Zoeken en vinden

n.a.v. G.C. Berkouwer, Zoeken en vinden. Herinneringen en ervaringen, Kampen 1989

Zoektocht
In dit boek beschrijft prof.dr.G.C. Berkouwer (1903-1996) zijn ‘zoektocht’ door het leven. Hij was van 1940 tot 1973 hoogleraar dogmatiek aan de Vrije Universiteit. Er kan geen twijfel over bestaat dat er in de 20e eeuw ingrijpende veranderingen zichtbaar zijn geworden. ‘Waar blijven we?’ en ‘wat blijft er nog over?’ zijn vragen die gesteld zijn. De discussies hebben heftige vormen aangenomen. Het woord ‘verlegenheid’ komen we meermalen tegen. Berkouwer kijkt met dankbaarheid en bewondering terug. Dat is op z’n minst opmerkelijk, gezien de wissels die ook door hem zijn omgezet. Hij citeert de King James Version uit 2 Kor. 4:8. ‘We are perplexed, but not in despair’. In de bespreking van dit boek hopen we een beeld te krijgen van zijn denken en de ontwikkeling daarin.

Chaotisch begin
Voor Berkouwer waren zijn eerste stappen op het kerkelijk erf een ‘chaotisch begin’. Hij had nog ‘een zeer beperkte horizon, waarin we nog maar weinig begrepen hadden van wat er om ons heen in Kerk en theologie gebeurde’. In zijn studententijd (1922-1926) kerkte Berkouwer ook wel bij Geelkerken, die na de synode van 1920 (getuigenis tegen de gevaren van de wereldgelijkvormigheid) ‘niet meer als uitvoerder van een synodebesluit, maar als dienaar van het Goddelijk Woord’ optrad.

Ethischen
Er was in die jaren ook veel te doen over de ethischen, waarvoor Netelenbosch veroordeeld was. Het ging onder andere over de ervaring: ging zij niet vaak samen met een verzwakking van het gezag van de Schrift, die alléén grond van ons geloof kan zijn? Werd zo de weg niet gebaand naar een onvermijdelijk subjectivisme? Allerlei typeringen waren er in die tijd, zoals ‘niet de leer, maar de Heer’. Maar Gunning zei eens dat in het dogma het loflied ruiste.

Barth en Brunner
In de jaren twintig kwam in Duitsland ook een theologische richting op die zich eveneens in het spoor bevond van die waarschuwingen: Barth en Brunner, die zich keerden tegen de ervaringstheologie van Schleiermacher. Nadruk werd gelegd op het gelóóf, dat iets geheel anders was dan een subjectieve ervaring, omdat het volstrekt bepaald werd door het gericht zijn op het Woord Gods. Barth kwam met de ‘Theologie des Wortes Gottes’.

Wisse
Er was in deze tijd sprake van een ‘beweging der jongeren’. Het was een tijd, waarin het ging om de bewaring van het pand. Samen met de accenten op leer en confessie ontstond er een zekere aandacht voor de tekenen der tijden, vanwege de oorlog. Er werden in die tijd winterlezingen gehouden over algemene onderwerpen. De meest besproken tijdprediker was ds. G. Wisse. ‘Het was een bepaalde methode van evangeliseren, die herinnert aan de latere samenkomsten van Billy Graham: het aandringen op beslissingen, niet later, maar nú, in het heden der genade. (…) Toch heb ik nooit de indruk gehad, dat Wisse’s tijdpreken religieus een diepe indruk op ons maakten’. Berkouwer noemt als schaduwzijde van Wisse dat hij meer aanleiding gaf tot verhalen dan tot echte bezinning.

Vollenhoven en Dooyeweerd
Het kerkelijk leven was erg gesloten en defensief. Er bestond in die jaren nauwelijks enig contact met andere kerken. De meeste nieuwe ervaringen deed Berkouwer op tijdens de studenten-congressen in Lunteren, waar ze vaak tot diep in de nacht praatten over allerlei onderwerpen van theologische en politieke aard. Ook kwam hij daar voor het eerst in aanraking met de wijsbegeerte der wetsidee van Vollenhoven en Dooyeweerd. Vollenhoven had een dissertatie geschreven ‘die ver boven ons bevattingsvermogen uitging’. Dooyeweerd vond later de term ‘calvinistisch’ niet meer geschikt, te isolerend, en prefereerde het woord ‘reformatorisch’, en niet ‘gereformeerd’ of ‘bijbels’. Hij interpreteerde Openb. 10:6 (er zal geen tijd meer zijn) als ‘er zal geen uitstel meer zijn’, namelijk van het gericht.

Herman Bavinck: katholiciteit
Berkouwer heeft Herman Bavinck niet persoonlijk gekend, maar toch wijdt hij er een apart hoofdstuk aan. Waar Hepp een ‘diepe verandering’ zag in zijn laatste levensjaren ziet Berkouwer een veel grotere continuïteit in heel Bavincks leven. Bavinck hield in 1888 een grote rede, De Katholiciteit van Christendom en Kerk. Juist de gereformeerde traditie gaf ten volle zicht op de katholiciteit. Hij bedoelde niet een christendom boven de geloofsverdeeldheid, maar in de geloofsverdeeldheid. Telkens weer heeft hij erop gewezen dat het in de eenheid en de katholiciteit niet gaat om een zeker heimwee, een verlangen en nog veel minder om een utopie, maar om een werkelijkheid.

Ingrijpende schoonheid
Het katholieke geloof is aan geen tijd of plaats, aan geen land of volk gebonden. Bavinck is daardoor zozeer geboeid, dat hij zegt dat de belijdenis van de katholiciteit ‘van aangrijpende schoonheid’ is. Er ligt soms iets toornends in Bavincks formuleringen, als het erop aankomt te waarschuwen tegen enghartigheid en bekrompenheid, waarin men niet ademen kan in vrijheid en onafhankelijkheid. Bavinck denkt aan open deuren en wijde perspectieven en aarzelt niet die veelvuldige woorden als aansluiting en aanpassing te gebruiken. Bavinck weigerde te leven in een schrijnend dualisme en in een vroomheids-isolement, dat al z’n zorgen zou wegnemen.

Geen onveranderlijkheid
Het evangelie is niet een eeuwige, tijd-loze waarheid, die, eenmaal gefixeerd en vastgelegd, kan worden overgedragen onverschillig voor de tijd, waarin het evangelie binnentreedt. In die onveranderlijkheid zou Bavinck geen schoonheid kunnen ontdekken. Hij zag veelmeer het leven – ook het moderne leven – als de wereld, die de onmetelijke zegen van het evangelie nodig had en hij beschermde dat leven in al z’n variatie en complexiteit. Hij was nergens en nooit zuiver antithetisch, omdat er maar één ‘neen’ was, namelijk de zonde, die dat gewone leven verstoorde.

Veranderende tijden
Bavinck kwam ook niet onder de indruk van het verwijt, dat hij geen ruimte liet voor de ‘vreemdelingschap’, omdat hij wist, dat in die vreemdelingschap het gebed oprees: ‘Verberg uw geboden voor mij niet!’ (Ps. 119), gericht op alle facetten van het moderne leven. In veranderende tijden zag hij opkomen ‘een geheel nieuwe orde van zaken, machten waartegen het Christendom nog nooit zijn krachten heeft beproefd, verschijnselen, waarvan de kerk zich nog nimmer rekenschap gaf’.

Geen vreemde leer
In het licht van die uitdagingen is men machteloos, wanneer men zich isoleert door de waarheid naar zich toe te halen. Een kerk of welke groep ook, die meent door haar waarheid en zuiverheid (‘hoe zuiver ook’) de weg te kunnen wijzen, ‘kwijnt weg als een tak, die van haar stam is gescheurd’. Het was volgens Bavinck onduldbaar en ondenkbaar, dat de boodschap van het evangelie als een vreemde leer het leven niet zou raken. Noordmans zag bij Kuyper het gevaar van de brug die via de gemene gratie gebouwd werd naar de wereld, maar bij Bavinck zag hij de algemene openbaring als een ontmoetingsplaats tussen christen en niet-christen. ‘De algemene openbaring is niet een brug, waarop de heiden in de kerk komt, maar de loopplank, waarover de christen de kerk verlaat’.

Pluriforme vaas?
Op een classisvergadering vroeg ds. D. Sikkel midden in een discussie over de pluriformiteit van de kerk plotseling: ‘Praeses, is een stukgebroken vaas nog een pluriforme vaas?’ Het was een vraag die Bavinck juist vanwege de katholiciteit intens heeft beziggehouden. Is de verdeeldheid van de kerk niet de aantasting van katholiciteit en haar schoonheid?

Kuyper en Bavinck over de ethischen
Toen Kuyper over de ethischen sprak op een nogal ongenuanceerde wijze (‘zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet, want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn, 1 Joh. 2:19) was Gunning verontwaardigd, met het gevolg dat Kuyper zich geschrokken haastte zijn weerwoord aldus te betitelen: ‘bedoeld noch gezegd’. Bavinck wijst op de bijbeltekst ‘Wie niet tegen Mij is, is voor Mij’. We moeten dat zijns inziens toepassen op de anderen, terwijl we ons voor onszelf moeten houden aan dat andere woord: ‘Wie niet voor Mij is, is tegen Mij’. Daarom waarschuwt hij tegen elk rigorisme in het oordeel over anderen.

Het begrip orthodoxie
Bavinck was vooral een oecumenisch theoloog. Hij worstelde met hetzelfde probleem waarmee de Wereldraad van Kerken in Toronto bezig was in het zoeken van herkenning vanuit het middelpunt Jezus Christus. Opvallend is de wijze waarop hij – die zelf ‘orthodox’ wilde heten – over de orthodoxie heeft geschreven. Hij is met de betuiging van ‘orthodoxie’ niet tevreden en ziet haar niet als een normbegrip, maar als een zelf altijd genormeerd verschijnsel in de ontwikkeling van de kerk. Hij legde nadruk op het feit dat het spreken over orthodoxie nog geen garantie bevatte voor ware rechtgelovigheid en kon waarschuwen tegen ‘dode orthodoxie’.

Leerheiligheid
Hij had kritiek op de zogenaamde leerheiligheid, wat hij vergeleek met werkheiligheid, een verschuiving en verminking in het denken over de leer van het evangelie. Hij zag dat de leerheiligheid geen andere vrucht droeg dan liefdeloosheid en hoogmoed. Het ‘rusten’ in het verleden maakt onbekwaam tot een nieuwe taak (Kuyper). Een dreigend superioriteitsgevoel ontbeert de zuivere blik op de anderen.

Bijbeltrouw
Tegenover de schriftkritiek heeft men meermalen als kenmerk van de orthodoxie gegrepen naar het woord ‘bijbeltrouw’. Voor Bavinck is hier reden om een soortgelijke waarschuwing te laten horen als bij de orthodoxie. De betuiging van bijbeltrouw is voor Bavinck geen criterium van ‘Schrift-geloof’, omdat niet de hoorders, maar de daders des woords worden zaliggesproken. Het inzicht, dat men ooit eerst tot Schriftgeloof moet komen ten einde zekerheid te krijgen over de boodschap der Schrift, leidt op een onbegaanbare weg.

Fundamentalisme
Berkouwer herinnert zich een Amerikaans theoloog die hem bij een kennismakingsgesprek eerst vroeg: ‘Are you high or low?’ (doelend op de hogere of lagere kritiek). Hij wilde weten waar hij stond. Daarin viel voor hem reeds een ingrijpende beslissing. Het fundamentalisme komt bij Berkouwer over als ‘graniet, sterk en onwrikbaar’. Een dissertatie in 1985 poneerde de stelling: ‘Ten onrechte wordt in [het synoderapport God met ons] gesteld, dat Kuyper en Bavinck op de keper beschouwd geen fundamentalisten waren’. Berkouwer stelt hiertegenover dat het geloof van elke blinde gehoorzaamheid en slaafse onderwerping radicaal moet worden onderscheiden.

Geen annexatie
Bavinck heeft een ‘struisvogelpolitiek’ altijd met een zekere hartstocht bestreden, evenals Kuyper. Hij meende dat een negatieve reactie op het historisch-kritisch onderzoek voor het geloof onwaardig en onwaarachtig zou zijn. Daarom pleitte hij voor een nieuw offensief in een tijd die hij door een conservatieve tendens bedreigd zag. Berkouwer geeft wel toe dat ‘het onjuist [zou] zijn Bavinck te annexeren voor latere opvattingen en hem zo te transponeren in een andere tijd’. Dit zegt Berkouwer omdat men aan deze indruk haast niet kan ontkomen bij het lezen van dit hoofdstuk!

V. Hepp: absoluut
Een volgend hoofdstuk besteedt Berkouwer aan V. Hepp. Hij gebruikte graag het woord ‘absoluut’. Hij bestreed de bekende onderscheiding tussen mededeelbare en onmededeelbare eigenschappen, omdat ze alle absoluut onmededeelbaar waren. Hepp was een man met een indrukwekkende stelligheid. Hij had een tijd van ernstige twijfel gekend en had dat ervaren als een bittere werkelijkheid. Meer en meer raakte hij onder de indruk van de grote betekenis van de gereformeerde theologie, die op een bepaalde manier gekenmerkt werd door weten en zekerheid. Hij zal ook de ‘raadsels’ en de ‘vage spiegel’ van Paulus hebben gekend, maar daar merkte men weinig van. Het was een tijd waarin alles nog als ‘vast en zeker’ werd overgedragen. Dat werd snel anders: ‘Ik hoorde eens een preek van Kuitert (…) waar hij het [had] over wat wij niet weten. (…) We [moeten] het niet zo erg vinden als we iets niet weten’.

Tegen het biblicisme vanwege…
Hepp noemde het calvinisme ‘de zuiverste reflexie over de Schriftopenbaring aller tijden’. Men heeft Hepp vaak een systeemzucht verweten, een noodzakelijke afbakening en afronding, waardoor alles op een rij kwam te staan. Ging het om een reveil of om scholastiek? ‘Geen uitbreiding van de geloofsverkondiging is haar leus, dus slechts uitleg’. Hepp wilde dat nieuwe bronnen werden aangeboord, dat betekende voor hem de wil tot progressie, tot openheid voor het nieuwe. Hepp heeft ook tegen het biblicisme geprotesteerd, op een verrassende manier: omdat het biblicisme in z’n omgang met de Schrift de binding aan de belijdenis verzwakt door direct tot de Schrift terug te gaan buiten de autoriteit van de confessies om. Zulk een streven was de reformatoren vreemd. Zij wendden zich wel tot de Schrift, maar lieten zich daarin rondleiden door de beste gidsen, die God aan de kerk had gegeven. Hepp was beducht voor de pretentie onbevangen tegenover de Schrift te staan.

Nieuwlichterij?
Om alle onzekerheid uit te schakelen poneerde Hepp de absolute duidelijkheid van de Schrift. Vanuit de door Hepp getrokken strakke lijnen kwam er in zijn denken steeds meer de behoedzaamheid, de vrees voor beïnvloeding van het leven der kerk door ‘nieuwlichterij’. Er is een tijd gekomen, waarin Hepp meende niet meer te mogen zwijgen. Zijns inziens lag ook in de GKN de dwaling voor de deur. Maar hij werd door het effect van zijn kritiek – zijn alarm – diep teleurgesteld. We denken aan de reeks publicaties onder de titel Dreigende deformatie. Het werd een emotionele polemiek.

Geen eigen systeem opbouwen
Het feit dat Hepp met zulke sombere gevoelens was vervuld, hangt samen met de minachting, die hij meende te constateren ten aanzien van het verleden, een respectloosheid tegenover de gereformeerde bloeitijd. Hepp zag vooral Duitse invloeden werken. Na de Eerste Wereldoorlog was er volgens Hepp geen dogmaticus in Duitsland, die niet een eigen systeem opbouwde. Sprekend voorbeeld was Karl Barth.

Discussie met Janse
A. Janse uit Biggekerke schreef Leven in het verbond (1937), een scherpe reactie tegen wat in die tijd piëtisme werd genoemd. Janse stelde de avondmaalstafel tegenover ‘de binnenkamer der mystiek’ en tegenover ‘de bevindingen der ziel’ stelde hij de ondervinding der kerkleden ‘dat God Zijn verbond houdt’. ‘Het is niet onze troost dit of dat ondervonden te hebben, maar wat Christus deed in ’t jaar 33, dát is onze troost’ (zo drukte Kohlbrugge zich ook wel eens uit). Hepp waarschuwde tegen dit ‘objectivisme’.

Geïsoleerd
‘Men heeft mij meermalen naar Hepp gevraagd – wie hij eigenlijk was – en ik kan daar niet zo heel veel van zeggen’. Hij was een uitgesproken hartelijke man, niettemin bleef er een afstand tussen hem en bijvoorbeeld zijn studenten en dat hing ten nauwste samen met zijn ongekende stelligheid. Daarom kwam hij in een isolement, niet alleen ten opzichte van zijn studenten, maar ook van zijn collega’s. Hij wilde altijd ‘objectief’ blijven en geen personen treffen. Dat het hem maar zelden lukte z’n tegenstander te overtuigen, was stellig een grote teleurstelling.

A.H. de Hartog: emotioneel mens
Iemand anders die Berkouwer behandeld is hoogleraar A.H. de Hartog, onder de hoofdstuktitel ‘Zekerheid en inzicht’. Hij was een fameus theoloog, een briljant prediker, ‘een verbijsterende ervaring door de tomeloosheid van zijn spraakgeweld en zijn gepassioneerde kracht’. Hij was theoloog en filosoof, maar ook een emotioneel mens. ‘Hij ontweek geen van onze vragen en gaf een antwoord op vragen over de historische kritiek, over de heilstijden, voorbeschikking, verkiezing en lot, godsdienst en wetenschap. Hij wilde – en dat was hard nodig – onze horizon verbreden, omdat we vooral niet mochten blijven staan bij de meegebrachte tradities. Zelf was hij wel overtuigd midden in die traditie blijven staan’.

Wie mijn vriend aantast…
Hij kon soms alle conventies doorbreken met zijn charismatische vondsten en schokkende flitsen. Hij bad eens het Onze Vader: ‘…gelijk in de hemel, zo ook op de Zuidelijke Wandelweg 5’ (zijn huisadres). De Hartog was vooral apologeet van het christendom. Hij had eens een bewogen duel over Multatuli, toen hij ineens reageerde: ‘Wie mijn vriend aantast, de eeuwige, heilige God, die heeft met zijn profeet te doen in de wereld. Al zou men mij op de brandstapel zetten, och, ik sta er al op. Het is een groot woord, maar ik voel het, dat de mens, die uitgehoond wordt [iemand in de zaal had gelachen], de vlam der bespotting laait in het aangezicht. Zal ik mijn Vriend laten honen?’

‘Ik heb Hem vandaag nog gesproken!’
‘De Hartog maakte op ons de indruk van iemand met een onweersprekelijke ervaring van de Werkelijkheid Gods. Toen ik later eens een debat in Londen hoorde, waar iemand op een verklaring, dat God niet bestond, uitriep: “Ik heb Hem vandaag nog gesproken!”, moest ik onwillekeurig aan De Hartog denken. Er lag in zijn hele optreden iets dat jaloersheid kon wekken’. De Hartog schreef in 1929 een boek over Zekerheid. Hij wilde God kennen en dienen, ook met het hoofd en zag er een ontstellend gevaar in, dat men zo frequent over de paradox en het irrationele ging spreken. Het geloof kon ook niet zijn een slaafse onderwerping aan het niet begrepene, maar kennen en inzicht.

Afrukken van kerstversiering
‘Zo ging De Hartog door onze lage landen met opgeheven hoofd, voor niemand bang, door niemand te schokken in een wonderlijke mengeling van theologie, filosofie en getuigenis’. De zekerheid waarvan De Hartog getuigde, was niet zonder strijd ontstaan. Zij werd niet in hem geboren als een irrationele gave in een sfeer van gevoel en emotie, met gesloten ogen en in sprakeloosheid. Hij heeft steeds kritiek geoefend op allen, die álles willen laten afhangen van de zekerheid aangaande historische feiten uit het verleden. Zelf hield hij wel vast aan de heilsfeiten, maar hij vroeg aandacht voor de Goddelijke, eeuwige achtergrond van de Christus-verschijning. Tijdens een kerstdienst in Haarlem rukte hij eens alle versierselen van de preekstoel af om in een schok-therapie de luisterars te wijzen op het wezenlijke, de diepte en hoogte van het kerstgebeuren. Het ging niet om irrationele gevoelens en om rituele ervaringen, maar om inzicht en helderheid.

J.G. Geelkerken: gewantrouwd
Berkouwers studententijd (hij woonde toen in Amsterdam) was vol van geruchten en verhalen. Eerst de zaak-Netelenbos en toen Geelkerken. ‘Het spreekt vanzelf, dat lange tijd de zaak-Geelkerken tot onze dagelijkse gesprekken behoorde’. Reeds geruime tijd vóór de zaak-Geelkerken was er sprake van een groeiend wantrouwen. Abraham Kuyper had grote nadruk gelegd op de vrijheid van exegese en zag daar een reformatorisch beginsel mee gemoeid. Bavinck had er aan herinnerd dat de Schrift een specifieke bedoeling had, namelijk ‘niet een historisch verhaal te leveren naar de maatstaf der getrouwheid, die in andere wetenschappen geëist wordt’.

Geen uitbreiding belijdenis
De synode nam niet meer genoegen met Geelkerkens belofte dat hij zich in prediking en catechese aan de traditionele exegese zou houden. Zij vroeg nu van Geelkerken onderwerping. Bavinck (volgens wie het getuigenis van de Geest ten nauwste verbonden was met de inhoud, de heilsboodschap van de Schrift – hij vond de traditionele gereformeerde visie te eenzijdig op de Schift als zodanig betrokken) dacht aan het eind van zijn leven na over de uitbreiding van de belijdenis, bijvoorbeeld rondom de nieuwe vragen en problemen ten aanzien van de aard van het Schriftgezag. De synode (van 1927) vond het niet gewenst te komen tot een uitbreiding van de belijdenis, omdat de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 4 en 5 genoegzaam duidelijk was. Men wilde niet de indruk wekken te aarzelen op dit centrale punt. De ‘Arnhemse artikelen’, een ontwerp-belijdenis (die wel de mechanische inspiratie-leer verwierp, maar feitelijk bleef er niets anders over dan dat de bijbelschrijvers ieder een eigen taal en stijl hadden behouden), haalde het nooit.

Schepping in zes dagen?
Bavinck kon zich soms kras uitlaten, bijvoorbeeld toen hij uitsprak, dat de feiten der geologie ‘evengoed woorden Gods zijn als de inhoud der Schrift en dus door iedere gelovige moeten worden aanvaard’. Men behoefde er niet bang voor te zijn en moest er rustig en eerlijk kennis van nemen. Bavinck kon rekenen met de mogelijkheid van een veranderd inzicht, bijvoorbeeld ‘dat de wereld op dit ogenblik in plaats van duizend jaren ook wel reeds millioenen eeuwen zou hebben kunnen bestaan’. Hij vond het opmerkelijk, dat geen enkele confessie zich over de 6 scheppingsdagen had uitgelaten. Dit alles staat in zijn – veelgeprezen maar waarschijnlijk weinig gelezen! – Gereformeerde Dogmatiek.

Herroeping leeruitspraak
Op de synode van 1967 kwam het ten aanzien van Assen 1926 tot een ingrijpende beslissing, doordat daar werd uitgesproken dat dat besluit (na precies veertig jaar) ‘niet langer als leer-uitspraak van de kerk zal gelden’. Wie de geschiedenis van de kerk nagaat, weet dat zoiets niet vaak voorkomt. Vooral de rooms-katholieke kerk heeft het met de mogelijkheid tot herroeping erg moeilijk. Geelkerken maakte het zelf niet meer mee, hij overleed in 1960.

Berkouwer veranderde mee
Berkouwer: ‘Ik heb me vrij lang in dat spoor van Assen thuisgevoeld. Achteraf vraagt men dan zichzelf af, hoe dat te verklaren valt, vooral wanneer men later met andere ogen tegen al de vragen rondom Assen aankijkt’. In 1938 concludeerde hij al dat elk isolement gevaarlijk was, als het (triomfalistisch) zou bestaan in ‘verlustiging in het alléén-staan’. In 1970 bestreed hij de formalisering van het Schriftgezag als aan alles voorafgaand apriorisch gezagsbeginsel. Het gezag van de Schrift is nooit los van de inhoud, de boodschap. Berkouwer staat niet meer achter de eerste stelling bij zijn promotie: ‘Alle probleemstellingen der nieuwere Duitse theologen hangen ten nauwste samen met het loslaten van het volstrekte gezag der Heilige Schrift’. Hij noemt dit nu een veel te simplistische systematiek, die aan anderen geen recht laat wedervaren.

Schrikken voor herhaling
‘Ik ben ervan overtuigd, dat Buskes zó door het evangelie gegrepen was, dat hij niet veel last had van ‘de problemen van de Schriftkritiek’. ‘Ik voelde er meer en meer – ik overdrijf niet – iets dramatisch in dat Buskes en Smelik in Assen buiten de kerk waren komen te staan’. ‘Wie de besluiten van de synode van 1967 leest, bespeurt iets van een rekening willen houden met diegenen, die het moeilijk hadden met het loslaten van de traditionele interpretatie’. ‘Wij hebben ook onze ervaring opgedaan [het terugkomen op een vroegere beslissing], zo sterk, dat we haar later nooit meer geheel kunnen vergeten en zij ons doet schrikken voor een herhaling’.

Karl Heim: onopgeloste vragen
Berkouwer gaat nu in op het probleem van de onopgeloste vragen. Hij heeft Vollenhoven eens horen zeggen dat alle vragen oplosbaar zij, mits ze goed gesteld zijn. Karl Heim heeft een brochure geschreven met als titel Bilden ungelöste Fragen ein Hindernis für den Glauben? Als student kom je dit tegen in confrontatie met de wetenschap, en dan vooral de moderne natuurwetenschap. Heim (‘de twijfelaars een twijfelaar’) heeft veel geschreven over de relatie tussen geloven en denken. Zijn hoofdstelling was dat geloven een persoonlijk kiezen is. Voor hem was de aard van het geloof zeer belangrijk: keuze, beslissing, sprong en overgave – woorden, waarin het existentieel karakter van het geloven tot uitdrukking komt.

Hij vreesde geen enkele vraag
Heim was een theoloog die vooral bang was dat kerk en theologie in de moderne wereld geïsoleerd zouden worden, wanneer zij geen oog hadden voor de moderne wetenschappelijke vragen. Hij vreesde geen enkele vraag. Vragen stond voor hem vrij en hij nam de dingen en de feiten ernstig. Daarmee wekte hij bij velen een groot vertrouwen. Heim was ervan overtuigd dat onopgeloste vragen principieel géén belemmering voor het geloof behoeften te zijn, maar hij wilde niet vluchten in een stormvrij gebied. Hij zette zich niet af tegen ‘de ongelovige wetenschap’, want hij bewonderde wat in diepgaand onderzoek aan het licht was gebracht. Hij wist dat verdrongen vragen altijd weer terugkwamen met verhevigde kracht.

Nihilisme of geloof
Heim zag de natuurwetenschap uitmonden in een radicaal relativisme en wees daarbij op Einsteins relativiteitstheorie en Spenglers geschiedenis-filosofie, die leidde tot een fatalistische visie op leven en wereld (‘doemdenken’). Heim was zelf ook meermalen diep onder de indruk van die crisis-situatie (de ‘Nullpunkt-Existenz’), maar hij ging er op in en kon mee-twijfelen. Altijd kwam Heim via vele omwegen weer terug op zijn uitgangspunt. In de nood en de duisternis van een neutrale analyse van de werkelijkheid ontstond de existentiële scheidslijn, waarbij de beslissing moest vallen tussen nihilisme en geloof. ‘Wir sind auf ein Geschenk angewiesen’. Hij vertelde zijn studenten, dat het Christus zelf was, die voor hen kwam te staan ‘als een werkelijkheid’ en dat dit onafhankelijk was van alle denken!

Reformatie gaf valse zekerheid prijs
In de 16e eeuw ontstond er te midden van veel onzekerheid een zoeken naar objectiviteit. De zekerheidsvraag werd opgelost door het normatieve en autoritaire van de kerk. Voor de Reformatie was deze weg onbegaanbaar, omdat op deze wijze de twijfel en de onzekerheid niet worden opgeheven. Volgens Heim moest de Reformatie wel zeer vaste gronden hebben, toen ze deze rooms-katholieke zekerheid prijsgaf.

Verwondering over ongeloof
Heim trad allerlei vormen van twijfel en ongeloof tegemoet met een zekere verwondering, zoals Jezus zich verwondert over het ongeloof in Nazareth. De weerstand tegen wat Hij aan het doen was in kracht en genezing brengt Hem tot de verwondering, waarin Hij op een bepaald moment niet meer kan méédenken, ook al tast Hij ál de muren van hun denken af. Deze verwondering is niet antithetisch, maar het tegendeel. Hij zag dat Zijn tekenen niet voor ieder transparant waren en stuitte op de beperking van Zijn kracht. Heim rekende ermee ‘dat het licht in het leven van de anderen zou opgaan, niet het licht van zijn eigen sympathieke “religieusiteit”, maar van de Heer zelf’, aldus besluit Berkouwer.

Maarten ‘t Hart
Er zijn ook nog ándere vragen, van niet-wetenschappelijke aard: de levensvragen. Maarten ’t Harts bevreemding van het christelijk geloof was voor hem geen kwestie van een bepaalde wetenschappelijke problematiek, maar het was hem te doen om datgene wat hij in het leven zelf aantrof: vragen over de leer van de kerk, de uitverkiezing, de erfzonde, de voorzienigheid van God. ’t Hart zegt dat hij het jammer vindt dat hij Kierkegaard niet eerder heeft leren kennen, want dan was wellicht zijn ontwikkeling een andere geweest.

Ad den Besten
Berkouwer is in dit hele boek opvallend welwillend ten opzichte van Maarten ’t Hart. Ik krijg de indruk dat Berkouwer een ‘allemansvriend’ is, die niemand veroordeelt – maar wat heb je aan zo’n (leids)man? Berkouwer is wel opvallend negatief over Ad den Besten, die constateerde dat er veel aandacht is ontstaan voor de ‘aarde’, voor de daad, om in te gaan tot de nood van de wereld. Dat was zijns inziens begrijpelijk tegenover barre vormen van het piëtisme. Maar hij zag een verlies van het transcendente, een dreigend horizontalisme. Hij luidde de noodklok over dit ‘verraad’. Hij vermeldt als leuzen van deze tijd onder andere dat God geen andere handen heeft dan mensenhanden; voorts dat God nergens anders te vinden is dan bij de verworpenen der aarde, dat het bijbels heil alleen een aardse horizon heeft, dat God dood is, dood dood is en de vervanging van het ‘God is liefde’ door ‘de liefde is God’.

Te zeer generaliserend en zonder nuances
Den Besten ziet al deze leuzen opkomen uit dezelfde tijdgeest, waarin de kerk verraden wordt en de hemel wordt uitgeschakeld. Berkouwer: ‘Ik ben van mening dat men iemand die in een diepe concentratie met die áárdse horizon bezig is, met de uiterste behoedzaamheid moet benaderen en zich moet hoeden voor het oordeel van “verraad”. Het gehele Nieuwe Testament is afkerig van elke concurrentie’. ‘Ik wil Den Besten geen onrecht doen – ik heb te veel aan zijn liederen te danken [hij schreef vele liederen voor het Liedboek] –, maar ben slechts van mening dat hij “de kerk” te zeer generaliserend en zonder nuances heeft gadegeslagen’.

Wiersinga
Merkwaardig genoeg grijpt Berkouwer nu terug naar Wiersinga, een zeer omstreden figuur binnen de GKN. Hij zegt: ‘In alle discussies over Wiersinga’s verzoeningsleer was er nooit ook maar énig verschil over de waarlijk unieke verbondenheid. De waarschuwing van het evangelie klinkt uitgesproken “voorwaardelijk” in zijn oproep – tegenover een onzuivere religiositeit – om de plechtigheid van het offeren te onderbreken, omdat er eerst een broeder moest worden verzoend. Daarná mag hij terug komen en kan de ceremonie worden beëindigd in de vreemde en radicale vrijspraak’.

Gesprek met naaste in plaats van gebed tot God
De leuze ‘gebed kan dan alleen nog de gestalte hebben van het gesprek met de naaste’ vindt Den Besten ook een verraad van ‘de hemel’. Hij ziet dus een verbijsterende wending van het gebed naar het gesprek met de naaste. Berkouwer schiet weer in de kramp: ‘Den Besten noemt ook voor deze leuze geen controleerbare vindplaats’.

Het gebed weer in de belangstelling
Berkouwer zegt het opvallend te vinden dat in onze tijd de vragen rondom het gebed weer bijzondere aandacht hebben gekregen. Barth spreekt onbevangen over ‘menselijke beïnvloeding van God’. Men heeft hem verweten dat dit alleen mogelijk is vanuit een naïviteit, die zonder problemen weer vervalt in een oude wonderwereld van goddelijke interventies, alsof we nog niets geleerd hebben van Bonhoeffers kritiek op allen voor wie God niet meer is dan een ‘Lückenbüsser’, die ingrijpt wanneer wij zelf niet verder kunnen. We horen echter Barth waarschuwen tegen elke capitulatie voor een gesloten wereldbeeld en tegen de uitzichtloosheid van het leven onder de dictatuur van het lot.

Verticaliteit én horizontaliteit
In 1982 inaugureerde Ter Schegget in Leiden over ‘Het gebed als het hart van de ethiek’. Sommigen keken van dit onderwerp nogal op, omdat hij altijd zo intens bezig geweest was met de sociale en politieke aspecten van het evangelie. Het gebed is voor hem geen rituele plicht, geen tegenprestatie of manipulatie, maar een zich uitstrekken naar de toekomst. Nooit staat het gebed als iets ‘verticaals’ los van het gewone leven binnen de aardse horizontaliteit.

Waarom?
Geen theologische publicatie van de laatste jaren heeft zich volgens Berkouwer zo fascinerend en diepgaand beziggehouden met de vragen waarmee de mens in aanraking komt, wanneer hij in deze wereld op zoek is naar de levende God, als het Waarom?-boek van A. van de Beek (1987). Van de Beek vindt dat we ons niet mogen ontrekken aan de vraag of er iets te zeggen valt over de oorsprong van het binnendringen van het kwaad in Gods goede schepping. Hij verwijst eerst naar de schuld van de mens. Hier kunnen en mogen we niet verder gaan. We moeten uitgaan van het feit van de realiteit van het kwaad in deze wereld, een voor ons ontoegankelijk terrein. Van de Beek spreekt van de huiver om bezig te zijn met dingen, die ons niet aangaan. We moeten ons hoeden voor curiositas, nieuwsgierigheid, en hier tegenover kunnen we ‘vertrouwen’ stellen.

Na de pauze
Het is bij Van de Beek niet zo dat, als we hier verder gaan, we als het ware opgelucht verder gaan. Nee, we kunnen alleen maar aarzelend verder gaan, bezorgd om te snel te gaan en zo het eigenlijk kwaad dat wij bedreven te verdoezelen. Berkouwer heeft boven deze paragraaf gezet: ‘Na de pauze’. Wat gebeurt er, wanneer de stilte niet zonder mee gecontinueerd wordt? De ‘pauze’ die moet worden ingelast is er om niet te verdwalen op de wegen der speculatie en van de nieuwsgierigheid. We komen in de theologie voortdurend in aanraking met aarzeling. ‘Hoe menigmaal ervaren we dat er geen sprake is van klare oplossingen. (…) Er kan geen sprake zijn van een triomfalisme in de overgang van het zoeken naar het vinden, en het is begrijpelijk dat wie pretendeert gevonden te hebben en de zoektocht heeft afgelast, altijd weer in de geschiedenis een grote irritatie heeft gewekt. (…) Het zou mij niet moeilijk vallen talloze voorbeelden aan te halen uit de theologie, waarin de aarzeling een rol speelt’. Berkouwer doet hier tamelijk vergaande uitspraken, die tekenend zijn voor zijn levensgang.

Bavinck over de oorsprong der zonde
Bavinck heeft zich ook diepgaand beziggehouden met de vraag naar de oorsprong van de zonde, naar het binnendringen van de zonde in deze wereld. De zonde heeft eigenlijk geen oorsprong, alleen een begin. Hij wijst erop dat de zonde ‘zulk een ontzettende macht is, dat het ondenkbaar is dat zij buiten Gods wil zou zijn ontstaan’. God heeft de zonde in Zijn besluit opgenomen, waardoor deze een ‘plaats krijgt’. Omdat Hij God is ‘heeft Hij haar bestaan en haar macht niet gevreesd, Hij heeft ze gewild, omdat Hij in en tegenover haar Zijn Goddelijke deugden aan het licht zou brengen’. Berkouwer weet nog te vertellen dat Bavinck met verbijstering heeft kennisgenomen van de aardbeving van San Franscisco, waarover hij de opmerking maakte dat het toch wel vreemd en moeilijk was om in de aanschouwing daarvan ‘te blijven denken aan God Die de wereld regeert, in Zijn goedheid’.

Barth: das Nichtige
Barth sprak over de zonde als ‘das Nichtige’. De mens wordt met de zonde geconfronteerd als een macht waartegen hij niet op kan. Op die weg wordt Gods heerlijkheid openbaar in de geschiedenis, waaruit blijkt hoezeer Hij toornt tegen het kwaad. Hij openbaart Zich in de geschiedenis van de mens als de Overwinnaar, ‘Jesus als Sieger’. Barth poneerde dat men soms, ter willen van de zaak, ‘logisch inconsequent’ moet zijn. Barth bedoelde dat de zonde niet geïncorporeerd kan worden in ons logisch denksysteem.

Drukfout in zijn Kirchliche Dogmatik
Barth waarschuwde de kerk voor haar angst en bezorgdheid in deze wereld, alsof er niets gebeurd was, alsof Gods beslissing voor de mens niet gevallen was en alsof we daarop niet mochten bouwen in leven en sterven. Christus heeft de wereld overwonnen. Een triest moment in de geschiedenis van de Kirchliche Dogmatik was dat in Barths beschouwing over ‘das Nichtige’ te lezen stond: ‘das Nichtige is wohl von Gott geschaffen’. Het was één van de weinige drukfouten in de K.D., die door Barth werden gecorrigeerd in een later deel; het moest natuurlijk zijn: ‘nicht von Gott geschaffen’.

Schillebeeckx
Ook Schillebeeckx sprak over de ‘onverklaarbare realiteit’ van de zonde, die niet anders is dan rebellie, een contra-offensief tegen de God van de schepping. De zonde blijft ook volgens Schillebeeckx een raadsel, dat wij niet kunnen oplossen. Er is maar één wijze waarop we over het kwaad kunnen spreken op een verantwoorde wijze, namelijk: door te letten op het Goddelijke antwoord op de menselijke schuld. Hij gebruikt dan een woord dat meermalen bij hem voorkomt: overstijgen. Gods antwoord overstijgt de werkelijkheid van de duisternis. Kuitert schreef in 1956 dat het kwaad niet is ingebouwd in deze schepping; dat ze er alleen maar ‘wederrechtelijk’ is en dat alleen het antwoord van het Goddelijk erbarmen de weg wijst door deze wereld.

Tegenstrijdigheden?
R. Beerling schreef in 1981 Niet te geloven. Wijsgerig schaatsen op godgeleerd ijs. Hij wijst hierin de innerlijke tegenstrijdigheden in het christelijk geloof aan. Hoe kan het bijvoorbeeld dat de Schepper een verbond aan wil gaan met de bewoner van onze planeet, die Zijn plannen dwarsboomt en zich in zondige opstandigheid van Hem afwendt? Waarom houdt Hij het kwaad dan niet tegen? Beerling noemt Berkhofs spreken van ‘de weerloze overmacht’ alleen maar als een vlucht in de theodicee, die in hulpeloosheid het element van de zwakheid opneemt in zijn Godsbesef in een sfeer, zoals later Kushner deed (Als het kwaad goede mensen treft, 1983). Beerling trekt de conclusie dat een godsdienst als de christelijke, naar het woord van Nietzsche, ‘alles belooft, maar niets inlost’.

K.H. Roessingh: het rechts-modernisme
In zijn studententijd kwam Berkouwer in aanraking met een theologisch verschijnsel, dat wat storend werkte op allerlei concepties die ze vanuit Kuyper en Bavinck hadden meegekregen: het rechts-modernisme van de Leidse hoogleraar K.H. Roessingh. Het storende was gelegen in het feit, dat ze ‘modern’ als vanzelfsprekend combineerden met ‘vrijzinnig’. Dat modernisme rechts zou kunnen zijn, maakte een vreemde indruk. Kuyper had in 1871 in een rede getiteld Het modernisme een fata morgana op Christelijk gebied het modernisme een luchtspiegeling genoemd: boeiend schoon maar van werkelijkheid ontbloot.

Tegen het oud-modernisme
Roessingh had krasse, ingrijpende kritiek op het oud-modernisme, dat hem in mening opzicht vreemd was geworden, doordat hij er wezenlijke elementen van het christelijk geloof in miste en hij zo kwam tot een zwenking in zijn theologisch denken. Soms was hij heel scherp: toen een modern theoloog zich uitsprak tegen de leer van de menselijke verdorvenheid, gaf hij ten antwoord: ‘In deze uiting komt het moderne fanatisme tot zijn laatste anti-Christelijke phase’!

Synthese moderne denken en reformatorisch christendom?
Kuypers kritiek op het supranaturalisme en Roessinghs kritiek op het anti-supranaturalisme raken elkaar, omdat ze beiden wilden uitgaan van de transcendentie Gods, die in het determinisme wordt buitengesloten. Daarin lag Roessinghs breuk met het monisme en dat veranderde z’n gehele theologie. Het was Roessingh te doen om de erkenning van een concrete belijdenis van de transcendente genade Gods in Christus. Meer en meer gaat hij wijzen op de noodzakelijkheid van redding en verlossing uit de schuld en daarin komt meer en meer Jezus Christus in het middelpunt te staan. Hij ziet uit naar een synthese tussen het moderne denken en het reformatorisch christendom, al is hij niet zeker, dat zulk een synthese bereikbaar is.

Christus de zin der geschiedenis
Hij erkent Christus als Godsmacht en als realiteit, ‘meer realiteit dan iets anders in de geschiedenis’. Hij gebruikt dan de woorden die Berkhof later bezigt: ‘Christus de zin der geschiedenis’. In 1925 sprak hij over het irrationeel karakter van de geloofszekerheid. Dat betekent voor hem niet een uitschakeling van het denken, maar wel de ontkenning dat men langs de weg van het redelijk denken tot Christus zou kunnen komen. Hij raakte steeds meer overtuigd van de verlossende kracht van Christus, maar bleef de ernst en de noodzakelijkheid van het historisch onderzoek ten volle erkennen. In die combinatie lag een ingrijpend probleem. Was het geloof in Christus dan niet afhankelijk van de resultaten van dat onderzoek?

Don’t forget your soul
‘Voor mij loopt alles samen in Christus als centrum der prediking’. Hij kon over Christus spreken op een zeer persoonlijke wijze. Dit mis ik trouwens in dit boek van Berkouwer! In Roessinghs zoeken naar een christologie komt een belangrijke plaats toe aan de ervaring. Voor hem was dit geen geïsoleerd verschijnsel, maar hing ze samen met heel zijn levenservaring in een verwoeste en verwilderde wereld (hij was ook door de Eerste Wereldoorlog geschokt). Zijn persoonlijk geloof beïnvloedde ook z’n theologie; hij kon beide niet scheiden. Hij herinnerde zijn studenten soms aan een woord van generaal Booth van het Leger des Heils: ‘Don’t forget your soul’.

Grote moeite met orthodoxe Schriftvisie
Roessingh wáágde het met Christus, en dat was geen riskante onderneming, maar een grenzeloos vertrouwen. Christus was hem alles geworden, maar hij zag zich wel gesteld voor het onontwijkbaar probleem van de geschiedenis. Viel er wel een verbinding te leggen tussen het geloof in Christus en de geschiedenis? Moeten dan de getuigenissen aangaande Christus niet éérst – wetenschappelijk – als waarheidsgetuigenissen worden vastgesteld en gelegitimeerd? Roessingh had grote moeite met de orthodoxe visie, voor wie onzekerheden aangaande het Nieuwe Testament waren uitgesloten. Deze weg was volgens hem onbegaanbaar. Tussendoor: nu zijn we benieuwd hoe Berkouwer hier zelf tegen aan kijkt, want hij haalt dit thema niet voor niets aan.

Cahiers voor de gemeente
Ook de GKN ging zich bezighouden met wat het betekende: het Woord Gods in mensenhanden. De ‘Cahiers voor de gemeente’ ontstonden (onder andere van J.L. Koole, Tj. Baarda, R. Schippers, H.M. Kuitert en G.P. Hartvelt). ‘Men deed dat niet in geleidelijke vervaging van de boodschap der Schrift, maar in de overtuiging, dat eerlijkheid en onbevangenheid aan de Schrift nimmer haar betekenis zou kunnen ontnemen’. Men wilde hiermee de gemeente betrekken bij het eerlijke onderzoek der Schriften. Wel ontstond de vrees dat door de accentuering van de volle menselijkheid van de Heilige Schrift de gemeente in verwarring en onzekerheid zou geraken.

G.J. Heering
G.J. Heering, hoogleraar te Leiden, was bevreesd voor isolering, voor een opsluiting in een gesloten circuit van religiositeit, kopschuw tegenover ‘de wetenschap’, die wel eens een bedreiging van de religie zou kunnen worden. Bij hem ontbreekt een cultuur-optimisme. Te diep was daarvoor de breuk in de door hem beleefde wereld. Bij hem geen gevoel van triomfalisme, een zichzelf overschattend christendom. Zijn dogmatiek uit 1935 luidt Geloof en Openbaring. Iemand heeft gezegd dat de receptie van deze dogmatiek pas in het werk van Berkhof ten volle heeft plaatsgevonden. Wanneer Troeltsch zegt: ‘Wij lijden aan problemitis’, dan zegt Heering dat de Duitse theologie aan die ziekte bijna is ten ondergegaan, en hij weigert te blijven dwalen ‘aan de randen van de volslagen skepsis’.

Van boven en van beneden
Heering verdedigde het grondbeginsel van het modernisme, de autonomie. Hij verzet zich tegen een ‘autoritaire’ openbaringsbeschouwing. De mens wordt niet uit- maar ingeschakeld en komt op een vreugdevolle weg van vrijheid, instemming en beaming als daad van het hart. Niettemin blijft de openbaring altijd haar primair karakter behouden. Geloven hangt met een zien, een ontwaren, een ontdekken samen. Het ‘van boven’ als autoritair fenomeen – blindelings te aanvaarden – is met het wezen van de openbaring in strijd. Het ‘van beneden’ – de betrokkenheid – behoudt zin en betekenis. In de weg van het ‘beneden’ wordt het ‘van boven’ in z’n diepe zin verstaan.

Historisch-kritisch
Het ‘van Godswege’ betekent voor Heering niet, dat het zonder bemiddeling tot ons komt. Het tegendeel is het geval. Het evangelie is tot ons gekomen via ‘de bijbelsche geschriften’. De historisch-kritische benadering van de Schrift is noodzakelijk, omdat ze niet is de onbemiddelde, onfeilbare instantie. Heering is diep doordrongen van de grote betekenis van de boodschap. Wel is de vorming van de canon ‘een prachtige greep’, maar hij keert zich tegen elke inspiratie-theorie. Heering wil Paulus zien als apostel, maar ook als kind van zijn tijd. Berkouwer laat iets van zijn mening doorschemeren in dit citaat: ‘We hebben alle reden om Heerings reserves niet te zien als een zich – autonoom – verheffen boven de Schrift, maar ze te bezien in de gehele problematiek van het rechte verstaan van het evangelie’. Dit is typisch Berkouwer: hij valt niemand af, en is niet duidelijk over zijn eigen ontwikkeling, die zeer ingrijpend is geweest.

De zondeval van het christendom
Bij Heering neemt de toekomstverwachting een belangrijke plaats in. In al zijn werken klinkt iets door van het heimwee naar de toekomst van God. Heering is het meest bekend geworden door zijn boek De zondeval van het christendom uit 1928. Hij was ten diepste geschokt door Hirosjima en Nagasaki. Berkouwer: ‘Het was voor wie die tijd meemaakte ook wel het meest spectaculaire moment, die combinatie van bevrijding van zo velen en de middelen, die daarbij een rol hadden gespeeld’. De Eerste Wereldoorlog al toonde volgens hem aan het catastrofale en demonische van de niet te stuiten escalatie die oorlog heet.

Barth over het oorlogsvraagstuk
Volgens Barth kan de christelijke ethiek niet élke vorm van militaire actie veroordelen. Zelden heeft Barth zo zeker en duidelijk gesproken als in zijn beroemde brief van september 1938 aan Hromadka (hoogleraar in Praag), toen in Tsjecho-Slowakije een invasie van Hitlers troepen dreigde. Op de dag van het akkoord van München schreef Barth in zijn agenda: ‘Katastrophe der europäischen Freiheit’. Hij voelde zich in die dagen ‘namenlos allein’ te midden van de jubelzangen en de dankstonden, ook in Zwitserland, voor het bewaren van de vrede. Er waren – zo zegt hij – situaties, waarin alleen nog maar ‘Gewalt gegen Gewalt’ kon worden gesteld. Heering was hierover teleurgesteld.

Kernwapens
Barth zou overigens later erkennen dat hij het gevaar van een kernoorlog niet eerder heeft onderkend. Hij ging er zich steeds feller over uitdrukken. Wapens zijn nu niet meer ‘Waffen des Rechtes’. Nu is ‘Gewalt’ tegenover ‘Gewalt’ een zinloos en uitzichtloos ondernemen geworden. Barth ziet geen mogelijkheid meer nog terug te vallen op de traditionele onderscheiding tussen gerechtvaardigde en ongerechtvaardigde oorlogen. Barth komt dus tot een niet minder scherp protest dan dat van Heering tegen het oorlogsbedrijf.

Bonhoeffer heroverweeg zijn pacifistisch inzicht
De oorlog was voor Bonhoeffer niet een abstract begrip, maar had alles te maken met levende mensen. Moest men het geweld weerstaan óf moest men het geweld over zich heen laten gaan? Bonhoeffer heroverwoog zijn aanvankelijk pacifistisch inzicht. Hij kon steeds minder pleiten voor weerloosheid, nu hij de gevolgen van de overmacht van het nationaal-socialisme met open ogen aanschouwde en hij zocht naar de consequenties van zijn geloof.

Buskes bleef oude standpunt trouw
Jan Buskes was ‘een kleurrijk, emotioneel en dynamisch mens, die in discussies nauwelijks op z’n stoel kon blijven zitten’. Hij ging in velerlei opzicht eigen wegen: z’n socialisme, z’n overgang met een aantal hervormde predikanten naar de PvdA, zijn felle kritiek op de gereformeerde conservatieve geslotenheid, zijn visie op de roeping der kerk. Buskes bleef tot het eind van zijn leven verbonden aan Heering. Hij sloot zich aan bij de stelling van Barth, dat het antisemitisme de zonde tegen de Heilige Geest was. Ten tijde van de jodenvervolging was het voor Buskes niet meer mogelijk om anti-militarist te zijn zonder aanvechting en innerlijke twijfel vanwege de solidariteit met zo velen. Niettemin is hij uit deze spanningen gekomen met een tenslotte toch ongeschokte overtuiging ten aanzien van de oorlog. Toen anderen ‘Kerk en Vrede’ verlieten (één schreef een vlugschrift Ik ga mee en zou in een concentratiekamp onder de meest bittere omstandigheden om het leven komen), schreef Buskes zijn antwoord: Ik blijf. Ook iemand als Miskotte verliet ‘Kerk en Vrede’ in verband met Barths bezwaren tegen het absolute pacifisme.

‘Een diabolisch Godsgeschenk’
Bavinck was al hoogst verontrust over de toekomstige oorlog. De wapens – aldus Bavinck – werden gehaald uit de laboratoria met het gevolg dat ze zich aan elke reglementering en humanisering onttrokken. Dat feit brengt hem tot de vraag of christendom en oorlog nog wel met elkaar te verzoenen zijn, al houdt hij nog vast aan de onderscheiding tussen gerechtvaardigde en ongerechtvaardigde oorlogen. Bavinck waarschuwde ook tegen het belachelijk maken van vredes-congressen. S.G. de Graaf vraagt zich in 1931 af of de tijd niet aangebroken is om elke oorlog als zonde te veroordelen. J. Huizinga spreekt in 1935 over ‘de bezeten wereld, waarin wij leven en waar niemand zich zou verbazen, wanneer plotseling de waanzin zou uitbreken, waarin de arme Europese wereld in verdwazing zou achterblijven, de motoren nog draaiende en vlaggen nog wapperend, maar de geest geweken’. Berkouwer hoorde eens iemand het kernwapen omschrijven als ‘een diabolisch Godsgeschenk’. Dit is zijns inziens het meest schokkende woord dat hij ooit gehoord heeft.

Klaas Schilder: tegen de dialectische theologie
Schilder kwam in conflict met Brunner toen deze gesproken had over de openbaring die altijd tot ons kwam op een indirecte wijze. Het woord indirect heeft Schilder scherp bestreden; hij beluisterde in dat woord iets dat voor hem vol was van de relativiteit van heel de dialectische theologie. Hij zag de dialectische theologie als een proces van ‘Entsicherung’, van minder zekerheid, van een crisis der zekerheden. Schilder zegt ergens dat hij die stemming van de crisis vooral tegenkwam op conferenties, waarin men zich pas echt thuis ging voelen wanneer er weer een of andere waarheid of dogma in de crisis werd gebracht. Schilder ging Barth vooral zien in de sfeer van de ontmanteling van de waarheid.

God geeft geen colleges
Schilder was criticus, maar tegelijkertijd apologeet. Meermalen heeft men hem verweten dat hij zich teveel overgaf aan de neiging tot speculatie. Dit verwijt komt bijvoorbeeld naar voren in verband met de leer van de predestinatie. Schilder was er zelf van overtuigd, dat het niet mogelijk was te komen tot een ‘mooi sluitend systeem’. Hij wees erop dat men moest bedenken dat God ‘geen colleges gaf’, alsof theologie het resultaat was van een puur intellectuele bezigheid zonder meer aan de universiteit.

In alles terug naar de Raad Gods
Schilder schreef dat we in alle dingen terug moeten naar de Raad Gods, net als C. van Til (‘I take my starting point in the council of God’). Volgens Schilder worden we over de Raad Gods door de Schrift onderricht. ‘In deze radicale afwijzing van het verwijt der speculatie ligt opgesloten, dat voor hem de grote beslissing lag in het klaarblijkelijke en onaantastbare Schriftbewijs’.

Tegen het remonstrantisme
Berkouwer vindt de waarschuwing dat Schilders theologie eenzijdig en exclusief is aan te duiden als predestinatietheologie ‘stellig juist en iedereen weet, welke grote plaats het verbond in het theologisch denken van Schilder heeft gehad’. Schilder was zich bewust, geen oplossing te kunnen geven voor de relatie van de predestinatie en de verantwoordelijke menselijke activiteit, maar wilde toch niet blijven staan bij het raadsel. De strijd tussen de remonstranten en de contraremonstranten hebben in Schilders denken ‘een geweldig grote rol’ gespeeld. Hij komt tot de conclusie dat ‘het wezen van het remonstrantisme ligt in de ontkenning van de onveranderlijkheid Gods’.

Verkiezing én verwerping
Herman Ridderbos ontkende dat het Paulus in zijn Romeinenbrief te doen zou zijn om een numerus clausus, het gesloten getal der uitverkorenen. Ridderbos spreekt van de ‘open situatie’. Schilder zag het als een gronddwaling van de Socinianen, dat zij zulk een open situatie predikten en daarom liever van gelovigen en ongelovigen spraken dan van verkorenen en verworpenen. Berkouwer noemt het een zeer scherpe uitspraak van Schilder als hij spreekt van een allereenvoudigste waarheid, die ons door de Schrift wordt geleerd, namelijk ‘dat Gods Raad een hel met millioenen Adamieten heeft willen zien, teneinde in hun straf Zijn rechtvaardigheid en daarin zichzelf als den Rechtvaardigen te verheerlijken’.

Er niet voor teruggedeinsd
Het is één van de meest aangrijpende woorden, die Schilder over de predestinate heeft geschreven. Hij is er niet voor teruggedeinsd en hij wilde slechts de Schrift gehoorzamen, die ons zijns inziens liet zien wat uit deze Raad Gods noodzakelijk volgde. Het is niet gekomen tot een diepgaande discussie hierover. De aandacht van de meesten was meer gericht op al de aspecten van de kerkstrijd (verbond en doop), dan op zijn denken vanuit de Raad Gods.

Niet aanbieden, maar voorstellen!
Wie zou denken dat er bij Schilder voor universaliteit geen plaats was vanwege zijn predestinatieleer, vergist zich. Hij heeft deze universaliteit met nadruk uitgewerkt in zijn leer van het verbond. Kon er ook van een ‘gunstige gezindheid Gods jegens allen’ gesproken worden? Voor Schilder was dat niet het geval; het was veelmeer een objectieve stand van zaken, een weg die God gewezen had en die men moest gaan. Hij sprak dan ook van een ‘voorstellen’, en die ‘voorstelling’ was de inhoud van de algemene prediking. Er was voor Schilder echter geen sprake van een ‘welmenend aanbod’ van de genade. Hij wees op een ‘totaal foutieve opvatting’ van de aanbieding des heils, in wat hij noemt ‘de salonstijl, waarin een gastvrouw iets uitdeelt in een gezelschap en het daarbij aan ieder overlaat de uitnodiging al dan niet te accepteren’. Hij zag daarin de remonstrantse ketterij, waarin de beslissing toch uiteindelijk lag bij de gasten. Hij wees erop, dat bij een dergelijke opvatting geen sprake was van ernst, dat het daarin niet ging om een zaak van leven en dood.

Ultimatum
De nodiging kwam te staan in de sfeer van de objectiviteit, want de weg kon en moest aan allen getóónd worden, de weg van het verbond. Berkouwer kan zich niet aan de indruk onttrekken dat bij Schilder het woord nodiging een verkleuring ondergaat, wanneer hij spreekt van de ‘klemmen van het feodale recht’. Schilder ziet in Matth. 11 Christus niet staan te preken met de ‘zachte, fluiterende stem’, maar hij stelt het woord uit Mattheüs in de context van het ‘oorlogsgeweld’. Het was een roeping, die verbonden was met een dreiging, met een ultimatum.

Waarschuwingen
Meermalen heeft Schilder de roeping van het Evangelie omschreven door gebruik te maken van het beeld van het ultimatum. We komen in Schilders uitwerking van deze gedachte in aanraking met het begrip van de dreiging. Op welke wijze is die dreiging in verbinding te brengen met de rust en de ontspanning die in het Evangelie ligt? Schilder wijst op de Dordtse Leerregels die spreken over ‘waarschuwingen’ met betrekking tot de prediking van het Evangelie. ‘Waarom’, zo vraagt Schilder, ‘is dit element van de dreiging, waarover de klassieke vaderen folianten volschreven, onder ons toch zo schandelijk vergeten, althans veronachtzaamd?’ Hij ziet daarin de symptomen van een ‘verslapt en verlept’ christendom.

Rondom het kruis valt de beslissing
Men kan volgens Schilder niet spreken over de hel zonder tegelijkertijd over de verzoening te spreken. ‘Een gereformeerde gelooft tenslotte aan de hel, omdat hij aan Christus’ kruis gelooft. (…) De hel was hem aanwezig dáár, waar de open hemel hem getoond werd’. Vandaar de verbinding van de prediking van de hel met de verkondiging van de verzoening. En Schilder gebruikte hier ook het woord nodiging. Rondom het kruis valt de beslissing. Het is niet een beslissing die doorzichtig wordt gemaakt vanuit de eeuwige raad van God. Ze speelt zich af in de geschiedenis van het verbond, van de waarachtigheid Gods in Zijn spreken tot de mens, in Zijn beloven en dreiging, in Zijn dreigend beloven.

Tegen alle valse gerustheid
‘Bij de bestudering van de theologie van Schilder in vroeger en in later tijd, ben ik steeds meer tot de conclusie gekomen dat de jaren twintig in de ontwikkeling van Schilders denken een grote en beslissende rol hebben gespeeld. Het was de tijd van zijn scherpe, kritische ecclesiologie, met de protesten tegen alle valse gerustheid’. Berkouwer zegt hier opvallend genoeg dat wij hier misschien wat van kunnen leren, in een tijd waarin als gevolg van een eenzijdige benadrukken van Gods liefde dikwijls gesproken wordt over ‘totale amnestie’.

Niet al te mensvormig van God spreken
Schilder protesteerde tegen simplistische, al te lichtvaardige hantering van allerlei beelden om de waarheid van het Evangelie dicht bij de mensen te brengen (‘antropomorfe prediking’). Als we met Ps. 103 spreken over God als een vader, moet men volgens Schilder niet bij deze mensvormige spreekwijze blijven staan. Men berooft zichzelf dan van de voortgang in de kennis Gods.

We beleven tijden…
Berkouwer besluit dit hoofdstuk: ‘We beleven tijden, waarin vrijwel iedereen verbijsterd is over wat er zoal in de wereld aan het veranderen is. Het is een tijd waarin de vraag naar mogelijke verandering – verandering ook in de kerk – opnieuw actueel wordt, boven alle fatalisme van vele “vijandsbeelden” uit. Het is een vraag over de nog steeds bestaande “barrières” en muren, ver weg èn dicht bij huis, waar het schisma ons blijft achtervolgen. De vraag moet uitlopen op de weigering om te rusten in het “nu eenmaal” van de vrijblijvendheid’.

Rondom de Vrijmaking van 1944
Het nu volgende hoofdstuk, ‘Schisma en wedergeboorte’, over het conflict van 1944, zal ik wat korter bespreken. Berkouwer (die indertijd synodevoorzitter was) begint met te zeggen of het niet beter is om er het zwijgen toe te doen, ook om oude wonden niet weer open te maken? Hij ziet dat van beide zijden vanaf 1944 er ontwikkelingen zijn geweest: de vrijgemaakte kerken hebben zich geïsoleerd, de GKN zijn in een (volgens sommigen) voortgaand proces van afvalligheid. ‘Het zou onjuist zijn deze kritiek te onderschatten en te ontkennen dat er inderdaad binnen de Gereformeerde kerken heel wat gebeurd is in de laatste tijd’. ‘De Vrijgemaakte kerken zijn in menig opzicht veel stabieler gebleven. De onveranderlijkheid van de reformatorische erfenis is hier veel sterker geaccentueerd’.

Onvermijdelijk?
‘Toen ik in 1952 (…) in Amerika aankwam, was het eerste wat ik (…) hoorde, dat Schilder overleden was. Er valt dan een gordijn en het besef groeit van het onherroepelijke, van wat niet meer te repareren is in de persoonlijke verhoudingen’. Berkouwer is het niet eens met een vrijgemaakte predikant die zei dat het eigenlijk niet anders had gekund dat ze uit elkaar waren gegaan, omdat de verschillen zijns inziens zó diep waren. Ten tijde van het conflict ‘heb ik meermalen het gevoel van machteloosheid gekend (…). Hoe is het mogelijk geweest dat het alles doorgegaan is, speciaal in oorlogstijd’. ‘De gedachte leefde in die tijd dat de kerk haar eigen weg moet gaan en zich niet moet laten beheersen door de agenda van de wereld en de mondiale gebeurtenissen’. ‘Maar was het niet de kerkelijke agenda, alleréérst en principieel de tekenen der tijden te verstaan?’

De psychologie van het schisma
‘Zijn het toch misschien persoonlijke verhoudingen geweest die hun invloed hebben doen gelden in de continuering van het conflict?’ Schilder ontkende dat de polemiek uit personalistische motieven of uit persoonlijke karakterologische eigenaardigheden voortkwam en hij had bezwaar tegen de titel van de brochure van S.J. Popma, De psychologie van het schisma. Colijn riep ooit eens de theologen op om voortaan hun debatten te voeren in het Latijn opdat de gemeente er niet door in verwarring zou worden gebracht.

Hoedemaker en Kuyper
Hoedemaker schreef in 1885 aan Kuyper: ‘Het broederhart blijft altijd over, ook waar ik met veel niet mee kan. Van uw persoon en uw bedoeling zullen ze mij afblijven en nooit heb ik getwijfeld, ook maar één ogenblik, aan uw hart’. En in 1889 zei hij: ‘Ik heb o zo veel tegen je en heb veel om en door je geleden, maar als ge zegt er is nog zoveel in mijn hart dat voor je leeft, dan is dit slechts de weerklank van hetgeen bij mij wordt gevonden. Het is mij zelf wel eens een raadsel geweest dat er zo niets, neen geen zweem van persoonlijke bitterheid of iets wat op haat of vervreemding gelijkt bij mij is geboren’. Gunning sprak ooit de hoop uit dat hij ‘Kuyper in dit leven niet meer zou zien’.

Berkouwer en Schilder
Hoe was Berkouwers persoonlijke verhouding tot Schilder? ‘Het valt mij niet moeilijk om over Schilder te schrijven. Hij heeft altijd een belangrijke rol in mijn leven gespeeld, reeds in de jaren twintig. (…) Allerlei artikelen van Schilder hebben ons in die tijd zeer geboeid, niet alleen om de wijze van analyseren, maar ook vanwege de scherpte van zijn polemiek. (…) Zijn leven is gevuld geweest met de aandacht voor de Schrift’. Berkouwer heeft Schilder meermalen bezocht, al in de tijd dat hij predikant was in Delfshaven, en later ook nog in Kampen. ‘Ik moet eerlijk zeggen dat ik weinig last gehad heb van de polemiek waarmee Schilder zich van week tot week bezighield. Ik heb het altijd wat onbillijk gevonden dat men Schilders hele denken en zijn theologie verklaarde uit karakterologische voorkeur voor de polemiek’.

Onvergetelijke ontmoeting
‘Uit mijn gesprekken met Schilder is er één ontmoeting geweest, die voor mij onvergetelijk blijft’. Berkouwer doelt op een lezing die Schilder in Watergraafsmeer hield over de NSB. Daarna heeft hij bij de Berkouwers gelogeerd en hebben ze tot diep in de nacht met elkaar gesproken. De volgende morgen vroeg Schilder bij het ontbijt Berkouwer als medewerker voor De Reformatie. ‘Ik was daar zeer over verbaasd, omdat ik zelf reeds vóór die tijd met Schilder in een polemiek gewikkeld was geweest over de plurifomiteit van de kerk’. ‘Ik meen de verklaring daarvoor te kunnen vinden in het feit, dat ik in 1936 een zeer kritisch boek over Barth geschreven had en in 1938 een andere publicatie over Het probleem der Schriftkritiek, waarin ik ook de beslissingen van Assen nog tegenover Geelkerken verdedigd heb’. Berkouwer nam de uitnodiging niet aan omdat hij sinds 1935 meewerkte aan het Calvinistisch Weekblad.

Schulderkenning
In 1988 verklaarde de gereformeerde synode te Almere dat ze ‘terugkijkend naar de gebeurtenissen van 1944 en volgende jaren, onze droefheid uitspreken over het aandeel van onze kerken in de scheur die ton in onze kerken is gekomen. (…) Onze kerken hebben te weinig oog gehad voor de gewetensnood van broeders en zusters. (…) Daarom hadden onze kerken van tuchtoefening moeten afzien’. Men heeft van vrijgemaakte zijde deze schulderkenning betrokken op de algemene devaluatie/tolerantie van het belijden der kerk binnen de GKN.

Rabies theologorum
‘Wie aan het slot van dit boek de afgelegde weg overziet, zou overvallen kunnen worden door de schrik over het feit, dat er zó veel strijd is gevoerd. (…) We kunnen begrijpen dat de schrik Melanchthon overviel, toen hij gadesloeg wat hij noemde de “rabies theologorum”, de razernij [of de hondsdolheid!] der theologen, waarvan hij zo gaarne zou worden verlost’.

Teleurstellend boek
Voor mij persoonlijk was dit een teleurstellend boek, omdat Berkouwer niet in z’n hart heeft laten kijken, zelfs niet veel in z’n hoofd, want hij beschrijft vooral zonder z’n eigen mening te laten doorschemeren. Om zijn (theologische) ontwikkelingsgang te zien is dit boek dus niet voldoende.

Overige
– ‘Ons niet weten of niet begrijpen kan ons beschermen tegen te snelle antwoorden, die later weer aan twijfel onderhevig zijn’.
– Hoedemaker: ‘Ik onderwind mij zelfs niet te bepalen, met hoeveel dwaling het geloof bestaanbaar is’.
– H. Berkhof stelt aan het einde van zijn boek 200 Jahre Theologie (1985) de onthutstende vraag: ‘Hat es etwas bedeutet?’
– Kuitert zei dat in de gemeente niemand vraagt om ‘Chalcedon-puzzels’.
– Bavinck, die niet veel van rijtjes hield, noemde nota bene acht gronden om de realiteit en de ernst van het aanbod der genade te funderen uit de Schrift. Dit tegenover H. Hoeksema (en C. Steenblok).
– Hepp besluisterde in Schilders idee over het ‘medewerken’ van de gelovige niet ‘het lied van de verloste’, maar ‘een nieuw lied van de arbeid’.
– H.H. Kuyper zei in de jaren twintig: ‘Het spijt me zeer, dat ik het zeggen moet, maar de studenten van tegenwoordig, ook de theologische, zijn niet meer te vertrouwen’.
– Men moet (…) op de hoede zijn voor (…) een theoretisering der zekerheid, in een logische afweer tegen onzekerheid en twijfel’.
– Toen Karl Barth in zijn Kirchliche Dogmatik toegekomen was aan de leer van de schepping, vertelde hij, dat sommigen hem wel zouden vragen, waarom hij zich bij de exegese van Genesis 1 en 2 niet met vragen van de natuurwetenschap had beziggehouden. Hij was tot de conclusie gekomen dat het in de Schrift niet gaat om wetenschappelijke vragen of ontwerpen.
– Bavinck: ‘In de prediking van de kerk [is] dikwerf op een dergelijke manier over de uitverkiezing gesproken dat ze er meer op gericht was velen af te stoten dan om allen te nodigen tot de rijkdom van Gods genade in Christus’.
– ‘Ik deel sommiger kritiek op het “Liedboek” (te veel hemel en te weinig aarde) niet. Het was een verrukkelijk geschenk aan de kerken. De gemeente wordt niet geïndoctrineerd in een egoïstische vroomheid [bedoelt Berkouwer de bundel van Joh. de Heer?]’.
– Berkouwer citeert de bekende rooms-katholieke dichter Gabriël Smit: ‘De dingen staan verslonden in Uw komst / Gij zijt verschrikkelijk nabij’.
– Barth preekte het allerliefst (tot in hoge ouderdom) voor de gevangenen in Bazel; als de ruimte voor de blijde boodschap, ook voor hen die door velen niet anders werden gezien dan als verloren mensen.
– Berkouwer verwijst zonder commentaar naar Kuiterts boek Een gewenste dood (179).
– Bonhoeffer was zich ervan bewust dat het nodig was een zuivering aan te brengen in de religieuze taal, omdat vele woorden over God nauwelijks meer weerklank vinden.
– Newman zei dat ‘duizend vragen samen nog niet één twijfel betekenen’.
– H. Windisch verzette zich in Der Sinn der Bergpredigt (1929) tegen de opvatting dat de bergrede niet een samenstel van normen en regels bevatte, die wij zouden moeten toepassen, maar een onthulling vormde van onze schuld en onmacht.
– ‘Wurth was te zeer leerling van Bavinck om in te stemmen met Hepp, die in het calvinisme de meest “consequente” vorm van christendom zag’.
– Robinson schreef in 1964 Honest to God. Eerlijkheid dus. Daarin ligt ongetwijfeld een aanknopingspunt met Roessingh. Men mocht niet knoeien met feiten, die aan het licht werden gebracht (Allard Pierson).
– Schilder stelde in de belijdenis van de drie-eenheid van God het trinitarisch-historische tegenover de ‘boven-wolken-glorie’ omdat God juist in Zijn openbaring Zich ons onthult als wie Hij waarlijk is en voor ons zijn wil.
– In de Westminster Confessie wordt verklaard, dat de goede consequenties (bona consequentia) die uit de Schrift worden afgeleid, hetzelfde gezag hebben als de Schrift zelf.
– Het was Barth die zei, dat de bekende spreuk ‘God alles, de mens niets’ een heidense spreuk is, alsof God, zoals heidense goden jaloers was op mensen als concurrenten naast Zich.
– F. van der Meer zei zo mooi in Augustinus de zielzorger: ‘God is al nederig en een mens is nog trots!’
– ‘Ik ken geen theoloog binnen de kring der gereformeerde theologie, voor wie de beslissing van Assen-1926 zo inhoudelijk is bepaald als bij Schilder het geval was’.
– Hans Wiegel heeft eens naar aanleiding van de vergaderingen in de Tweede Kamer opgemerkt, dat er een grote opschudding zou zijn ontstaan, wanneer één van de sprekers plotseling na het antwoord van zijn ‘tegenstander’ met de verklaring zou komen dat hij van het woord afzag, omdat hij door de argumentatie ten volle was overtuigd.
– Berkouwer raadde Okke Jager aan te promoveren over ‘het eeuwige leven’, en dat is hem gelukt.
– Het verschil tussen paus Paulus VI en Johannes XXIII zat ‘m hierin: De eerste presenteerde zich ten opzichte van de protestanten als ‘mijn naam is Petrus’, de andere als ‘ik ben Jozef, uw broeder’.
– De ICCC (International Council of Christian Churches), de tegenhanger van de Wereldraad van Kerken, plaatste volgens Berkouwer allerlei ‘waarheden’ naast elkaar, die geloofd moesten worden om waarlijk kerk te kunnen zijn.
– Kuitert sprak (volgens Berkouwer terecht) over de zogenaamde ‘fundamentalisten’ als mensen met ‘een bazige waarheid’.
– Berkouwer is het eens met die Nederlandse katholieken die in de kerk de Herder willen ontdekken en niet het instituut van Rome met z’n macht, praal, pracht en hoge titels.

Gepubliceerd in februari 2009