William Booth

n.a.v. M. Lindsay Carpenter, William Booth. Stichter van het Leger des Heils, Den Haag z.j.

Drie verlangens
Op 10 april 1829 werd William Booth in de Engelse stad Nottingham geboren, zijn ouders gingen niet naar de kerk. Hij werd echter naar de zondagsschool gestuurd. Toen zijn vader Samuel op zijn sterfbed lag, besefte hij de dwaasheid en mislukking van zijn leven. Hij zocht vergeving voor zijn zonden, en stierf als een gelovige. William werd door dit eerste nauwe contact met de dood hevig aangegrepen. Het bracht hem bij de methodistenkerk. Ondertussen waren de heersende armoede en het zedelijk bederf een kwelling voor hem. Drie vurige verlangens gingen zijn gedachtegang beheersen: geld verdienen om zijn moeder te verzorgen, politiek hervormer worden en zuiver tegenover God staan.

Evangelist
William had al jong zondekennis. Dit bracht hem tot het verlangen naar verzoening met God. En dat gebeurde ook. ‘Nooit zal ik vergeten, hoe het toen voor mij vaststond, dat ik God en mijn medemensen zou dienen van dat uur af (…) Wereldse genoegens (…) hadden alle bekoring voor mij verloren’. Toen een man hem vroeg hem te helpen met openluchtbijeenkomsten, kwam hij van zijn schuchterheid af; hij zag dit als een soort van zelfzucht, die overwonnen diende te worden. William ging evangeliseren: hij trok met een paar vrienden een achterbuurt in, klom op een stoel, gaf een lied op en sprak. Booth won het vertrouwen van vervuilde en verwaarloosde straatjongens, zelfs zo zeer, dat ze ’s zondags naar de kerk kwamen. Niet alle (keurig nette) leden van de kerk vonden dat fijn, zulke havelozen in een godshuis.

De nood van een miljoenenstad
Overdag had Booth natuurlijk zijn dagelijkse bezigheden. ’s Avonds echter werd hij helemaal in beslag genomen door zijn geestelijke arbeid. Op een keer ging hij naar Londen toe, de toenmalige grootste stad ter wereld én hoofdstad, immers, Engeland was een leidende natie in die dagen. Maar Booth vond Londen maar een eenzaam oord. Hij was er vol verwachting heen gegaan, maar wat had het hem teleurgesteld! Hij zag de eenzaamheid en de nood van de miljoenenstad.

Scheuring bij de methodisten
In de methodistische kerk waar hij lid was werd hij toegelaten om af en toe te spreken, maar daar kwam weinig van terecht, want in die periode maakte de kerk een scheuring door. Booth werd ook gezien als ‘Reformer’ en werd de kerk uit gezet. Gedurende deze dagen was de Bijbel hem tot een nooit falende metgezel. Ondertussen ging Booth door met het verkondigen van het Evangelie in de straten en parken in zijn vrije tijd. Vanaf nu was zijn agenda ook vol met spreekbeurten voor gemeenten van de Reformers. Zijn gebrek aan opleiding scheen echter een onoverkomelijke hindernis op de weg naar het predikambt te zijn.

Aardse liefde
Booth was vurig van geest. Overal waar hij sprak, maakte hij een diepe indruk op zijn gehoor. Booth was een treffende verschijning: lang, even gebogen, slank, uiterst bleek met gitzwart haar en doordringende ogen. Toen hij 23 was, werd hij voor een salaris van één pond per week voorganger van een gemeente van de Reformers. Op die leeftijd ontmoette hij ook zijn latere vrouw, Catherine Mumford, die op haar 15e tot de volle zekerheid van het geloof gekomen was. Booth vreesde dat deze liefde zijn toewijding aan God zou doen verslappen. Briefwisselingen tussen de twee laten dit duidelijk zien.

Van plaats tot plaats
Na drie maanden predikant van een kleine groep Reformers in Londen te zijn geweest, werd hij aangesteld voor werkzaamheden op het gebied van de inwendige zending. Toen hij te horen kreeg dat hij plechtig en formeel een bepaalde geloofsbelijdenis moest onderschrijven, bedankte hij daarvoor. Vertrouwend op God ging hij zijn weg, want hij had niets. Maar hij was ervan overtuigd dat dit een menselijke leer was. Dankbaar aanvaarde hij een taak in Lincolnshire van een, niet van de Reformers, afgescheiden gemeente. Hij liet nu ook mensen naar voren komen na zijn preek. Het district dat hij toegewezen kreeg was 50 kilometer lang en hij trok van plaats tot plaats om te prediken. Booth voelde zich aangetrokken tot de Methodisten in Nieuw Verband, een zoveelste afsplitsing. Deze organisatie was opgebouwd naar het systeem van John Wesley. Booth ging naar Londen om een opleiding bij dat kerkverband te genieten.

Evangelisatiecampagnes
Booth ging na zijn huwelijk voor een tijdje zending doen op één van de Kanaaleilanden. Vervolgens in steden en dorpen in noordwest Engeland. Hij hield daar intensieve campagnes, die vijf of zes weken duurden. Hij sprak dan elke avond en richtte speciale cursussen op voor de vorming van bekeerden en kerkelijke functionarissen. Soms sprak hij voor het gehoor van tweeduizend personen. Hij preekte dan ruim een uur als voorbereiding voor een ernstige en uitvoerige bidstond. De ‘overtuigden’ konden dikwijls met moeite door de opeengepakte massa dringen, om de ‘zondaarsbank’ te bereiken. Opwekkingen maakte hij mee. Niet alle dominees, wier kerken bloeiden en groeiden door het optreden van de gloedvolle evangelist, waren even ingenomen met diens prediking en populariteit. Centrale thema’s bij Booth waren ‘volmaakte liefde’, ‘algehele heiligmaking’, ‘heiligheid’ en ‘een rein hart’. Booth had zijn eerste zoon opgedragen aan God om een prediker van heiligmaking te worden. Deze Bramwell Booth werd dat inderdaad. Hij zou heiligingssamenkomsten gaan houden.

Ook voor de snoodsten
Booth ondervond ook voor het eerst tegenstand van de wereldlijke pers. In een dagblad verscheen een verbitterde aanval op de opwekking. Maar deze artikelen hadden wél tot gevolg dat er mensen in de kerk kwamen, die zich nooit om godsdienst hadden bekommerd. Een groot aantal goddeloze, spottende jonge mensen zaten rond te kijken en lachten zelfs onder de dienst. Maar Booth preekte met een ‘schrikaanjagende kracht’ over de twee vragen wat moet ik doen om zalig te worden en wat moet ik doen om verdoemd te worden. Zijn latere motto kwam hier al naar voren: ‘Op voor zielen, en voor de snoodsten!’ Er waren er die het niet eens waren met de leer van de heiligmaking die hij preekte. Ouderen vonden dat hij te zeer de nadruk legde op goede werken in plaats van op geloof alleen. Ook de zondaarsbank kon niet aller waardering vinden.

Traditionele vormen verdwijnen
Tot nu toe had hij in zijn kerkdiensten steeds de vormen in acht gehouden. Zijn houding had de strengheid van een profeet en in zijn prediking was er nauwelijks plaats voor een glimlach. Hij was altijd gekant geweest tegen een demonstratie van blijdschap in de dienst. Hij verbood een keer enkele vrouwen het zingen van de liederen met handgeklap te begeleiden of in extase ‘glorie’ te roepen. Maar Booth’s afwijzing griefden veel van zijn aanhangers. Door deze incidenten leerde hij te beseffen dat het geloof de gehele mens omvat. Als mannen en vrouwen juichen en dansen en handenklappen bij sport en feestelijke gelegenheden, waarom zouden zij dan hun vreugde in de godsdienst niet mogen uiten? Mede door zijn vrouw effende Booth de weg voor het handgeklap en de halleluja’s, die in de hele wereld voortaan gingen gelden als karakteristiek voor de typische sfeer van het Leger des Heils. ‘Toon en inhoud van zijn prediking wekken de woede en haat van de ongelovigen op en doodgepreekte zondaars zitten sidderend onder zijn gehoor’, zo zegt een ooggetuige.

Kerk als bekeringswinkel
De synode van de Methodisten in Nieuw Verband besloot in 1857 om Booth een herderlijke aanstelling te geven. Het werk als evangelist moest hij dus opgeven. Hij mocht niet langer meer trekken van stad tot stad, maar hij moest zich vestigen in een kleine gemeente. Hier was sprake van kerkpolitiek, en Booth was er niet blij mee, maar boog eronder. Booth werd een geordend predikant in volle rechten. De methodistenkapel van Booth werd wel de ‘bekeringswinkel’ genoemd. Booth ging door met intensieve opwekkingscampagnes. De maandag waarop deze begon was dan gewijd aan vasten en gebed. Dit waren de ‘dagen met God’, zoals die later bekend zouden worden in het Leger des Heils. Een reünie van alle bekeerden aan het einde van de campagne kreeg de naam van ‘verbondssamenkomst’. Openluchtwerk was een belangrijk onderdeel van de campagne. Booth ging wereldse melodieën gebruiken voor gewijde liederen. Toen tijdens bijeenkomsten caféhouders tegenoptochten hielden en de methodisten probeerden te overschreeuwen, maakten zij zich meester van de straatdeunen en maakten er geestelijke liederen van.

Mevrouw Booth gaat ook preken
Vanaf haar jeugd had mevrouw Booth studie gemaakt van het vraagstuk van het optreden van de vrouw uit bijbels en kerkhistorisch oogpunt. Booth was zeker geen voorstander van het optreden van vrouwen in het openbaar en had dit haar bij de verloving ook gezegd. Hij kwam echter ook geleidelijk tot de volle overtuiging dat het standpunt van zijn vrouw zowel uit bijbels en uit ethisch oogpunt, volkomen logisch en verantwoord was. Catherine kreeg tijdens een periode van ziekte een hemels visioen dat ze in het openbaar voor God moest gaan getuigen. Haar eerste preek ging over de tekst ‘Wordt vervuld met de Heilige Geest’. Als haar man ziek was, viel zij gewoon in. Het gerucht van haar optreden drong door tot buiten de grenzen en er verscheen een karikatuur van haar waarop zij de kleren van haar man droeg. ‘Meer dan ooit zie ik in, dat de godsdienst, die Hem het meest behaagt, bestaat in het doen van Zijn wil, meer dan in vrome gevoelens en stemmingen’, zo zegt Catherine.


Als nomaden
Booth had altijd een strijdmethode van een guerrilla gehad in zijn grote ijver om mensen te bekeren. Dit werd rustiger en bestendiger. De synode ging intussen door met haar politiek om Booth’s werk tegen te werken. Zo sloten de kansels van de Methodisten in Nieuw Verband voor hem. Nu ging Booth voor de samenkomsten een groot circus inhuren. De circussfeer bleek niet in staat te zijn de Geest van God te weerhouden. William en zijn vrouw werkten zo hard dat ze constant tegen overwerktheid aanhingen. Ze voelden zich ook vaak eenzaam en miskend. Toen Booth met het methodisme brak, leefde het echtpaar Booth als nomaden, die nu hier, dan daar hun tent opsloegen. Booth ging samenkomsten houden in zalen, schouwburgen, kapellen, tenten, de open lucht en wel het hele jaar door en iedere avond van de week. God had hem teruggebracht tot zijn eerste liefde, de verloren schapen van de maatschappij. ‘God en Zijn heil zijn het geneesmiddel voor alle kwalen en problemen van het menselijk geslacht’. ‘Zoek de mensen op en de slechtsten het eerst’.

Organisatie van evangelisatie
In Londen begon Booth met evangelisatieafdelingen. Er werd een centraal hoofdkwartier gevormd in een groot gebouw in Whitechapel, bekend als de ‘Volksmarkt’, die aangekocht werd. Booth schreef een belangrijke brochure: ‘Hoe de massa te bereiken met het Evangelie’. Dit werk breidde zich ook uit buiten Londen. Terwijl matig gebruik van alcohol in christelijke kringen gangbaar was, werd geheelonthouding voorwaarde van het lidmaatschap van de evangelisatie. Toen de beweging groter werd, werden vrouwelijke krachten aangesteld als helpsters voor gehuwde evangelisten. William en Catherine Booth vonden dat de vrouwelijke bekeerden eveneens talent voor geestelijk leiderschap hadden. Daarom werden ook vrouwen aan het hoofd van afdelingen aangesteld.

De ontdekking van de naam Salvation Army
Steeds meer kwam Booth erachter dat bepaalde veranderingen in de organisatie onvermijdelijk zouden zijn. Door haar karakteristieke eigenschappen had de evangelisatie zich ontwikkel tot een aanvallende strijdmacht, gericht tegen de machten van het kwaad. De leider behoorde gemachtigd te zijn om snel te handelen en in sommige gevallen onafhankelijk van hen, die onder zijn bevelen stonden. Booth wilde bevoegdheden die hij aan de evangelisten had toegekend kunnen herroepen en de beweging zelf kunnen controleren. Toen hij nadacht over de vraag: ‘Wat is christelijke evangelisatie?’ en las wat iemand daarover schreef: ‘Een vrijwilligersleger van bekeerde, werkende mensen’, pakte hij een pen en streepte het woord ‘Volunteer’ door en verving dit door ‘Salvation’. Toen las hij hardop: ‘De christelijke evangelisatie is een Leger des Heils (Salvation Army). Dit bleek een wonderlijke ontdekking voor hem te zijn! De nieuwe organisatie had een naam gekregen!

Geloofsartikelen
De leuze ‘Bloed en Vuur’ zag op het werk van de Zoon en de Geest. Militaire titels en uniformen deden hun intrede zonder een te voren beraamd plan van de leiders. Een leger moest een leider hebben; ‘Generaal’ was een gemakkelijke en duidelijke titel. Van het één kwam het ander. William Booth werd de Generaal van het Leger. Er werden geloofsartikelen opgesteld die moesten worden onderschreven door de leden. Hierin wordt beleden dat de Bijbel helemaal Gods Woord is, dat God de Schepper, Onderhouder en Bestuurder is, de drie-eenheid, de goddelijkheid en mensheid van Christus, de zondeval, het werk van Christus, berouw, geloof en wedergeboorte, de rechtvaardiging, de volharding, de algehele heiliging, de onsterfelijkheid van de ziel, de wederopstanding van het lichaam, hemel en hel en het laatste oordeel.

Sacramentsvisie
Booth was zelf gedoopt in de Anglicaanse kerk en opgeleid bij het Methodisme. Hij hechtte aan de sacramenten, het waren immers eeuwenoude gebruiken. Maar hij zag de doop niet als noodzakelijk voor het heil. Had de Heere Jezus immers niet gezegd dat de kinderen tot Hem moesten komen, zonder verwijzing naar de doop? Booth onderzocht ook de in opkomst zijnde Quakers. Engeland was in deze tijd vol uitwendige godsdienstige gebruiken, maar nagenoeg dood op het punt van levende christelijke ervaring. Booth kwam tot het inzicht dat de sacramenten slechts symbolen waren van geestelijke waarheden en ervaringen. Daarom werden de kinderen van de heilssoldaten niet meer besprenkeld met water, maar opgedragen aan God. In plaats van de doop door volwassenen zullen bekeerden na een bepaalde opleidings- en proeftijd worden ingezegend als soldaten van het Leger des Heils. Wat het avondmaal betreft wilde Booth dat zij zich bij iedere maaltijd zouden herinneren dat het lichaam van Christus verbroken was voor hun behoud.

Overal nieuwe korpsen, ook vervolging
De periode van de omzetting van de christelijke zending in het Leger des Heils kenmerkte zich door een geweldige vooruitgang. Over het gehele land werden centra geopend, nu ‘korpsen’ genoemd. Zalen, geschikt voor duizend personen, waren stampvol. In een stad berichtte de plaatselijke overheid dat het aantal gerechtelijke vervolgingen met de helft was verminderd als gevolg van de samenkomsten van het Leger des Heils. Caféhouders zagen met schrik hun omzet teruglopen. Er kwam ook felle vervolging. De meeste tegenstand kwam uit kringen die belang hadden bij het drankgebruik. Een belangrijk deel van de kerk en de pers sloot zich aan bij het geschreeuw om het land van dit storende element te ontdoen.

Groei, ook overzee
Hoe meer het Leger vervolgd werd, hoe voorspoediger het werd. Het bleek echter dat de mensen van het Leger vreedzame en ordelijke burgers waren. Ze liepen over van ijver om hun medemensen te helpen. De staatskerk van Engeland kwam zeer onder de indruk van de beweging van het Leger des Heils. De aartsbisschop van Canterbury vond dat het een voordeel zou zijn voor het Koninkrijk van God, als het Leger opging in de kerk. Al snel ging men overzee: Canada, Amerika en Australië bijvoorbeeld. In Frankrijk werd een dochter van Booth leidster. In Zweden en India kwamen er ook afdelingen. Vóór de dood van Booth was het Leger gevestigd in 58 landen buiten Groot-Brittannië. Het Leger des Heils kwam met een eigen huwelijksformulier: in deze overeenkomst verklaren bruid en bruidegom, dat zij de verbintenis niet alleen hebben gewild voor hun eigen geluk, maar voor de eer en heerlijkheid van God; dat zij elkaar kiezen als voortdurende kameraden in de heilige strijd, en zij beloven dat de redding van zielen de eerste plaats zal hebben in hun leven.

Maatschappelijk werk onder vrouwen
Catherine Booth startte een nieuw project: maatschappelijk werk onder vrouwen. Ze was niet echt thuis in de wereld, dus wist niet wat er allemaal speelde. Maar toen ze ging kijken, was ze naar haar verbeelding voor de poorten van de hel aanbeland. Ze kon door deze ontdekking niet meer eten of slapen. Hoe was het mogelijk dat in het christelijke Engeland zulke ongerechtigheid bestond? Het gebeurde in die tijd dat een net meisje van het platteland naar aanleiding van een advertentie waarin een dienstbode werd gevraagd, naar Londen ging en tot de ontdekking kwam, dat ze gevangen zat in een bordeel. Mede door het werk van het Leger des Heils kwam aan veel misstanden een einde. Er kwamen reddingshuizen voor vrouwen. Het parlement paste de wetgeving aan. Ook kwamen er moederhuizen, kinderhuizen, huizen voor ouden van dagen, tehuizen voor werkende vrouwen, toevluchten voor berooiden, opsporingsdiensten en hulpverlening aan de armen.

Hulp voor daklozen en werklozen
Eens in 1888 doorkruiste Booth na middernacht Londen. Wat hij toen zag was vreselijk: mannen en vrouwen, ellendig weggedoken in hoeken en gaten, in portalen en onder bruggen, en dat in de kou. De volgende dag zei hij tegen zijn zoon: ‘Zie, dat je een pakhuis of zo krijgt, iets dat de stakkerds tegen de wind beschermt, en maak daar kermisbedden voor hen!’ Booth was zo geheel en al vervuld geweest van zijn roeping dolende zielen te zoeken, dat hij de lichamelijke misère, waarmee velen kampten, over het hoofd had gezien. Hij begon met een breedopgezet plan om deze stakkerds te helpen. Hij schreef: ‘In Engelands donkerste wildernis en de weg ter ontkoming’. Er bleken in Engeland permanent vijf miljoen werkeloze en dakloze mensen te zijn. Booth stelde de eis dat ieder mens in het land als minimumeis zeker zou zijn van de welstand die men aan misdadigers toekent: voedsel, kleding, onderdak, een bed en werk. Het plan omvatte drie elementen: de Stadskolonie (onderdak, voedsel en werk), de Landbouwkolonie (waarheen mensen uit de stadskolonie zouden worden overgeplaatst om die in landbouw te scholen) en de Overzeekolonie (emigratie). Booth vroeg in zijn boek 100.000 pond sterling, om zijn plannen te verwezenlijken. Binnen vier maanden was er al meer dan dat binnen! Niet alleen in Londen, maar in heel Engeland, in elke stad van betekenis kwamen Stadskolonies.

Sterven van zijn vrouw, maken van wereldreizen
Catherine Booth werd intussen ziek, ongeneeslijk ziek, en dat wist ze. Ze werkte nog door zolang het kon en toen ze niet meer weg kon schreef ze brieven. In 1890 stierf ze. Na de dood van zijn vrouw vertrok William Booth voor de eerste van zijn wereldreizen: Duitsland, Zuid-Afrika, Australië, Nieuw-Zeeland en India omvatte zijn eerste reis. Het reizen was een zware beproeving voor de hevig overwerkte en nerveuze man. Hij sliep haast nooit in hetzelfde bed en had veel last van slapeloosheid. Toch moest hij iedere morgen weer klaar staan voor belangrijke besprekingen, meetings en reizen. Hij had een slechte spijsvertering en feestmaaltijden waren voor hem een ramp. Zeereizen waren voor hem de allergrootste verschrikking:

Het slingeren van het schip is zonder slot of zin. Voortdurend heb ik hoofdpijn, hoofdpijn, hoofdpijn… Tot overmaat van ramp is het vreselijk koud en men kan niet behoorlijk over het dek lopen. Weliswaar is er de salon, maar daar is het zo benauwd en rumoer van kinderen, dat werken er vrijwel onmogelijk is. Dan maar zitten met mijn hutstoel vastgebonden aan de vier hoeken van dat kleine hok, heen en weer zwaaiend met het schip, trachtend te schrijven met bevroren vingers, gedineerd met schreeuwende kinderen!

Naast wereldgroten
Booth werkte aan een waardevol boek voor het Leger: ‘Orders en reglementen voor officieren’. In 1904 bezocht hij Buckinghame Palace voor een audiëntie bij koning Edward VII, president Thordore Roosevelt van Amerika nodigde hem uit op het Witte Huis en de Senaat liet hem een zitting met gebed openen. De koningen van Noorwegen en Zweden en de keizer van Japan ontvingen hem ook met grote genegenheid. De oude vermaarde universiteit van Oxford verzocht Booth als een bewijs van haar waardering voor zijn levenswerk de doctorsgraad honoris causa in het Burgerlijk Recht te aanvaarden. De waardevolste onderscheiding voor hem was het ereburgerschap van Londen, een eer die maar weinigen te beurt valt. William Booth behoorde tot de grootste wereldreizigers. Maar als hij per spoor reisde door betoverde landschappen, keek hij maar zelden op van zijn blocnote. In 1905 bezocht hij het Heilige Land, hij was toen 76 jaar oud. Er werd hier ook hard gewerkt. Hij gunde zich maar drie dagen voor bezichtiging.

Overlijden
Booth kreeg rond zijn 80e last van zijn ogen. Een operatie aan één oog was nodig, en dat was succesvol. Hij ging nog naar Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland. Wel werd hij steeds slechter ziende. Een tweede operatie slaagde niet: hij werd onherstelbaar blind. Een grote loomheid overviel hem nu. Zijn einde naderde. Hij bracht veel tijd door in overpeinzingen; soms hoorde men zwakke uitroepen als: ‘O, red de mensen’. Hij betreurde het op zijn sterfbed dat hij niet in China heeft kunnen gaan, ‘dat wonderbare volk’. William Booth werd tot heerlijkheid bevorderd op 20 Augustus 1912. Alle acht kinderen van het gezin Booth kozen een leven van toewijding aan God en het Leger des Heils.

Gepubliceerd in februari 2008