele wereldlijke macht afhankelijk is, en dat de paus wereldlijk gezag kan verlenen en ontnemen. De paus verbood in 1075 alle lekeninvestituur. Hendrik IV en zijn Duitse bisschoppen reageerden op een concilie te Worms door de paus voor afgezet te verklaren, maar de paus had de steun van de erfelijke Duitse vorsten. Hij deed Hendrik IV in de ban, die nu plotseling geïsoleerd stond. De vorst besloot tot een volstrekte vernedering: midden in de winter van 1077 ging hij over de Alpen, kwam blootshoofds en in een boetekleed voor de poort van het kasteel van de paus. Na drie dagen smeken gaf Gregorius toe en ontsloeg hem van de ban, al bleef zijn afzetting gehandhaafd. Hendrik won zo aan aanhang en toen het conflict weer uitbrak besloot hij Rome te belegeren en stelde hij daar zelf een paus aan en liet zichzelf tot keizer kronen. Gregorius stierf als banneling in Zuid-Italië onder heerschappij van de Noormannen! Zijn laatste woorden waren: ‘Ik heb gerechtigheid liefgehad en onrecht gehaat, daarom sterf ik in ballingschap’.

Het concordaat van Worms
De volgende pausen bleven wel strijden tegen de investituur door leken, maar zwegen over een pauselijk recht op wereldheerschappij. Moeizaam kwam er een compromis in de zinnebeeldige handelingen: de geestelijken van een bisdom verrichtten de bisschopsverkiezing, de vorst kon de keuze afwijzen. Bij aanvaarding beleende hij de gekozene met wereldlijke macht en liet hem een scepter overreiken. Daarna volgde de bisschopswijding, waarop de gewijde een ring en eventueel ook herdersstaf uit handen van de aartsbisschop kreeg. Dit was de oplossing van het concordaat van Worms uit 1122.

1100-1500
God wil het!
Al sinds 638 hadden de mohammedanen Jeruzalem in handen, maar zij lieten wel toe dat christelijke pelgrims de heilige plaatsen bleven bezoeken. Dat veranderde toen Palestina omstreeks 1070 door een Turkse stam werd veroverd. In 1095 hield paus Urbanus II, een vroegere prior van Cluny, op een synode in Clermont een toespraak die insloeg: het graf van Christus moest bevrijd worden uit ongelovige handen. ‘God wil het!’ riepen de toehoorders van de paus, en deze leus werd door velen overgenomen. Men hechtte het kruisteken op de schouder en vatten de woorden van Jezus letterlijk op: ‘Als iemand achter Mij wil komen, moet hij zichzelf verloochenen en het kruis opnemen en Mij volgen.’ Predikers als Petrus van Amiens verspreidden de oproep. Wie zijn leven eraan wilde wagen kon rekenen op kwijtschelding van kerkelijke straffen: een aflaat. Bij anderen was de reden om te gaan zucht naar avontuur en rijkdom of een vlucht voor moeilijkheden in eigen land. De paus wilde meteen de oostelijke gebieden bij zijn wereldorde voegen. Hij ontketende in feite een geloofsoorlog.

De kruistochten tegen de ‘ongelovigen’
De eerste kruistocht had een uitmoording van groepen Joden in Europa tot gevolg. Ze betitelde de Joden als ‘Godsmoordenaars’ en kregen de keuze: bekering of de dood. De Joden verloren al hun vrijheden. De toch bereikte verder Klein-Azië, waar veroveringen werden overgedragen op de oosterse keizer. In Syrië en Palestina vormden de kruisvaarders zelfstandige staatjes, kerkelijk verbonden met Rome. Jeruzalem viel in 1099. Hun leider, Godfried van Bouillon, wilde geen koningskroon dragen, maar werd ‘beschermer van het heilige graf’. De staten waren afhankelijk van westelijke ridderhulp, nu veel kruisvaarders terugkeerden. De mohammedanen gingen in de tegenaanval. Hierop riep Bernard van Clairvaux op tot een nieuwe kruistocht. De vorsten namen de leiding, maar het mislukte in Damascus. Jeruzalem werd in 1187 zelfs verloren. Wat een schok! Zelfs de Duitse keizer ging hierop met zijn legers onderweg, maar hij bereikte Jeruzalem niet. De vierde kruistocht wilde orde op zaken stellen in Constantinopel. Dit bracht natuurlijk grotere vervreemding tussen de oosterse en westerse kerk. Na de hoofdstad veroverd te hebben, heroverde de oosterse keizer die terug in 1261. Niet alleen Joodse en mohammedaanse ‘ongelovigen’ werden bestreden, ook de ‘albigenzen’ in Zuid-Frankrijk, een manichees aandoend christendom. Iedere groep die van de kerkleer afweek kon nu een leger tegemoet zien. In 121 kwam er zelfs een ‘kinderkruistocht’. In 1291 veroverden de mohammedanen de laatste vesting van de kruisvaarders: Akko.

Gevolgen van de kruistochten
De kruistochten zorgden voor een verzwakking van het Oost-Romeinse Rijk. Economisch was er voordeel voor Italiaanse en Zuid-Franse kuststeden. Men kwam in aanraking met de Arabische wetenschap, waarvan vooral de medische op hoog peil bleek te staan. De zwendel van relieken werd groter, de aflaatpraktijk werd uitgebreid. Het combineren van kloosterstelsel en ridderstand leidde tot het ontstaan van geestelijke ridderorden. De leden beloofden net als de monniken om bezitloosheid, kuisheid en gehoorzaamheid te betrachten, maar bovendien ongelovigen te bestrijden en pelgrims te beschermen. Johannieters deden aan ziekenverpleging. Tempeliers zagen strijd als hoofddoel.

Nieuwe kloosterorden
Tegen 1100 begon Europa te veranderen. Er kwam politiek rust. De vorsten begonnen de vorming van steden juridisch te bevorderen om beter greep op het bestuur te krijgen. De economie bloeide op, de bevolking nam in aantal toe. Ook de maatschappelijke verschillen groeiden, vooral de welvaart van de kerk werd zichtbaar. Er ontstonden ook nu orden. In Frankrijk kwamen de Kartuizers in 1084: kluizenaars die met de samenleving geen enkel contact hadden. Verder ontstonden de Cisterciënzers (1098): ze legden nadruk op werken op het land, hun gebouwen waren sober, zonder torens, in tegenstelling tot het imponerende van Cluny. Ze werden bekend als ontginners en inpolderaars in kustlanden. Een derde groep die ontstond waren de Praemonstratum (1121). Bij hen was zielzorg onder de plattelandsbevolking prioriteit.

Bernard van Clairvaux
De meeste indruk maakte Bernard van Clairvaux (1091-1153). Hij zei als jonge Bourgondische ridder de wereld vaarwel en ging in het strengst mogelijke klooster. In 1115 ging hij in Clairvaux een klooster stichten. ‘Heel mijn verdienste bestaat in Gods ontferming’, zo zei hij, hetgeen Luther zeer aansprak, die hem de ‘Augustinus van de Middeleeuwen’ noemde. Bernard hield over het boek Hooglied 86 preken. Als geen ander doordrong hij de kerk ervan dat de Heere vraagt: ‘Mijn Zoon, geef Mij uw hart’. Bernards tijdgenoot Arnold van Brescia knoopte aan bij een volksbeweging in Lombardije die volkomen bezitloosheid noodzakelijk vond. Arnold eiste dat de kerk af zou zien van alle aardse goederen en macht. Hij verwierp alle kerkelijke heerschappij. De paus liet hem ter dood brengen (1155). Haast in elk land waren wel predikers die in conflict kwamen met de kerkelijke overheden, maar hun uitroeiing gebeurde zo grondig dat er niets meer over te achterhalen is.

Kettersvervolging en instelling inquisitie
De benaming ‘ketters’ kwam omstreeks 1150 op. De bijbelse aanduiding ‘katharos’ (rein) vormt het grondwoord. In Zuid-Frankrijk waren de Albigenzen (ook wel: ‘katharen’) een tegenkerk, maar de kerk vond dat dezen het manichese tweegodendom predikten in bijbelse bewoordingen. Augustinus had ook al te maken gehad met manicheeërs, maar probeerde hen door de prediking te bestrijden. Bij de kruistocht in 1208 gaf een pauselijke afgezant de opdracht: ‘Doodt ze allen; God weet wel wie van Hem zijn’! Het vierde Lateraanse concilie (1215) sprak uit dat de wereldlijke vorsten de plicht hadden ketters te vervolgen, maar dat de opsporing tot de taak van de bisschoppen hoorde. De paus zette de versnelling echter iets hoger en stelde in 1231 geloofsrechters aan: een soort internationale rechtbank, de ‘inquisitie’ (onderzoek). Kerk en staat werkten hier samen. In 1175 ontstond er een groep die zich nauw bij de Bijbel wilde aansluiten. Ze gingen hun omgeving kennis van de Bijbel bijbrengen: de Waldenzen. Deze groep kreeg allerlei veroordelingen over hun hoofd. In 1215 werden ze de ‘haeretici’ genoemd (scheuring, 1 Kor. 12:19). Ze hielden echter stand in de Alpen. Ze bleven tot de Reformatie nog bestaan, al werden ze zwaar vervolgd. De Waldenzen verwierpen de eed, het wapendragen, de aflaatpraktijken en het opdragen van missen ten behoeve van gestorvenen, de ‘zielmissen’. Ze hadden geen afgerond systeem.

Bedelorden
Er ontstonden nieuwe vormen van kloosterorden, de ‘bedelorden’. De bekendste werd die van de Fransiscanen of ‘mindere broeders’ (Ordo Fratrum Minorum). Haar stichter tooide de bijnaam Fransiscus en kwam uit Assisi. Een visioen deed hem beseffen dat hij Christus moest navolgen. Hij ging in volstrekte armoede leven, en ging predikend rond. De armoede werd zijn ‘bruid’. Clara, een stadsgenote, stichtte in 1212 een vrouwelijke orde, de Clarissen. Er kwam ook een ‘derde orde’ op: de Tertiarissen. Deze was bestemd voor gelovigen die geen kloosterling konden of wilden worden. De mannen heetten de Begarden, de vrouwen Begijnen. Vooral deze vrouwengroep werd populair in de Lage Landen. Dominicus de Guzman stichtte de bedelorde van de Dominicanen of ‘preekbroeders’ (Ordo Praedicatorum). De bedelorde van Augustijner Eremieten baseerden zich op de regel van Augustinus. In Nederland kwam er een ‘observantie’ op: orden terugroepen tot hun oorspronkelijke regels. Geert Grote (1340-1384) legde nadruk op het navolgen van Christus en predikte krachtig de zonden van geestelijken en leken. Deze broeders ‘des gemenen levens’ vonden hun onderhoud door arbeid.

Wyclif en Hus
John Wyclif (1330-1384), professor te Oxford, wilde de wijsbegeerte van allerlei bespiegelingen terugbrengen tot de Bijbel en de kerkvaders. De aardse kerk mocht geen bezit hebben. De Bijbel werd zijn enige norm. Hij vertaalde de Bijbel in het Engels. Hij protesteerde over alles wat over het avondmaal was geformuleerd en zag in de paus de antichrist. Zijn denkbeelden werden verspreid door bezitloze predikers, de Lollarden (mompelaars). De inquisitie trad tegen hen op. Jan Hus (1370-1415) werd beïnvloed door Wyclif, omdat er veel Tsjechische studenten in Oxford studeerden. Het huwelijk van een Boheemse prinses met de Engelse koning in 1382 versterkte de culturele contacten tussen beide landen. Hus uitte kritiek op de kerkelijke organisatie en uiteindelijk op het pausdom. Hus riep de kerk terug tot de Bijbel. Hij mocht in 1414 op het concilie van Konstanz zijn woordje doen. Hij kreeg een vrijgeleide van keizer Sigismund. Het concilie verklaarde hem als ketter, en Sigismund hoefde daarom zijn woord niet te houden. Zo werd Hus op 6 juli 1415 te Konstanz verbrand. Na zijn dood bleek hoe groot zijn aanhang was. Toen Sigismund in 1419 ook koning van Bohemen werd, grepen ze naar de wapens.

De strijd tussen paus en keizer gaat verder
In 1150 voltooide monnik Gratianus een overzicht van het kerkelijk recht. Hiermee was een ontwikkeling afgesloten. In Noord-Frankrijk ontstond in Noord-Frankrijk een commentaar op de Bijbel, de ‘Glossa ordinaria’. In Parijs legde bisschop Petrus Lombardus de laatste hand aan een leerboek van de dogmatiek, de ‘Sententiae’. Deze drie systematische werken boden houvast in een tijd waarin domscholen uitgroeiden tot universiteiten. De pauselijke heerschappij ontplooide zich steeds verder. Na het concordaat van Worms leken de verhoudingen stabiel. De geestelijke leiding lag in deze tijd niet bij pausen of keizers, maar bij Bernard van Clairvaux. In 1152 kozen de Duitse vorsten Frederik van Hohenstaufen tot keizer. Deze Frederik I ‘Barbarossa’, met zijn rode baard, greep terug op theorieën van Karel de Grote en Otto I aangaande het keizerschap. In zijn rijk beheerste hij de kerk volkomen. Paus Alexander III kwam met hem in conflict. Frederik probeerde hem door tegenpausen te verdringen, maar in 1177 gaf hij dit op. Na de dood van deze paus dreigde de kerkelijke staat beklemd te raken tussen de gebieden van de Hohenstaufen. Door een huwelijk werden Sicilië en Zuid-Italië aan dit vorstenhuis verbonden. Maar keizer Frederik verdronk in 1190 op de derde kruistocht. Zijn zoon Hendrik VI stierf in 1197 plotseling, en de Duitse vorsten raakten verdeeld over zijn opvolging.

Paus Innocentius III
Juist in deze periode kreeg de kerk een krachtig leider: paus Innoncentius III (1198-1216). Hij was vooral jurist en vond dat de kerk vrij van aardse machten moest zijn en dat de paus over die machten heerste. Hij zag het pausdom niet enkel als voortzetting van Petrus’ bisschopsambt, maar ook de plaatsbekleding van Christus op de aarde. Dan waren de aardse vorsten niets anders dan leenmannen van hem. Verschillende vorsten bonden voor hem in. Koning Jan ‘zonder land’ van Engeland ontkwam aan een afzetting door zijn land aan de paus op te dragen, die het hem als leen teruggaf (1213). De hierover misnoegde onderdanen dwongen de koning een verklaring aangaande hun rechten af, de ‘Magna Charta’ (1215). Het pausdom gedroeg zich als boven-nationale instelling. De paus was ‘minder dan God, maar groter dan een mens’. Daaruit volgde zijn onfeilbaarheid. De bekroning van zijn regering was op het vierde Lateraanse concilie in 1215. Alle besluiten kregen pas rechtgelding als de paus ze afkondigde.

De macht van de Hohenstaufen is voorbij
Kort na dit concilie wisselden de machtsposities zich opnieuw. De onder pauselijk toezicht opgevoede zoon van keizer Hendrik VI was in 1211 tot koning uitgeroepen als Frederik II, in 1221 werd hij keizer. Hij was echter allerminst geneigd, leenman van de paus te zijn. Opnieuw raakte de kerk omsingeld door de macht van de Hohenstaufen. De pausen moesten nu als wereldlijke vorsten optreden, maar zij deden dat ook met kerkelijke middelen, zoals de persoonlijke rijksban of het landelijk verbod van kerkelijke plechtigheden: het interdict. Frederik II offerde zijn belangen in Duitsland op aan plannen om als een nieuwe Romeinse keizer te gaan heersen over de gebieden aan de Middellandse Zee. Maar de keizerlijke macht werd in Duitsland sterk uitgehold. Na zijn dood in 1250 verbrokkelde het rijk. De paus zorgde ervoor dat Zuid-Italië in Franse handen kwam. Het geslacht van de Hohenstaufen was uitgeroeid. Voortaan waren de koningen van Frankrijk en Engeland machtiger dan de Duitse keizer.

De babylonische gevangenschap van de pausen
Na 1250 hielden de pausen zich vooral bezig met de verslechterde situatie van de staatjes van de kruisvaarders. Op een concilie te Lyon in 1274 leek een hereniging met de oosterse kerk mogelijk te worden. Uiteindelijk voelde Constantinopel er niet voor. De koningen van Frankrijk waren trouwe zonen van de kerk. Maar Filips IV ‘de Schone’ (1285-1314) had voor zijn oorlogen tegen Engeland en Vlaanderen geld nodig. Daartoe belastte hij ook de geestelijkheid en het bezit van kerken en kloosters. Hiertegen kwam paus Bonifatius VIII (1294-1303) in verzet, maar het conflict werd bijgelegd. In het heilige eeuwjaar 1300, toen veel pelgrims Rome bezochten, steeg het zelfvertrouwen van de paus. In 1302 publiceerde de paus de bul ‘Unam sanctam’. Daarin bundelde hij kerkelijke theorieën aangaande een ‘theocratie’. De juristen van de Franse koning vochten dit aan. De paus werkte nu aan een banbul voor die koning, maar werd door zijn tegenstanders gevangengenomen. Na twee dagen bevrijd, stierf hij een maand later (1303). Nu raakten de kiezende kardinalen geheel onder Franse invloed. Paus Clemens V (1305-1314) vestigde zich in 1309 in Avignon: de ‘babylonische gevangenschap’ (1309-1377). Onder Johannes XXII (1316-1334) kwam een belastingstelsel tot stand dat over alle staatsgrenzen heen werkte.

Nieuwe gedachten over kerk en staat
De Italiaanse dichter Dante (1265-1321) uitte kritiek in zijn verhandeling Over de Monarchie. Hij zei dat de staat een eigen goddelijke opdracht heeft, het leiden van het aardse bestaan. De kerk heeft een andere taak. In zijn Goddelijke commedie hekelde hij de pausen die hun ambt hadden misbruikt, en hij verwachtte uitkomst van een nieuwe keizer. De Lombardische arts Marsilius van Padua ging uit van de macht van het volk: dat stelt de wetten op en laat die uitvoeren door gekozen overheden. De kerk is daaraan volkomen ondergeschikt. En het concilie heeft in de kerk het hoogste gezag. De Engelse minderbroeder Willem van Ockham (1284-1349) verdedigde een gescheidenheid van kerk en staat. De staat heeft een zelfstandig gezag.

Het westerse schisma: drie pausen tegelijk
De samenleving raakte maatschappelijk en geestelijk ontredderd. Rome verviel. Frankrijk en Engeland gingen elkaar beoorlogen. Hongersnoden troffen grote gebieden. Tegen 1350 werd Europa jarenlang geteisterd door ‘de zwarte dood’: de pest. Soms verdacht men de Joden ervan. Steeds sterker klonk de roep dat de paus naar Rome moest terugkeren. Toen paus Gregorius XI zich in 1377 te Rome vestigde en zijn opvolger Urbanus VI in 1378 niet deed wat de Franse kardinalen wilden, kozen die een tegenpaus: Clemens VII, en deze ging naar Avignon: het ‘grote westerse schisma’ begon. Kardinalen belegden in 1409 een hervormingsconcilie in Pisa. Ze zetten beide pausen af en koos een nieuwe. Nu waren er die pausen! Van 1414 tot 1418 vergaderde te Konstanz een nieuw concilie onder leiding van de Duitse koning Sigismund. Nu werd niet per hoofd, maar per natie gestemd. Duitsland, Frankrijk, Engeland, Italië en Spanje waren vertegenwoordigd. Het concilie wilde het schisma opheffen, de leer verdedigen en de kerk hervormen. Met de leer was het spoedig gereed door de veroordeling en verbranding van Hus! De opheffing van het schisma ging trager.

Het pauselijke ambt daalt in aanzien
De in 1417 gekozen paus, Martinus V werd uiteindelijk door alle landen erkend. De andere pausen konden nu inbinden. De overwinning die de ‘conciliaristen’ te Konstanz wisten te behalen, was van korte duur: het ‘curialisme’ steunde op het internationale ambtenarenapparaat dat van Rome uit was opgebouwd. De paus ging per land onderhandelen over hervormingen. Dat liep uit op een met die natie gesloten concordaat. Al verloor uiteindelijk het conciliarisme, alle winst was niet voor de paus. De naties werden steeds zelfstandiger, ook hun kerken. Engeland had bijvoorbeeld in 1353 al verboden om bij de paus in hoger beroep te gaan. De concilies hadden de pausen vrijgemaakt van de Franse overheersing. De benoeming tot paus werd nu een belangenstrijd. Die pausen verwierpen allemaal het conciliarisme en hadden hobby’s als kunstzin, militaire activiteit, weeldezucht, nepotisme of zedeloosheid. Het pauselijk ambt stond nu geheel in dienst van het familiebelang met intriges, verraad en desnoods met vergif. Boccaccio vertelde in 1353 dat een Jood juist door een bezoek aan Rome bekeerd werd, omdat een zo goddeloos geleide kerk enkel door een wonder van God nog kon bestaan!

Theologie en geloofspraktijk Middeleeuwen
Theologie en filosofie gaan volgens de scholastiek werken
Theologie bestond vooral uit het verklaren van de Bijbel met aanhalingen van de meest gezaghebbende kerkvaders. Alleen op kathedraalscholen waren de belangrijkste besluiten over de leer aanwezig. De wijsbegeerte werkte met andere teksten dan de theologie: vooral Plato en ook Aristoteles. Er kwam behoefte om zowel theologie als wijsbegeerte in een stelsel te verenigen. Op beide gebieden moest dan dezelfde methode toegepast worden, dezelfde ‘scholastiek’. Net als de apologeten wilden de docenten van de kloosterscholen laten zien dat het logisch denken van de oudheid niet in strijd was met de bijbelse boodschap.

Anselmus en Abaelardus
Aartsbisschop van Canterbury Anselmus (1039-1109) zag tussen geloven en wijsgerig kennen geen tegenspraak. ‘Het geloof zoekt naar redelijk inzicht’ (fides quaerens intellectum). De leer was ook redelijk aanneembaar te maken. Het verstand moest in dienst staan van de openbaring, alleen de gelovende kent de werkelijkheid. Anselmus zocht ook een antwoord op de vraag ‘waarom God mens werd’ (cur Deus homo). Door zijn ernstig nemen van de zonde ging hij in de lijn van Augustinus. Abaelardus wijdde zich aan het formuleren van de juiste vragen. Zijn werk ‘Sic et non’ (Ja en nee) wekte de indruk dat hij tegenstellingen allebei waar vond en dat voor hem niets vaststond. Hij wilde echter ‘eerst begrijpen, dan geloven’ (nihil credendum nisi prius intellectum). Hij werd door de kerk veroordeeld omdat hij een voorliefde zou hebben om allerlei tegenstrijdigheden in het geloof aan te wijzen. Ook ging hij door zijn manier van werken voorbij aan de verkeerdheid van de zonde. Abaelardus’ leerlingen dankten aan hem het zelfstandig kunne formuleren.

De universaliënstrijd
Er stonden twee ‘scholen’ tegenover elkaar in de vraag naar het ‘wezen’ van de dingen. De ‘idealisten’ ofwel ‘realisten’ stelden dat er algemene begrippen bestaan voordat de mensen met hun waarnemingen beginnen. Dit was platonisch: de begrippen waren al werkelijkheid in Gods ideeënwereld voordat ze werkelijk begonnen te vormen. Daartegenover stonden de ‘nominalisten’ die algemene begrippen als niet meer dan namen zagen. Dit was in de lijn van Aristoteles. Abaelardus vond de tussenweg: gematigd realisme. Hij zag de algemene begrippen in het overeenkomstige dat de afzonderlijke dingen gemeenschappelijk hebben. Binnen elk afzonderlijk ding was dat gemeenschappelijke werkelijkheid; het was dus niet ‘maar’ een naam.

Universiteiten, Albertus Magnus en Thomas van Aquino
Tegen 1200 ontstonden uit de belangrijkste scholen de eerste universiteiten: Parijs en Bologna en even later ook Oxford. De grootste uitdaging vormde het bekend worden van de werken van Aristoteles en andere Griekse auteurs in Arabische vertalingen, vooral via Spanje. De universiteiten werden spoedig bemand door docenten uit de bedelorden. In de rivaliteit tussen dominicanen en franciscanen bloeide de scholastiek op als nooit tevoren. Albertus Magnus (1206-1280) ging de gegevens van Aristoteles toetsen. Hij poogde een bewijs voor God te geven, zoals Anselmus voor hem, door Hem te beschrijven als de eerste Beweger. Thomas van Aquino (1225-1274) schreef bijbelcommentaren, toelichtingen op de dogmatiek van Petrus Lombardus maar ook op veel geschriften van Aristoteles en een ‘Summa theologiae’. Zorgvuldig hield Thomas denken en geloven uiteen. Het terrein van de rede is het natuurlijk leven. De rede kan bij haar onderzoek komen tot een ‘natuurlijke’ kennis van God. Die is echter onvolledig. Het natuurlijke leven is geen doel in zichzelf, maar streeft naar God. De genade geeft het ‘bovennatuurlijke leven’. ‘De genade heft de natuur niet op, maar volmaakt haar’. De zondeval scheurde de mens los van de bovennatuurlijke wereld. Christus herstelde dit. Door de sacramenten stroomt Zijn verlossingsmacht het menselijk bestaan binnen, zodat het natuurlijke leven haar oorspronkelijke bedoeling terugkrijgt. De samenleving functioneert daarom het beste als die uit gelovigen bestaat.

Kritiek op Thomas, Bonaventura en Duns Scotus
Thomas’ stelsel hield dus voor de rede een eigen taak, en het bood ruimte en vaktermen voor heel de toenmalige wetenschap. Het leek de kerk zelfs bruikbaar als wijsgerige toegang tot nieuwe wetenschappen. Paus Leo XIII maakte in 1879 het ‘thomisme’ tot verplicht onderwerp van de theologische studie. De rede had op het terrein van de openbaring een bescheiden rol: ze kon alleen met vergelijkende voorbeelden over de kern van de openbaring spreken. Al in zijn tijd klonk de kritiek dat zijn stelsel te harmonieus en te gesloten was. Voor de reformatorische theologen vonden dat de zonde bij hem niet te diep in de natuur doorgedrongen was. Genade zagen zij niet als ‘bovenbouw van de natuur’, maar als verzoening voor de gehele schepping. Geloof vonden zij meer dan een verstandshouding. De prediking van de dominicanen richtte zich op het verstand, de franciscanen meer op het gevoel. Thomas’ tijdgenoot Bonaventura sloot zich aan bij het werk van Augustinus en Anselmus. De ware kennis acht hij onmogelijk zonder Gods verlichting. Hij geeft geen eigen werkgebied voro de rede. Johannes Duns Scotus (1266-1305) ging in op het werk van Aristoteles. Hij kon tussen rede en openbaring ook niet het verband zien dat Thomas construeerde. God is immers vrij in Zijn wil om alles zo te bepalen als Hij deed. Duns Scotus dichtte de mens ook vrijheid van willen toe om de openbaring al of niet te aanvaarden. Op het gezag van de kerk aanvaardt de mens de openbaring. Dit kerkelijk gezag berust niet op verstandelijk inzicht.

Willem van Ockham en de via moderna en antiqua
Willem van Ockham zag de scheiding van Duns tussen begrijpen en geloven als tegenstelling. Op de openbaring kan de mens alleen antwoorden met geloof. De openbaring komt voor uit Gods wilsbesluit. Schepping en openbaring hadden anders gekund; Gods ‘willekeurigheid’ is tegen-redelijk. De zekerheid over de openbaring ligt in de Bijbel en de kerkelijke traditie. Ockham vond de machtskerk van zijn tijd ongeloofwaardig. Geloof werd voor hem een persoonlijke daad van gehoorzaamheid aan het gezag van Gods boodschap. Bij hem is geen plaats voor mystiek of puur verstandsdenken. Het vernieuwde nominalisme van Ockham kreeg als ‘via moderna’ snel aanhangers. Toch hield het realisme ook stand: de ‘via antiqua’. Er kwam toenemende belangstelling voor de mens zelf. Nicolaans van Cusa (Casanus) omschreef de mens als ‘wereld in het klein’ (microkosmos). Hij richtte zijn onderzoek ook op andere terreinen, zoals de wiskunde en sterrenkunde. Hij was het die vroeg om een wetenschappelijke bestudering van de koran, in verband met de dreiging van de mohammedanen.

Nieuwe verhoudingen
Ongeveer vier eeuwen, tussen 1050 en 1450, was voor de theologie de vraag centraal naar haar verhouding tot de wijsbegeerte. Aanvankelijk stond de filosofie geheel in theologische dienst. ‘Ik geloof om te begrijpen’ (credo ut intelligam) zei Anselmus. De discussie kwam met Thomas op of de rede op het bovenmenselijke gebied bruikbaar is. De wegen van theologie en filosofie gingen uiteen toen Ockham uitdagend formuleerde: ‘Ik geloof omdat het ongerijmd is (credo quia abserdum). Er kwamen nieuwe machten op: de nationale staten. En een nieuwe stand: de stadsbevolking. De maatschappelijke tegenslagen en het pauselijke wanbeleid riep twijfels op naar de juistheid van het Middeleeuwse stelsel. Vanouds was geleerd dat de genade het aardse vervult en werkte in de kroning van de paus, en de zalving van de vorst. Wyclif deed dit door een aanval op het pausdom, de geestelijkheid en de sacramentsleer in te zetten.

Mystiek in het oosten
De geloofsvormen binnen de kloosterorden maakten een bloei van de mystiek mogelijk. Het streven naar het eenworden met God was een zeer persoonlijke geloofsweg. Eenzaam gebed en meditatie over teksten leidde daartoe. De christelijke mystiek onderging sterke platonische invloeden: de ziel, van oorsprong goddelijk, bereikt na de weg van zelfreiniging en vervolgens denkverlichting het doel, de gelijkvormigheid met God. Omstreeks 1000 leerde een abt te Constantinopel, Symeon ‘de nieuwe theoloog’ dat de reinen van hart God hier op aarde mogen zien in de gedaante van het licht. Met technieken probeerden de kloosterlingen dat licht waar te nemen. Ze heetten de ‘hesychasten’ (hesychia, beschouwende rust). In 1351 kwam de oosterse kerk tot de uitspraak dat hen legitimeerde. In de Russische kerk waren soortgelijke mensen: de ‘staretsen’ (grijsaards). De westelijke wereld leerde hun betekenis pas kennen uit het werk van Dostojevski, ‘De broers Karamozov’.

Mystiek in het westen
Johannes Scottus Eriugena verbreidde het christelijk platonisme tijdens de Karolingers. Er tekenden zich twee wegen af: Bernard van Clairvaux sprak vooral in termen van gevoel (affectieve mystiek), Hugo St. Victor drukte zich uit in termen van redelijke bespiegeling (speculatieve mystiek). In dominicaanse nonnenkloosters heerste sterk de gedachte van de verhouding tot Christus als hun hemelse Bruidegom. Meister Eckhart (1260-1327) noemde God het enige Zijn dat in alles werkt. De mens heeft een vonkje daarvan als zielengrond. Gods Zoon wil in die ziel geboren worden, dus de ziel bewust maken van haar eenheid met God. Daartoe moet de ziel in ‘gelatenheid’ de eigen wil loslaten. Dat is de eerste trap op de weg naar God: reiniging van het hart. Daarna volgt de verlichting en vereniging. Zijn leerling Heinrich Seuse probeerde deze mystiek aan te sluiten bij de kerkleer. Johannes Tauler (1300-1361) legde nadruk op de eenwording van de menselijke wil met de goddelijke. In het Rijnland ontstonden kringen van niet-kloosterlingen die zich ‘Godsvrienden’ noemden. In de Nederlanden gebeurde ook iets dergelijks. Jan van Ruusbroec (1294-1381) beschreef een mystieke weg die ook buiten het klooster mogelijk is. De mystici ontsloten een bron waarop de theologen vóór 1300 weinig oog hadden gehad: de volkstaal. Elk land kreeg een eigen vroomheidsliteratuur. Thomas van Kempen (1379-1471) schreef ‘De imitatione Christi’, hij zat op het klooster op de Agnietenberg bij Zwolle.

Eenduidigheid in de liturgie en vaststelling van sacramenten
In de oostelijke kerk lag de ontwikkeling van de leer sinds 787 stil. Rechtzinnigheid werd er gemeten aan de eredienst. Het patriarchaat van Constantinopel had deze een vaste vorm gegeven. De oostelijke eredienst was een dienst van een zingende gemeenschap. Uit de kloosters nam de kerk het houden van de gebedstijden over. Bij de doop hield men vast aan de eenheid van onderdompeling en zalving, deze laatste als teken van de gave van de Heilige Geest. Onder Otto I werden in het westen de modellen van Rome ingevoerd. Het aantal sacramenten was eerst nog onbepaald, maar Petrus Lombardus begrensde het tot zeven en dat werd ook de officiële leer: doop, vormsel, boete, eucharistie, huwelijk, priesterwijding en zalving. Hun vorm stond nu vast, maar de betekenis voor het volksgeloof veranderde nogal. De doop werd opgevat als het wegwassen van de erfzonde. Over de eucharistie deed het concilie van 1215 een belangrijke uitspraak: het beleed dat brood en wijn veranderen in de substantie van Christus’ lichaam en bloed op het moment dat de priester Christus’ instellingswoorden uitspreekt: transsubstantiatie. De laatste was tegen de achtergrond van het komende oordeel, waardoor de dood een schrikaanjagende aangelegenheid was, zoals ook Thomas van Celano in zijn lied ‘Dies irae’ laat horen.

Predikers, heiligenverering, de rozenkrans, de brevier en de mis
Speciale bedelorden legden zich toe op de verwaarloosde prediking. Die hielden dan op vaste tijden prekenseries in hun keken of in parochiekerken. In Nederland was Johannes Brugman (1399-1473) een preekberoemdheid; hij werd spreekwoordelijk bekend. Meer nog dan de prediking bood het voorbeeld van de heiligen. Hun volstrekte toewijding liet zien hoe overvloedig de genade in hen werkte. Die genade kwam aan andere gelovigen ten goede, wanneer die hun voorspraak vroegen, zowel tijdens leven als erna. Bovenal werd Maria de voorspreekster, aan wie haar Zoon niets zou kunnen weigeren. Dit alles resulteerde in reliekenverering. Ook bloeide het ‘mirakelgeloof’ op. Kloosters hadden devotievormen. Als hulpmiddel voor het tellen en rangschikken van de vele gebeden brachten de dominicanen later een kralensnoer in gebruik, de ‘rozenkrans’. De wereldgeestelijken gebruikten de teksten van de getijdendiensten voor persoonlijk gebed; die teksten werden gebundeld in een ‘brevier’. In de westelijke kerk hoefde je niet aan de mis mee te doen. De priester deed dat namens de gemeenschap. Zelfs een ‘stille’ mis was mogelijk (wanneer er geen kerkgangers waren), ook dan hield de mis zijn waarde. De gelovigen vereerden de geconsacreerde ‘hostie’, die in een kostbaar omhulsel, de ‘monstrans’ op het altaar werd opgesteld.

Opkomst aflaathandel
Met de ontwikkeling van de openlijke schuldbelijdenis naar persoonlijke biecht had de boetedoening zich gewijzigd: na de vrijspraak kon de priester enige kerkelijke bestraffingen opleggen. Daarna werd de straf kwijtgescholden middels een aflaat. Na de dood kwam de gelovige in een louteringstijd, het ‘vagevuur’. De aflaathandel bracht veel geld in het laatje; het pauselijke hof betaalde hiermee kerkbouw, dijkversterking en andere grote taken. De gedachte kwam nu op om ook toekomstige zonden alvast te gaan vergeven, om zo verzekerd te zijn van nog meer geld. De aflaatprediking putte uit de theorie van de ‘schat van de kerk’. Christus heeft een oneindige verdiensten en de heiligen hebben ook veel goede werken. Laatstgenoemden hebben meer goed gedaan dan nodig was, die overtollige goede werken kwamen in de ‘schat van de kerk’ wat weer uitgedeeld kon worden aan anderen middels een aflaat.

Jodenvervolging
Kerkleden beschouwden de macht van het kwade als geestelijk en stoffelijk. Ze werd belichaamd in de duivel. Deze machten waren vooral in de Joden te vinden, ze waren de ‘moordenaars van God’. In sommige steden werd hun een eigen wijk toegewezen: het getto. Het lot was dragelijk in Italië, waar de paus hen enige vrijheid gaf, en in Oost-Europa. Na de hevige kruistochtvervolgingen hadden velen in Polen een toevlucht gezocht. In Duitsland, Frankrijk en Engeland lagen economisch betere mogelijkheden, maar ook hieruit werden de Joden verdreven. Uit Engeland in 1290, Frankrijk in 1394 en de Duitse landen sloten zich grotendeels hierbij aan. Nog feller keerden men zich tegen ketters en heksen. Jeanne d’Arc werd in 1431 om politieke redenen verbrand, hoewel dat gebeurde op grond van ketterij (niet van hekserij).

Koorruimten in de kerk
Kunst stond eeuwenlang in kerkelijke dienst. De eredienst had recht op het meest kostbare en duurzame wat de toenmalige wereld kende. Mozaïeken beeldden de hemelse liturgie af. In Rusland kwamen vanaf de 12e eeuw de ‘ikonen’ in gebruik: helder stralende schilderingen op hout. De westelijke kerk hield zich aan de vormen van de basiliekbouw. De eredienst bepaalde de indeling. Het middenschip bleef bedoeld voor de gelovige, het koor voor de geestelijkheid. De koorruimte moest worden uitgebreid omdat de geestelijken zich gingen groeperen tot een kapittel om de getijden te zingen en te bidden, naar de vorm van de kloosters. De altaartafel kreeg een hoge versierde achterbouw. Degene die de mis opdroeg kwam dus met de rug naar de gelovigen te staan. Het koor kreeg de betekenis van een nog heiliger ruimte dan de rest van het gebouw. Om toch de mogelijkheid geven dicht bij het altaar te komen, kwam er een smalle omgang omheen; het gewelf boven het altaar rustte dan op zuilen of pijlers. Al te breed kon die omgang niet zijn, want dat was voor de bouwvakkers te moeilijk.

Romaans en Gotisch
De diensten, ook de getijden, werden door klokgelui aangekondigd. Daarvoor was een toren nodig. Klimaat, materiaal en de funderingsmogelijkheden legden beperkingen op in de meest westelijke landen. De aanduiding ‘Romaans’ voor de zware, donkere en strakke stijl in deze tijd stamt uit 1820. Het centrum lag in Bourgondië. Bernard van Clairvaux verzette zich scherp tegen de overdaad van Cluny. Zijn eigen cisterciënzerorde bouwde sober, zonder torens en nagenoeg zonder beeldversieringen. Maar de bisschoppen en architecten wilden meer. De druk van de gewelven werd teruggebracht op luchtbogen en steunberen, zodat de muren minder te dragen kregen. Nu kwam er plaats voor grote ramen, meestal met een spitsboog, en dus voor veel licht in de kerkruimte. Kathedraalbouwers wedijverden in het bereiken van de meest indrukwekkende hoogten. Zo ontstond een virtuoos omhoogstrevende stijl, in Italië als barbaars gevoeld en daarom aangeduid met het scheldwoord ‘Gotisch’. Deze vorm leek God nog meer te verheerlijken dan de vorige al deed.

Literaire ontwikkelingen
In het Scheldegebied schreef Jacob van Maerlant in 1270 zijn ‘Scholastica’, later aangeduid als de ‘rijmbijbel’, om de bijbelse verhalen geharmoniseerd aan zijn lezers door te geven. De Italiaanse literaire taal raakte in één slag bekend door het werk van Dante. Zijn ‘La Divina Commedia’ (1313) beschreef zijn tocht door hel, louteringsberg (het vagevuur) en de hemel. Dante (in conflict met Bonifatius VIII gekomen) kritiseerde hen die verantwoordelijk waren voor het verval van kerk en samenleving, en hekelde ze door hun de plaats onder de eeuwige veroordeelden te wijzen. Dante vond dat Constantijn nooit aardse macht aan de paus had moeten geven. Hij noemde het pausdom van zijn tijd de ‘grote hoer’ (Openbaring 19:2).

De Renaissance
Sinds Karel de Grote had de westelijke kerk de cultuur beheerst en aan de mens een plaats gedeelte toegewezen in de samenleving. Daarbij had zij veel prijsgegeven van haar eigen karakter. Waldenzen, bedelorden en conciliaristen veroordeelden haar aanpassing aan de wereld. Maar ook op andere manieren probeerde men van de kerkelijke overheersing af te komen. Ze gingen vragen naar de mogelijkheden en rechten die de mens ‘van nature’ bezit. Of de kerkleer daarvoor ruimte bood, interesseerde hen matig. In Italië ontwikkelden veel belangrijke steden, de burgerij werd zelfbewust en men ging zoeken naar onderwijsvormen buiten de kerkelijke scholen om. Tegenover de vernedering in politiek opzicht richtte zij zich op het glorieus verleden waarin het klassieke Rome de wereld beheerste. Zij idealiseerde dat verleden, alsof destijds de enkeling meer vrijheid had gehad. Zo kwam het tot een herontdekking van de klassieke beschaving. Vooral op het gebied van het recht, de dichtkunst en de architectuur. De weg was vrij voor de ontplooiing van stadsculturen. Een dichter sprak over het zich ontworstelen uit een ‘tijd van duisternis’. De Rennaissance (wedergeboorte) was dus een stadsbeweging, wat mogelijk werd door de stedelijke welstand. Naast adel en kerk kwam er dus een nieuwe groep die kunstwerken kon bekostigen.

Savonarola
Girolamo Savonarola (1452-1498) te Florence preekte tegen de levensstijl van de stadsrenaissance. Zijn preken kregen zo’n greep op de bevolking dat zij alle uitingen van werelds leven ging vernietigen. De heersersfamilie van de Medici moesten de stad uit. Fel bestreed Savonarola ook paus Alexander VI. Deze verbond zich met de tegenstanders van de boeteprediker (de vijand van je vijand is je vriend). Het lukte uiteindelijk om Savonarola op te pakken. Hij werd gefolterd, opgehangen en verbrand. Hij was een ‘voorloper van de Reformatie’. Maar anders dan bij Wyclif en Hus week hij nog niet van de officiële kerkleer.

Het humanisme
Er kwam ook wantrouwen tegen de kerkelijke beoefening van de wetenschap. Geleerden wilden ‘terug naar de bronnen’. Dit alles inspireerde tot nieuw onderzoek, en nauwkeuriger waarnemen. Al in 1300 kwam in Italië een nieuwe kijk op de mens: nadruk kwam te liggen op de ‘humanitas’, de menselijkheid. Zo ontstond de aanduiding ‘humanisme’. De humanisten wilden net als de conciliaristen werken aan een hervorming van de kerk in hoofd en leden. De weg van de conciliaristen was echter na 1450 doodgelopen. In die tijd was ‘humanisme’ beslist ‘bijbels humanisme’. Het wilde het geloof dienen. We moeten het niet verwarren met het hedendaagse humanisme. De uitvinding van de boekdrukkunst circa 1450 luidde een nieuwe periode in. In Nederland was Wessel Gansfort (1419-1489) een humanist, die kritiek uitte op de overschatting van pausen en concilies, op de aflaattheorie en de heiligenverering. Het hoogste aanzien kreeg Desiderius Erasmus (1467-1536), priesterzoon (zijn vader hield zich dus niet aan de regels) uit Rotterdam. Baanbrekend was zijn publicatie van het Nieuwe Testament in de Griekse grondtekst. Algemener bekend werd hij door zijn ‘Lof der zotheid’ (1509), waarin hij de onkunde van de meeste geestelijken hekelde en het feit dat zij de gelovigen dom hielden. Veel humanisten hebben in hun leven Luther nog meegemaakt.

Gepubliceerd in augustus 2007