Zuid-Afrika

n.a.v. Robert Ross, Zuid-Afrika. Een geschiedenis, Amsterdam 2001

Van stormkaap tot hoopkaap
Na 1500 was Zuid-Afrika niet langer het eind van de wereld. Toen Europeanen eenmaal hadden ontdekt hoe zij rond Kaap de Goede Hoop (volgens een legende eerst geheten ‘Kaap der stormen’) vanuit hun vaderland naar de zuidkust van Azië konden varen, kwam er immigratie opgang. De VOC ontdekte de voordelen om vanaf de Kaap op de betrouwbare westenwinden pal oostwaarts te zeilen. In 1652 landde een groepje Nederlanders onder Jan van Ribeeck in de Tafelbaai. Een heuse kolonie ontstond er. Wel was er tegenstand van de oorspronkelijke bewoners. De hele 18e eeuw werden boerderijen overvallen en in brand gestoken, werd vee weggedreven en werden herders vermoord; het was een lange en onregelmatige guerrilla tegen de invallende kolonisten. Een inlander riep de Boeren toe: ‘Wat doen jullie in mijn land? Jullie hebben je alle plekken toegeëigend. (…) Waarom zijn jullie niet gebleven waar de zon ondergaat, waar jullie aanvankelijk vandaan kwamen?’

De VOC
Er kwamen allerlei vrije emigranten uit Europa. Zo ook Franse hugenoten, die recht kregen op delen van het koloniale land, waarop ze boerderijen bouwden. Anderzijds waren er onvrijwillige emigranten, oftewel slaven. De kern van de kolonie werd gevormd door Kaapstad. De VOC had de hoogste macht in de kolonie. Tegen het einde van de 18e eeuw waren de Boeren welvarend genoeg om prachtige gepleisterde boerenhuizen met van kroonlijsten voorziene gevels te bouwen. Vanaf omstreeks 1690 begonnen pioniers, vooral die met weinig vermogen, de bergen over te steken om het binnenland van de Kaap te bezetten. De bevolking van Europese afkomst verdubbelde elke generatie.

Britse overname
Zodoende verdwenen de Boeren uit het bereik van daadwerkelijke politieke controle door het VOC-bewind. Zoals alle Europese pioniers aan de Kaap gingen zij weliswaar prat op hun christendom, maar onder druk van de omstandigheden beleden zij hun godsdienst binnen het huishouden en gingen zeer onregelmatig naar de kerken, die nog niet overal waren. In 1795 veroverden de Britten de Kaap, in het kader van een algehele campagne om hun hegemonie over de wereldzeeën te vestigen. In 1803 werd de kolonie teruggegeven aan de Bataafse Republiek, zoals de Nederlandse staat toen heette. Drie jaar later namen de Britten de kolonie andermaal in.


Humanisering
In de eerste dertig jaar van de 19e eeuw werd het Britse imperialistische optreden in de ogen van de Britten zelf gerechtvaardigd met de bewering dat zij de wereld zouden, of tenminste moesten, verbeteren. Vanaf 1808 werd de slavenhandel naar Britse koloniën verboden, in 1834 werden alle slaven aan de Kaap vrijgelaten. Zendelingen deden pogingen de koloniale samenleving zo in te richten dat hun bekeerlingen daarin een fatsoenlijk christelijk leven konden leiden, of wat zij daaronder verstonden. Het waren hernhutters, later ook Britse non-conformisten en een breed scala van andere protestanten van Britse, Duitse of Frans-hugenootse afkomst.

Gunstige omstandigheden
Drie factoren droegen tot deze expansie bij, waardoor de Kaap waarschijnlijk de kolonie met de meeste zendelingen ter wereld werd. Het klimaat was gezond, er was een maatschappelijke infrastructuur en de eerste zendelingen waren opmerkelijk succesvol. De boodschap van de zendelingen gaf mensen wier wereld door de ervaring van de kolonisatie was ingestort, nieuwe zekerheden.

De Grote Trek
De verwoesting die de oorlog van 1834-1835 veroorzaakte, en de uitkomst ervan, die niet erg gunstig was voor de kolonisten, lagen ten grondslag aan de Grote Trek, de landverhuizing uit de kolonie van enkele duizenden Nederlandstalige inwoners, die nu Afrikaners genoemd werden. Zij waren natuurlijk niet de enigen. Er heerste toenemend ongenoegen over de politiek van de Britten in Zuid-Afrika. Het gevolg was een massale uitbreiding van dat deel van het moderne Zuid-Afrika dat door mensen van Europese afkomst werd overheerst. De Voortrekkers leerden hun defensieve strategie te vervolmaken door het in een kring plaatsen van hun ossenwagen, zodat een lager ontstond dat onneembaar bleek voor het speerwerpende Afrikaanse voetvolk.


Dingaan
Een aantal kleine gemeenschappen werden gesticht. De best ingerichte was die in Zuidwest-Transvaal, rond Potchefstroom, terwijl de gemeenschappen ten noorden en ten oosten altijd klein en kwetsbaar bleven. Een andere groep Vootrekkers verplaatste zich over de Drakenberge, naar wat nu bekendstaat als KwaZulu-Natal. Dit had tot gevolg dat zij in conflict kwamen met het Zoeloekoninkrijk, geregeerd door Dingaan. Deze liet en man of zeventig tijdens hun bezoek aan zijn hoofdstad terechtstellen. De Vootrekkers sloegen terug en werden de heersende macht in Natal.

Weer Britse bemoeienis
De vestiging van de Voortrekkersmacht in Natal vormde een bedreiging voor de kleine Britse handelsgemeenschap in Port Natal (Durban). Toen de Britten deze streek annexeerden keerde het merendeel van de Voortrekkers onder leiding van Andries Pretorius terug over de bergen. Ook het gebied ten westen van de Drakensberge werd geannexeerd door de Britten, die in 1846 een resident instelden in de stad Bloemfontein. Toen twee jaar later een nieuwe Britse gouverneur aantrad verklaarde hij alle gebieden die de Voortrekkers hadden bezet tot Brits grondgebied.

Kerken
De stadjes en dorpjes waren meestal gevestigd rond en Nederduits Gereformeerde Kerk. Vóór 1686 was deze kerk de enige die toegestaan was in de kolonie. Na 1810 nam de dichtheid van kerken toe, doordat de kolonie welvarender werd en ook doordat de Britten hoop koesterden de Boeren tot op zekere hoogte te kunnen verengelsen, door Schotse dominees binnen te halen. Ondanks de grote meerderheid van de Nederlanders verloor de Nederduits Gereformeerde Kerk haar monopolie over het godsdienstige leven in de kolonie. Buiten Kaapstad was het land vrijwel uitsluitend christelijk. In de stad zelf kregen Aziaten in 1800 toestemming een moskee te bouwen.


Paul Kruger
Groot-Brittannië herzag zijn betrekkingen met Europeanen die de kolonie noordwaarts hadden verlaten. Groepjes Boeren werden erkend als Transvaal en de Oranje Vrystaat. In 1867 vonden Boeren diamant. Vanaf dat ogenblik zou mijnbouw en de daarmee samenhangende industrie het voortdurend middelpunt van de Zuid-Afrikaanse economie, evenals van het maatschappelijk en politiek leven vormen. De Britten deden er intussen alles aan om een federatie te bruuskeren. Nationale afkeer van Britse heerschappij kon de kop opsteken onder de geïnspireerde leiding van Paul Kruger. Hij zag eruit en klonk als een levend fossiel en was theologisch conservatief. De Transvalers kwamen in opstand en schoten de Britse strijdkrachten die tegen hen werd uitgezonden aan flarden. De Britten waren nog niet bereid het volle gewicht van hun imperium in te zetten om de regio terug te veroveren. Zodoende erkenden zij in 1881 de nieuwe onafhankelijkheid van de Zuid-Afrikaansche Republiek.

Goudvondst
Halverwege de jaren tachtig van de 19e eeuw veranderden de regels van het politieke spel, doordat ook de economie radicaal veranderde. In die jaren viel de vondst van goud in de heuvels van Zuid-Transvaal en wel in praktische onbeperkte hoeveelheden. Wel was het nodig om drie ton erts te extraheren om een ounce (ongeveer 28 gram) goud te verkrijgen. In 1898 werd meer dan een kwart van de wereldproductie geëxtraheerd. Aan het eind van de 19e eeuw konden Britse politici niet openlijk verklaren dat het doel van hun politiek beheersing van de goudmijnen en de goudproductie was, ze konden het waarschijnlijk niet eens onder vier ogen tegen elkaar zeggen. De Britten gingen steeds meer eisen, totdat Kruger in 1899 voor de keus kwam te staan de staat zoals die toen bestond te ontbinden, of oorlog te voeren met de Britten. Transvaal koos, in bondgenootschap met Oranje Vrystaat, voor oorlog.

De Boerenoorlog
De oorlog die daarop volgde is bekend komen te staan als de Zuid-Afrikaanse Oorlog of de Boerenoorlog, en bij nationalistische Afrikaners als de Tweede Bevrijdingsoorlog. Het was verreweg de grootste militaire confrontatie in de koloniale verovering van Zuid-Afrika, vrijwel tot verrassing van beide zijden. De Transvalers hadden verwacht dat de Britten tot overeenstemming zouden willen komen zodra zij een paar bataljons hadden verloren, zoals dat in 1881 gegaan was. De Britten daarentegen waren ervan overtuigd dat zij binnen een paar maanden noordwaarts Pretoria binnen konden rollen. Beiden kwamen bedrogen uit. De Britten verloren verscheidene slagen, maar daardoor werden ze slechts des te vastberadener om door te gaan. Ze konden zich het verlies van hun internationale status niet permitteren. Het werd een hoogtepunt van imperialistisch fanatisme in Engeland.


Vrouwen en kinderen in concentratiekampen
Er kwamen 200.000 Britten naar Zuid-Afrika om twee republieken te veroveren met een totale blanke bevolking van 300.000. Aan het einde van de oorlog was een tiende van die bevolking dood. De oorlog duurde lang. Britse generaals waren getraind in oudere vormen van oorlogvoering en moesten in de praktijk leren hoe zij zich moesten redden onder omstandigheden die ze niet uit ervaring kenden. Mettertijd echter werden het getalsmatige overwicht de Boerenlegers noodlottig. Paul Kruger vertrok in ballingschap naar Nederland (met een schip die door koningin Wilhelmina was gestuurd). Maar de oorlog was het nog niet afgelopen. De Boeren hielden strooptochten en maakten Britse communicatielijnen onklaar. De Britten reageerden hierop door overal boerderijen en gewassen te plunderen en te verbranden en door Boeren te arresteren, waarbij de mannen het land uit werden gestuurd en de vrouwen en kinderen in concentratiekampen opgesloten werden, waar duizenden aan infectieziekten stierven.

Regering in Pretoria, parlement in Kaapstad
Het Afrikaner verzet wankelde. De ‘bywoners’ (pachters) waren eerder bereid zich over te geven of zelfs over te lopen naar de Britse strijdkrachten. De kleurlingen waren zonder uitzondering erg pro-Brits. De wreedheden die sommige Borencommando’s hadden begaan, zorgde ervoor dat vooral kleuringen loyaal waren aan het Britse imperium. Groot-Brittannië won de oorlog. De Unie van Zuid-Afrika werd op 31 mei 1910 uitgeroepen, met Louis Botha als de eerste premier. Pretoria, in het vroegere Transvaal, werd hoofdstad, met regering en ambtenarij, terwijl het parlement in Kaapstad, ruim 1300 kilometer verderop, terechtkwam. Dit was een compromis. Sinds die tijd zit Zuid-Afrika wel met deze omstandigheid opgezadeld…

Hooggerechtshof in Bloemfontein, geen zwarte politici
Om het nog erger te maken werd de beroepsinstantie van het Hooggerechtshof in Bloemfontein, in de Vrystaat, gevestigd. Alleen op die manier konden de tegenstrijdige eisen van de twee grootste koloniën worden verzoend. Het stemrecht en de politieke integratie van kleurlingen was ook een compromis. Er werden ook plannen gemaakt om blanke vrouwen stemrecht te geven, met als doel het zwarte electoraat te verzwakken, maar dit ging niet door. De regel dat alleen blanke mannen parlementslid konden worden werd formeel bekrachtigd en er werd een bepaling opgesteld voor het aanwijzen van een aantal senatoren die de mening van de kleuringen moesten verwoorden. Dit veroorzaakte natuurlijk massaal protest onder de zwarten. Maar de Britse regering wilde veel liever de Afrikaners met hun inlijving in het imperium verzoenen dan tegemoetkomen aan zwarte grieven. Ze waren er dik tevreden mee Zuid-Afrika als een blank dominion te kunnen behandelen, net als Australië en Canada, geregeerd door een eigen parlement, met een gouverneur-generaal als vertegenwoordiger van de Britse kroon.


Segregatie
De politieke eenmaking van vier koloniën verschafte latente conflicten een aanleiding om duidelijk naar voren te komen. De voornaamste verschillen richtten zich op de inhoud van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Zwarten werden uitgesloten van politieke organen en waren permanent ondergeschikt. Tussen 1910 en de jaren veertig werd deze politiek als segregatie bestempeld. Ten tijde van de Unie waren er bijna zes miljoen Zuid-Afrikanen, iets meer dan tweederde van inlandse afkomst (=zwarten) en eenvijfde van Europese afkomst. In 1948 was de bevolking verdubbeld.

De Wet op de Zwarte Grond
De eerste poging om segregatie door te voeren trof de gebieden op het platteland die onteigend waren ten bate van voor blanken bestemde boerderijen. Het resultaat was de Wet op de Naturellengrond van 1913 (algemeen bekend als de Wet op de Zwarte Grond). Dit betekende in de praktijk dat inlanders/zwarten niet langer in blanke gebieden land konden kopen. De drijfkracht achter deze wet was niet zuiver racistisch. Ze getuigde van een bepaalde visie van de juiste economische verhoudingen binnen de Zuid-Afrikaanse landbouw en in de steden, die het best kan worden omschreven als kapitalistisch.

Veel wilde dieren
Tot de 19e eeuw bezaten het Hogeveld en de Karroo één van de grootste concentraties aan zoogdieren ter wereld. Vooral de Britse militaire kaste begon het massaal afslachten van dieren als ‘sport’ te zien. Maar op den duur werden hele delen van het land, waar nog voldoende wild was, als nationale parken gereserveerd, waar blanken als toeristen konden bekijken wat ze niet langer dood mochten schieten. Het grootste en bekendste van die parken ligt aan de grens met Mozambique, en werd algauw bekend als het Kruger Nationaal Park.


Ontstaan krottenwijken
Steeds meer zwarten gingen in de steden wonen. In sommige steden woonden ze van meet af aan in aparte wijken van de stad. Dit werd tegen het einde van de 19e eeuw meer, toen ze in toenemende mate uit de wijken van de stad gejaagd werden waar ze in nauw contact met blanken leefden, en werden gedwongen zich te vestigen in aparte, gecontroleerde voorsteden. De krottenwijken die zo ontstonden waren natuurlijk eigenlijk zelf uitermate ongezond.

Nelson Mandela
In 1944 werd de Jeugdliga binnen het ANC gevormd. Tot de oprichters ervan behoorde Nelson Mandela, die naar Johannesburg was gekomen om zich te laten opleiden tot advocaat. De Jeugdliga zag het als haar taak een nogal vervallen instelling nieuw leven in te blazen en om te vormen tot een massale protestpartij. Na 1948, toen de Nasionale Party onder dr. D.F. Malan, een Nederduits Gereformeerd predikant, de blanke verkiezingen won en de macht in het land overnam, zou dit meer dan ooit noodzakelijk worden.

Nasionale Party haalt de overwinning
In 1948 behaalde tot vrijwel ieders verrassing de Nasionale Party onder dr. Malan een overwinning. Het was een politieke aardverschuiving. De partij zou op een maand na 46 jaar aan de macht blijven. De partij profiteerde nogal van het kiessysteem, de verordening dat plattelandszetels met minder kiezers konden worden gewonnen dan stedelijke. De leuze van ‘apartheid’ was het parool van de regering. De prioriteit van de regering lag bij de verzekering van de continuïteit van haar macht. De Nasionale Party werd lange tijd niet electoraal bedreigd.


Apartheid
Apartheid kende natuurlijk een ondertoon van diepgeworteld racisme, maar strikt theoretische legden de partij-ideologen van de NP altijd de nadruk op het belang van etniciteit, waarbij zij de uiteenlopende naties van Zuid-Afrika zagen als door God gegeven eenheden. Deze moesten in al hun zuiverheid worden bewaard. De staat nam de taak op zich daarvoor te zorgen. Er waren twee tegenstrijdige visies van apartheid binnen de partij. Enerzijds waren daar de visionair bevlogenen die hoopten een volslagen scheiding tussen blanken en Afrikanen te kunnen bewerkstelligen, met andere woorden het proces waardoor Zuid-Afrika een economisch geïntegreerd land was geworden, stop te zetten en om te keren.

Hendrik Verwoerd
Anderzijds waren er Boeren die juist naar de Nasionale Party overliepen om verzekerd te zijn van zwarte arbeidskrachten. Wat zij van de regering verwachtten was: gedisciplineerde en goedkope zwarte arbeiders. De taak deze tegenstrijdigheden met elkaar te verzoenen en te overwinnen werd toebedeeld aan dr. Hendrik Verwoerd. Hij was in 1902 in Nederland geboren en twee jaar later in Zuid-Afrika aangekomen. Op z’n 26e was hij al professor. Hij werd in 1958 premier.

Miniem onderwijs
Het initiatief van Verwoerd om het Bantoe-onderwijs, zoals het later zou heten, te ondersteunen had de uitwerking dat het Afrikaanse (=zwarte) onderwijs daardoor stevig in de greep van de staat kwam. Het schoolsysteem werd bewust gebruikt om de boodschap van apartheid te verspreiden. Het onderwijs moest beperkt blijven tot die vaardigheden welke nodig waren voor de handhaving van de door blanken gecontroleerde economie.


ANC aangepakt
Op nationaal niveau was er de grote campagne die het ANC begon te voeren gericht op wat het beschouwde als onrechtvaardige wetten. De invloed van Gandhi’s denkbeelden van zelfopoffering als middel tot politiek succes was overduidelijk. Uitverkoren mannen en vrouwen wierpen zich op als politiek martelaar door openlijk de wet te overtreden, en zij werden vaak vergezeld door godsdienstige bijeenkomsten. Het groeiende militantisme leidde tot een gewelddadige reactie van de staat. De Wet op de Onderdrukking van het Communisme stelde de regering in staat al haar tegenstanders te weren van alle vormen van politieke activiteit. In 1955 trof dit 11 van de 27 leden van het ANC-bestuur.

Sharpeville 1960, het verbod op de ANC en de opsluiting van Mandela
In Sharpeville kwamen in 1960 tienduizenden mensen bij elkaar voor demonstraties. Geconfronteerd met een meute die zij niet konden beheersen, raakten de onervaren agenten in paniek en vuurden op de menigte, die op haar best met stenen was gewapend. 69 mensen, onder wie 10 kinderen, kwamen om. Verder verbood de regering de ANC. Dit was het begin van een periode van onderdrukking, die met toe- of afnemende intensiteit bijna dertig jaar zou duren. Het ANC ging ondergronds en stichtte militaire vleugels. Mandela, die naar het buitenland was gegaan om steun te verkrijgen, werd bij zijn thuiskomst gearresteerd. De meeste andere leiders werden ook gevangengenomen. Mandela, Mbeki en anderen werden veroordeeld tot gevangenschap op Robbeneiland, waar de staat er alle vertrouwen in had dat zij de rest van hun leven bikkend in de groeve zouden slijten.

Groei van de economie
Vanaf de jaren vijftig tot diep in de jaren zeventig bleef de Zuid-Afrikaanse economie zeer aanzienlijk groeien. Veel bedrijven profiteerden van het arbeidsstelsel van de apartheid. Op langere termijn waren deze voordelen rampzalig, met als gevolg dat Zuid-Afrika bijzonder slecht was opgewassen tegen de malaise in de wereldeconomie na omstreeks 1973. De economische depressie kon de schoolverlaters (zwarten die met opzet een zo laag mogelijke opleiding kregen) niet opvangen.


Censuur
In 1960, de dag nadat het ANC werd verboden, werd premier Verwoerd door een blanke boer twee keer door het hoofd geschoten, maar opmerkelijk genoeg liep hij daarbij geen ernstige verwondingen op. Zijn ontsnapping werd als wonderbaarlijk gezien en hijzelf zag het als een teken van God. Daarmee werd zijn heerschappij over de partij vrijwel absoluut, en het fanatisme van zijn bewind verergerde. Onder Verwoerd en zijn opvolgers probeerde de regering alle aspecten van het Zuid-Afrikaanse leven te beheersen. Met name de media werden zeer streng gecontroleerd. Drie doelstellingen overheersten daarbij, namelijk het schrappen van verklaringen van de oppositie tegen de regering, de preventie van infiltratie door liberale en socialistische ideeën uit het buitenland, en het behoud van morele zuiverheid. Hiertoe werden boeken, tijdschriften, muziek en films gecontroleerd.

Geen televisie
Het beroemdste voorbeeld was Black Beauty, een klassiek kinderverhaal over een meisje en haar paard. Deze titel werd afgekeurd! De regering beheerste de radio en weigerde een televisiestation te stichten, in de ongetwijfeld terechte veronderstelling dat ze niet in staat zou zijn te voorkomen dat de geïmporteerde programma’s die de televisie dan zou tonen, de samenhang van de Zuid-Afrikaanse samenleving zouden gaan aantasten. De isolatie van Zuid-Afrika van de rest van de wereld kon uiteraard niet volledig zijn. Moderne popmuziek kon Zuid-Afrika via buitenlandse radiostations, met name in Mozambique, binnendringen.

Verkiezingen stellen niets voor
Op gezette tijden werden verkiezingen gehouden, ook al zorgde de Nasionale Party wel dat zij die nooit verloor. Ze kon echter de parlementaire vertegenwoordiging niet monopoliseren. Geestelijken en vooral advocaten konden een zekere vrijheid van handelen en spreken opeisen, en binnen bepaalde beperkingen konden geleerden en journalisten de onrechtvaardigheden van de samenleving aan de kaak blijven stellen.


Elk een eigen thuisland
Vanaf 1986 konden Verwoerd en zijn partij hun eigen visie op maatschappij en samenleving aan het land opdringen. Het beginsel dat zij volgden was ontkenning van enig aandeel in een gemeenschappelijke Zuid-Afrikaanse nationaliteit van al diegenen die niet blank waren. Integendeel, zij behoorden volgens hen tot één van de vele groepen die Zuid-Afrika rijk was. Elk van deze groepen had volgens hen een eigen, historisch thuisland, waarin zij zich konden ontwikkelen volgens hun eigen tradities. Mettertijd werden vier thuislanden inderdaad onafhankelijk: Transkei, Ciskei, Bophuthatswana en Venda, maar geen van de onafhankelijke thuislanden werd door enig land buiten Zuid-Afrika erkend en allemaal waren ze in hoge mate afhankelijk van Zuid-Afrika voor hun budget en binnenlandse veiligheid.

Deportatie
De bevestiging dat iedere Afrikaan beschouwd werd, niet als Zuid-Afrikaan, maar als burger van één of ander apart land binnen de grenzen van Zuid-Afrika, had twee belangrijke gevolgen. Ten eerste kon elke Afrikaan worden gedeporteerd aangezien hij buitenlander was. Zo werden zo’n 3,5 miljoen mensen gedwongen verplaatst, die de pech hadden op de verkeerde plek te wonen. Ze werden afgevoerd naar de dichtstbijzijnde thuislanden, vanwaar zij dan een uur of drie per bus naar hun werkplek moesten reizen en waar ze ook nog eens buitensporige hoge huur moesten betalen voor hun onderkomen.

District Zes
Door de economische recessie en de mechanisatie in de landbouw ontstonden er uitgestrekte krottenwijken. De huizen die zij moesten ontruimen werden vaak goedkoop opgekocht door projectontwikkelaars die banden hadden met de top van de Nasionale Party, en al dan niet na renovatie met veel winst doorverkocht. In Kaapstad was één plek waar deze vorm van uitbuiting niet mogelijk bleek: District Zes, het hart van de gekleurde cultuur in de stad. Die symbolisch bevuilde grond wilde niemand kopen. De wijk ligt nog steeds braak (1999).


Moord op Verwoerd
In 1961 werden de formele banden met het Britse imperium verbroken, toen het land in dat jaar uit de Gemenebest stapte. In 1966 werd Hendrik Verwoerd door een bode in het parlement doodgestoken, schijnbaar zonder duidelijk politiek motief. Die gebeurtenis schokte de nationalisten en de legende wil dat de taxichauffeurs van Kaapstap – allen kleurlingen – met luid toeterende claxons door de stad reden om het te vieren. Verwoerd werd opgevolgd door Balthazar Johannes Vorster, die een reputatie van onbuigzaamheid had. Zijn bewind zou zwaar op de pas opgerichte geheime politie leunen. Hij zette de onderdrukking in het binnenland voort, erger nog dan zijn voorganger.

Paria
In 1965 werden de Hoge Commissaris Gebieden onafhankelijk als Botswana, Lesotho en Swaziland. Zuid-Afrika’s betrekkingen met de landen verder naar het noorden lagen problematisch. Het verkrijgen van de onafhankelijkheid door de meerderheid van de Afrikaanse koloniën had de republiek afgesneden van wat altijd het natuurlijk het natuurlijk achterland was geweest, en toen haar beleid steeds meer afweek van de nieuwe wereld van de jaren zestig, werd zij een paria, zij het dan een steenrijke en machtige paria, naar Afrikaanse begrippen.

Portugese koloniën
Ze werd echter begrensd door nog drie zulke paria’s, Rhodesië (waarvan de piepkleine blanke minderheid de trend van Afrikaanse meerderheidsregeringen had weten te doorstaan) en de Portugese koloniën Angola en Mozambique (waarvan de heersers nog geloofden dat grandeur afhankelijk was van overzeese gebiedsdelen). Of hun inschatting nu juist was of niet, de Zuid-Afrikaanse heersers zagen deze gebeurtenissen als een potentiële bedreiging voor hun eigen overleven. Ze probeerde de voormalige Portugese koloniën te neutraliseren door bewegingen van gewapende oppositie te steunen. Het resultaat was massale verwoesting, die beide landen nog steeds niet te boven zijn.


Treurnichts onderwijsplannen
Zuid-Afrikaanse werkgevers leden verlies doordat de beroepsbevolking onderontwikkeld bleef. Het Afrikaanse onderwijs belichaamde de tegenstrijdigheden die ten grondslag liggen aan apartheid en het werd nog erger toen Vorster besloot dr. Andries Treurnicht aan te wijzen als onderminister voor Bantoe-onderwijs. Deze verordonneerde dat bepaalde vakken, met name wiskunde, in het Afrikaans moesten worden onderwezen, waardoor de kwaliteit van het onderwijs achteruitging – er waren al te weinig leraren wiskunde, laat staan Afrikaanstaligen.

Opstand in Soweto
Deze benoeming werd aanleiding voor een studentenopstand, 15.000 zwarte jongeren gingen de straat op in Soweto. De politie verspreidde traangas waardoor er twee omkwamen. De foto van Hector Petersen, twaalf jaar oud, die dodelijk verwond door Soweto werd gedragen, choqueerde de wereld en werd één van de symbolen voor de wreedheid van apartheid. In de daaropvolgende weken werd de opstand meedogenloos onderdrukt. Vele zwarten werden gedood of werden gearresteerd. De aanvankelijke reactie van de regering op opstand was dus onderdrukking. In de jaren daarna echter begon zij voorzichtig de dogma’s van apartheid à la Verwoerd los te laten. Zodoende was de opstand in Soweto in twee opzichten het begin van het einde van de apartheid.

Verpaupering
De hele 20e eeuw is de bevolking van Zuid-Afrika blijven doorgroeien. Tussen de eenwording en 1996 verzesvoudigde het totale aantal Zuid-Afrikanen, van een krappe 6 miljoen tot een rappe 38 miljoen. Tot 1948 was het percentage blanken in de bevolking min of meer constant, rond 21, begon toen scherp af te nemen, tot het in 1988 nog slechts 14 procent bedroeg (in 1996 werden dergelijke classificaties niet gehanteerd bij de volkstelling). Vooral de zwarte bevolking is dus gestaag en sterk blijven groeien. De verpaupering nam toe. Aangezien het leven in de thuislanden hopeloos was, vestigden zich in toenemende mate zwarten illegaal in de steden van Zuid-Afrika. Ze liepen het risico te worden teruggezet. In sommige steden werden zo wel honderd ‘pasjesovertreders’ per dag uitgezet.


Hoog misdaadcijfer
Een nederzetting (noodkamp/sloppenwijk) die vrijwel onder de aanvliegroute van het vliegveld van Kaapstad lag kon iedereen, inclusief buitenlandse journalisten, goed zien. De politie was onevenredig veel bezig met misdaden tegen blanken begaan. Het geweld in de Zuid-Afrikaanse samenleving was enorm. In het midden van de jaren tachtig was ruim een kwart van alle zwarte sterfgevallen in Kaapstad, Johannesburg en Pietermaritzburg op zijn minst onnatuurlijk, en meer dan de helft ervan was het gevolg van moord. De rest was het gevolg van ongelukken, op de weg, op het werk of thuis. Velen koesterden de hoop om ‘goed te leven, jong te sterven en een knap lijk na te laten’. Er waren straten waar de politie niet durfde te komen. In het hele land leidde de uitzichtloosheid van het leven tot toenemend alcoholisme en drugsgebruik. Het bewapenen van blanke buitenwijken, voor bescherming tegen aan- of overvallen, leidde tot grote beschikbaarheid van vuurwapens, buitgemaakt bij succesvolle overvallen.

Veel ongehuwde moeders
Het geweld in Zuid-Afrika stamt duidelijk voor een deel af van de manier waarop met name jongemannen worden opgevoed. Binnen zwarte samenlevingen en ook onder grote delen van de blanke bevolking werd het algemeen aanvaard dat jongemannen competitief, agressief en dapper hoorden te zijn. Er waren gebieden waar negentig procent van de eerstgeborenen van ongehuwde moeders was. Aan het begin van de jaren zeventig genoot de rijkste 20 procent van de Zuid-Afrikaanse bevolking 75 procent van de welvaart (vergeleken bijvoorbeeld met iets minder dan 40 in de Verenigde Staten). Ziekten als aids zijn zeer verspreid geraakt door het land.

Ruimtelijk segregatie
De scheidslijnen die de apartheid trok werden in de jaren zeventig en tachtig, naarmate de werkloosheid scherper steeg, alleen maar stringenter. Werkloosheid trof vooral jonge zwarten. In de Wes-Kaap stimuleerden boeren na de vrijlating van de slaven alcoholverslaving onder hun arbeiders zodat ze meegaand, zij het weinig doeltreffend werkvolk werden. Tot de jaren tachtig werden zwarte straatventers in kantoorwijken met harde hand verwijderd, in naam van de hygiëne, het beschermen van het blanke voordeel in de concurrentie en later ook uit angst voor ‘terrorisme’. Het lukte Zuid-Afrika een lagelonenland te worden. De locatie van de bedrijven, ver bij de gesegregeerde slaapsteden vandaan (een gevolg van de ruimtelijke segregatie die zo essentieel was voor de apartheid), dwong arbeiders tot hoge kosten, alleen al om bij het werk te komen.


Blanke en zwarte scholieren
In het midden van de jaren zeventig besteedde de overheid 6,5 procent van het bedrag dat een blanke scholier kreeg aan ieder zwart schoolgaand kind. De meeste zwarte kinderen gingen een poosje naar school, maar ruim de helft verliet die na maximaal vier jaar, als ze op zijn best nog halfgeletterd waren. De schoolklassen waren gigantisch. Elke vorm van geestelijke onafhankelijkheid of analytisch denken moest voorkomen worden. Het werd vervangen door stampwerk, in het kader van een discipline die berustte op het hanteren van de stok. Zo gebeurde het dat er zelfs in de jaren negentig amper meer dan 200 zwarten per jaar slaagden voor het eindexamen wiskunde. Dat was natuurlijk niet de manier om een dynamische beroepsbevolking aan te kweken. Geestelijke onafhankelijkheid kon echter niet geheel worden uitgeroeid. Het was bijna onvermijdelijk dat ze haar weg vond in politieke actie.

Botha, de grote krokodil, wordt premier
In 1978 legde John Vorster zijn functie als minister-president neer, om het toen nog grotendeels ceremoniële ambt van president te aanvaarden, niet alleen door slechte gezondheid en uitputting, maar ook door financiële schandalen waarbij hij betrokken was te ontlopen. P.W. Botha werd zijn opvolger, ‘de grote krokodil’, zoals zijn bijnaam was; hij was een angstaanjagende man. In de loop van de jaren tachtig verliep de militarisering van de Zuid-Afrikaanse politiek uiterst rap. Botha verspreidde een programma dat bekendstond als ‘Totale Strategie’. Hij was ervan overtuigd dat Zuid-Afrika het doelwit was van een grootscheepse aanval door het communistime onder leiding van de Sovjet-Unie. Ze zagen het ANC vooral als slaafse volgelingen van Moskou. Het ANC werd inderdaad ook door de Sovjet-Unie geldelijk gesteund, net als door veel westerse landen. Deze nadruk op communistische dreiging vond een welwillend oor in het Washington van Reagan, waar de druk op Zuid-Afrika door de regering-Carter na 1980 afnam.

Sancties
Op de lange termijn waren de problemen onoplosbaar en eind jaren tachtig werd dat ook gezien. De enige belangrijke grondstof die het land moest ontberen was aardolie. De olieboycot kon echter tegen een bepaalde prijs worden omzield. Het waren de afname van de import van kapitaalgoederen en buitenlandse investeringen, die het land veel harder troffen. Zuid-Afrika kreeg de status van internationale paria en werd uitgesloten van de rest van de wereld. Veel landen legden sancties op Zuid-Afrika. De belangrijkste daarvan voltrok zich op de sportterreinen. Vooral het schorsen van internationale rugbywedstrijden vormde een zware psychologische klap voor de Zuid-Afrikanen, die gewend waren hun superioriteit te tonen door hun sportieve prestaties. Rugby werd eind 19e eeuw in Zuid-Afrika geïntroduceerd door Engelstalige particuliere confessionele scholen. Het verspreidde zich snel over alle gemeenschappen. Op plaatselijk niveau bood rugby een mogelijkheid tot het tonen van ruwheid en wreedheid, die centraal stonden in het zelfbeeld van vele blanke Zuid-Afrikaanse mannen. Het genoot dus een grote populariteit.


UDF
In 1984 kwam er een nieuwe grondwet voor het land. het was een typisch voorbeeld van eigengereidheid en halfslachtigheid. Aan de ene kant promoveerde de president van de marionet die hij sinds het uitroepen van de republiek in 1961 geweest was tot een bijna monarchaal heerser over het land (Botha werd van premier president). Anderzijds gaf zij kleurlingen voor het eerste een formeel zegje in het bestuur van het land, via een driekamerparlement. Niet ieder was het met de nieuwe grondwet eens, zowel ter rechter- als ter linkerzijde. In de linkervleugel leidde dit tot de oprichting van het Verenigd Democratisch Front (UDF), dat zou uitgroeien tot de grootste en doeltreffendste oppositiebeweging tegen apartheid. Het UDF zag zichzelf als vertegenwoordiger van het verbannen ANC.

Christelijke tegenstanders
Veel van de prominenste leiders van de oppositie destijds waren overtuigde christenen – vaak geestelijken. Beyers Naudé en Allan Boesak, beiden dominees van de Nederduits Gereformeerde Kerk (de eerste blank, de laatste een kleuring), en de Anglicaanse aartsbisschop van Kaapstad, Desmond Tutu (die na 1994 van cruciaal belang was als voorzitter van de Waarheids- en Verzoeningscommissie), waren wellicht de belangrijksten onder hen. Ze konden het wijdverspreide geloof verwoorden dat oppositie een morele plicht was.

Winnie Mandela
De strijd tegen apartheid werd tegen de zin van het UDF en de ANC in ballingschap soms gewelddadig. De greep die militante jongemannen op de zwarte gemeenschappen hadden kon leiden tot verdere excessen. Nelson Mandela’s vrouw Winnie was de beruchtste. Haar persoonlijke heerschappij over een deel van Soweto was moorddadig geworden. De regering besloot haar daden te tolereren, om de naam Mandela in diskrediet te brengen. In een aantal gebieden liep het verlies van levens uit op de campagne van ‘soldaten maken’. Om ervoor te zorgen dat de regering mettertijd zou moeten zwichten voor de numerieke meerderheid, moesten alle jonge vrouwen binnen een jaar zwanger worden. De ‘jongeren’ waren ten zeerste bereid dit te realiseren.


Noodtoestand
De proclamatie van de noodtoestand, aanvankelijk in bepaalde districten en in juni 1986 voor het hele land verleende de veiligheidstroepen alle volmachten. Het alom neerschieten van demonstranten en het berekenend vermoorden van prominente oppositieleden wakkerde aanvankelijk de revolte slechts aan. De begrafenissen van degenen die zo omkwamen werden grote politieke bijeenkomsten. Begin 1988, toen het UDF en zestien andere organisaties formeel aan banden werden gelegd, had de terreur haar werk gedaan en was de revolte onderdrukt. De overwinning van de regering kwam mede doordat er voldoende aantallen zwarten bereid waren het vuile wek op te knappen.

De Klerk de nieuwe leider
In januari 1989 kreeg Botha een lichte beroerte. Met een kleine meerderheid koos de partijtop in het parlement F.W. De Klerk als nieuwe leider. De Klerk, een gematigd bemiddelaar uit Transvaal, ooit een briljant rechtsgeleerde, werd geacht tot de rechtervleugel van de partij te behoren. Na de verkiezingen liet hij veel vooraanstaande ANC-leden vrij. Op 2 februari 1990 kondigde hij af dat de restricties op het ANC en alle andere verboden organisaties met onmiddellijke ingang werden opgeheven. Negen dagen later verliet Nelson Mandela de Victor Verstergevangenis en werd hij naar Kaapstad gereden, waar hij een grote menigte toesprak vanaf het balkon van het stadhuis. Hij was een lange, statige, grijze man geworden die nog nooit een televisiecamera had gezien. Hij had 27 jaar gevangen gezeten.

Er moeten radicale oplossingen komen
Waarom namen De Klerk en het kabinet met hem de maatregelen die ze hebben genomen? Er was een alternatief – het voortzetten van de onderdrukking – waardoor de regering waarschijnlijk nog z’n tien jaar aan de macht had kunnen blijven. Maar dat was geen optie die De Klerk en zijn onmiddellijke omgeving bereid waren te aanvaarden. Het oorspronkelijke elan van het Afrikaner nationalisme was weg. De stagnatie en het verval van de Zuid-Afrikaanse economie zette de blanke welvaart op de tocht. Er moesten radicale oplossingen worden gevonden, en die konden alleen werkelijkheid worden als de politiek zich zou hervormen. De morele kruistocht tegen Zuid-Afrika begon vruchten af te werpen en de theologische zekerheden die de apartheid hadden geschraagd bezweken onder kritiek, zelfs binnen de gereformeerde kerken waartoe de Afrikaner leiding behoorde, in het geval van De Klerk als overtuigd gelovige.


De val van de Muur
Tenslotte veranderde het instorten van het communistische bewind in Oost-Europa de Afrikaner perceptie van hun tegenstanders en zichzelf. Zij konden niet langer beweren dat zij bastions waren van de christelijke beschaving tegen de horden van het duivelse wereldrijk. Het staat hoe dan ook buiten kijf dat De Klerk en zijn omgeving beraamden dat zij het proces van overgang zodanig konden beheersen dat zij hun eigen belangen veilig konden stellen en waarschijnlijk ook aan de macht konden blijven. Dat zou een misrekening blijken te zijn.

Eerste echte verkiezingen
De geschiedenis van Zuid-Afrika tussen februari 1990 en april 1994 was chaotisch en bloedig. Meteen na de toespraak van De Klerk werd er een begin gemaakt met het ontmantelen van de oude orde. In november 1993 werd er overeenstemming bereikt over een interim-grondwet. Dit betekende een overgang van apartheid naar democratie onder constitutionele continuïteit. Dit was iets waarop zowel Mandela als De Klerk, twee conservatieve advocaten, altijd had gestaan. Er werd een datum bepaald voor de eerste algemene verkiezingen in de geschiedenis van Zuid-Afrika: van 26 tot 29 april 1994. In die dagen brachten bijna 20 miljoen Zuid-Afrikanen hun stem uit. Er vonden geen gewelddadige incidenten plaats tijdens de verkiezingen. Voor de meesten was stemmen een bevrijding, een loutering, een bijna religieuze ervaring. Er vormden zich lange rijen bij de stembureaus, maar de mensen bleven rustig in de zon staan wachten.

Mandela president
Het ANC behaalde ruim 62 procent van de stemmen, een ruime meerderheid, maar onvoldoende om de in staat te stellen grondwet helemaal alleen te schrijven, en verkreeg daarnaast zeven van de negen provincies. De Nasionale Party haalde ruim 20 procent van de stemmen over het hele land, net iets boven de psychologische grens, waardoor zij in staat was De Klerk als één van de vice-presidenten te benoemen. Samen met Thabo Mbeki werd hij dat. Nelson Mandela werd de eerste president van een land waarin de littekens van het verleden tijdelijk verborgen bleven, onder een enorme, jubelende menigte. Er kwam een nieuwe Zuid-Afrikaanse vlag, waarin het rood,wit en blauw van de oude vlag gepaardaan het zwart, groen en goud van het ANC. Mandela sloot zijn inauguratierede af met de woorden: ‘Laat vrijheid heersen. God zegene Afrika’.


ANC mag alleen regeren
De tijd dat een land van euforie kon leven, is vrij beperkt, ook al is die euforie zo groot als Zuid-Afrika die in 1994 meemaakte. Na twee jaar trok De Klerk zich terug uit de regering, met de bewering dat de Nasionale Party meer kunnen betekenen voor de democratische oppositie die het land nodig had, hoewel de partij zichzelf eerder te gronde leek te richten door interne conflicten. Onder deze omstandigheden lag de taak om het land te laten profiteren van de politieke transformatie geheel in handen van het ANC.

Gevaarlijkste steden ter wereld
Alle openbare scholen werden natuurlijk opengesteld voor zwarten. Nieuwe vormen van misdaad staken de kop op. Het aantal gerapporteerde moorden verdubbelde tussen 1989 en 1994, het piekjaar. Johannesburg en Kaapstad bleven twee van de meest door misdaad geplaagde en onveiligste steden ter wereld. Ook verkrachting, altijd endemisch in een samenleving waarin jonge mannen net zoveel culturele verwachtingen van mannelijkheid hadden als beperkte gelegenheid om die tot uitdrukking te brengen, raakte zo wijdverbreid dat een Zuid-Afrikaanse vrouw naar verwachting gemiddeld twee keer in haar leven werd verkracht. Het aantal aids-gevallen steeg snel.

Sport verbroedert
Er werd in 1997 een grondwet van aanzienlijk liberale snit aangenomen. Mandela’s enorme persoonlijke charme, zijn duidelijk volstrekte integriteit en zijn inzicht dat het noodzakelijk was blanken met een door zwarten geleide regering te verzoenen had het gewenste gevolg. Hij werd hierbij grotendeels geholpen door de nationale sportsuccessen. Het winnen van het wereldkampioenschap rugby en de African Nations Cup bij voetbal, waarbij Mandela bij beide gelegenheden openlijk aanwezig was als de zichtbaar ferventste supporter, waren symbolische gezien van groot belang. Voetbal werd evenals rugby door zendingsscholen geïntroduceerd. Voetbal werd de belangrijkste sport die de scheiding van de apartheid doorbrak. In 2010 gaat Zuid-Afrika het WK-voetbal organiseren.

De Waarheids- en Verzoeningscommissie
De Waarheids- en Verzoeningscommissie, voorgezeten door aartsbisschop Tutu, de biechtvader van de natie, zorgde voor immateriële zij het oprechte genoegdoening. De voorwaarden waren dat alle verhalen verteld konden worden, dat zij die toegaven in de periode voor de omslag van de Zuid-Afrikaanse politieke structuur mensenrechten te hebben geschonden – met andere woorden te hebben gemoord en geplunderd – amnestie zou worden verleend. Zij moesten dat doen vóór 10 mei 1997, een periode die later aanzienlijk werd verlengd. In 1999, aan het eind van zijn reguliere ambtstermijn, trad Nelson Mandela af als president. Thabo Mbeki volgde hem op.

Gepubliceerd in september 2008