Willem van den Bergh 1850-1890

n.a.v. P.L. Schram, Willem van den Bergh 1850-1890, Amsterdam 1980

Nog jeugdige krachten in Nederland
Toen Groen van Prinsterer in 1876 kort voor zijn sterven zei: ‘Let wel! Er zijn nog jeugdige krachten in het land’, doelde hij onder andere op Van den Bergh. Willem van den Bergh werd op 25 februari 1850 in Den Haag geboren, waar ze lid waren van de Waalse Gemeente. Het lijkt dat zijn ouders vrijzinnig waren, maar daar is geen duidelijkheid over. Van den Bergh studeerde net als Kuyper, Bavinck en Rutgers in Leiden, waar hij in 1869 summa cum laude afstudeerde in de rechten (hij studeerde rechten omdat dat hoorde bij zijn stand). Hierna studeerde hij theologie en kreeg hij J.H. Scholten als promotor. Van den Bergh is pas aan het einde van zijn studiejaren ‘krachtdadig bekeerd’. Van den Bergh had voor het maatschappelijk gebeuren intensieve belangstelling. Van den Bergh verveelde zich nogal eens tijdens de colleges. Hij zorgde er altijd voor een studieboek bij zich te hebben!

Bekering
Van den Bergh werd ‘boetprediker onder de studenten’ genoemd en viel op door ‘den zoo innemenden indruk van zachtheid die hij maakte’. Hij was een prettig jongmens en allerminst wereldvreemd. Hij was actief in debatteerclubs. Op veel terreinen was hij actief. Omstreeks 1875/1876 moet een blijvende verandering in Van den Berghs leven hebben plaatsgevonden. De bekering lijkt het resultaat te zijn van een proces. ‘Maar ik ben veranderd zooals gij terecht opmerktet, ja zeer veranderd. Het jaar dat achter mij ligt is een nieuw geboortejaar voor mij geweest. (…) God heeft mij deze geschonken.’ Zijn bekering is allereerst inkeer geweest, schuldbesef. Van den Bergh is met zichzelf en zijn schuld bezig gebleven tot zijn sterfbed toe. Dat heeft zijn verdere leven bepaald. Hij heeft Gods heilige toorn gevoeld over een studentenwereld waarbinnen alles toegestaan leek en het woord ‘zonde’ niet voorkwam.

Tegen de prostitutiepraktijk
Van den Bergh stelde vanaf nu misstanden aan de kaak, zoals de gewoonte in de academische wereld om regelmatig de prostituees te bezoeken. Hij promoveerde in de rechten in 1878, op het onderwerp: ‘De strijd tegen prostitutie in Nederland’. Er was veel mis met de bestaande prostitutiewetgeving. Het werd gelegitimeerd, eigenlijk bevorderd. Prostitutie vond hij als in strijd zijnde met de waardigheid. Die mens beseft dat dit alles het daglicht niet kan verdragen. Prostitutie behoort typische bij de nacht. Toen de Germanen de erfenis van het Romeinse Rijk overnamen, drong ook bij hen de ontucht door. Tot in de kloosters en aan de hoven burgerde deze in. Als plaatsen van praktijk golden voornamelijk de badstoven, oorspronkelijke badhuizen, later ‘bordelen’ (aan het ‘bord’, de oever van de rivier). Ze namen dermate in aantal toe dat men aan het eind van de Middeleeuwen wettelijke regelingen ging invoeren betreffende plaats van vestiging en aantal.

Magna cum laude
Met de Reformatie werd het Evangelie gepreekt; de wet ook wel, maar zeker niet afdoende. Zo groeide met name in de tweede helft van de 18e eeuw de lichtzinnigheid. Napoleon heeft de prostitutie in zijn Code Pénal gelegitimeerd en ingevoerd in alle onderworpen gebieden. Na zijn verbanning heeft het bevrijde Europa de situatie gelaten zoals deze was. Elke prostituee was verplicht zich bij de politie te melden, een register werd aangelegd, daarmee kreeg de prostitutie een gewettigde plaats in de samenleving. Wat wilde Van den Bergh hiertegen doen? Het ging er niet om dat de overheid de prostitutie zelf zou bestrijden, dát was haar taak niet, de instanties die daartoe aangewezen waren, zoals de kerk, moest dat doen. Maar de overheid moet in ieder geval niet reglementeren. Zijn dissertatie over dit onderwerp werd met de doctorsgraad magna cum laude bekroond.

Het genadeverbond
In 1879 promoveerde Van den Bergh in de theologie: ‘Calvijn over het Genade-verbond’. Het dogma van het verbond behoorde volgens hem tot de centrale gereformeerde geloofswaarheden. Hij betoogde dat zij de tegenhanger en aanvulling vormde bij de leer van de uitverkiezing die zich op de enkeling richt. Zijn promotor J.H. Scholten vond dat het nodig was de gereformeerde dogmatiek te doen herleven, maar zelf had hij daarvan een zodanige herinterpretatie gegeven dat Kuyper later kon verklaren dat hij in zijn gehele studententijd te Leiden nooit over het verbond had horen spreken. Merkwaardig is dat de Leidse faculteit geen bezwaren lieten horen tegen Van den Berghs proefschrift. Een groot deel van de tijd ging verloren aan een discussie over één van de stellingen van Van den Bergh, ‘Improverseren op den kansel moet uitzondering, geen regel zijn’, waartegen Pierson in oppositie kwam.

Man van uitersten
Van den Bergh werd getroffen door Gods oordeel, door de boodschap dat mensen verkoren of verloren zijn. Hij verlangde steun bij zijn hunkering naar heilszekerheid. Hij wilde ‘bevindelijk’ doordringen in de ziel. Dat betekende worsteling. Dit alles leidde tot hartstochtelijkheid, bij geloven en polemiseren. Van den Bergh zal fel gaan veroordelen en afwijzen, maar ook vurig volgen. Van den Bergh trouwde met Piersons oudste dochter Ida. Zij was 8 jaar jonger dan hij. Haar familie had bedenkingen bij Van den Begh, die zei dat hij eigenlijk niet waard was haar man te worden en dat hij niet meer was dan ‘adderengebroed’. Ook het feit dat hij zo’n belangstelling voor het prostitutievraagstuk had, vonden ze vreemd. Uiteindelijk zijn ze in 1879 getrouwd. In een boek heeft Van den Bergh de zin onderstreept: ‘De ongehuwde staat moet (op grond van Gods Woord) een uitzondering blijven’. Het is een gelukkig huwelijk geweest.

Geen talentvol spreker
Van den Bergh werd in 1879 predikant in Schaarsbergen. Hij deed intrede met Ezechiël 33. ‘…Daarin heb Ik lust dat de goddeloze zich bekere en leve…’ De toon was somber en ernstig. Van den Bergh stelde zich zeer bescheiden op, hij wilde niet in toga preken en legde evenmin de zegen aan de gemeente op. De kerk werd voller en voller, ondanks een gebrek aan oratorisch vermogen bij Van den Bergh. Hij sprak nogal schuchter, met een hand aan de kin. Hij was trouw in zijn pastoraat, wandelde graag naar de boerderijen. Hij stichtte een christelijke school en een zondagsschool. Het is opmerkelijk hoeveel hij voelde voor kinderen. Van den Bergh wilde het schoolgebouw niet verzekeren, en zag deze principiële houding gestaafd toen bij een bosbrand het houten schooltje wonderlijk gespaard werd. De school was een belangrijke mogelijkheid om de kinderen te bereiken met de waarheid waarvan Van den Bergh meer en meer overtuigd was geraakt.

Barmhartigheid, geen offerande
Van den Bergh stond op goede voet met de kerkenraad. Hij vroeg ze zelfs toestemming als hij elders moest spreken. Ook bij het ontvangen van een beroep (43 keer in Schaarsbergen) vroeg hij de mening van de kerkenraad. Tot gericht studeren kwam het in Schaarsbergen weinig. Wel schreef hij een opstel ‘Barmhartigheid en niet offerande’. Hij herinnerde aan Voetius die in zijn Politica Ecclesiastica betoogt dat in een gereformeerde staat de zorg voor armen, wezen, weduwen en zieken niet bij de overheid hoort, maar bij de diaconie. Alle fondsen, inrichtingen, gestichten, huizen en verzekeringen van onze moderne tijd zijn volgens Van den Berg een aanklacht tegen de gemakzucht van de huidige diaconie.

Sterven vrouw als keerpunt in zijn denken
Van den Bergh had een zwakke gezondheid. Dit ervoer hij echter als geestelijke winst. Zijn vrouw stierf al in 1884. Hij werd niet opstandig. Hij werd wel steeds ernstiger, huiverend voor God en Zijn heiligheid. ‘Het ontslapen van Ida bepaaldelijk heeft mij in ’t bijzonder nauwer bepaald bij het lijden der kerk in meer dan één opzicht en bij het diep verval der wetenschap als van God vervreemd.’ Van den Bergh klaagt nogal eens over ‘een zeer droevige geestelijke toestand, waarin ik tot niet lang geleden verkeerde, gevolg en vrucht van groote zonden waarvan ik mij bewust ben’. Overdreef Van den Bergh hier? Hij bemerkte bij hen die zich gereformeerd noemden te weinig ban dit schuldbesef. Steeds duidelijker was het hem geworden dat alleen een nauwe binding aan de gereformeerde belijdenis, kerkorde en levensstijl, op 17e-eeuwse Nederlandse manier, redding zou brengen uit het lijden.

Veranderingen in de gemeente doorgevoerd
Van den Bergh ging kinderen uit gedwongen huwelijken op een aparte dag dopen, liet alle stemgerechtigden het Kort Begrip onderschrijven en besloot Goede Vrijdag niet langer te vieren. Ook de bibliotheek van de Jongelingenvereniging werd gezuiverd. Van den Bergh las graag boeken uit de Nadere Reformatie. In 1883 nam Van den Bergh deel aan een conferentie te Amsterdam van afgevaardigden van diverse kerkenraden. In 1884 nam hij afscheid van de gemeente Schaarsbergen. Deze gemeente zou uiteindelijk in meerderheid niet meegaan met de Doleantie. Het is niet bekend of Van den Bergh ooit terugkeerde naar Schaarsbergen, om bijvoorbeeld het graf van zijn vrouw te bezoeken. Preken mocht hij er niet meer naar de Doleantie.

Voorthuizen: de kerkstrijd kan beginnen
Van den Bergh nam in 1884 het beroep naar Voorthuizen aan. Dit deed hij om van daaruit de kerkelijke strijd te voeren. Hij schreef aan Kuyper (die hem al een paar keer gevraagd had een functie op de VU te aanvaarden): ‘Ik geloof dat de kleinere gemeenten op kerkrechtelijk gebied zwaarder roeping hebben dan de steden.’ Hij was van oordeel dat als er érgens kans van slagen was, dit in de classis Harderwijk moest zijn. Gezien de achtergrond van Van den Bergh kunnen we goed begrijpen waarom hij zich aangetrokken wist tot de kerkpolitiek van Kuyper. Het ging om herstel van de ‘ware’ Ned.Herv.Kerk, niet om een afscheiding. Voorthuizen wist dat Van den Bergh dit wilde en accepteerde dit, stond erachter. De intredepreek was een woord dat meer dan eens in zijn leven naar voren komt: Psalm 51:19,20. ‘Een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten. Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem op.’ Meteen na zijn komst noemde hij de gemeente ‘Gereformeerde Kerk van Voorthuizen’.

Instemming van zijn gemeente
Bepaalde dingen veranderden: nalatigheid van kerkgang werd reden tot censuur, er werden nieuwe bijbels aangeschaft zonder de gezangen erin en het woord ‘gezang’ werd van de borden in de kerk verwijderd. Er was geen verzet uit de gemeente hiertegen. Hij vond overal instemming. Het gemeenteleven kwam tot bloei. In het bijzonder onderstreepte Van den Bergh de betekenis van de ouderlingen en diakenen. Hij vond herkiesbaarheid van aftredende kerkenraadsleden niet wenselijk om een opmerkelijke reden. Na het aftreden blijkt pas of iemand terecht het ambt bekleedde; als men dan geen bezoeken meer brengt en de nood in de omgeving voorbijloopt blijkt het dat de betrokkene nooit van harte ambtsdrager is geweest. Van den Bergh richtte een jongelingsvereniging op. Hij was ijverig in huisbezoek, zowel in Voorthuizen als in de naburige gehuchten Zwartebroek en Kootwijkerbroek. Ook al deelde Van den Bergh hun bezwaren tegen een ruime invitatie bij de avondmaalsviering niet, toch was hij sterk onder de indruk van de ‘vromen’, die een belangrijke rol vervulden in het gemeenteleven.

Teruggetrokken leven
Ook in Voorthuizen en omgeving stichtte Van den Bergh christelijke scholen. De zondag voorafgaand de Doleantie liet hij Ps. 74:19 zingen: ‘Het land is vol van duistere moordspelonken’. Dit pastte hij toe op de gemeenten waar naar zijn overtuiging ‘zielen werden vermoord’. Van den Bergh heeft Abraham Kuyper trouw gevolgd. Hij heeft hem wel bekritiseerd. Ook zijn schoonvader Pierson had zo zijn bedenkingen: ‘Bij Kuyper zitten de dingen altijd zoo raar in elkaar’. Van den Bergh gaf de voorkeur aan een teruggetrokken leven. Hij wilde niet meer zijn dan een ‘eenvoudige predikant’, hij voelde zich geroepen tot de ‘kerkelijke kwestie’. Van den Bergh werd aangewezen als opvolger van Hoedemaker aan de VU, om praktische vakken te doceren. Hij wilde dit alleen als hij ook predikant in Voorthuizen kon blijven.

Doleantie begonnen
Van den Bergh zag in de toezegging van beroep die de kerkenraad van Kootwijk wilde uitbrengen op J.H. Houtzagers en het ongeoorloofde daarvan jegens de reglementen van de Ned.Herv.Kerk een gerede aanleiding om de kerkreformatie ter hand te nemen. In andere gemeenten in de classis vond de Doleantie vervolgens plaats. Naast Voorthuizen was dat in Ermelo, Harderwijk, Nunspeet en Doornspijk. In Oldebroek kwam de kerkenraad terug van haar aanvankelijke toezegging, omdat de kerkvoogdij bang was het kerkgebouw te verliezen. Van den Bergh had de kerk van zijn dromen voor ogen. Hij ging verder dan Kuyper. Hij verwierp wat niet bij de kerk hoorde: de rest ging onder zijn censuur. Niet hij scheidde zich af, maar de anderen. Van den Bergh staat bekend als meer ‘geestelijk’ dan Kuyper. Echter, Van den Bergh was ook een leider die weloverwogen te werk is gegaan. Hoedemaker dacht tijdens de Doleantie dat hij gelijk dacht als Van den Bergh, maar uiteindelijk koos Van den Bergh voor Kuyper.

Geen nuances
Wie als Van den Bergh bezeten is geraakt door zijn ideaal, ziet geen nuances en zeker geen ongelijk meer, ook al spreekt hij nog zoveel over verootmoediging en schuldbesef. Hij dacht heilig dat hij in zijn gelijk stond. Daarom heeft hij de strijd voor de rechter tot vlak voor zijn dood volgehouden. Daarbij kwam zijn juridische scholen nog goed van pas. Maar ook de hervormde synode beschikte over geharnaste juristen, die uiteindelijk alle zaken wonnen. Een vroegere wijkpredikant van Van den Bergh, J.H. Gunning jr., vond het onnodig te breken met de kerk; hij wilde trouwe blijven en het bederf van binnenuit bestrijden. De waarheid kan immers zichzelf wel verdedigen en handhaven.

Zondigen aan de Tien Geboden
Van den Bergh ging te ver. Hij beschouwde zijn zaak als Gods zaak. Hij heeft zelfs uitgesproken dat iedere kerkenraad die nog onder het ‘synodale juk’ bleef, zich dag aan dag bezondigde aan elk van de Tien Geboden. De uitdrukking ‘valse kerk’ werd toegejuicht door Kuyper. ‘Lijdelijkheid kan zonde zijn; wie lijdelijk blijft onder de synodale organisatie, verzwaart zijn zonde’. Het diepste kerkverval was volgens Van den Bergh dat er aan het geestelijk leven geen aandacht werd besteed, er vele vacante gemeenten waren en de rijken boven de armen werden geplaatst. Het verval toonde zich door de geringe financiële bijdragen. Ieder behoorde volgens Van den Bergh tien procent te geven van alles wat hij verdiende.

Vereniging van 1892 voorbereid
Van den Bergh gaf een nieuwe uitgave van de Dordtse Kerkorde uit. Van den Bergh maakte ook deel uit van de dolerenden die samensprekingen voerden met de afgescheidenen. Drie verschillen kwamen naar voren: de afgescheidenen hadden de kerk verlaten zonder de belijdenis dat ze medeschuldig waren, zij wilden de ware gereformeerde kerk in leer en kerkregering, terwijl de dolerenden in het bijzonder de hervorming van de plaatselijke kerken bedoelden en zij propageerden een kerkgenootschap verdeeld in gemeenten, terwijl de dolerenden in elke plaatselijke kerk een openbaring van het lichaam van Christus zagen. Van den Bergh maakte de Vereniging van 1892 niet meer mee.

Heldring
Met Ottho Gerhard Heldring zette Van den Bergh zich in voor de Inwendige Zending, zoals dat toen genoemd werd. Hij dacht er theoretisch en praktisch over na. Van den Bergh vindt dat er gewerkt moet worden aan herstel van de diaconieën in plaats van het vormen van allerlei inrichtingen en verenigingen. Híéruit blijkt dat de kerk ernstig ziek is, dat ze geen oog heeft voor de werken der barmhartigheid. Van den Bergh gaf onder andere het initiatief tot de oprichting van Veldwijk en na zijn dood drie gestichten in Ermelo waaronder ’s Heeren-Loo en de Willem van den Bergh-stichting te Noordwijk.

Waarom er geestelijke ziekten zijn
Waarom deed Van den Bergh dit? Het heeft te maken met zijn visie op mens en wereld. De krankzinnige toont waartoe het met de mens in de 19e eeuw, die hoog van zichzelf dacht, kon komen. Het werk onder krankzinnigen bracht Van den Bergh tot schuldbesef en schuldbelijdenis. Jesaja 58:1 haalt hij daarbij aan: ‘Roep uit de keel, houdt niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig mijn volk hun overtreding en het huis van Jakob hun zonden’. Alleen hij die schuld beleed zou de oorzaken van de krankzinnigheid kunnen opsporen. Hij betoogde dat er een geestelijke ziekte is die elk kind van Adam van nature eigen is. De toename van krankzinnigheid hing samen met het duidelijke geestelijke verval onder Gods kinderen. De reglementering van de prostitutie en de vaccinatiedwang bewijzen het geneeskundig Babel waarin wij leven. Zulke misstanden kunnen bestreden worden in Christus’ Geest en naar Zijn Woord. Vandaar de noodzaak tot kerkherstel. Op ons allen ligt een oordeel.

Diaconieën mogen niet oppotten
Barmhartigheid, niet offerande, was zijn dringend appel. In het diaconaat bleek hoever de kerk beneden haar geestelijk niveau leefde. In het diaconaat ligt bovendien een taak voor de vrouw, als ‘behulpsel’ (1 Tim. 5). Hij zag bijvoorbeeld een taak voor de echtgenotes van de diakenen. Van den Bergh drong erop aan niet de bedélen, maar te bezoeken en persoonlijk te verzorgen. Van den Bergh noemde het ‘God verzoeken’ wanneer een diaconie het kapitaal in portefeuille houdt. Hij beschuldigt de diaconieën, te weinig uit te delen. Had Van den Bergh langer geleefd, dan had hij veel meer van zijn ideeën kunnen verwezenlijken.

In Zwitserland
Altijd heeft Van den Bergh de dood voor ogen gehad. Veel van zijn brieven dragen een rouwrand. Zijn eigen gezondheid was niet sterk. Hij probeerde zich met levertraan op de been te houden. De medische wetenschap wist niet beter te adviseren dan een regelmatig verblijf in de Zwitserse lucht. Van den Bergh noemde de Doleantie een pijnlijke scheuring, een gebrek aan verslagenheid, hij had het over het juridische triomferen van ‘de organisatie die Christus verloochent’ (m.b.t. de processen met hun ongunstige afloop), in de staatkunde was er sprake van ‘mindere beslistheid van Gods ordeningen’, de nieuwe spoorweg vermeerderde de reeds bestaande zondagsontheiliging.

Einde vol tragiek
In de nacht van 29 op 30 april 1890 stierf Van den Bergh, nadat Kuyper hem in diezelfde maand nog bezocht had. Hij werd dus maar 40 jaar oud. Van den Bergh was neerslachtig op zijn sterfbed, toen hij terugzag op zijn leven. In Zwitserland werd hij begraven, want daar verbleef hij toen. Alsof de tragiek van zijn sterven nog niet groot genoeg was, kwam er een onverkwikkelde pennenstrijd in Nederland los, toen het gerucht ging dat Van den Bergh op zijn sterfbed zijn stap naar de Doleantie zou hebben betreurd. Kuyper reageerde fel op deze ‘synodale laster’. Van den Bergh had testamentair vastgelegd dat zijn beide dochtertjes opgevoed moesten worden in Zetten en grootvader Pierson hun voogd moest zijn. Nu gebeurde het dus dat zijn eigen kinderen werden opgevoed in de door hem zo verfoeide Ned.Herv.Kerk. Een vriend van Van den Bergh probeerde het voogdijschap van Pierson ongedaan te maken, maar daar slaagde hij niet in. Het is triest voor de vrienden van Van den Bergh dat zijn eigen kinderen geïsoleerd werden van de kringen waaraan vader zich zozeer had verbonden. Wel stond er ook in zijn testament dat er een flink bedrag ging naar onder andere de Gereformeerde Kerk van Voorthuizen om een kerk en pastorie te bouwen. Op de grafsteen van Van den Bergh staan de woorden van Ps. 51:19. ‘De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten’.

Gepubliceerd in december 2007

Advertenties